De hoofdstad van Servië, Belgrado, ligt tegenwoordig al heel
ongunstig en gevaarlijk in de onrustige tijden, die men op het
Balkanschiereiland doormaakt. De groote vijand, al van tientallen
jaren her, is Oostenrijk, en nu ligt Belgrado onmiddellijk aan
de grens van Oostenrijk-Hongarije, dus op de meest blootgestelde
plaats. Een eilandje in de Donau, dat bij het congres van Berlijn
noch aan Oostenrijk, noch aan Servië is toegewezen, is reeds door
oostenrijksche troepen bezet, en de spanning tusschen de naburen
neemt steeds toe.
Servië kan het niet zetten, dat Bosnië en Herzegowina nu voor goed
oostenrijksch zouden worden en verlangt een strook lands op de
grenzen van Montenegro als schadeloosstelling, om zich een uitweg
naar zee open te houden door het bevriende Montenegro heen. Ze
blaken van krijgshaftigheid, die Serviërs, en in het gebouw van het
officierscorps, dat wij hier reproduceeren, vindt die geest redenaars
bereid, om hem onder woorden te brengen. De vrienden van kroonprins
George, spreken luide hun grieven uit tegen den nabuur, die ten eigen
bate zich met de zaken van het Balkanschiereiland bemoeit en hun
stamverwanten, de mohammedaansche Bosniërs, die voor een groot deel
Serviërs van oorsprong zijn, maar mir nichts, dir nichts annexeert.
Het zoo welgeslaagde bezoek van prins George aan het petersburgsche
hof heeft natuurlijk als olie in het vuur gewerkt, en steeds luider
klinken de grieven van Servië. De bewoners der hoofdstad voelen zich
ver van veilig en er is ernstig sprake van, de regeeringsbureaux en
het andere, dat Belgrado tot hoofdstad maakt, te verplaatsen naar
een plek, meer binnenwaarts gelegen.