Het is den 10^{en} Augustus. Jean komt vandaag te Longueval terug.
Bettina wordt vroeg wakker, staat op en loopt dadelijk naar het
venster. De zon schijnt helder, door de nevelen der morgenstond. De
hemel was den vorigen avond met zware wolken bedekt, Bettina heeft
weinig geslapen, steeds had zij tot zich zelve gezegd:
--Als het morgen maar niet regent!
Het wordt een prachtigen dag. Bettina is een weinig bijgeloovig. Het
geeft haar hoop en goeden moed. De dag begint goed, hij zal ook goed
eindigen.
Mijnheer Scott is sedert eenige dagen terug. Bettina wachtte hem, met
Suzie en de kinderen, op de kade van Hâvre, bij de aankomst van den
mailboot op.
Nadat men elkander hartelijk gekust had, zeide Richard lachend, zich
tot zijne schoonzuster wendend:
--Nu, wanneer heeft het huwelijk plaats?
--Welk huwelijk?
--Met den heer Jean Reynaud.
--Heeft Suzie je geschreven?
Suzie? Volstrekt niet... Zij heeft geen woord gezegd--jij zelf hebt
mij geschreven. In al je brieven, is er slechts sprake van dien jongen
officier.
--In al mijne brieven?
--Ja, ja ... en je hebt mij meer, en langere brieven geschreven, dan
anders. Ik beklaag er mij niet over; maar, wanneer stel je mij nu mijn
zwager voor.
Hij schertst maar Bettina antwoordt hem:
--Spoedig, hoop ik.
Mijnheer Scott merkt nu dat het ernst is. Wanneer zij in den trein
zitten, vraagt Bettina hare brieven terug. Zij herleest ze; en
werkelijk, op elke bladzijde staat zijn naam. Jean in den tuin van de
pastorie--en dan nog eens Jean, altijd Jean! Zij merkt nu, dat zij al
veel langer van hem hield, dan zij dacht.
Het is dus den 10^{en} Augustus. Op het kasteel heeft men reeds het
ontbijt genuttigd. Harry en Bella zijn ongeduldig. Zij hebben gehoord,
dat het regiment tusschen een uur en half twee, door het dorp moet
trekken. Men heeft hen beloofd, dat zij er naar mochten gaan zien, en
het is dus ook voor hen, even als voor Bettina eene groote gebeurtenis.
--Tante Betty, zeide Bella, tante Betty, ga mee.
--Ja, kom, zei Harry; wij zullen onzen vriend Jean op zijn grooten
schimmel zien.
Bettina weigert, en toch, hoe verleidelijk is het! Maar neen, zij zal
niet gaan, zij wil hem 's avonds terugzien, zij wil eindelijk tot eene
verklaring komen.
De kinderen vertrekken met hunne gouvernantes. Bettina, Suzie en
Richard zetten zich in het park, dicht bij het kasteel neder, en zij
zijn nauwelijks gezeten, of Bettina zegt tegen Suzie:
--Ik kom je aan je belofte herinneren. Je weet dat wij overeengekomen
zijn, dat, wanneer ik bij zijn terugkeer zeggen zou, "Suzie, ik weet
zeker dat ik hem bemin," je het mij zoudt toestaan, om openhartig met
hem te spreken en hem te vragen, of hij mij tot vrouw wilde.
--Ja, ik heb het je beloofd. Maar ben je er volkomen zeker van?...
--Volkomen. Ik heb het mij voorgenomen om hem hier te brengen ... op
deze zelfde plaats, voegde zij er lachend bij, op deze bank ... en
hem zoowat hetzelfde te zeggen, als jij Suzie, aan Richard gezegd
hebt.--Het is je gelukt ... je bent volkomen gelukkig... Ik wil het ook
zijn! Richard, Suzie heeft je over mijnheer Reynaud gesproken.
--Ja zij heeft mij gezegd, dat zij niemand zoo hoogachtte, als hij;
maar...
--Maar dat het misschien een te burgelijk huwelijk was... O! stoute
zuster! Wil je wel gelooven, Richard, dat ik haar dat maar niet uit het
hoofd kan praten. Zij begrijpt niet, dat ik vóór alles wil beminnen
en bemind wil worden. Verleden week heeft zij mij eenen strik willen
spannen! Je weet misschien dat er een zekeren prins Romanelli bestaat?
--Ja, en dat je prinses had kunnen zijn.
--Dat had niet veel gescheeld.--Welnu, ik heb eens de onvoorzichtigheid
begaan, om aan Suzie te zeggen, dat Prins Romanelli nog misschien
aanneembaar was. Suzie heeft een komplot gesmeed.--Men heeft ons
samen te dineeren gevraagd ... maar de uitkomst was treurig...
Aanneembaar!... Ik heb mij in die twee uren altijd door afgevraagd, hoe
ik ooit zoo iets heb kunnen zeggen... Neen Richard, neen Suzie, ik wil
mevrouw Jean Reynaud zijn--tenminste wanneer mijnheer Jean Reynaud het
wil--en dat is niet eens zeker.
Het regiment trok door het dorp; plotseling hoorde men het vroolijke
geschetter der trompetters, die eene marsch bliezen. Alle drie
bewaarden het stilzwijgen. Het was het regiment, het was Jean die
voorbijtrok... De tonen der muziek werden zachter, stierven weg.
Bettina hernam:
--Neen, het is niet zeker. En toch houdt hij van mij, zeer veel zelfs,
maar zonder goed te weten, wat ik waard ben. Ik geloof, dat ik hem niet
zulk eene vrees zou inboezemen, wanneer hij mij beter kende, en daarom
wil ik van avond ronduit met hem spreken.
--En wij geven onze toestemming, antwoordde Richard... Wij weten dat je
nooit iets zult doen, Bettina, wat niet edel en oprecht is.
--Ik zal het ten minste trachten te doen.
De kinderen kwamen hard aangeloopen. Zij hebben Jean gezien; hij zag
wit van het stof, hij heeft hen goeden dag gezegd.
--Maar hij was niets aardig, zeide Bella, hij heeft niet met ons
gesproken ... anders doet hij het wel, en nu wilde hij niet.
--Ja, hij wilde wel, antwoordt Harry, want hij maakte eene beweging ...
en toen, toen is hij toch vertrokken. U moest eens weten, papa, hoe
goed hij is, hij kan zoo prettig met ons spelen!
--Wat kan hij mooi teekenen!... Weet je nog Harry, die groote hansworst
met zijn stok?...
--En de kat, die groote kat.
De twee kinderen verwijderen zich, terwijl zij nog steeds over hunnen
vriend Jean spreken.
--Zeker is het, zeide mijnheer Scott, dat iedereen hier in huis van hem
houdt.
--En dat zal jij ook doen, zeide Bettina, als je hem kent.
Het regiment heeft zich aan het einde van het dorp in draf gezet. Hier
is het terras, waar Bettina dien morgen gestaan heeft.--Wanneer zij er
eens was! Jean vreest het, en toch hoopt hij het... Hij heft het hoofd
op,--zij is er niet!
Hij heeft haar niet teruggezien! Hij zal haar niet terugzien ... ten
minste, in lang niet. Hij vertrekt nog den zelfden avond, om zes uur,
naar Parijs. Een der Chefs van het ministerie van Oorlog, stelt belang
in hem. Hij wil zich bij een ander regiment over laten plaatsen.
Jean heeft nog eens goed over alles nagedacht, toen hij daar, in
Cercottes, alleen was, en dit is het resultaat: hij kan, hij mag niet
met Bettina trouwen!
De manschappen stijgen in de kazerne af. Jean neemt afscheid van zijn
kolonel en van zijne kameraden. Alles is uit. Hij is vrij, hij kan
vertrekken.... En toch vertrekt hij niet. Hij kijkt nog eens om zich
heen... Hoe gelukkig was hij nog, drie maanden geleden, toen hij te
paard, te midden van het gerommel der kanonnen, het voorplein van de
kazerne afreed! Hoe treurig verlaat hij haar nu! Hier leefde hij ...
waar zou hij nu heengaan?
Hij gaat naar huis, naar zijne kamer. Hij schrijft aan mevrouw Scott;
hij zegt haar, dat hij voor dienstzaken genoodzaakt is, om dadelijk
te vertrekken; dat hij niet kan komen dineeren; hij verzoekt Mevrouw
Scott, zijne groeten aan mejuffrouw Bettina over te brengen...
Bettina!... Het heeft hem moeite gekost dezen naam te schrijven!--Hij
sluit den brief... Hij zal hem straks wegzenden.
Hij maakt de toebereidselen tot zijn vertrek. Daarna zal hij van zijn
peetoom afscheid gaan nemen. Dit is het, wat hem het meeste leed
doet... Hij zal slechts over eene afwezigheid van korten duur spreken.
Hij opent een der laden van zijn schrijftafel om er eenig geld uit te
nemen. Het eerste waar zijn oog op valt, is een klein briefje. Het
eenigste wat hij van haar ontvangen heeft:
"Wilt u de goedheid hebben, aan brenger dezes het boek mede te geven,
waarover gij gesproken hebt? Het is misschien wel wat te ernstig voor
mij... Ik wil het toch trachten te lezen... Tot straks. Kom zoo gauw
mogelijk."
Het was geteekend: Bettina. Jean leest en herleest deze weinige
regels... Maar weldra ziet hij niets meer.--Zijne oogen zijn beneveld.
--Dat is alles wat ik van haar heb! zeide hij tot zich zelf.
Op het zelfde oogenblik is de abbé Constantijn met Pauline bezig hun
geld na te tellen. De financieele toestand is schitterend. Meer dan
twee duizend francs in kas! De wensch van Suzie en Bettina is vervuld:
er zijn geen armen meer in deze streek. De oude Pauline heeft werkelijk
wel eens gewetenswroegingen.
--Ziet u, mijnheer de pastoor, zeide zij, wij geven misschien te veel.
Men zal het in de andere gemeenten hooren, dat men hier met volle
handen geeft, en weet u wat er dan gebeuren zal? Men zal zich arm in
Longueval komen vestigen.
De pastoor geeft vijftig francs aan Pauline; zij gaat het aan een armen
man brengen die zijn arm gebroken heeft.
De abbé Constantijn blijft alleen in de pastorie. Hij is ongerust. Hij
heeft het regiment bij het voorbijgaan opgewacht; maar Jean is slechts
een oogenblik stil blijven staan; hij zag er treurig uit. De abbé had
al lang opgemerkt, dat Jean niet meer zoo vroolijk was. De pastoor
heeft er zich niet ongerust over gemaakt, hij had gemeend, dat het een
weinig hartzeer was, zooals het wel eens meer bij de jeugd voorkomt,
en waarmede zoo'n arme oude priester niets te maken heeft. Maar de
afgetrokkenheid van Jean was van daag te zeer in het oogloopend.
"Ik kom straks, peetoom, had hij tot den pastoor gezegd; ik moet u
spreken."
Hij was haastig vertrokken. De abbé Constantijn had niet eens tijd
gehad om aan Loulou een stukje suiker, of liever de stukjes suiker te
geven, want hij had er vijf in zijn zak gestoken; hij vond dat Loulou
dat wel noodig had, na twintig dagen onder den blooten hemel te hebben
doorgebracht. Overigens, sedert dat mevrouw Scott op het kasteel
was gekomen, werd de abbé Constantijn verkwistend; hij voelde zich
millionair. Eens op een dag, had hij zelfs op het punt gestaan om aan
Loulou die eeuwige toespraak te houden:
--Dit komt van de nieuwe bewoners van Longueval. Bid van avond voor hen.
Het was drie uur toen Jean in de pastorie aankwam; de pastoor vroeg hem
dadelijk:
--Je wildet mij spreken.--Waarover?
--Over iets, peetoom, wat u verwonderen zal en u leed zal doen; en aan
mij ook. Ik kom afscheid van u nemen.
--Afscheid! ga je weg?
--Ja.
--Wanneer?
--Vandaag--over twee uur.
--Over twee uur! maar wij dineeren op het kasteel vandaag.
--Ik heb aan mevrouw Scott geschreven... Ik moet vertrekken.
--Dadelijk?
--Dadelijk.
--Waar ga je heen?
--Naar Parijs.
--Naar Parijs? Hoe is dit zoo plotseling bij je opgekomen?
--Niet zoo plotseling. Ik heb al lang willen vertrekken.
--En je hebt er mij niets van gezegd!--Jean, er is iets... Je bent een
man, en ik heb niet het recht, om je nu nog als een kind te behandelen;
maar je weet hoeveel ik van je houd... Wanneer er iets is, wanneer je
verdriet hebt, waarom het mij dan niet gezegd? Ik kon je misschien een
goeden raad geven. Jean, waarom ga je naar Parijs?
--Ik heb het u niet willen zeggen... Het zal u leed doen... Maar gij
hebt het recht om het te weten... Ik ga naar Parijs, om mij bij een
ander regiment over te laten plaatsen.
--Bij een ander regiment?... van Souvigny weggaan?
--Ja, juist, uit Souvigny gaan.--Voor korten tijd slechts; maar toch
weggaan, dat wil ik, het is noodig.
--En ik dan, Jean, denk je dan niet aan mij?... Voor korten tijd! ...
maar ik zal niet meer zoo lang leven; en den tijd dat ik nog te leven
heb, de dagen die de goede God mij nog schenken zal, Jean, zou ik zoo
gelukkig zijn, wanneer ik wist, dat je bij mij waart. En nu ga je weg!
Jean, wacht nog wat, geduld, het zal niet lang duren; wacht totdat de
goede God mij tot zich geroepen heeft, wacht totdat ik hierboven je
vader en je moeder zal terugzien... Ga niet heen Jean, ga niet heen.
--Wanneer u mij lief hebt, ik heb u ook lief ... en dat weet u wel...
--Ja, ik weet het.
--Ik heb u nog even lief, als toen ik nog een kind was, toen gij mij
tot u genomen hebt, en mij hebt opgevoed. Mijn hart is niet veranderd,
zal nooit veranderen... Maar wanneer de plicht, mijn eer, mij noodzaken
te vertrekken...
--O! wanneer het je plicht, je eer betreft... Dan zeg ik niets meer,
Jean... Dat gaat voor al het andere! Ik heb je altijd als een man
gekend die zijn eer, zijn plicht, ten volle besefte. Ga, mij kind, ga.
Ik vraag je niets. Ik wil niets weten.
--Welnu, ik zal u alles zeggen, riep Jean door aandoening overstelpt,
uit. Het is beter dat gij alles weet. Gij blijft hier, gij zult naar
het kasteel terugkeeren--haar terugzien ... haar!
--Wie--haar?
--Bettina!
--Bettina?
--Ik heb haar lief, peetoom, ik aanbid haar!
--O mijn arm kind!
--Vergeef mij, dat ik zoo tegen u spreek ... maar ik spreek tot u,
zooals ik tot mijn vader zou spreken; en dan ... ik heb er nooit met
iemand over kunnen spreken, en dat drukte mij... Ja, het is eene
dwaasheid, die zich tegen wil en dank van mij heeft meester gemaakt,
want gij begrijpt toch... Mijn God! hier heb ik haar immers leeren
kennen. Gij weet, toen zij hier kwam, met hare zuster... Later heb ik
haar dagelijks ontmoet ... en gij zelf hebt onophoudelijk over haar
gesproken, gij roemdet hare goedheid, hare liefelijkheid. Hoe dikwijls
hebt gij niet gezegd, dat er geen beter wezentje te vinden was.
--En dat vind ik nog... Niemand kent haar beter dan ik. Wanneer je eens
wist, hoe moedig, hoe hartelijk zij is, wanneer wij 's morgens onze
armenbezoeken afleggen! Noch de ellende, noch het lijden schrikt haar
af.--Maar het is verkeerd dat ik je dit zeg...
--Neen, neen, ik wil haar niet terugzien, maar ik wil wel over haar
hooren spreken.
--Jean, je zult nooit van je leven eene vrouw ontmoeten, die beter
is, die zulke verhevene gevoelens heeft. Zelfs zoo, dat eens op een
dag,--zij was mij met een open rijtuig vol kinderspeelgoed komen halen
... zij bracht het speelgoed naar een ziek meisje, en toen zij het haar
gaf, sprak zij zoo lief, zoo hartelijk, dat ik aan jou dacht, en dat ik
tot mij zelve zeide: "Ach, was zij maar arm!"
--Ja, was zij maar arm! maar zij is het niet!
--Helaas, neen... Maar wat wil je, mijn arm kind. Wanneer het je smart,
om haar te zien, om in hare nabijheid te leven--ga dan heen ... en
toch ... en toch...
De oude pastoor liet het hoofd in de handen vallen, en bleef eenige
oogenblikken in gepeins verzonken; toen vervolgde hij:
--En toch, Jean, weet je waaraan ik denk? Ik heb juffrouw Bettina,
sedert hare komst in Longueval, zeer dikwijls gezien. Nu ik er over
nadenk--toen verwonderde het mij niet, het scheen mij zelfs zeer
natuurlijk toe, dat men over je sprak,--en dat deed zij, altijd, altijd.
--Over mij?
--Ja, en over je vader, en over je moeder. Zij wilde weten hoe je
leefde, zij vroeg mij, wat toch eigenlijk het werkelijke bestaan
van een soldaat was, die zijn beroep liefhad en zijne plicht naar
zijn beste weten vervulde. Het is merkwaardig, nu je mij dit gezegd
hebt, vallen mij duizende kleinigheden te binnen. Bijvoorbeeld is zij
voorgisteren om drie uit Hâvre teruggekomen. Welnu, een uur daarna was
zij hier. En dadelijk heeft zij over jou gesproken. Zij vroeg mij, hoe
het je ging, of je mij geschreven hadt, wanneer je terugkwam, hoe laat
het regiment door het dorp kwam.
--Het is onnoodig, peetoom, om deze herinneringen op te halen.
--Neen, het is niet onnoodig. Zij was zoo gelukkig, zoo blij, dat zij
je weer zien zou! Zij verheugde zich op het diner van vanavond. Zij
wilde je aan haar zwager voorstellen, die aangekomen is--ik herinner
mij nog haar laatste gezegde, zij stond daar bij de deur: "wij zijn
maar vijf, u en mijnheer Jean, mijne zuster, mijn zwager en ik". En
zij voegde er lachend bij: "Een echt familiediner." Hierna is zij gauw
weggeloopen. Weet je wat ik geloof, Jean?
Dat moet u niet denken, peetoom, u moet niet...
--Jean, ik geloof dat zij je liefheeft!
--En ik geloof het ook!
--Jij ook?
--Toen ik haar verliet, twintig dagen geleden, toen was zij zoo
aangedaan, zoo bewogen. Zij zag dat ik diep ongelukkig was! Zij wilde
mij niet laten gaan. Het was op het perron van het kasteel. Ik ben
gevlucht--ja--gevlucht. Ik had bijna gesproken, haar alles gezegd.
Nadat ik een eind geloopen had, heb ik mij omgekeerd. Zij kon mij niet
meer zien. Maar ik zag haar. Zij was blijven staan, in den regen, de
hals en armen bloot, en keek mijn kant uit. Misschien is het dwaas van
mij, om dit te denken, misschien was het slechts uit medelijden. Maar
neen, het was geen medelijden, want weet ge wat ze gedaan heeft? Zij is
om vijf uur, in een vreeselijk weer gekomen, om mij met het regiment
voorbij te zien gaan en, daar, zooals zij mij groette... O peetoom!
peetoom!
--Maar dan begrijp ik er niets meer van; zeide de arme pastoor geheel
ontdaan, geheel in de war gebracht. Wanneer jij haar bemint, Jean, en
zij jou liefheeft!
--Maar daarom juist moet ik weg. Als ik het alleen was! wanneer ik
wist, dat zij zich niet van mijne liefde bewust was! dan bleef ik
... dan bleef ik ... alleen om haar te zien, ik zou haar in stilte
beminnen, zonder eenige hoop, uit louter zaligheid haar te kunnen
liefhebben... Maar neen, zij heeft het begrepen ... en in plaats mij
den moed te ontnemen ... daarom moet ik vertrekken.
--Neen, ik begrijp het niet. Ik weet wel, dat ik over dingen spreek,
waar ik niet veel van af weet, maar, gij zijt beiden jong, braaf... Je
bemint haar ... zij bemint jou ... en je kunt niet!...
--En haar geld dan, peetoom, haar geld!
--Wat doet dat er toe! Je hebt haar toch niet om haar geld lief? Eerder
het tegendeel. Je geweten zal daaromtrent wel gerust zijn, Jean, en dat
is genoeg.
--Neen, dat is niet genoeg. Het is niet genoeg, om eene goede meening
van zich zelf te hebben, wanneer die meening niet door anderen gedeeld
wordt.
--O Jean! wie zou aan jou kunnen twijfelen!
--Wie weet?... Er is nog iets, behalve deze geldquaestie, iets dat veel
ernstiger is. Ik ben niet de geschikte man voor haar.
--Wie zou meer waard zijn?...
--Het is hier niet de vraag, wie meer waard is, het is de vraag, wie
zij is, en wie ik ben; wat haar toekomstig leven zijn moet, en het
mijne.--Eens zeide Paul tegen mij,--u weet, hij kan zich zoo ruw
uitdrukken,--wij spraken over haar. Paul wist van niets ... anders ...
hij is goed ... zou hij zeker niet zoo gesproken hebben. Hij zeide:
"Wat zij hebben moet, is een man die haar geheel toebehoort, die geen
andere gedachte heeft, dan om van haar bestaan een eeuwigdurend feest
te maken, in één woord een man, die zich geheel aan haar wijdt." Gij
kent mij... Dat kan ik, dat mag ik niet zijn. Ik ben soldaat en wil
soldaat blijven. Wanneer ik misschien eens, in een klein plaatsje
van de Alpen of in een afgelegen dorp in Algiers geplaatst word, kan
ik dan verlangen dat zij mij volgt? kan ik haar tot dit bestaan van
soldatenvrouw veroordeelen! Denk eens aan het leven dat zij nu leidt,
aan al die weelde, aan alle genoegens?...
--Ja, zeide de abbé, dat is ernstiger dan de geldquaestie.
--Zoo ernstig, dat ik niet aarzelen mag! Ik heb er lang over nagedacht,
die twintig dagen die ik in het kamp heb doorgebracht ... ik heb aan
niets anders gedacht ... en, daar ik haar zoozeer bemin, moet het wel
eene gegronde reden wezen, die mij mijnen plicht zoo duidelijk doet
inzien. Ik moet weg ... ver, ver weg. Ik zal er zeer onder lijden...
Maar ik mag haar niet terugzien!
Jean viel uitgeput in een stoel neder. De oude pastoor keek hem aan.
--Je zoo ongelukkig te zien! mijn arm kind! dat zulk een ongeluk mij
nog moet overkomen!... Het is te wreed, te onrechtvaardig!
Op dit oogenblik werd er zacht aan de deur geklopt.
--O, zeide de pastoor, wees maar niet ongerust Jean ... ik zal ze wel
wegsturen...
De pastoor ging naar de deur, opende haar, en deinsde plotseling voor
eene onverwachte gedaante terug.
Het was Bettina. Dadelijk had zij Jean herkent, en naar hem toegaande,
riep zij uit:
--Gij? O! wat ben ik blij!
Hij was opgestaan... Zij had zijne handen gevat, en, zich tot den abbé
wendend:
--Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de pastoor, dat ik eerst naar hem
toe ben gegaan. U, heb ik gisteren gezien ... maar hem niet in twintig
dagen, sedert dien avond, toen hij treurig en bedroefd van ons gegaan
is.
Zij hield nog altijd de handen van Jean vast. Hij had niet den moed
zich te bewegen, noch een woord uit te brengen.
--Gaat het u nu beter, vervolgde Bettina? Neen, nog niet, ik zie het
... nog steeds treurig... Het is goed dat ik gekomen ben! Het was eene
goede ingeving. En toch spijt het mij dat ik u hier tref. Gij zult mij
misschien beter begrijpen, wanneer gij gehoord hebt, wat ik aan uwen
peetoom kom vragen.
Zij liet de handen van Jean los en zich tot den abbé wendend:
--Ik kom u vragen, mijnheer de pastoor, om naar mijne biecht te
luisteren... Ja, mijne biecht... Gij behoeft niet weg te gaan, mijnheer
Jean. Ik wil mijne bekentenis openlijk afleggen. Ik wil gaarne in uw
bijzijn spreken, en zelfs nu ik er over denk, is het beter zoo. Laat
ons gaan zitten, wilt ge?
Zij was vol vertrouwen en vol moed. Zij had de koorts, maar die koorts,
die aan den soldaat, op het slagveld, moed en doodsverachting geeft.
De aandoening die haar het hart sneller deed kloppen, sproot uit
edelmoedigheid en hooghartigheid voort. Zij had tot zich zelve gezegd:
"Ik wil bemind worden! ik wil beminnen! ik wil gelukkig zijn, en dat
hij gelukkig is! En, daar hij den moed niet heeft, is het aan mij om
dien moed te bezitten, het is aan mij om alleen, het hoofd opgeheven en
met een gerust hart, onze liefde, ons geluk te veroveren!"
Bettina had van het eerste oogenblik af een totaal overwicht over
de abbé en Jean verkregen. Zij lieten haar begaan. Zij voelden dat
het beslissende uur naderde, zij begrepen dat hetgeen nu komen zou,
onherroepelijk was... Zij waren kalm gaan zitten, zij wachtten, zij
luisterden... Tusschen deze twee verschrikte menschen, was Bettina de
eenigste, die hare koelbloedigheid bewaarde. Het was met duidelijke,
heldere stem dat zij begon:
--Ik zal u maar eerst zeggen, mijnheer de pastoor, en dit om u geweten
gerust te stellen, dat ik hier ben, met de toestemming van mijne zuster
en mijn zwager. Zij weten waarom ik gekomen ben, en wat ik ga doen,
zij weten het niet alleen, maar zij keuren het ook goed. Welnu, wat
mij hierheen voert, dat is uw brief mijnheer Jean, waarin gij mijne
zuster schreeft dat gij niet bij ons kondet komen dineeren, en dat gij
vertrekken moest. Deze brief heeft al mijne plannen in duigen doen
vallen... Ik had van avond, na den eten, altijd met de toestemming
van mijne zuster, met u naar het park willen gaan, mijnheer Jean,
en daar op een bank willen gaan zitten,--ik had zelfs de plaats al
uitgezocht,--en dan had ik u eene kleine toespraak gehouden, die ik
bijna uit mijn hoofd heb geleerd; want sedert uw vertrek, denk ik
nergens anders aan; u begrijpt dus, dat uw brief... Ik wist niet wat
te doen... Ik heb eens goed nagedacht en heb tot mij zelve gezegd, dat
wanneer ik deze redevoering tot uwen peetoom richtte, het net zoo goed
zou zijn, of ik het tegen u zeide; en daarom verzoek ik u, mijnheer de
pastoor, mij wel te willen aanhooren.
--Ik luister, mejuffrouw, stamelde de abbé.
--Ik ben rijk, en zeer rijk, en, om u de waarheid te zeggen, ik heb
mijn geld zeer lief. Ik heb er al de weelde aan te danken, die mij
omgeeft, en die mij, ik geef het toe, volstrekt niet onaangenaam is.
Als verontschuldiging kan ik aanwenden, dat ik nog zeer jong ben, het
zal misschien later overgaan... Maar dat is nog niet eens zeker. Ik
heb eene andere verontschuldiging, en die is, dat ik het lief heb,
omdat het mij veel aangenaams bezorgd, en omdat ik er veel goed mede
kan doen. Ik geloof, dat mijn fortuin niet in zulke slechte handen is.
Welnu, mijnheer de pastoor, evenals gij zielenhoeder zijt, zoo ben ik
hoedster van geld. Ik heb altijd gedacht: Ik wil dat mijn echtgenoot,
vóór alles waard is, dit groote fortuin met mij te deelen; ik wil er
zeker van zijn, dat hij er een goed gebruik van zal maken, zoolang als
ik er ben, en, na mij, wanneer ik het eerst opgeroepen word; en dan
dacht ik: "Ik wil mijn echtgenoot beminnen!" Hier begint nu eerst mijne
bekentenis. Er is een man, die sedert twee maanden, al het mogelijke
gedaan heeft, om het voor mij te verbergen, dat hij mij liefheeft...
Maar, ik twijfel er niet aan, dat die man mij bemint... Nietwaar, Jean,
je hebt mij lief?
--Ja, zeide Jean, zacht, met gesloten oogen, als een misdadiger, ik heb
je lief.
--Ik wist het wel; maar, je moest het mij zelf zeggen. En nu, Jean,
wat ik je bidden mag, zeg geen woord. Elk woord zou tevergeefs zijn,
zou mij beletten om tot het einde te gaan, en te zeggen, wat ik je te
zeggen heb. Beloof mij, dat je zwijgen zult...
--Ik beloof het.
Bettina verloor een weinig van hare zekerheid, hare stem beefde. Zij
vervolgde met eene eenigszins gemaakte vroolijkheid:
--Ik wil u niet beschuldigen, mijnheer de pastoor, maar het is een
weinig uwe schuld, wat er gebeurd is.
--Mijn schuld!
--O, spreekt niet tegen mij, u ook niet.
--Ja, ik herhaal het, uwe schuld. Ik weet zeker, dat gij veel goeds
van mij aan Jean gezegd hebt. Misschien had hij er anders niet aan
gedacht... En aan mij ook, hebt gij niets dan goeds gezegd. Toen, ik
heb zooveel vertrouwen in u, heb ik hem met meer oplettendheid gade
geslagen. Ik heb hem met de anderen vergeleken, die sedert een jaar om
mijne hand vragen. Het scheen mij toe, dat hij ver boven de anderen
verheven was.--Toen heb ik, op zekeren avond--de avond voor je vertrek
Jean--gemerkt dat ik je liefhad... Ja, Jean, ik heb je lief! Ik bid je
Jean, zeg niets ... blijf zitten ... kom niet bij mij... Ik had, voor
dat ik kwam, al mijn moed verzameld, maar nu heb ik geen moed meer,
nu is het gedaan. Ik heb toch nog iets te zeggen. Jean, luister goed
naar mij. Ik wil geen overhaast antwoord. Ik weet dat je mij liefhebt.
Wanneer je mij wilt trouwen, wil ik niet dat het alleen uit liefde is;
ik wil dat je er eene reden voor hebt. Je bent mij in den laatsten tijd
zoo hardnekkig ontvlucht, elk gesprek vermijdend, dat ik mij niet heb
kunnen voordoen, zooals ik ben. Ik heb misschien eenige kwaliteiten die
gij nog niet kent...
Jean, ik weet wat je bent, ik weet waartoe ik mij verbind, wanneer
ik je vrouw word, en ik zal niet alleen eene goede, liefhebbende
gade wezen, maar eene moedige, sterke vrouw zijn. Ik ken je geheele
leven, het is je peetoom die mij alles verteld heeft. Ik weet waarom
je soldaat bent, ik weet welke plichten, welke opofferingen je in
de toekomst wachten... Ik zal je nooit van je plicht afhouden, Jean
twijfel daar niet aan. Wanneer ik je iets kwalijk kon nemen, zou het
deze gedachte zijn, die je gekoesterd hebt,--o, je hebt het gedacht!
dat ik je vrij en geheel voor mij wenschte, dat ik je zou vragen om
je loopbaan voor mij op te offeren. Nooit! nooit, zal ik je zoo iets
vragen. Ik heb je lief en zou niet willen dat je anders waart. Daarom
juist, omdat je beter bent dan diegenen die mij tot vrouw wenschten,
heb ik je boven al de andere verkozen. Ik zou minder van je houden,
misschien in 't geheel niet--dat zou mij zeer moeilijk vallen,--wanneer
je leefde, zooals al diegenen leven die ik niet hebben wilde... Wanneer
ik met je mee kan gaan, zal ik mee gaan, daar waar jij zult zijn ligt
mijne plicht, en overal waar jij zult gaan ligt mijn geluk. En wanneer
de dag aanbreekt, om daarheen te gaan, waar je mij niet mee kunt nemen,
de dag, waarop je alleen gaan moet, welnu, Jean, dan beloof ik je, dat
ik moedig wezen zal, om jou ook den moed niet te ontnemen... En nu,
mijnheer de pastoor, het is niet aan hem, maar aan u dat ik mij wend,
... gij moet mij antwoorden ... niet hij. Zeg mij, wanneer hij mij
liefheeft, en mij zijner waardig vindt, is het dan rechtvaardig om mij
voor mijn fortuin te laten boeten? Moet hij mijn hand dan niet aannemen?
--Jean, zeide de oude pastoor ernstig, trouw haar ... het is je plicht
... en het zal je geluk zijn!
Jean ging naar Bettina toe, nam haar in zijne armen en drukte de eerste
kus op haar voorhoofd.
Bettina maakte zich zacht uit zijne omarming los, en zich tot den abbé
wendend:
--Ik heb u nog iets te vragen, mijnheer de pastoor... Ik wilde ... ik
wilde...
--Gij wildet?
--Ik bid u, mijnheer de pastoor, omhels mij.
De oude pastoor kuste haar vaderlijk op beide wangen, toen zeide
Bettina:
--Gij heb mij dikwijls gezegd mijnheer de pastoor, dat gij Jean als een
zoon beschouwdet,--ik ook, nietwaar? ik zal u eene dochter zijn. Nu
hebt gij twee kinderen, dat is alles!
* * * * *
Eene maand daarna, den 12^{en} September, betrad Bettina, in een zeer
eenvoudig bruidstoilet, de kerk van Longueval, terwijl achter het
altaar verborgen, het 9^e bataillon artillerie vroolijke fanfaren
schetterden.
Nancy Turner had verzocht, om bij deze plechtige gebeurtenis het orgel
te mogen bespelen; want het kleine orgel was verdwenen. Een orgel met
pijpen schitterde in het koor der kerk. Het was het huwelijksgeschenk
van Miss Percival aan den abbé Constantijn. De oude pastoor las de
mis. Jean en Bettina knielden voor hem neder; hij sprak de zegen
uit en bleef toen eenige oogenblikken in gebed verzonken, de armen
uitgebreid, met geheel zijn hart de genade des hemels afsmeekend voor
zijne twee kinderen.
Het orgel deed toen dezelfde Rêverie van Chopin hooren, die Bettina de
eerste maal gespeeld had, toen zij de kleine dorpskerk betrad, waar
haar levensgeluk moest bezegeld worden.
En ditmaal was het Bettina die weende.