De week te Fontainebleau was spoedig ten einde, en met den laatsten dag
er van keerden onze schoonzoon en dochter – een aardig paar
tortelduifjes – naar hun nest in de Rue Mirabeau terug. Ik veronderstel
dat het mannetje al lang berouw had over zijn koopje.
Het eerste, dat zij op tafel vonden, was een groot pak in mooi papier
gerold, en eene courant er bij, en twee kaartjes met een wit satijn
lintje aan elkander verbonden. Het pakje bevatte een groot stuk koek,
met suiker bedekt [9]. Op het eene kaartje was gedrukt met eene
gothische letter:
Graaf van Crabs.
op het andere, in zeer klein kursief schrift:
Gravin van Crabs.
In de courant was het volgende te lezen:
„Huwelijk in de groote wereld. – Gisteren, aan de Britsche ambassade,
werden vereenigd de hooggeboren heer John Augustus Altamont
Plantagenet, graaf van Crabs, met Eleonora Emilia, weduwe van wijlen
den luitenant-generaal Sir George Griffin, ridder van de Bath-orde,
enz. enz. Een prachtig déjeuné werd aan het gelukkige paar gegeven door
Zijne Excellentie Lord Bobtail, die de bruid tot aan het altaar
vergezelde. De élite van de buitenlandsche diplomatie, de prins
Talleyrand en de maarschalk hertog van Dalmatië, van wege Z. M. den
koning der Franschen, vereerden de feestelijkheden met hunne
tegenwoordigheid.
„Lord en Lady Crabs zullen eenige weken te St. Cloud doorbrengen.”
De bovenstaande stukken en mijn brief begroetten mijnheer en mevrouw
Deuceace bij hunne terugkomst van Fontainebleau.
Daar ik niet aanwezig was, kan ik natuurlijk niet zeggen, hoe zich
Deuceace daarover uitliet, maar ik kan mij zijne verbazing en die der
arme Matilda zeer goed voorstellen. Zij hadden geen groote behoefte om
uit te rusten na de vermoeijenissen van de reis, want een half uur na
hunne aankomst te Parijs, werden de paarden weder voor het rijtuig
gebragt, en zij kwamen aanhollen, zoo hard zij maar konden, naar ons
buiten te St. Cloud, om onze kuische liefde en ons huwelijksgenot te
stooren.
Mylord lag in een rood satijnen robe de chambre gedost, zeer op zijn
gemak, op een sofa uitgestrekt, zoo als gewoonlijk met eene sigaar in
den mond. Mylady, die niets om de tabakslucht gaf, zat aan het andere
einde van de kamer, bezig met een paar pantoffels, of een overtrek voor
een paraplui, of voor een turfmandje, of eene diergelijke zotternij, in
wol te borduren. Als men dit paar toen gezien had, zou men zich
verbeeld hebben, dat zij minstens eene eeuw lang getrouwd waren
geweest.
Dit huisselijk tête à tête werd door mij gestoord, daar ik zeer
ontsteld binnen trad en uitriep:
„Mylord, daar komen uw zoon en uwe schoondochter aan!”
„Nu – en wat dan?” zeide Lord Crabs, met de meeste bedaardheid.
„Mijnheer Deuceace hier!” riep Mylady uit, zeer ontsteld.
„Ja wel, lieve, mijn zoon komt; maar gij behoeft niet te ontstellen. –
Karel, wees zoo goed en zeg, dat Lady Crabs en ik zeer verblijd zullen
zijn, mijnheer en mevrouw Deuceace te ontvangen, en dat zij het ons
niet moeten euvel duiden, dat wij ze maar zoo en famille afwachten. –
Blijf maar zitten, lieve vrouw – men moet zulke zaken met
koelbloedigheid behandelen.”
Mylady wees met den vinger op eene groote verlakte kist; dezelfde
waaruit zij de papieren had genomen, toen zij ze aan Deuceace het eerst
had laten zien, en gaf den fraaijen gouden sleutel er van aan Mylord.
Ik ging naar buiten, ontmoette Deuceace en zijne vrouw op de stoep,
bragt mijne boodschap over, en geleidde hen, met de meeste
hoffelijkheid, naar binnen.
Lord Crabs stond niet op, maar rookte voort (misschien een weinig
harder dan anders), Mylady zat regt op haren stoel en zag er jeugdig en
bekoorlijk uit. Deuceace trad in de kamer – den linker arm in eene
bandage, aan den regter arm zijne vrouw, en zijn hoed in de hand. Hij
zag zeer bleek en scheen verstoord te zijn; zijne echtgenoote, arm
schepseltje! verborg het gezigt achter den zakdoek, en snikte als of
haar hart gebroken was.
Jufvrouw Kicksey, die in de kamer was (van haar had ik niet gesproken;
in ons huis telde men haar minder dan niets), ging dadelijk naar
mevrouw Deuceace toe en strekte de armen uit – zij had wel een hart die
oude Kicksey, en ik heb haar daarom lief. Het arme bogcheltje wierp
zich in hare armen, met eene soort van gil, en bleef een tijd lang,
weenende en snikkende, als of zij het op de zenuwen kreeg.
Ik begreep, dat er een tooneel plaats zou hebben, en liet daarom de
deur van de kamer even open.
„Welkom te St. Cloud, Algernon mijn jongen!” zeide Mylord, met harde,
hartelijke stem. „Gij dacht, dat gij ons gefopt hadt, – niet waar,
schelm, die gij zijt? Maar wij wisten van alles, beste jongen, wij
kenden de geheele zaak – niet waar, vrouwtjelief? En, zoo als gij ziet,
wij wisten ons geheim beter te bewaren, dan gij het uwe.”
„Ik moet bekennen,” zeide Deuceace buigende, „dat ik mij het geluk niet
voorstelde, dat mij in de gestalte van eene schoonmoeder heeft
verrast.”
„Neen, mijn jongen, neen – neen!” zeide Lord Crabs lagchende: „oude
vogels kan men niet, zoo als de jonge, met lijm vangen. – En zoo zijn
wij dan nu eindelijk allen getrouwd, en gelukkig ook. – Ga zitten,
Algernon, laat ons eene sigaar opsteken, en praten over de gevaren en
avonturen, die de vorige maand heeft opgeleverd. Kom, liefste,” ging
Mylord voort, zich tot zijne echtgenoote wendende, „gij zijt, hoop ik,
niet meer boos op den armen Algernon? Geef hem toch de hand!” voegde
hij er grinnikende bij.
Lady Crabs evenwel stond op en zeide: „Ik heb reeds aan den heer
Deuceace verklaard, dat ik wenschte hem nooit weder te zien of te
spreken; ik zie nu geene reden, om van meening te veranderen.”
Met deze woorden zeilde zij deftig uit de kamer, door de deur, welke
jufvrouw Kicksey open had gelaten, toen zij de arme mevrouw Deuceace in
hare armen naar buiten bragt.
„Nu, nu,” zeide Mylord, toen Lady Crabs de kamer verliet, „ik hoopte,
dat zij u vergeven had; maar ik ken nu de geheele geschiedenis, en wáár
is het, gij hebt haar wreed behandeld. Twee vogeltjes onder hetzelfde
net: dat was uw spel, niet waar, schelm?”
„Meent gij, Mylord, dat gij alles weet, wat tusschen mij en Lady
Griffin – ik bedoel Lady Crabs – gebeurd is – voor onze – onze
oneenigheid?”
„O ja – alles! Gij hebt haar het hof gemaakt, en zij was bijna op u
verliefd – gij hebt haar, om het geld, in den steek gelaten – en uit
wraak zocht zij iemand, om u de hand af te schieten. – Dat is gek voor
het dobbelspel, Deuceace, geen sauter la coupe nu meer. – Ik begrijp
waarachtig niet, hoe gij zonder de dobbelsteenen zult kunnen leven.”
„Dat is wel vriendelijk van u, Mylord,” zeide Deuceace, zeer
kwaadaardig en tevens ongerust wordende, „maar ik ben voornemens, om in
het geheel niet meer te spelen.”
„O – zóó? De getrouwde Benedict [10] gaat zich bekeeren! Het wordt hoe
langer hoe beter – zijt gij voornemens op den duur geestelijke te
worden?”
„Mag ik u verzoeken, Mylord, een weinig ernstiger te willen spreken?”
„Ernstiger? A quoi bon? Ernstig ben ik – ja, ernstig in mijne
verwondering, dat, toen het in uwe keuze was, de eene of andere van
deze vrouwen te nemen, gij de voorkeur kondt geven aan uwe
tegenwoordige, afschuwelijk leelijke echtgenoote!”
„Mag ik nu, op mijne beurt, vragen, hoe het komt, dat gij zoo weinig
moeijelijk in de keuze van eene echtgenoote zijt geweest, dat gij eene
vrouw hebt willen nemen, die pas op uw zoon was verliefd geweest?”
vroeg Deuceace, kwaad wordende.
„Hoe kunt gij toch zulke vragen doen? Ik heb schulden, ten bedrage van
veertig duizend pond – men heeft beslag op alles gelegd te Sizes-hall –
ieder morgen lands, dat ik bezit, is in de handen mijner
schuldeischers; daarom heb ik haar getrouwd. Lady Crabs is eene schoone
vrouw – gek is ze ook lang niet – zij trouwde met mij, om gravin te
worden – ik met haar, om het geld.”
„Nu; dan behoeft gij mij niet te vragen, waarom ik met hare
stiefdochter getrouwd ben.”
„Ja, maar dat moet ik toch doen, beste jongen; hoe drommel kunt gij
leven? De vijf duizend pond van Dawkins zullen niet eeuwig duren, en
wat moet gij naderhand doen?”
„Gij wilt doch niet zeggen, Mylord – gij kunt toch niet – gij bedoelt
waarachtig niet – verd....!” brulde hij opspringende: „gij durft toch
niet beweren, dat jufvrouw Griffin niet tien duizend pond ’s jaars
bezit?”
Mylord was bezig met eene sìgaar op te rollen en tusschen de lippen te
bevochtigen – hij keek eventjes op, toen hij ze opgestoken had, en
zeide zeer bedaard:
„Mejufvrouw Griffin hàd zekerlijk een vermogen van tien duizend pond ’s
jaars –”
„Wel – en hoe zoude zij het nu niet hebben? Heeft zij alles in ééne
week doorgebragt?”
„Nu heeft zij geen cent meer: zij trouwde zonder de toestemming van
hare stiefmoeder!”
Deuceace viel verpletterd op een stoel – nooit heb ik zulk eene
vreesselijke uitdrukking van wanhoop gezien, als op het gezigt van dien
ellendigen te lezen was – hij kromp in één op den stoel – hij knarste
met de tanden – hij verscheurde zijne kleederen – hij trok stuipachtig
met den stomp van den linker arm – tot dat hij, geheel en al uitgeput,
zijn bleek gelaat er mede bedekte, en zich op den stoel achterover
werpende, vrijen loop liet aan zijne tranen.
Bah! het is iets verschrikkelijks, een man te zien weenen – zijne
aandoeningen moeten, als het ware met de wortels, uit de diepte van
zijn hart worden gerukt, eer hij zich op deze wijze lucht geeft. –
Intusschen rolde Mylord zijne sigaar op, begon te rooken en ging voort
te zeggen:
„Mijn waarde jongen, het meisje heeft geen stuiver meer ter wereld. –
Ik had gewenscht, u in vrede te laten, met uwe vier duizend pond;
daarvan hadt gij fatsoenlijk in Duitschland kunnen bestaan, waar men
vijf per cent voor zijn geld krijgt; waar uwe schuldeischers u niet
ontdekt zouden hebben, en waar gij en uwe vrouw van twee honderd pond
’s jaars best had kunnen leven. Maar Lady Crabs wilde er niet van
hooren. Gij hadt haar beleedigd, en nadat zij getracht had u te dooden
en dit haar mislukt was, besloot zij u te gronde te rigten, en daarin
is zij geslaagd. Ik moet evenwel bekennen, dat ik uwe gevangenneming
bestuurde en haar overhaalde, om uwe wissels op te koopen; zij kreeg ze
overigens voor eene kleinigheid, en daar gij alles hebt betaald, heeft
zij ruim twee duizend pond aan de zaak verdiend. Het is waar, het was
pijnlijk voor een vader, zijnen zoon te doen gevangen nemen, mais que
voulez vous? In het openbaar trad ik niet tegen u op. – Zij wilde
bepaaldelijk u tot een bedelaar maken, en het was noodzakelijk, dat gij
getrouwd moest wezen, om dat doel te bereiken; daarom bepleitte ik uwe
zaak bij mejufvrouw Griffin en hielp u tot den gelukkigen mensch maken,
die gij op dit oogenblik zijt. – O, gij schelm! gij schelm! gij dacht,
dat gij tegen uw ouden vader opgewassen waart – niet waar? Maar dat
doet er nù niet toe – het ontbijt zal straks op tafel zijn; intusschen
steek eene sigaar op, en drink een glas Sauterne.”
Deuceace, die deze aanspraak met stilzwijgen had aangehoord, sprong
razend op:
„Ik geloof het niet!” zeide hij, „het is een leugen, een vervl.....
leugen! gesmeed door u, grijze schurk, en door de moordenares en
ligtekooi, die gij tot uwe vrouw hebt gemaakt. Ik wil het niet
gelooven; laat mij het testament zien! Matilda! Matilda?” brulde hij
met heesche stem, de deur open werpende, door welke zij uit de kamer
was gegaan.
„Wees bedaard, mijn jongen, wees bedaard; gij zijt ontsteld en ík heb
medelijden met u, maar gebruik toch zulke gemeene taal niet – geloof
mij, het is geheel en al onnoodig.”
„Matilda!” schreeuwde Deuceace weder, en het arme, kromme schepseltje
kwam de kamer in, gevolgd door jufvrouw Kicksey.
„Is dit waar, wijf?” riep hij uit, haar bij den arm grijpende.
„Wat dan, lieve Algernon?” zeide zij.
„Wat?” schreeuwde Deuceace – „wat? Dat gij eene bedelaarster zijt,
omdat gij zonder de toestemming van uwe stiefmoeder met mij getrouwd
zijt – dat gij mij verraderlijk belogen hebt, om dit huwelijk tot stand
te brengen – dat gij eene bedriegster zijt, in verbond met dien ouden
duivel daar, en zijne helsche vrouw?”
„Wáár is het,” snikte de arme vrouw, „dat ik geen geld heb, maar –”
„Maar – maar – waarom spreekt gij niet op, onnoozele gekkin?”
„Ik heb niets –! Maar gij, waarde man, hebt twee duizend pond ’s jaars.
Is dat niet genoeg voor ons? Gij bemint mij, om mijzelve, niet waar,
Algernon? Gij hebt het mij wel duizend maal gezegd – o, zeg het toch
weder, lieve man, wees toch niet zoo hard tegen mij!” En met deze
woorden zonk zij op de knieën, sloeg den arm om hem heen, en trachtte
zijne hand te, vatten en die te kussen.
„Hoe veel zeidet gij?” vroeg Lord Crabs.
„Twee duizend pond ’s jaars – hij heeft het ons honderd maal verteld.”
„Twee duizend, pond! twee dui... ho, ho, ho! ha! ha! ha!” proestte
Mylord, „ik verklaar, dat ik in mijn leven niets gehoord heb, dat
aardiger bedacht was. – Mijn lief kind, hij heeft geen cent – geen
enkele cent, bij alle goden en godinnen!” En deze voortreffelijke
edelman begon harder dan te voren te lagchen; men moet bekennen, dat
hij een zeer fijngevoelig mensch was.
Er volgde een kort stilzwijgen, en toen begon mevrouw Deuceace, niet te
vloeken en te razen tegen haren echtgenoot, zoo als hij tegen haar had
gedaan, maar zij zeide tot hem:
„O, Algernon, is dit alles wáár?” Toen hief zij zich op, ging naar een
stoel en weende in stilte.
Mylord opende de groote kist: „Indien gij, of uw advokaat, lust mogt
hebben, het testament van Sir George na te zien, het staat tot uwe
dienst – Gij zult de bepaling er in vinden, van welke ik gesproken heb;
volgens deze, is het geheel vermogen nu in het bezit van Lady Griffin,
de tegenwoordige Lady Crabs; en nu begrijpt gij, mijn lieve jongen, hoe
gevaarlijk het is, onberadene gevolgtrekkingen te maken. Lady Crabs
liet u slechts de eerste bladzijde van het testament lezen – zij wilde
u natuurlijk op de proef stellen. Gij dacht, dat gij een slimmen zet
deedt, toen gij mejufvrouw Griffin ten huwelijk vroegt! Let er niet op,
mijne lieve, hij houdt nu van u met de meeste opregtheid – maar gij,
Algernon, hadt beter gedaan, om vooraf het overige van het testament te
lezen. Gij werdt geheel en al gefopt, mijn jongen, om den tuin geleid,
overlist, door uw ouden vader – schurk, die gij zijt. Ik had het u
beloofd, dat weet gij wel, toen gij weigerdet, mij een gedeelte van het
geld, dat gij van Dawkins hadt gekregen, te leenen. Ik had het u
beloofd, en ik heb woord gehouden. Den volgenden dag reeds had ik u in
mijne magt. Laat dit eene les voor u wezen, Percy, mijn jongen; beproef
uw geluk niet weder tegen menschen van ondervinding; verzin eer gij
begint; audi et alteram partem, vriendje, hetgeen zeggen wil, lees het
begin en het einde van een testament. Maar ik geloof, dat het ontbijt
op tafel staat, en ik zie, dat gij niet rookt – Zullen wij naar binnen
gaan?”
„Één oogenblik, Mylord,” zeide Deuceace zeer nederig geworden, „ik zal
geen gebruik van uwe gastvrijheid maken – maar – maar – gij kent mijn
toestand; ik ben van alle middelen beroofd – gij weet ook, op welke
wijze mijne echtgenoote werd opgevoed –”
„Mevrouw Deuceace, mijnheer, zal steeds hier een te huis vinden; even
als of er niets gebeurd was, wat de vriendschap tusschen hare lieve
moeder en haar kon verstoren.”
„En wat mij aangaat,” zeide Deuceace, met eene zeer flaauwe stem, en
zeer langzaam, „ik hoop – ik vertrouw – dat gij mij niet zult
vergeten?”
„U vergeten –? O neen – zeker niet!”
„En dat gij mij eenige hulp zult verleenen –?”
„Algernon Deuceace,” zeide Lord Crabs, van de sofa opstaande en hem met
eene opgeruimde, lagchende kwaadaardigheid aanziende, wier weerga ik
nooit meer heb gezien, „ik verklaar, bij alles, wat heilig is, dat ik u
geen cent zal geven!”
Met deze woorden bood hij de hand aan mevrouw Deuceace, en zeide:
„Kom, mijne lieve, willen wij bij uwe moeder gaan? Hier zijt gij, ik
heb het reeds gezegd, te huis.”
„Mylord,” antwoordde het arme schepseltje, met eene diepe buiging,
„mijn te huis is bij hem!”
Ongeveer drie maanden later, toen het saison begon te Parijs, en de
herfstbladeren afvielen, gingen Mylord, Mylady, ik en Mortimer wandelen
in het Bois de Boulogne; het rijtuig reed langzaam vooruit; wij waren
in eene zeer gelukkige stemming, onder het genot van de schoone
gezigten en het gouden avondrood.
Mylord was aan het praten met Mylady, over de verrukkelijke schoonheid
van het tooneel, en gaf lucht aan zijne gevoelens in eene menigte
heerlijke en stichtelijke uitdrukkingen, die met het oogenblik in
volmaakte overeenstemming waren. Het was aandoenlijk, hem te hooren
spreken.
„Ach,” zeide hij, „het hart moet ongevoelig zijn als steen, dat niet
getroffen wordt door de schoonheid der natuur; dat niet, als het ware,
van den hemel, van waar de zon ons hare vriendelijke stralen toezendt,
eene zee van zaligheid inzwelgt, niet met elken polsslag de genietingen
inademt, die de aarde haren gelukkigen bewoner biedt!”
Lady Crabs gaf geen antwoord, maar zij drukte hem den arm, en rigtte
een blik ten hemel.
Mortimer en ik gevoelden ook iets van den indruk van dit tooneel, en
leunden zwijgende op den gouden knop van onze rottingen. Het rijtuig
bleef op ons wachten, en Lord en Lady Crabs slenterden langzaam er op
toe.
Juist op deze plaats was eene bank, en op de bank zat eene armoedig
gekleede vrouw; tegen een boom leunde een man, dien ik mij verbeeldde,
vroeger gezien te hebben. Hij droeg een kalen blaauwen rok, met witte
naden en blinkende knopen, een versleten hoed bedekte zijn hoofd, lang
haar en een groote baard gaf hem iets buitengemeen afzigtelijks:
daarbij was hij ongeschoren en wit als marmer.
Mylord en Mylady sloegen in het minst geen acht op hem, maar gingen
voorbij naar het rijtuig. Ik en Mortimer namen ook onze plaatsen,
achter op. Op het oogenblik, dat wij hen naderden, had de man de hand
op den schouder van de vrouw gelegd; zij liet het hoofd hangen en
weende bitter.
Zoodra Lord en Lady Crabs in het rijtuig zaten, proestten beide het uit
van lagchen – met de meeste kieschheid en gevoeligheid – harder en
harder gillende en schreeuwende, zoo zelfs, dat de plegtige avondstilte
er geheel en al door gestoord werd.
Deuceace keerde zich om – ik kan mij nog zijn gezigt voorstellen – het
gezigt van een duivel uit de hel! Eerst zag hij naar het rijtuig, en
wees er op met, zijn verminkten arm; toen hief hij den anderen arm op,
en sloeg de vrouw aan zijne zijde met den vuist. – Zij gaf een gil en
viel op den grond!
Arme vrouw –! Arme vrouw!