De volgende dag verscheen: om twaalf uur wachtte het rijtuig, met vier
paarden bespannen, aan de deur van de ambassade, en mejufvrouw Griffin
en de getrouwe Kicksey waren stipt op den bepaalden tijd aanwezig.
Ik zal de huwelijksplegtigheid niet beschrijven – hoe de kapellaan van
de ambassade de handen van dit beminnend paar vereenigde – hoe een der
dienstboden binnen geroepen werd, om tot getuige te dienen – hoe de
bruid weende en flaauw viel, zoo als het behoorde – en hoe Deuceace
haar in onmagtigen toestand in het rijtuig bragt en naar Fontainebleau
reed, waar zij de eerste acht dagen van de wittebroodsweken zouden
doorbrengen.
Zij namen geene dienstboden mede, omdat zij zoo stil mogelijk wenschten
te blijven.
Alzoo – toen ik het portier toegedaan en aan den postillon gezegd had,
dat hij oprijden kon, nam ik afscheid van den heer Deuceace en begaf
mij regtstreeks bij zijn zeer achtingswaardigen vader.
„Is alles afgeloopen, Karel?” vroeg hij.
„Ik zag hen kwart over twaalf trouwen, Mylord,” zeide ik.
„Hebt gij aan jufvrouw Griffin het papier gegeven, dat ik u beval, haar
vóór het trouwen te overhandigen?”
„Ja wel, Mylord, ik deed het in tegenwoordigheid van den heer Brown,
den knecht van Lord Bobtail, die bij eede kan verklaren, dat zij het in
handen heeft gehad.”
Ik heb tot nu toe vergeten te zeggen, dat Lord Crabs mij een papiertje
had doen lezen, dat door Lady Griffin geschreven was, en dat mij
bevolen werd, op bovengemeld tijdstip te bezorgen. Het luidde aldus:
„Krachtens de magt, mij door den uitersten wil van mijn
overledenen, dierbaren echtgenoot gegeven, verbied ik het huwelijk
van mejufvrouw Griffin met den heer Algernon Percy Deuceace. Zoo
me-. jufvrouw Griffin op het huwelijk blijft staan, moge zij zelve
de gevolgen verantwoorden.
„Rue de Rivoli, den 8 Mei 1818.
Eleonora Emilia Griffin.”
Toen ik dit briefje aan jufvrouw Griffin overhandigde, op het oogenblik
dat zij uit het rijtuig stapte, eene minuut of wat voor de komst van
mijnheer, las zij het vlugtig door, en zeide: „Ik lach om de
bedreigingen van Lady Griffin!” Daarop scheurde zij het papiertje
midden door, en ging verder, op den arm leunende van de getrouwe en
gedienstige jufvrouw Kicksey.
Ik raapte het papier op, uit vrees voor ongelukken, en bragt het aan
Mylord. Dat was echter niet noodig geweest, want hij had er een
afschrift van gemaakt, en aan mij en een ander getuige (de
zaakwaarnemer van Lady Griffin) liet hij beiden lezen, voor hij ze uit
handen gaf.
„Best!” zeide hij daarop en haalde uit zijn portefeuille eene even
schoone banknooot van vijftig pond te voorschijn, als hij mij den
vorigen dag had gegeven: „ik houd mijn belofte, Karel! zoo als gij
ziet, gij zijt nu in dienst van Lady Griffin, in plaats van den heer
Fitzclarence, die ontslagen is. Ga bij den kleêrmaker en bestel eene
nieuwe liverei.”
„Maar, Mylord,” viel ik hem in de rede, „dat is niet volgens de
afspraak; ik moest niet in de dienst van Lady Griffin treden, maar bij
–”
„Het komt op hetzelfde neêr!” zeide hij, zich omkeerende.
Ik ging bij den heer Frojé en bestelde eene nieuwe liverei, en ik
ontdekte, dat onze koetsier en de heer Mortimer ook bij hem geweest
waren.
De liverei van Lady Griffin was veranderd, en was van dezelfde kleur
als mijn rok, toen ik bij den heer Deuceace diende, en op de knoopen
was eene verbazend groote grafelijke kroon, in plaats van het wapen der
Griffins, gelijk vroeger het geval geweest was.
Niettegenstaande dit alles, deed ik geene onbescheidene vragen, maar ik
liet mij de maat nemen, en ging dien nacht slapen in de Place Vendôme.
Met het rijtuig ging ik evenwel, gedurende eenige dagen niet uit, daar
Lady Griffin slechts één knecht medenam, in afwachting, zeide zij, dat
haar nieuw rijtuig klaar zou zijn.
Men zal nu wel kunnen gissen, wat er moest gebeuren.
Ik kocht voor mijzelven eene cassette met toiletbehoeften voorzien, een
kistje Eau de Cologne, eenige dozijnen fijne linnen overhemden en witte
dassen, en andere benoodigheden van een man van mijn stand. Zijden
kousen werden ons met de liverei gegeven. Ik eindigde, met den
volgenden, beleefden brief aan mijn vroegeren meester te schrijven:
„De weledel geboren heer Karel Yellowplush aan den hoogwelgeboren
heer Deuceace.”
„Mijnheer! Omstandigheden hebben plaats gehad, sedert ik de eer had
in uwe dienst te zijn, die het mij onmogelijk maken, langer bij u
te blijven. Daarom zoudt gij mij verpligten door mijn linnengoed
ter zijde te leggen, als het Zaturdag van de wasch te huis komt.”
„Place Vendôme.