DE GEVOLGEN.

De Chevalier stierf niet, want de kogel kwam te voorschijn, te midden

van eene hevige koorts en ontsteking – maar hij moest zes weken te bed

blijven, en het duurde langen tijd eer hij geheel en al hersteld was.

Wat mijnheer betreft, het spijt mij te moeten berigten, dat zijn lot

veel erger was, dan dat van zijne tegenpartij. De ontsteking werd

hevig, en – om de treurige geschiedenis zoo kort mogelijk te maken –

men was genoodzaakt zijn arm aan het gewricht af te zetten.

Hij verdroeg dit, dat spreekt, met den meesten moed, en binnen eene

maand was hij weder klaar en de wonde genezen; maar nooit heb ik eene

meer duivelsche uitdrukking gezien, dan op zijn gezigt te lezen was,

als hij op den stomp nederzag!

In de oogen van jufvrouw Griffin strekte dit alleen, om hem veel

dierbaarder te maken. Zij zond hem dagelijks wel twintig briefjes, en

noemde hem haren beminden, haren ongelukkigen engel, haren held en

slagtoffer – en ik weet niet, wat al meer. Ik heb eenige dier briefjes

bewaard, en ze zijn verbazend sentimenteel, verre weg het Lijden van

den jongen Werther overtreffende.

De oude Crabs kwam zeer dikwerf en gebruikte bij ons eene verbazende

menigte wijn en sigaren. Ik meen, dat hij te Parijs was, omdat er in

zijn eigen huis in Engeland beslag op de meubels gelegd was; hij kon nu

verzekerd zijn, dat hij bij zijn zoon gedurende diens ziekte geen botje

zou vangen – de oude heer wist nu, dat hij hem stellig altijd te huis

zou vinden. De avonden bragt Lord Crabs geregeld bij Lady Griffin door,

waar ik gedurende de ziekte van mijnheer niet heen ging, terwijl de

afwezigheid van den Chevalier den ouden heer behoorlijke vrijheid

verschafte.

„Gij begrijpt wel, Deuceace, dat die vrouw u haten moet,” zeide Mylord

op zekeren dag, in eene zeer openhartige bui, tot mijnheer, nadat zij

lang over Lady Griffin hadden gepraat, „en ik wil u regt uit zeggen,

dat ze nog niet met u afgedaan heeft.”

„Zij loope naar den duivel!” riep mijnheer woedend uit, zijn verminkten

arm opheffende: „vroeg of laat zal ik met haar afrekenen. Matilda heb

ik zéker in mijne handen, daar heb ik voor gezorgd – het meisje moet

mij, om haar eigen best, trouwen.”

„Om haar eigen best! O – zoo? dat is goed – dat is goed!” zeide Lord

Crabs, met eene ernstige stem, even opkijkende, „ik versta u, beste

jongen; het was een uitstekend plan.”

„Nu dan,” zeide mijnheer, kwaadaardig lagchende, en zijn ouden vader

met een veel beteekenenden blik aanziende, „als ik eens het meisje in

mijn magt heb, wat heb ik dan te vreezen van die duivelsche

stiefmoeder?”

Lord Crabs gaf niets tot antwoord, dan een lang gefluit, en spoedig

daarna zijn hoed nemende ging hij weg. Ik zag hem over de Place Vendôme

kuijeren en met de meeste bedaardheid de deur van het hôtel, waar de

dames Griffin woonden, binnentreden. De Hemel zij met hem! ik zal van

mijn leven zulk een vriendelijken, goedhartigen, opgeruimden,

baatzuchtigen, ouden schurk niet weder zien.

Mylord had met regt gezegd, dat Lady Griffin nog niet met mijnheer

afgedaan had! Dat had zij nog lang niet – maar den volgenden strik

zoude zij hem nooit gelegd hebben, indien zeker iemand het haar niet in

het hoofd had gehangen. Wie was nu die zeker iemand? Indien gij, waarde

lezer, het bovenstaande hebt doorloopen, en gezien, hoe zekere zeer

achtingswaardige oude heer over de Place Vendôme slenterde en al de

kindermeisjes (bonnes gelijk men ze in Frankrijk noemt), die hij op

zijn weg ontmoette, vriendelijk aankeek, dan laat ik het aan u over, te

gissen, wie de uitvinder was van het volgende plan; eene vrouw, had zoo

iets niet kunnen bedenken.

In het eerste hoofdstuk, dat ik over de lotgevallen van den heer

Deuceace schreef, en over zijne vriendschappelijke behandeling der

heeren Dawkins en Blewitt, had ik de eer, eene opgave der schulden van

mijnheer onder de oogen van het publiek te brengen – daarin was ook het

volgende te lezen:

„Wissels en acceptatiën: 4963 pd. st.”

De acceptatiën waren niet van belang, ongeveer duizend pond. De wissels

bedroegen alzoo om de vier duizend pond.

Nu bestaat er eene wet in Frankrijk, dat, indien iemand in Engeland

wissels heeft afgegeven, en deze in handen van een Franschman komen,

hij den Engelschman, die ze afgegeven heeft, kan vervolgen, hoewel deze

zich in Frankrijk bevindt. Mijnheer wist dit niet; hij deelde in het

algemeene dwaalbegrip, dat, indien hij maar eens uit Engeland weg was,

hij zijne schuldeischers kon uitlagchen.

Lady Griffin schreef aan hare zaakwaarnemers te Londen, en deze traden

in onderhandeling met de menschen, welke in bezit waren van de fraaije

verzameling van autographen op zegel, welke mijnheer in Engeland had

gelaten, en deze heeren haastten zich natuurlijk, de eerste de beste

gelegenheid waar te nemen, om aan hun geld te komen.

Op zekeren schoonen morgen, toen ik op de plaats van ons hôtel

rondslenterde, pratende met de dienstmeiden, zoo als ik altijd deed, om

wat Fransch aan te leeren, kwam eene van haar bij mij en zeide:

„Tenez, monsieur Charles, beneden in den gang is een deurwaarder met

twee gendarmes; hij vraagt naar mijnheer; a-t-il des dettes par

hasard?”

Ik ontstelde hevig – het ware van de zaak stond mij plotseling voor den

geest. – „Toinette,” zeide ik, want dit was haar naam – „Toinette,” zei

ik, haar een kus gevende, „zoo gij prijs op mijne genegenheid stelt,

houd ze maar één oogenblik nog beneden.” Daarop gaf ik haar een tweeden

kus en vloog den trap op, naar onze kamers.

Mijnheer was nu weder zoo tamelijk hersteld van zijne wonde, hij was al

uit rijden geweest – het was zijn geluk, dat hij kracht had, om zich te

bewegen.

„Mijnheer! mijnheer!” riep ik, „de deurwaarders zijn u op het spoor;

gij moet oogenblikkelijk maken, dat gij weg komt!”

„Deurwaarders!” zeide hij – „gekheid, geloofd zij de Hemel! ik ben

niemand een enkelen stuiver schuldig.”

„Onzin!” riep ik uit, mijne onderdanigheid vergetende, „hebt gij geene

schulden in Engeland? Ik zeg u, dat de deurwaarders u zoeken, en ze

zullen in een oogenblik hier wezen.”

Terwijl ik sprak: kling – ling – ling – aan de bel van de deur van de

anti-chambre – en daar waren zij!

Wat was er te doen? met de snelheid van den bliksem, trek ik mijn

livereirok uit, zet mijn met goud omzoomden hoed mijnheer op het hoofd

– en doe hem mijne liverei aantrekken.. Daarop hul ik mij in zijn

robe-de-chambre en mij op de sofa uitstrekkende, beveel ik hem, de deur

open te doen.

Daar waren zij nu: de deurwaarder – de twee gendarmes – Toinette en de

oude knecht van het logement.

Toen Toinette mijnheer zag, glimlachte zij eventjes en zeide:

„Dis donc. Charles! où est donc ton maître? Chez lui, n’est-ce pas? –

C’est le jeune homme à monsieur,” zeide zij, met eene beleefde buiging

jegens den deurwaarder.

De oude knecht was op het punt uit te schreeuwen „mais ce n’est pas –”,

toen Toinette hem in de reden viel en zeide:

„Laissez donc passer ces messieurs, vieille bête!” en zij traden

binnen, terwijl de twee gendarmes post vatten in den gang.

Mijnheer wierp de deur van het salon met de meeste deftigheid open, en

mijn hoed afnemende, zeide hij:

„Heeft mijnheer straks de cabriolet noodig?”

„O neen, Karel,” zeide ik, „ik zal heden niet uitgaan.”

De oude deurwaarder grinnikte, want hij verstond Engelsch (daar hij

reeds vele Engelsche klanten had gehad), en hij zeide in het Fransch,

terwijl mijnheer de kamer verliet:

„Ik geloof, mijnheer, dat gij er wel aan zoudt doen, uwen knecht een

rijtuig te laten bestellen, want ik ben in de noodzakelijkheid, u au

nom de la loi te arresteren, voor de som van acht en negentig duizend

zeven honderd francs, door u verschuldigd aan den heer Jacques François

Lebrun te Parijs”; en hij haalde inderdaad eene menigte wissels te

voorschijn, welke allen met mijnheer’s onderteekening voorzien waren.

„Neem plaats, mijnheer!” zeide ik, en hij ging zitten, terwijl ik met

hem begon te praten over het weder, over mijne ziekte en mijn groot

ongeluk, dat ik de eene hand verloren had, die ik onder mijn vest hield

verborgen, en zoo voort.

Eindelijk, na verloop van eenige minuten kon ik het niet meer

volhouden, en proestte het uit van lagchen.

De oude vent verbleekte en begon iets kwaads te vermoeden.

„Hola,” brulde hij, „gendarmes, à moi! à moi! Je suis floué-volé!”

hetgeen beteekent, dat men hem om den tuin had geleid.

De gendarmes en Toinette en de oude knecht vlogen nu de kamer in. – Met

de meeste bevalligheid van de sofa oprijzende, bragt ik de hand van

onder het vest te voorschijn en mijn robe-de-chambre openhoudende zette

ik een der schoonst gevormde beenen, die men ooit heeft gezien, op een

stoel.

Daarop wees ik, met eene indrukwekkende deftigheid, met den vinger op –

kan men het gissen? op mijn korten broek! dat bekende kleedingstuk, dat

ik in Europa beroemd heb gemaakt.

Dezen wenk begrijpende, schaterden de gendarmes en de dienstboden van

lagchen, en de wel edelgeboren heer Karel Yellowplush niet minder!

De oude Grippard, de deurwaarder, zag er uit als of hij op zijn stoel

zou flauwvallen.

Op dat oogenblik hoorde ik een cabriolet zoo hard mogelijk de

porte-cochère van het hôtel uitjagen – ik was overtuigd, dat mijnheer

zich in veiligheid bevond.

Gedenkschriften van den heer Yellowplush · 第 30 / 42 题