De Chevalier de l’Orge, die jonge Franschman, van wien ik reeds heb
gesproken, en die zijne bezoeken veel zeldzamer had gemaakt, sedert
mijnheer op zulk een vertrouwelijken voet met Lady Griffin leefde, nam
nu weder zijne oude plaats in, aan de zijde der dame; evenwel bestond
er geene vriendschap meer tusschen hem en mijnheer, hoewel de Chevalier
zijne beminde had weder gekregen en Deuceace zich geheel en al
toewijdde aan zijne gebogchelde Dulcinea.
De Chevalier was een klein, bleek, bescheiden, niets beteekenend
schepseltje, en, naar zijn uiterlijk te oordeelen, zoude ik niet
verondersteld hebben, dat hij het hart zoude hebben, eene vlieg aan te
randen, hoe veel minder dan, om het hoofd te bieden aan zulk een
vreesselijken tijger en vuureter, als mijnheer.
Na verloop van de eerste week evenwel, begreep ik al, wat hem hinderde.
Uit zijne handelingen, uit de wijze waarop hij met mijnheer sprak en
hem aanzag, en op zijne lippen beet als mijnheer in de kamer trad, en
hem aangluurde, maakte ik weldra op, dat hij den hoogwelgeboren
Algernon Percy haatte. Zal ik nu de reden waarom vertellen? Eenvoudig,
omdat Lady Griffin hem haatte, meer dan vergif of den duivel – meer
zelfs, dan zij hare stiefdochter haatte. Misschien verbeeldt zich de
Lezer, dat de brief, dien hij pas gelezen heeft, eerlijk gemeend was;
misschien stelt hij zich voor, dat het tooneel van het testamentlezen
toevallig plaats had, en uit den geregelden loop der omstandigheden
volgde; neen, het was alles komedie geweest, zeg ik, een geregelde
strik; en die buitengewoon verstandige jongeling, mijn meester, werd er
zoo netjes in gevangen, als ooit een wilddief in eene privative jagt.
De Chevalier liet zich door Lady Griffin leiden. Toen Deuceace zich
terug trok, kwam de l’Orge aan hare voeten terug, niets minder
verliefd, dan te voren – arme jongen! arme jongen! Hij beminde
waarachtig deze vrouw. Hij had even goed een reuzenslang kunnen
beminnen! Hij was zoo verblind en overweldigd door de magt welke zij
over hem had verkregen, dat, indien zij hem verteld had, dat zwart wit
was, hij het geloofd zou hebben, en indien zij hem bevolen had een
moord te begaan, hij het zou gedaan hebben – zij verlangde iets van
hem, dat niet veel minder dan een moord was.
Ik heb reeds verhaald, hoe, in den eersten tijd hunner kennismaking,
mijnheer gewoon was, over het slechte Engelsch van de l’Orge en over
zijne wonderlijke manieren te lagchen. Het nietige schepseltje had
allerhande zonderlinge gewoonten, en daar hij zoo klein en maar een
Franschman was, beschouwde hem mijnheer natuurlijk met die goedaardige,
lagchende verachting, welke het steeds de pligt is van een echten Brit,
ten opzigte van vreemdelingen aan den dag te leggen. Hij behandelde hem
eerder als een gedresseerden aap, dan als een man, en liet hem loopen
als of hij een bediende ware.
De Chevalier liet zich dit aanleunen tot na de oneenigheid tusschen
Lady Griffin en mijnheer; toen zorgde zij, dat het blad gekeerd werd.
Schier altijd, als mijnheer en de jufvrouw niet tegenwoordig waren (zoo
als de dienstboden mij vertelden), lachte zij den Chevalier uit, om
zijne lage onderdanigheid jegens mijnheer. „Wat haar betrof, zij
begreep niet, hoe een man van zijn stand voor knecht wilde spelen; of
hoe iemand, wie het ook ware, zulk een beleedigenden overmoed in een
ander kon verdragen”; en dan verhaalde zij, hoe Deuceace hem altijd
achter den rug uitlachte; hoe, in één woord, hij mijnheer van ganscher
harte moest haten, en hoe de tijd gekomen was, om zijn moed te toonen.
Het arme mannetje geloofde dit alles, en was knorrig of goed geluimd,
vreedzaam of strijdzuchtig, al naar dat Lady Griffin het verkoos. Er
ontstonden veelvuldige oneenigheden tusschen hem en mijnheer; zij
zeiden scherpe woorden tot elkander aan tafel; er ontstond twist, wie
van beiden de flacon voor de dames zoude halen, of haar in het rijtuig
helpen, of wie het eerst de deur in of uit zoude gaan, en diergelijke
gekheden meer.
„In ’s Hemels naam!” hoorde ik Mylady eens tot hen zeggen, te midden
van een dezer twisten, bleek en ontsteld, met tranen in de oogen –
„wees toch bedaard, mijnheer Deuceace, ik smeek u daarom – Monsieur de
l’Orge, ik bezweer u, vergeef het hem! Gij zijt beiden zoo geacht, zoo
bemind door de leden van dit huisgezin, dat, om aller wil, gij beiden
vrienden moest blijven.”
Het was op weg naar de salle-à-manger dat deze oneenigheid,
uitgebarsten was, en zij eindigde op het oogenblik, dat men aan tafel
ging zitten. Ik zal nooit vergeten, hoe de arme, kleine de l’Orge
getroffen was, toen Lady Griffin zeide: „gij beiden zijt zoo bemind”;
in het eerste oogenblik staarde hij haar aan, toen werd hij beurtelings
bleek en rood, en zag er uit als of hij krankzinnig was; daarop vloog
hij naar mijnheer toé en schudde hem de hand, als of hij van plan was,
ze af te trekken. Mijnheer maakte eene stijve buiging, grijnsde en
keerde zich om met de meeste deftigheid; de jufvrouw verligtte zich het
hart door een luid „Ach!” en zag mijnheer aan met eene uitdrukking, als
of zij hem uit liefde wilde opeten,
De kleine Chevalier ging voor zijn soepbord zitten, en was zoo zalig,
dat hij waarachtig aan het huilen ging! Hij verbeeldde zich, dat de
weduwe hem eene declaratie had gedaan, dat zij hem hebben wilde, en
Deuceace was van hetzelfde gevoelen; hij keek haar een tijdlang zeer
bitter en verachtelijk aan; daarop raakte hij aan het praten met de
jufvrouw.
Hoewel nu mijnheer zelf niet verkoos Lady Griffin te trouwen, hetgeen
hij wel had kunnen doen, indien het hem behaagd had, dacht hij het regt
te hebben, zeer verstoord te zijn over het denkbeeld, dat zij iemand
anders zoude willen nemen; en daarom was hij woedend over de bekentenis
harer genegenheid aan den armen franschen Chevalier.
Ik heb opgemerkt in den loop mijner ondervinding, dat, indien men een
schurk knorrig maakt, hij niet meer een schurk kan blijven; hij geeft
zich bloot als hij vertoornd is, en toont, als het ware, den
duivelsklaauw, zoodra men hem aanraakt.
Dit is ten minste het geval met jonge schurken; zeer veel bedrevenheid
en koelbloedigheid wordt er toe vereischt, om dit gebrek te overwinnen,
en om zich zelven in staat te stellen, zijn toorn te verbijten als men
daarmede bezield is, en om niet te knorren als men zich boos maakt. De
oude Crabs had deze hoogte bereikt; hij had veel van een anderen
edelman, van wien ik den Hertog van Wellington hoorde verhalen, terwijl
ik achter zijn stoel stond, dat indien men hem van achteren schopte,
niemand, die vóór hem stond, het bemerken zou, wegens de vriendelijke,
glimlagchende uitdrukking op zijn gelaat. Men moet ook in het oog
houden (en dit is eene diepzinnige opmerking voor een bediende – maar
oogen hebben wij, hoewel wij korte broeken dragen) – men moet ook in
het oog houden, zeg ik, dat een schurk veel eerder kwaad wordt, dan een
eerlijk man, om reden dat een eerlijk man aan een ander iets toegeeft;
terwijl een schurk dat nooit zal doen; eerlijke lieden hebben ook iets
over voor anderen; schurken hebben niets over voor iemand dan voor zich
zelven, en het minste, dat tusschen hen en dit voorwerp hunner
aanbidding komt, maakt hen woedend.
Mijnheer was ook niet zijn geheel leven lang een speler, een opligter,
en in alle opzigten een losbol geweest, om nu te eindigen, met goed van
humeur te zijn – dat is klaar.
Nu was hij woedend – en als hij woedend was, kon men nergens een
onbeschofter, onverdragelijker, overmoediger schurk vinden.
Juist zoo ver had Lady Griffin hem willen brengen; want ik moet u
vertellen, dat, ofschoon zij haar best had gedaan, om mijnheer en den
Chevaler kwaad op elkander te maken, dit haar alleen in zoo ver was
gelukt, dat zij elkander van ganscher harte verfoeiden; maar, wat er
ook gebeurd was, de twee hanen wilden niet kampen.
Ik geloof niet, dat Deuceace dit spel van haren kant begreep; want zij
speelde het zoo fijn, dat de dagelijksche oneenigheden, welke tusschen
hem en den Franschman plaats hadden, nooit met haren zin schenen te
ontstaan: integendeel, zij gedroeg zich steeds als vredestichtster
tusschen beiden, gelijk ik pas bewezen heb in den strijd, die ontstaan
was aan de deur van de salle-à-manger. Bovendien, hoewel de twee jonge
heeren wel met elkander wilden twisten, zij hadden geen groote lust om
de zaken tot het uiterste te drijven. Ik zal u het waarom vertellen:
daar ze kennissen waren en niets te doen hadden, bragten zij de morgens
door, zoo als de meeste fatsoenlijke lieden doen, met billartspelen,
schermen, te paard rijden, pistoolschieten, of de eene of andere
nuttige oefening van dezen aard. Bij het billartspel was mijnheer baas
over den Franschman, en hij had een aardig sommetje aan dat spel van
hem gewonnen (maar dat behoort niet tot de zaak, en is alleen entre
nous); bij het pistool-schieten kon mijnheer, van de tien beeldjes
acht, en de l’Orge zeven stuk-schieten, en bij het schermen kon de
Franschman den hoogwelgeboren heer Algernon op elk zijner vestknoopen
met de punt raken. Meer dan eens waren zij beiden op „het veld van eer”
geweest, want ieder Franschman vecht, en mijnheer was, in den gewonen
loop zijner zaken, meer dan eens daartoe gedwongen geweest. Wijl zij nu
elkanders moed kenden, en tevens overtuigd waren, dat zij beiden
honderd kogels achtereenvolgend door een hoed konden jagen, op dertig
ellen afstand, waren zij niet begeerig dit kunstje te vertoonen met
hunne eigene hoeden, terwijl hunne eigene hoofden er onder zaten.
Om deze reden bleven zij bedaard, en deden niets verder, dan elkander
beknorren.
Maar heden was Deuceace in een zijner kwaadaardigste buien, en als dat
het geval was, dan kon, noch mensch, noch duivel hem in bedwang houden.
Ik heb verhaald, hoe hij zich van den Chevalier afwendde, die hem de
hand had gereikt, en die in zijn aanval van vreugde en opgetogenheid
een beer zou hebben gekust – zoo gelukkig gevoelde hij zich. Mijnheer
ging van hem weg, bleek en driftig, en zijne plaats aan tafel nemende,
schonk hij niet de minste oplettendheid aan de liefkozingen van
jufvrouw Griffin, maar antwoordde daarop slechte met „ja” of „neen” of
met een vloek jegens den eer of anderen der bedienden, klagende over de
soep en den wijn, vloekende en razende als een gemeen soldaat, en zich
niet gedragende als de wèl opgevoede zoon van een edelen Britschen
pair.
„Lady Griffin,” zeide hij, den vleugel van een poulet à la bechamil
afhakkende, „mag ik de eer hebben u te bedienen?”
„O, verpligt – neen! ik zal monsieur de l’Orge lastig vallen;” en zij
keerde zich tot dien heer met een teederen en betooverenden glimlach.
„Mij dunkt, mevrouw,” hernam mijnheer, „dat gij op eens zeer ingenomen
zijt met het voorsnijden van monsieur de l’Orge; vroeger vondt gij, dat
ik het naar uw zin deed.”
„Gij zijt daarin ook zeer bedreven; maar met uw verlof, zal ik heden
van iets eenvoudiger gediend zijn.”
De Franschman bediende Lady Griffin, en daar hij zoo zalig was, is het
natuurlijk, dat hij met de saus niet teregt kon. Een groote plas bruine
saus vloog mijnheer op de wang en druppelde langs zijn das en hagelwit
vest.
„Wat drommel!” riep hij uit, „mijnheer de l’Orge, dat hebt gij met
opzet gedaan!” en hij wierp zijn mes en vork neder, en stortte van zijn
glas wijn meer dan de helft in den schoot van de arme jufvrouw Griffin,
die geweldig schrikte, en op het punt was, om in tranen uit te barsten.
Lady Griffin proestte van lagchen, herhaalde malen, als of het de
aardigste grap van de wereld geweest ware.
Zelfs de l’Orge grinnikte en hoestte. „Pardon, zeide hij, „mille
pardons, mon cher monsieur!” en daarbij keek hij uit de oogen, als of
hij het voor een dubbeltje weêr zou willen doen.
De kleine Franschman was verrukt; hij was er op eens boven op, en voor
de eerste maal werd zijn mededinger uitgelagchen. – Hij werd nu zoo
stoutmoedig, dat hij de onvoorzigtigheid had, op zijn slecht Engelsch,
de gezondheid van Lady Griffin te drinken.
„Mag ik de eer hebben, u een glas Madera in te schenken, Mylady?” zeide
hij met de bespottelijkste uitspraak der wereld; tevens rond ziende,
als of hij precies de Engelsche manieren en toon had getroffen.
„Met veel genoegen!” zeide Lady Griffin, hem zeer genadig toeknikkende
en de oogen op hem vestigende, terwijl zij haar glas aan de lippen
zette.
Kort te voren had zij dezelfde beleefdheid aan mijnheer geweigerd, en
dit verbeterde zijn kwaden luim niet.
Zij bleven aan tafel zitten, mijnheer knorrende, brommende, en zelfs
vloekende, en – ik moet het bekennen – zich zoo gemeen mogelijk
gedragende, terwijl Lady Griffin hare oplettendheid tusschen de beide
keeren verdeelde, en alles deed, wat in hare magt stond, om mijnheer te
plagen en den Franschman te vleijen.
Het dessert werd nu op tafel gezet; de jufvrouw was intusschen van
angst stom geworden, terwijl de Franschman half dronken was van
genoegen en gestreelde ijdelheid. Mylady was opgewonden en steeds
vriendelijk; mijnheer paarsch van woede.
„Mijnheer Deuceace,” zeide Lady Griffin met de meest innemende stem, na
een weinig meer pratens, gedurende hetwelk zij steeds voortgegaan was
hem te tergen, „mag ik u om eenige van die druiven verzoeken; zij zien
er heerlijk uit.”
Tot antwoord vatte mijnheer den schotel met druiven, en deed dien over
de geheele tafel glijden, tot vóór de l’Orge, alles omver stootende wat
in den weg stond, fruitmandjes, glazen, wijnflesschen, en de Hemel
weet, wat nog meer.
„Monsieur de l’Orge!” riep hij uit, zoo hard als hij maar schreeuwen
kon, „heb de goedheid Lady Griffin te bedienen – het is lang geleden,
dat zij mijne druiven lustte, en nu heeft zij ontdekt dat zij zuur
zijn!”
Er volgde, voor een oogenblik, eene doodsche stilte.
„Ah!” riep Lady Griffin uit, „vous osez m’insulter devant mes gens –
dans ma propre maison – c’est par trop fort, monsieur!” en zij vloog
van hare plaats op en de kamer uit. De jufvrouw volgde haar,
uitgillende: „Mama! Om ’s Hemels wil! Lady Griffin?” en de deur werd
achter het paar toe geworpen.
Lady Griffin had zeer wèl gedaan, om Fransch, te spreken; de l’Orge zou
haar anders niet verstaan hebben; nu echter had hij genoeg gehoord; en,
zoodra de deur toeging – in mijne tegenwoordigheid, en in die der
heeren Mortimer en Fitzclarence, de diepstboden der dames – ging hij op
mijnheer toe, en gaf hem een klap in het gezigt, terwijl hij hem
toeriep: „Prends ça, menteur et lâche!” hetgeen beteekent: „neem dat,
leugenaar en lafaard!” – eenigzins sterke uitdrukkingen van een
fatsoenlijken man tegen den anderen.
Mijnheer deinsde terug – zag er uit, als of hij waanzinnig was
geworden, en toen, gillende van woede, wierp hij zich op den
Franschman; maar ik en Mortimer plaatsten ons tusschen beiden, terwijl
Fitzclarence den Chevalier in de armen sloot.
„A demain!” bulderde deze, zijn kleinen gebalden vuist tegen mijnheer
opheffende en tevens de deur uitgaande, zeer blijde dat hij uit den weg
was.
Toen hij den trap af was, lieten wij mijnheer los; hij dronk een glas
water, bedacht zich een oogenblik, trok daarop zijne beurs, en, aan de
heeren Mortimer en Fitzclarence elk een Louis d’or gevende, zeide hij:
„Ik zal er u morgen nog vijf bij geven, zoo gij mij belooft, hetgeen
gebeurd is geheim te houden.”
Toen ging hij boven bij de dames.
„Indien gij wist,” zeide hij tot Lady Griffin, zeer langzaam sprekende
(natuurlijk waren wij allen aan het sleutel-gat), „hoe het mij smart,
u, Mylady, onbeleefd bejegend te hebben, waarlijk gij zoudt begrijpen,
dat ik in mijn eigen berouw straf genoeg ontvangen heb, en mij
vergiffenis schenken!”
Lady Griffin maakte eene buiging en zeide, dat zij geene
verontschuldigingen verlangde; dat de heer Deuceace harer dochters gast
en niet de hare was, maar dat zij voorzeker zich nooit verlagen zou, om
weder aan dezelfde tafel met hem te gaan zitten. Met deze woorden
verliet zij op nieuw de kamer.
„Ach! Algernon! Algernon!” zeide de jufvrouw, in tranen uitbarstende:
„wat beteekent toch dat verschrikkelijk geheim – die akelige twisten?
Vertel mij – is er iets gebeurd? Waar, o waar is de Chevalier?”
Mijnheer glimlachte en gaf tot antwoord:
„Wees hoegenaamd niet ongerust, dierbaarste Matilda: de l’Orge verstond
geen woord van den twist; daarvoor is hij te verliefd. Hij is maar voor
een half uurtje weg gegaan en, naar alle waarschijnlijkheid, zal hij
terug komen, om zijn koffij te gebruiken.”
Ik begreep wel het doel van mijnheer: had de jufvrouw maar een woord
gehoord van den strijd tusschen hem en den Franschman, dan zouden wij
haar weldra aan het hôtel Mirabeau gezien hebben, kermende en zuchtende
en wat al niet meer. Deuceace bleef nog eenige minuten, om haar gerust
te stellen, en toen reed hij naar zijn vriend, den kapitein Bullseye
van de Jagers, met wien ik veronderstel, dat hij over deze onaangename
zaak raadpleegde. Aan het hôtel vonden wij een briefje van de l’Orge,
opgevende waar zijn secondant te vinden was.
Twee dagen later verscheen er een stuk in Galignani’s Messenger, dat ik
de vrijheid heb gebruikt, hier over te nemen:
„Vreesselijk tweegevecht. Gisteren morgen om zes uur had er eene
ontmoeting plaats, in het Bois de Boulogne, tusschen den hoog
welgeboren heer D–ce–ece, jongsten zoon van den graaf van Cr–bs, en den
Chevalier de l’O–, De Chevalier werd vergezeld door den majoor de M–,
van de koninklijke garde, en de heer D– door den kapitein B–lls–ye, van
het Britsche Jager corps. In zoo ver ons de bijzonderheden van deze
betreurenswaardige gebeurtenis bekend zijn, ontstond de twist in het
huis eener schoone dame (eene der schitterendste attracties van onze
ambassade) en het duêl had plaats den volgenden morgen.
„De Chevalier (de uitgedaagde en de grootste meester van den degen te
Parijs) zag af van zijn regt, om de keuze der wapens te doen, en het
duel werd met pistolen beslist.
„De vijandige partijen werden op een afstand van veertig passen van
elkander geplaatst, met bepaling dat zij van weerszijde naar eene
barrière zouden toegaan, door welke zij slechts acht passen van
elkander werden gescheiden. Beide heeren waren van twee pistolen
voorzien. Monsieur de l’Orge gaf bijna oogenblikkelijk vuur, en de
kogel trof het gewricht van de linker hand zijner tegenpartij, die het
pistool, hetwelk hij in die hand hield, dadelijk liet vallen. Met de
regter hand echter, gaf hij onmiddellijk vuur, en de Chevalier viel,
gelijk wij vreezen, doodelijk gekwetst. De kogel heeft hem iets boven
de heup geraakt, en er bestaat zeer geringe hoop op herstel.
„Wij hebben vernomen, dat de aanleiding tot dit verschrikkelijk duël
een slag was, welken de Chevalier den hoog welgeboren heer D– had
toegebragt. In dat geval is de reden duidelijk, waarom het duël op zulk
eene beslissende en ongewone wijze werd afgemaakt.
„De heer D–ce–ce keerde naar zijn hôtel terug, waar zijn
achtingswaardige vader, de hooggeboren graaf van Cr–bs, zich
onmiddellijk heen begaf, zoodra hij de treurige tijding had ontvangen,
en waar hij nu zijn zoon met de teederste zorg en vaderliefde
behandelt. Het berigt werd aan Lord C– overgebragt eerst gisteren
middag, terwijl hij aan het ontbijt zat met zijne Excellentie Lord
Bobtail, den Engelschen ambassadeur. De edele graaf viel flaauw toen
hij het berigt ontving; maar in weêrwil van den schok, hierdoor aan
zijn zenuwgestel en aan zijne eigene gezondheid toegebragt, stond hij
er op, om den nacht naast het bed van zijn zoon door te brengen.”
– Dat deed hij ook. „Dit is eene nare historie, Karel,” zeide Lord
Crabs tot mij, toen hij, nadat hij zijn zoon was gaan zien, zich in ons
salon gemakkelijk inrigtte: „hebt gij geen sigaren in huis? en hoor
eens, breng eene flesch wijn en wat te eten. Ik kan het waarachtig
nergens uithouden, dan in de nabijheid van mijn dierbaren zoon.”