Mijnheer had, nu den spijker op den kop geslagen; het is waar, een
krommen spijker, maar een die mooi verguld was, hetgeen Deuceace zeer
op prijs stelde; want hij kende de waarde der edele metalen, en verkoos
het zuivere goud van de jufvrouw boven het vergulde brons van hare
stiefmoeder. Zoo was hij nu, in weêrwil van zijn vader (welken ouden
edelman de heer Deuceace nu van ganscher harte uitlachte); in weêrwil
van zijne schulden, welke, het is waar, hem nooit zeer gehinderd
hadden; in weêrwil van alles, was hij er nu boven op – de toekomstige
heer over een kolossaal vermogen, de aanstaande echtgenoot van eene
zeer domme vrouw. Wat zou een sterveling meer, kunnen begeeren? Droomen
van eerzucht vervulden nu zijn geest. Lusthuizen, loges in de opera,
steeds gevulde geldkisten, jagtpaarden te Melton, eene stem in het
Gemeentehuis; de Hemel weet wat niet al! Zeker weet het een arme
dienstknecht niet, die alleen hetgeen onder zijne oogen gebeurde kan
beschrijven, en natuurlijk in het hart en in de gedachten der menschen
niet lezen kan.
Het is naauwelijks te gelooven, hoe snel de driehoekige briefjes van
jufvrouw Matilda nu op elkander volgden. De jufvrouw had vroeger druk
genoeg geschreven, en nu, ’s nachts en ’s middags en ’s morgens; bij
het ontbijt, aan tafel, ’s avonds, regende het briefjes, tot dat mijn
kamertje (want mijnheer las ze nooit, en ik moest ze altijd weêr weg
nemen) onverdragelijk werd van de lucht der parfumeriën, waarmede zij
doortrokken waren. Hier volgt de inhoud van drie dezer briefjes, die ik
gedurende twintig jaren als zeldzaamheden ín mijn lessenaar heb
bewaard. Bah! Ik heb er nog de lucht van onder den neus, terwijl ik ze
afschrijf.
Billet-doux.
No. I.
„Maandag, 2 uur ’s morgens.
„Het is de betooverende tijd van den nacht! Luna verlicht mijn
vertrek en straalt op mijne kussens, waaraan de slaap ontvlugt is.
– Bij het licht van de maan schrijf ik deze regels aan u, mijn
Algernon! O, beminde en eeuwig dierbare! heer van mijn lot, wanneer
zal de tijd komen, dat, noch de lange nacht, noch de gezegende dag
ons scheiden zal? Twaalf – ! een – ! twee – ! Ik heb de uren – ja,
de kwartieren hooren spelen, en steeds denk ik aan mijn aanstaanden
echtgenoot. Aangebeden Percy, vergeef de kinderachtige bekentenis:
– Ik heb den brief op deze plaats gekust! – Zullen ook uwe lippen
hem aanraken en voor één oogenblik op de plek rusten, die ook aan
de lippen werd gedrukt van uwe
„Matilda?”
Deze was de eerste brief; hij werd ’s morgens om zes uur, door den
armen bediende Fitzclarence, aan ons huis gebragt. Ik dacht, dat het om
leven of dood te doen was, en riep mijnheer op dat ontijdige uur uit
den slaap. Nooit zal ik vergeten, hoe hij was, toen hij het briefje
gelezen had. – Hij kneuterde het in elkaâr, en vloekte en raasde,
terwijl hij zulke benamingen gaf aan de dame, die het geschreven, aan
den heer, die het gebragt had, aan mij, die het overhandigde, dat ik de
weêrga van zijne taal nergens dan te Billingsgate [8] heb gehoord. Men
moet ook bekennen, dat deze brief, de eerste na het engagement, wat al
te krachtige en sentimentele uitdrukkingen bevatte. Maar dat was het
eigenaardige van de dame – zij las ook steeds de aandoenlijkste
geschiedenissen: Thaddaeus van Warschau; het lijden van den jongen
Werther, en dergelijke boeken meer.
Nadat hij ongeveer zes van deze brieven had ontvangen, las mijnheer ze
niet meer; maar hij gaf ze aan mij over, om te zien of er iets in
stond, waarop hij antwoorden moest, om niet al te onbeleefd te zijn. De
volgende brief luidt:
„No. II.
„O mijn beminde! Tot welke razernij wordt men door de hartstogten
vervoerd. Sedert uwe bekentenis van gisteren morgen heeft Lady
Griffin geen woord gesproken met uwe arme Matilda. Zij heeft ook
verklaard, dat zij niemand wil ontvangen – helaas! zelfs u niet,
mijn Algernon! en zij heeft zich in hare eigene kamer opgesloten.
Ik geloof waarlijk, dat zij ijverzuchtig is en zich verbeeldt, dat
gij op háár verliefd waart! Ha! hal – Ik had haar het tegendeel
kunnen bewijzen – n’est ce pas? Adieu, adieu, adieu! Duizende
millioenen kussen zendt u
„Maandag, 2 uur.”
„M. G.”
Een derde brief kwam vóór den avond, want hoewel ik en mijnheer een
bezoek aflegden bij de Griffin’s, wij werden niet binnen gelaten.
Mortimer en Fitzclarence grinnikten tegen mij als of zij zeggen wilden:
wij worden toch spoedig familie van elkander; maar ik kan niet zeggen,
dat mijnheer zeer bedroefd was, dat hij bij het voorwerp zijner liefde
niet toegelaten werd.
Dingsdag gebeurde weder hetzelfde; ’s woensdags dito, – maar toen wij
aan de deur waren, zagen wij onzen vader, Lord Crabs, vriendelijk met
de hand jufvrouw Kicksey groetende, en hoorden hem zeggen, dat hij „om
zeven uur, op etenstijd, terug zoude komen.” –
Dit gebeurde terwijl wij op den trap stonden – wij werden evenwel niet
ontvangen.
„Nu, nu! dat doet er niets toe,” zeide Lord Crabs, zijn zoon
vriendelijk de hand gevende, „wat! twee vogeltjes in het net, Algernon?
De mama een weinig ijverzuchtig, de dochter een weinig al te verliefd.
Maar de toorn van Lady Griffin zal wel overgaan, en ik beloof u, mijn
jongen, dat gij morgen uwe beminde zult zien.”
Met deze woorden ging de graaf van Crabs den trap af, mijnheer
vriendelijk en zelfs liefderijk aanziende en zoo hartelijk mogelijk tot
hem sprekende. Mijnheer wist niet, wat hij er van denken moest. Hij
begreep volstrekt niet, wat zijn oude heer voorhad; maar op de eene of
andere wijze vreesde hij, niettegenstaande zijn geluk van den vorigen
zondag, dat hij in den strik was geloopen. Ik wist het wel – ik begreep
het dadelijk, zoodra ik bemerkte, dat de oude heer hem gade sloeg, met
eene soort van glimlach op de lippen, die half duivelsch en half
engelachtig was.
Maar de vermoedens van mijnheer werden den volgenden morgen
opgehelderd. Onder het ontbijt ontving hij een brief met een tweeden
daarin gesloten. Ik geef afschrift van beiden:
No. III.
„Donderdag morgen.
„Aan ons is de overwinning! aan ons! Mama heeft eindelijk moeten
toestemmen – niet, dat wij in het huwelijk treden – maar, dat gij
gelijk te voren bij ons moogt komen, en zij heeft beloofd het
gebeurde te vergeten. Dwaze vrouw! hoe kon zij ooit anders aan u
denken, dan als de minnaar van uwe Matilda? Ik ben verrukt,
betooverd door vreugde en hartstogtelijke teederheid. Dezen
geheelen langen nacht heb ik gewaakt, om aan u, mijn Algernon, te
denken, en om te verlangen naar het zalige uur onzer ontmoeting. O
kom!
„M. G.”
Het volgende was door Lady Griffin ingesloten:
„Ik zal u niet zeggen, dat ik gisteren niet zeer geschokt werd door
uw gedrag. Ik was zoo onverstandig geweest, om aan andere plannen
te denken, en mij te verbeelden, dat uw hart (zoo gij een hart
hebt) ten minste niet vervuld was met liefde voor iemand, wier
zwakheden dikwijls door u, met mij, bespot werden, en wier
uiterlijk u zeker niet heeft bekoord.
„Ik kan niet veronderstellen, dat mijne stiefdochter zonder mijne
toestemming in het huwelijk zal treden; en die toestemming kan ik
nog niet geven. Heb ik geene reden te twijfelen, of het haar geluk
zal bevorderen, als zij zich aan u overgeeft?
„Evenwel, zij is meerderjarig en heeft het regt, in haar eigen huis
al diegenen te ontvangen, die haar aangenaam zijn – vooral u, die,
naar alle waarschijnlijkheid, vroeger of later, in zulk eene naauwe
betrekking tot haar zult staan. Indien ik overtuigd word, dat uwe
liefde voor jufvrouw Griffin opregt gemeend is, indien ik na
verloop van eenige maanden ondervind, dat gij nog verlangt haar tot
uwe echtgenoote te maken, mag ik natuurlijk van mijne zijde geene
verdere zwarigheden in den weg leggen.
„Het staat u alzoo vrij, om weder naar ons hôtel te komen. Ik kan
niet beloven, u op dezelfde wijze als vroeger te ontvangen; gij
zoudt mij verachten indien ik het deed. Ik kan evenwel beloven,
niet meer te denken aan al hetgeen tusschen ons is gebeurd, en mijn
eigen geluk wil ik gaarne opofferen aan dat van de dochter mijns
beminden echtgenoots.
„L. E. G.”
Is dit nu niet een opregt, eerlijk schrijven; meer dan wij met regt
hadden kunnen verwachten van eene vrouw, die wij, men moet het
bekennen, allerschandelijkst hadden behandeld? Mijnheer was ten minste
van deze meening, en hield een teedere, eerbiedige aanspraak aan Lady
Griffin; schoone woorden zijn goedkoop. Met alle blijken van ernst en
droefenis, kuste hij haar de hand, en met eene zachte en ontroerde stem
riep hij den hemel tot getuige, dat hij diep betreurde, dat zijn gedrag
tot ongelukkige denkbeelden aanleiding had gegeven; maar dat, indien
hij haar hoogachting, eerbied, de vurigste en teederste bewondering
durfde aanbieden, hij tevens hoopte, dat zij deze van hem wilde
aannemen; met veel meer onzin van denzelfden aard, vergezeld van
donkere, aandoenlijke blikken, en het herhaalde gebruik van een witten
zakdoek.
Hij dacht, dat hij alles in orde had. De arme dwaas! Hij was in den
strik geloopen – in den akeligsten strik, die ooit gespannen werd, om
een schurk te vangen.