BUITEN ’S LANDS.

Het was een opmerkelijk bewijs van de bescheidenheid van mijnheer, dat

hij, hoewel die mooije som van den heer Dawkins hebbende gewonnen en

genegen zijnde om de meest mogelijke pracht en vertooning aan den dag

te leggen, toch, toen hij besloten had, naar Parijs te reizen, aan geen

enkelen vriend een woord vertelde van zijne groote winsten; hij gaf ook

aan zijn vader, lord Crabs, geen berigt van zijn voornemen, om zijn

geboorteland te verlaten; ja, hij riep niet eens zijne schuldeischers

bij elkaâr, om vóór zijn vertrek zijne kleine rekeningen af te doen.

Integendeel – „Karel,” riep hij mij toe, „plak een stukje papier op de

deur,” – dit is gebruikelijk onder de advokaten – „en schrijf er op

„vóór zeven uur niet te huis.””

Ik schreef natuurlijk: „vóór zeven uur niet te huis” en plakte het op

de deur.

Zoo geheimzinnig was Deuceace omtrent deze buitenlandsche reis, jegens

alle stervelingen (behalve mij), dat toen de waschvrouw hem hare

rekening bragt van de vorige maand (bedragende ten minste twee en een

half pond), mijnheer haar beval, die dáár te laten, om maandag morgen

alles behoorlijk te regelen. Het is opmerkelijk, hoe zuinig een mensch

wezen kan, als hij niet meer dan vijf duizend pond op zak heeft.

„Om zeven uur terug!” Ja wel! – Om zeven uur reden wij den weg op naar

Dover, met de diligence – mijnheer er binnen in – en ik er boven op. Er

was een wonderlijk mengelmoes van menschen in het rijtuig. Boven op

waren drie zeelieden; een Italiaan met een draaiorgel en een aap; een

missionaris die op weg was, om de heidenen in Frankrijk te bekeeren;

twee dames van de opera (figurantes, gelijk men haar noemt) – de

moeders der figurantes zaten binnen in – dan nog vier Franschen, met

bonte petten en knevels, zingende, pratende, en gesticuleerende op eene

allerwonderlijkste wijze. Zij waren uiterst beleefd jegens de

figurantes – en deelden krakelingen en brandewijn en water met haar,

afgewisseld met ontelbare Qu’il fait froid’s! – O mon Dieu’s! O

sacré’s! Ik verstond toen de taal niet en kan alzoo niet veel van hun

gesprek mededeelen; maar ik schepte er toch vermaak in, want ik

gevoelde nu, dat ik wezenlijk op weg was naar vreemde landen, iets dat

ik, sedert mijne opvoeding voltooid werd, steeds zeer vurig had

gewenscht. Goede Hemel! dacht ik, als deze menschen modellen zijn van

echte Franschen, wat moet dat dan een raar volk zijn! De aap van den

armen Italiaan, die treurig en kwijnende boven op zijn hok gezeten was,

zag er niet half zoo leelijk uit, en scheen even verstandig te zijn als

zij.

Best – wij kwamen dan te Dover aan en gingen naar het Ship-hôtel – eene

kalfscarbonnade: een half guinéa – een glas ale: een shilling – een

glas wijn en water: twee shillings en zes stuivers – voor een dubbeltje

waskaarsen: vier shillings enz. Maar mijnheer betaalde zonder te morren

– zoo lang het voor zich zelven was, bekommerde hij zich om de onkosten

niet – en den volgenden dag scheepten wij ons in naar Boulogne-sur-Mer,

hetgeen op zijn Fransch zeggen wil, de stad Boulogne gelegen op zee.

Ik, die reeds veel van buitenlandsche wonderen had gehoord, verwachtte,

dat dit een der grootste van allen zoude zijn; men verbeelde zich dan

mijne teleurstelling, toen wij daar aankwamen, en toen ik ontdekte, dat

Boulogne niet op zee, maar aan wal gelegen was. Maar ach! het daarheen

komen; dat was het moeijelijke! Wat verlangde ik weder naar Pump-court,

terwijl wij in het kanaal geslingerd werden! Lieve lezer, zijt gij ooit

op den oceaan geweest: „de zee, de zee, de ruime zee”? gelijk Barry

Cornwall zingt. Zoodra wij aan boord van ons kleine schip waren, en ik

mijnheer’s bagage en de mijne (die in een zeer kleinen zakdoek gerold

was) had geborgen; zoodra, zeg ik, als wij aan boord waren, en ik de

golven zag, donker en schuimend, als pas afgetapt bier, tegen de ribben

van ons dapper vaartuig aanbruisende; de kiel, als een hakmes de baren

klievende; toen ik de zeilen zag heen en weêr fladderen in den wind,

den standaard van Engeland boven in den mast wapperen, den hofmeester

de kommen en zoo voort gereed maken; toen ik den kapitein zag, fier op

het verdek op en neder stappende en zijne bevelen aan de zeelieden

gevende; toen ik de witte rotsen van Albion en de bad-koetsen in de

verte zag verdwijnen – toen – toen gevoelde ik voor het eerst – de

verhevenheid – de onbekrompenheid van het menschelijke leven.

„Yellowplush, mijn jongen,” zeide ik in gesprek met mij zelven – „uw

leven is nu op het punt van te beginnen – uwe loopbaan als man

dagteekent van het oogenblik, dat gij den voet aan boord van dit schip

hebt gezet. Zijt wijs – zijt moedig en voorzigtig – vergeet de

dwaasheden uwer jeugd. Gij zijt niet meer een loopjongen – gij zijt nu

reeds een bediende – werp ter zijde uwe tollen – uwe knikkers – uwe

kinderspelen – trek uwe kinderschoenen uit, tegelijk met het bemorste

buis, dat gij als schoolknaap hebt gedragen – werp – –”

Hier herinner ik mij, dat ik genoodzaakt werd, uit te scheiden. Een

gevoel, dat, in de eerste plaats, buitengewoon was, in de tweede plaats

pijnlijk en eindelijk ten derde geheel en al overweldigend, had mij

overvallen, terwijl ik deze redevoering uitsprak, en ik bevond mij nu

in een toestand, dien de welvoegelijkheid mij verbiedt, te beschrijven.

Genoeg zij het, te verzekeren, dat ik nu ontdekte, waartoe men kommen

kon gebruiken – dat ik, gedurende vele uren, in eene pijnlijke

uitputting daarneder lag – als het ware overleden en dood, terwijl de

regen kletterde op mijn aangezigt en de matrozen stampten op mijn

ligchaam, dat van binnen door de martelingen van het vagevuur werd

gepijnigd.

Toen wij omstreeks vier uren in dezen toestand geweest waren (mij

schenen zij vier jaren te duren), kwam de hofmeester naar dat gedeelte

van het verdek, waar wij dienstboden allen bij elkander lagen.

„Karel!” riep hij.

„Ja!” antwoordde ik, met eene stervende stem, „ja, wat is er te doen?”

„Men heeft u noodig.”

„Waar?”

„Uw heer is zeer ziek,” zeide hij grinnikende.

„Mijnheer kan naar de maan gaan, voor mijn part!” was mijn antwoord, en

ik keerde mij om, nog ellendiger dan te voren. Ik was op dat oogenblik

voor twintig duizend mijnheers niet opgestaan; neen, niet eens voor den

keizer van Rusland of den paus van Rome.

Nu dan, om van dit treurig onderwerp af te komen; ik heb sedert dien

tijd vele reizen gedaan, op hetgeen Shakspeare „het ruime sop” noemt;

maar nooit heb ik zooveel uitgestaan als op de reis van Dover naar

Boulogne in het jaar 1848. Stoombooten waren in die dagen niet

menigvuldig, en wij deden den overtogt in een zeilschip. Eindelijk,

toen ik zoo uitgeput en wanhopend was, dat ik mij begon te verbeelden

aan den rand van het graf te zijn, bereikten wij het doel van onze

reis. Des avonds laat begroetten wij de gallische kusten en wierpen het

anker in de haven van Boulogne-sur-Mer. Het was de ingang van het

Paradijs voor mij en voor mijnheer, en toen wij in het stille water

kwamen en de heldere lichten zagen schitteren in de huizen op het

strand, en gevoelden dat de beweging van het schip hoe langer hoe

minder werd, toen kende onze blijdschap geene palen.

Wij bereikten den wal, onze reize was ten einde; maar van mijn leven

heb ik zulk een gewoel en geschreeuw, babbelen en gillen, vloeken en

verwenschen niet gehoord, als dat, waarmede wij begroet werden, toen

wij landden. In de eerste plaats kwamen er aan boord tolbeambten met

steken op, die onze bagage bemagtigden, en naar onze paspoorten

vroegen; daarop volgde eene menigte oppassers uit de verschillende

logementen, de een vóór, de ander na, over het dek vliegende. – „Dezen

kant uit, mijnheer!” riep er één. „Hôtel Meurice!” schreeuwde een

tweede. „Hôtel des Bains!” gilde de derde. De toren van Babel was

niets, in vergelijking daarmede.

Het eerste, dat mij trof, toen ik aan wal stapte, was een groote kerel

met oorringen, die mij bijna omver stootte, terwijl hij mij den reiszak

van mijnheer, dien ik naar het hôtel droeg, uit de hand rukte. Maar

eindelijk kwamen wij er veilig aan, en voor de eerste maal van mijn

leven, sliep ik in een vreemd land.

Ik zal de stad Boulogne niet beschrijven, wijl zij, sedert ik daar voor

de eerste maal was, nu twintig jaren geleden (om er een slag in te

slaan), door niet minder dan twee millioen Engelschen werd bezocht, en

daarom reeds voldoende bekend is. Het is, volgens mijn gevoel, eene

treurige, sombere plaats; het eenige, dat zich in de straten beweegt,

is de goot, die er door heen stroomt. Klompen heb ik daar weinig

gezien, en wat kikvorschen aangaat; ik zag nooit, dat een Franschman er

een opat, hoewel men mij heeft doen gelooven, dat zulks hunne

geregelde, maar zeer verachtelijke gewoonte is,

De stad is, gelijk iedereen weet, verdeeld in de Haute-ville (op een

berg gelegen, door een hoogen muur of boulevard omgeven) en in de

Basse-ville op den rand van den oceaan gebouwd. Het was in de

Basse-ville dat Deuceace ging wonen, in het hôtel des Bains, in eene

zeer kromme straat, de Rue de l’Écu genoemd; en voorwaar, indien hij de

hertog van Canterbury of de aartsbisschop van Devonshire ware geweest,

had hij zich niet hoogmoediger kunnen gedragen.

Niets was ons nu te goed; wij huurden eene suite kamers, op de eerste

verdieping, welke anders altijd door den eersten minister van Frankrijk

werden bewoond (ten minste de waard zeide, dat zij au premier waren),

en de hoog welgeboren heer Algernon Percy Deuceace, die zijde

waschvrouw niet betaald had en met de diligence naar Dover was gereisd,

scheen zich nu te verbeelden, dat goud te gemeen voor hem was, en dat

eene koets met zes paarden naauwelijks een man van zijn gewigt kon

dragen. De Champagne-kurken vlogen als of het maar gember-bier was,

behalve Bordeaux-, Bourgogne- en andere wijnen, en al de lekkernijen

van de tafels van Boulogne. Wij bleven veertien dagen in deze treurige

plaats, en deden niets anders, van den vroegen morgen tot den laten

avond, dan op het strand wandelen, om door middel van instrumenten, die

men verrekijkers noemt, de schepen de haven te zien uit- en inloopen.

Onze vermaken, gedurende deze veertien dagen, waren talrijk en

bekoorlijk tevens, inderdaad niets kon meer piquant zijn, gelijk men

zegt.

Des morgens, vóór het ontbijt, wandelden wij, met ons beiden, rondom de

haven; mijnheer droeg een blaauw zeemans-buis en ik mijne nieuwe

liverei; wij waren beiden met de pas gemelde werktuigen – de

verrekijkers (deze is de kunstnaam) – gewapend. Door dezelve

beschouwden wij zeer aandachtig, ten eerste, den oceaan, dan het

zeegras, dan de rotsen, dan de doode katten en de vischwijven, en dan

de golven, die gelijk kleine kinderen over elkander rolden, en haar

best deden, het eerst aan wal te komen. Mij dacht, dat zij zich moeite

gaven, om daar heen te komen, juist als of ze zeeziek waren en naar de

gezegende en vreedzame terrafirma verlangden.

Na het ontbijt gingen wij weder naar het strand – ieder op zijn eigen

houtje – (want mijne dienst in deze buitenlandsche stad was zoo goed

als eene sine-cure), en onze oogen weder in aanraking brengende met

onze verrekijkers, beschouwden wij, op nieuw, beurtelings den oceaan en

de rotsen, de doode katten en het overige; dit duurde tot etenstijd, en

het eten duurde tot het tijd was om naar bed te gaan, en het slapen

duurde tot den volgenden dag; dan kwam het ontbijt, en het eten, en de

verrekijkers, gelijk den dag te voren. Op deze wijze brengt de geheele

bevolking van deze stad het leven door; er zijn daaronder, gelijk ik

vernomen heb, tien duizend gelukkige Engelschen, die deze aangename

bezigheden volhouden, van het begin tot het einde van het jaar.

Behalve dit heeft men het billard en het spel voor de heeren, eenige

weinige danspartijen voor de meisjes, en het kwaadspreken voor de oude

dames. Wij namen deel aan geen van deze vermaken. Wij achtten ons iets

te goed, om kaart te spelen voor rijksdaalders, en nooit betaald te

worden als wij wonnen; veel minder gevoelden wij ons geroepen, de

armoedige meisjes na te loopen, of ons den tijd te verkorten met jonge

dames om stuivers te spelen, en thee te drinken met de oude wijven.

Neen, neen! – mijnheer was nu een voornaam man, en gedroeg zich dien

overeenkomstig. Indien hij zich ooit vernederde, om in het salon van

het hôtel des Bains, door de Franschen de salle à manger genoemd, te

treden, vloekte hij meer en harder dan iemand der aanwezigen; hij

schold op de knechten, het eten en den wijn. Met zijn lorgnet in het

oog geknepen, staarde hij iedereen in het gezigt. Hij nam altijd de

plaats in voor het vuur. Hij sprak over „mijn rijtuig” – „mijn koerier”

– „mijn lijfknecht”, en hij had gelijk. Ik heb altijd gezien, dat

indien men zich door Engelschen wil doen eerbiedigen, men onbeschoft

jegens hen moet wezen, vooral indien men een adellijke spruit is. Wij

houden er van, om door edellieden te worden mishandeld; het bewijst,

dat ze zeer vertrouwelijk met ons omgaan. Geloof mij, ik heb vele

mannen van de wereld gekend, die liever zouden hebben, dat een edelman

hun een schop gaf, dan dat hij toonen zoude hen niet te kennen. Zij

hebben zelfs mij een zekeren graad van eerbied bewezen, alleen omdat ik

de knecht van een edelman was. Terwijl mijnheer den baas speelde in het

salon te Boulogne, kan men er op aan, dat ik het in de keuken niet

minder deed; het gevolg er van was, dat wij beter bediend en meer

bemind werden, dan vele menschen, die tweemaal zooveel verdiensten

bezaten.

Deuceace had zonder twijfel eenige bijzondere plannen, welke hem

zoolang te Boulogne ophielden, en klaarblijkelijk was het zijn wensch,

om een tijdlang dáár den vermogenden man te spelen, eer hij die rol te

Parijs op zich nam. Hij kocht een rijtuig, hij huurde een koerier, hij

gaf mij een splinternieuwe liverei met galons bedekt. Voor duizend pond

van het geld, dat hij van den armen Dawkins gewonnen had, liet hij zich

een credietbrief geven op een huis in Parijs; ter zelfder tijd liet hij

aan den bankier te Boulogne zien, dat bij nog een groote som in zijn

portefeuille bezat. Daardoor bereikte hij een dubbel doel: de

bankiersklerken verspreidden het nieuws door de geheele stad, en den

dag, nadat mijnheer zijn geld had laten zien, had elke oude vrouw in

Boulogne den stamboom der Crab’s in het Peerage opgezocht, en was

naauwkeurig bekend geworden met den naam en de bezittingen der

Deuceace’s. Indien Satan zelf een pair van het rijk ware, dan geloof ik

opregt, dat vele deugdzame Engelsche moeders hem gaarne tot schoonzoon

zouden hebben.

Hoewel mijnheer goedgevonden had, Londen te verlaten, zonder aan zijnen

vader zijn voornemen mede te deelen, dat hij eene buitenlandsche reis

wilde doen, schreef hij, zoodra hij zich te Boulogne bevond, een brief

aan lord Crabs, waarvan ik toevallig een afschrift bezit. Het luidt

aldus:

„Boulogne, 15 Januarij.

„Waarde vader!

„Sedert langen tijd heb ik, in den loop mijner juridische studiën,

de noodzakelijkheid gevoeld, om de Fransche taal grondig te kennen,

daar de vroegere geschiedenis van alles wat mijn vak betreft, in

die taal is geschreven; tevens heb ik besloten een weinig

uitspanning te nemen, daar mijn altijd zittend leven een hoogst

nadeeligen invloed op mijne gezondheid heeft gehad. Indien mijne

geringe middelen eene afwezigheid van twee maanden toelaten, en

voldoende zijn voor een verblijf in Parijs, ben ik voornemens,

gedurende dien tijd dáár te blijven.

„Wilt gij de goedheid hebben mij een aanbevelingsbrief te zenden

aan onzen ambassadeur, lord Bobtail? Mijn naam alleen, en zijne

oude vriendschap voor u, ik weet het, zouden mij, ook zonder iets

meer, eene goede ontvangst bij hem verzekeren; maar een dringende

brief, regtstreeks van u, zoude tevens beleefder zijn, en met meer

kracht voor mij werken.

„Mag ik u ook verzoeken om het laatste kwartaal van mijne

jaarwedde? Ik geef niet veel geld uit, waarde vader, zoo als gij

weet; maar ik ben geen kameleon, en vijftig pond, gevoegd bij de

kleinigheden, die ik in mijn vak heb verdiend, zouden de agrémens

van mijn buitenlandsch reisje zeer vergrooten.

„Hartelijke groeten aan al mijne broeders en zusters. Ach! hoe

vurig wenschte ik, dat het harde lot van een jongeren zoon mij niet

had getroffen, en dat ik leven kon, zonder in de noodzakelijkheid

te zijn, den kost te verdienen, gelukkig, in de landelijke

tooneelen mijner jeugd, en in uw en mijner lieve zusters

gezelschap! De Hemel schenke u zijn besten zegen, waarde vader, en

aan allen, die nog het lieve, oude huis te Sizes bewonen.

„Steeds uw liefhebbende zoon

„Algernon.

„Den hoog geboren heer, grave van Crabs, enz, enz.

„Sizes-court, Buckinghamshire.”

Op dezen beminnelijken brief antwoordde zijne heerlijkheid, met

omgaanden post, gelijk volgt:

„Waarde Algernon!

„Uwen brief heb ik ontvangen, en ingesloten vindt gij den

verlangden aan lord Bobtail. Hij is een best mensch, en heeft een

der uitstekendste koks in Europa.

„Wij waren allen zeer getroffen door de hartelijke gevoelens,

waarmede gij jegens ons bezield blijft, vooral daar wij u in zeven

jaren niet gezien hebben. Zeer aandoenlijk is de teedere liefde,

waarmede, in weêrwil van tijd en afwezigheid, gij nog zoo sterk aan

het vaderlijke huis gehecht zijt. De wereld is slecht en vol

zelfzucht, en zeer weinigen, die er in zijn, kunnen die jeugdige

gevoelens bewaren, die u, mijn dierbare zoon, bezielen.

„Ik ben zeer bedroefd – van harte bedroefd – dat mijne balans bij

den bankier Coutts voor het oogenblik zoo gering is, dat ik niet in

staat ben, om uwe jaarwedde uit te keeren.

„In mijn boek zie ik, dat ik u nu negen kwartalen – vier honderd en

vijftig pond in het geheel – schuldig ben. Reken daarop, waarde

zoon, dat zij u stiptelijk zullen uitbetaald worden, bij de eerste

gelegenheid,

„Apropos – ik heb eenige uittreksels uit de couranten ingesloten,

waarin gij misschien belang zult stellen.

„Ik heb ook een wonderlijken brief ontvangen van een heer Blewitt,

eene speelschuld betreffende, waarop ik veronderstel, dat in de

dagbladen gedoeld wordt. Hij zegt, dat gij vier duizend zeven

honderd pond hebt gewonnen van een zekeren Dawkins; dat deze mensch

ze u ook betaald heeft; dat hij, Blewitt, zoo als hij het noemt,

„gelijk op” met u, de winsten had zullen deelen, maar dat gij later

weigerdet, hem zijn deel van den buit te geven. Hoe kunt gij toch,

waarde zoon, u vernederen door twisten met zulk gemeen volk, of u

bloot geven, op welke wijze het ook zij, aan hunne aanvallen? Ik

heb in mijn tijd ook veel gespeeld, maar er leeft niemand, die mij

van iets dubbelzinnigs kan beschuldigen. Gij hadt dezen Blewitt, òf

moeten doodschieten, òf hem betalen. Zoo als de zaken nu gesteld

zijn, is het te laat, om het eerste te doen, en wat het laatste

betreft, dat zou misschien overtollig zijn. Herinner u steeds, mijn

dierbare jongen, dat gij het nooit wagen moet, omtrent een schurk

oneerlijk te zijn. Maar het is zeker, twee duizend vier honderd

pond waren een groote coup.

„Daar uw beurs nu goed voorzien is, zult gij, beste Algernon, mij

wel vijf honderd pond kunnen leenen – op mijn woord van eer, zoo

waar ik leef – ik zal ze u terug betalen. Uwe broeders en zusters

zenden u hun hartelijken groet. Behoef ik er nog bij te voegen dat

gij den zegen hebt van

„Uwen liefhebbenden vader

„Crabs.

„P.S. Leen mij vijfhonderd en vijftig pond en ik zal u eene

acceptatie voor duizend pond zenden.”

Het is natuurlijk, dat het niet geheel en al overeenkomstig de

oogmerken van den heer Deuceace was, zijn vader vijfhonderd pond te

leenen! Hij zoude hem even gaarn een pak slaag gegeven hebben! In de

eerste plaats, hij had den ouden Crabs in zeven jaren niet gezien,

gelijk die oude edelman in zijn brief had opgemerkt; in de tweede

plaats haatte hij hem, en in de derde plaats, al had mijnheer hem nog

zoo zeer bemind, bestond er toch iemand, dien hij nog meer beminde,

namelijk den zoon van zijn vader; eerder dan dien uitstekenden jongen

man van één enkelen stuiver te berooven, zoude hij alle vaders ter

wereld liever te Newgate zien hangen, en „zijne beminde zusters”,

gelijk hij de freules Deuceace noemde, als veroordeelden naar

Botany-Bay zien zenden.

De uittreksels uit de dagbladen bewezen, dat, hoezeer wij ook wenschen

mogten, al hetgeen omtrent het spelen was gebeurd, geheim te houden,

het publiek er volmaakt mede bekend was. Ik heb later ontdekt, dat

Blewitt de schrijver was van de volgende lasteringen, welke overal

verspreid werden:

„het spel in de groote wereld. Alweêr de hoog welgeboren heer De–e–ce!

– Deze beroemde whist-speler heeft weder zijne bekwaamheden tot zijn

voordeel aangewend. Op Vrijdag den 16 Januarij won hij vijfduizend pond

van een zeer jongen heer, Th–m–s Sm–th D–wk–ns genoemd, terwijl hij

tweeduizend vijfhonderd pond verloor aan den heer R. Bl–w–tt, van het

T–mple. De heer D. betaalde, met de meeste naauwgezetheid, de som door

hem verloren aan den hoog welgeboren whist-speler, maar wij hebben niet

vernomen, dat de heer De–ce–ce, vóór zijne onverwachte afreis naar

Parijs, hetgeen hij verloren had, aan den heer Bl–w–tt afbetaald

heeft.”

Daarop volgde een „Berigt aan onze correspondenten.”

„Eerlijk duurt het langst vraagt, of wij bekend zijn met de heldendaden

van den beruchten speler Deuceace? – Wij antwoorden hem, dat wij van

alles onderrigt zijn, en dat wij voornemens zijn, in het volgende

nommer het een en ander dienaangaande aan het publiek bekend te maken.”

Dit gebeurde echter niet; integendeel, hetzelfde dagblad, dat Deuceace

uitgescholden had, verhief nu luid de stem, om hem te roemen; men zeide

daarin:

„Er werd verleden week, door een misverstand, een berigt in onze

courant opgenomen, dat, op eene hoogst onregtvaardige wijze, het

karakter aanrandde van eenen heer van hooge geboorte en uitstekende

verdiensten, den zoon van den algemeen geachten gr–f van Cr–bs. Wij

verklaren, met de meeste verontwaardiging, geen deel te hebben aan de

lafhartige leugens van den kwaadaardigen lasteraar, die den heer

De–ce–ce heeft gesmaad, en wij nemen deze gelegenheid waar, om aan dien

heer de eenige vergoeding, die wij in onze magt hebben, aan te bieden,

voor het misbruik dat wij van zijn onbesmetten naam hebben gemaakt. Wij

verloochenen in alle opzigten den schurk, die ons het bewuste verhaal

heeft opgedischt, en het doet ons hartelijk leed, dat zulk een

schrijver (!) ooit aan de lezers van deze courant is voorgesteld

geweest.”

Dit was zonder twijfel voldoende; en wij waren uiterst tevreden over de

verontschuldigingen van den naauwgezetten uitgever. – Inderdaad, wij

waren zoo zeer met hem ingenomen, dat mijnheer een bankbillet van tien

pond, met zijne complimenten, in een couvert sloot, en aan hem toezond.

Hij had hem reeds dezelfde som gezonden vóór dat die paragraaf werd

opgenomen; waarom begrijp ik niet; want ik kan mij bij geene

mogelijkheid voorstellen, dat men een uitgever zoude kunnen omkoopen.

Nadat deze zaak afgedaan was, huurde mijnheer een koerier; het rijtuig

werd opgeknapt; ik had, gelijk gezegd is, eene nieuwe liverei gekregen,

en wij vertrokken van Boulogne, met de grootste pracht die men zich

denken kan. Het was eene heerlijke vertooning! Vooral waren de

postillons sierlijk uitgedost: een steek op het hoofd, een buis uit een

oud koe-vel vervaardigd (het weder was koud), een staartje, bijna drie

voet lang, en rijlaarzen! O, zulke laarzen! Een bisschop had uit één

daarvan kunnen prediken, en eene niet al te groote familie in den

anderen wonen. Ik en mijnheer Schwigschnaps, de koerier, zaten deftig

achter het rijtuig; mijnheer geheel alleen binnen in, zoo trotsch als

een Turk, in zijn schoonen mantel van bont gehuld. Na de menigte

bevallig te hebben gegroet, reden wij weg; de belletjes aan het tuig

klonken, de groote witte paarden hinnikten, sloegen achteruit en

steigerden; de postillon klapte met de zweep, even hard als of hij hare

majesteit de koningin wegbragt.

Ik zal onze reis niet beschrijven. Wij trokken door verscheidene

steden, dorpen en hoofdsteden, en sliepen den eersten nacht te Amiëns.

Den volgenden dag zetteden wij onze reis voort, en ik moet gul uit

bekennen, dat hoe langer ik reisde, hoe meer ik van de wereld zag, ik

des te meer mijn eigen vaderland heb leeren beminnen en hoogschatten,

terwijl ik met verachting nederzie op de vooroordeelen en de

erbarmelijke onwetendheid van het overige Europa.

Mijne opmerkingen omtrent Parijs zal ik dadelijk laten volgen – ik en

mijnheer hebben daar eene belangrijke rol gespeeld; daaraan zal toch

wel niemand twijfelen.

Gedenkschriften van den heer Yellowplush · 第 15 / 42 题