INLEIDING.

Van oudsher heeft de sterrenhemel oog en geest der menschen geboeid

en op hun verbeelding gewerkt door de geheimzinnig statige en

regelmatige wisseling van zijn verschijnselen en de boven al het

aardsche verhevene onvergankelijkheid van zijn lichten. Voor de

primitieve menschen, wier leven nog innig met de natuur vergroeid

was, waren de hemelverschijnselen een onontbeerlijk hulpmiddel om

den tijd van den dag en het jaar te vinden, en op hun reizen waren

hun de sterren betrouwbare gidsen. Den hemel bevolkten zij met

machtige goden en in hun levensleer speelden de hemellichten een

belangrijke rol.

De moderne wetenschap der sterren, de astronomie, heeft deze

primitieve wereldbeschouwing vernietigd. Maar daarbij is de

tooverkracht, waarmee de wereld der sterren den mensch boeit, is de

belangstelling, die zij in zijn geest wekt, zoomin verdwenen als

haar praktische beteekenis voor het menschelijk leven; integendeel,

beide zijn veel sterker en rijker geworden. Vroeger dan eenige

andere wetenschap had de sterrekunde beteekenis als theoretische

grondslag van het maatschappelijke leven; door haar werd het eerst

mogelijk oceanen te bevaren en verre werelddeelen te ontdekken, en

omgekeerd hebben de eischen, die het wereldverkeer stelde, de

wetenschap der hemellichamen tot steeds hoogere volmaaktheid

voortgestuwd. Zij was het, die zoo het eerst en het best heeft

getoond, wat wetenschap is en zijn kan: een zichtbaar bewijs van de

macht van den menschelijken geest over de wereld. Want zij was niet

slechts in staat de toekomstige hemelverschijnselen jaren en eeuwen

vooruit te voorspellen, zij wist zelfs het bestaan en de plaats van

nooit geziene werelden met zekerheid vast te stellen. Wat zij over

den bouw der wereld gevonden heeft, is zoo grootsch, dat de stoutste

vlucht van de fantasie der grootste denkers uit vroegere eeuwen

armelijk afsteekt bij wat zij als waarheid onthuld heeft. Zij voert

ons ver buiten de aarde, de woonplaats der menschen; zij toont ons

een eindeloozen stoet van andere werelden, donkere zoowel als

lichtende, reusachtiger meest dan onze eigene. Zij leert eenvoudige

wetten kennen, die den loop der wereld beheerschen en die in de

rijkste veelvuldigheid van bewegingen in het heelal te voorschijn

treden; zij spreekt van wereldschepping en wereldondergang in

tijdperken, die met millioenen jaren gemeten worden. Zij eerst toont

ons het werkelijke groote heelal, de eigenlijke wereld, waarvan dat,

wat de menschen in hun dagelijksch leven de wereld noemen, een

onbeteekenend nietig stukje is.

Reeds het gezicht alleen van den sterrenhemel moet op iedereen,

wiens oog en zin voor schoonheid der natuur ontvankelijk zijn, den

diepsten indruk maken. Wien het eenmaal gebeurd is, dat hij op een

eenzamen landweg, ver van al het verblindende licht der stad, zijn

oogen van het pad voor zijn voeten ophief naar den hemel, waar

tusschen de kleurig flonkerende sterren overal het fijnste

sterrestof uitgestrooid is, terwijl het teere licht van den Melkweg

als een wonderbaar-grillige lichtband van horizon tot horizon te

volgen is, die heeft wel een van de sterkste indrukken van

schoonheid ontvangen, die de natuur ons ooit kan geven. Wel heeft

deze schoonheidsindruk bij de eerste belangstelling der

oorspronkelijke menschen voor den sterrenhemel maar een geringe rol

gespeeld en is dus voor het ontstaan der wetenschap niet van groot

belang geweest. Bij den modernen mensch echter werkt het aesthetisch

element zonder twijfel sterk mee, om liefde voor de sterrenwereld op

te wekken, te meer, daar het genot, dat de onmiddellijke

aanschouwing ons geeft, evenals overal in de natuur, door het weten

nog bevestigd en verrijkt wordt.

Maar bovenal ligt de oorzaak van de bekoring, die van de sterrekunde

uitgaat, wel hierin, dat geen andere wetenschap met zoo groote

zekerheid een werkelijkheid onthult, die de meest stellige ervaring

van iederen mensch tot niets dan een bedriegelijken schijn maakt.

Daarin ligt ook de groote beteekenis der sterrekundige wetenschap

voor de ontwikkeling der menschheid. Een lange zware strijd was

noodig, om de nieuwe waarheid omtrent den bouw van het heelal te

doen zegevieren over de primitieve opvattingen, die door hun innige

verbinding met de godsdienstige leerstellingen het karakter van

onaantastbare dogma's hadden gekregen. Daarom is de revolutie van de

grondslagen der sterrekunde een der belangrijkste tijdperken in de

geschiedenis der natuurwetenschap geweest, die zich eerst daardoor

vrijmaakte uit de boeien der kerkelijke traditie. Zij heeft als geen

andere wetenschappelijke leer, behalve misschien het Darwinisme in

de 19de eeuw, de wereldbeschouwing der menschen omgewenteld en

verruimd. De strijd over de sterrekundige waarheid in de 16e en 17e

eeuw was een der gewichtigste episoden in de

ontwikkelingsgeschiedenis der beschaving.

Men zou kunnen meenen, dat deze strijd voor ons enkel nog maar

historische beteekenis heeft. Maar zulk een meening is onjuist: deze

bevrijding van den geest uit de boeien der traditie heeft ook nu nog

praktische waarde. Ja, meer nog; men kan gerust zeggen, dat juist in

dezen ommekeer onzer gronddenkbeelden over de wereld de groote

beteekenis der sterrekunde voor de tegenwoordige menschen ligt, veel

meer dan in de schoonheid van den sterrenhemel voor het oog of in de

belangrijkheid der wetenschap voor ons maatschappelijk leven. Want,

wat bemerkt men van sterren in de stad, waar de menschheid, waar de

vooruitgang, waar het geestelijk leven zich koncentreert?

Ternauwernood valt ons daar nu en dan, naast de felle lichtmassa's

der elektrische booglampen, de maan als een bleeke schijf tusschen

de hooge huizenrijen op. De tegenwoordige menschen hebben den

onmiddellijken samenhang met de natuur verloren, zooals die vroeger

bestond, toen de boeren nog zelf het uur van den dag uit den stand

van de zon aflazen. De arbeid tot voortbrenging der levensbehoeften,

die den band tusschen mensch en natuur vormt, is een ingewikkeld

maatschappelijk proces geworden, met ver doorgevoerde

specialiseering en verdeeling van arbeid, waarin ook de sterrekunde

haar plaats inneemt, maar als een bijzonder vak van bijzondere

vakmannen. En tegenwoordig eischt deze arbeid van bijna iedereen, in

welk vak ook, zoo groote inspanning, de druk van de dagtaak is voor

de meesten zoo zwaar, dat zij zich maar bij hooge uitzondering met

een ander vak dan het hunne kunnen bemoeien.

Daarentegen heeft iedereen er het grootste belang bij, zijn eigen

algemeene wereldbeschouwing klaar en goed op te bouwen. En juist in

den tegenwoordigen tijd zien wij steeds grootere volksmassa's uit

het traditioneele geloof hunner vaderen opstijgen tot een

wetenschappelijke opvatting van de wereld. Voor deze massa's, die

zich tot eigen denken, tot een zelfstandig geestelijk leven omhoog

worstelen, heeft de strijd der wereldstelsels, die voor drie eeuwen

het eerst door de natuuronderzoekers gevoerd werd, een praktische

waarde. Willen zij zich in den tegenwoordigen strijd der

wereldbeschouwingen goed oriënteeren, dan moeten zij zich ook van

den werkelijken bouw van het heelal een helder begrip vormen.

Nu schijnt niets gemakkelijker dan dat. Want in tallooze populaire

boeken zijn de resultaten der sterrekundige wetenschap neergelegd;

zij worden in vele scholen als vaststaande waarheden geleerd en als

vanzelfsprekend aangenomen; wie het wagen zou hun juistheid in

twijfel te trekken, moet er op rekenen, als een achterlijke weetniet

beschouwd te worden, die nog in oude vooroordeelen bevangen is.

Geloovig aannemen, wat de wetenschap leert, wordt nog maar al te

vaak voor het ware kenmerk van kennis en beschaving gehouden. Wie

zich echter met eigen inspanning en onder veel innerlijken strijd

tot een nieuwe wereldbeschouwing opwerkt, kan niet eenvoudig het

oude autoriteitsgeloof door het geloof in de nieuwe autoriteit der

wetenschap vervangen. Hij moet zich de grondslagen en de redenen

voor zijn nieuwe opvatting als door hemzelf doordachte en beproefde

waarheden zelf veroveren. Dan eerst is zij een eigen gewonnen weten,

een vaste overtuiging, een zeker bezit voor hem geworden.

Dit biedt nu juist bij de uitkomsten der sterrekundige wetenschap de

minste moeilijkheden. Wel heeft het onderzoek der natuur vele

uitkomsten opgeleverd, die, hoe belangrijk ook voor het algemeen,

toch op zulke moeilijke proefnemingen met ingewikkelde toestellen en

veel hoogere wiskunde berusten, dat alleen een vakman in staat is,

ze te beoordeelen, en de leek zich er mee tevreden moet stellen, ze

op gezag der geleerden aan te nemen. "De enkeling kan niet alles

weten. Geloof is den mensch noodzakelijk; maar welverstaan, alleen

geloof in wat anderen weten." (Dietzgen.) Dat geldt echter niet voor

de grondslagen van de sterrekunde. Wie mocht meenen, dat vele

ingewikkelde waarnemingen met bijzondere instrumenten en moeilijke

theoretische beschouwingen noodig waren, om de onjuistheid van het

wereldbeeld van de vlakke, vaste, stilstaande aarde aan te toonen,

dat zich bij iedereen vanzelf uit zijn eigen onmiddellijke ervaring

vormt, vergist zich zeer. Het is weerlegd met behulp van de

eenvoudigste waarnemingen, waarvoor bijna geen instrumenten, alleen

maar eenige vlijt en volharding noodig waren; opmerkzaamheid en

nadenken waren de eenige hulpmiddelen, waarmee de grondslagen onzer

sterrekundige wereldbeschouwing opgebouwd zijn. De groote ommekeer

der wetenschap in de 16e eeuw berust bijna uitsluitend op

ervaringen, die geheel en al binnen het bereik van elken leek

vallen. Men behoeft slechts met wat aandacht en geduld op de

verschijnselen des hemels te letten en daarover na te denken, om

zich een op eigen ervaring gegronde overtuiging van de waarheid der

moderne astronomische wetenschap te verschaffen.

Zulk een doordringen in de wetenschap sluit vanzelf aan bij haar

werkelijken historischen ontwikkelingsgang. Vele werken over

sterrekunde volgen een andere methode; zij zetten den lezer de

resultaten der wetenschap kant en klaar voor, met de zoogenaamde

bewijzen voor hun waarheid. Daarbij mag zich den lezer de

overtuiging opdringen, dat hij met een onaantastbaar systeem te doen

heeft, waar alles volmaakt ineensluit, waar voor twijfel geen plaats

is -- maar het is toch niet zijn eigen weten; het berust op het

gezag, dat een algemeen aangehangen en vastgesloten systeem op ieder

moet uitoefenen. Geheel anders staat hij er voor, als hij den weg

volgt, dien de menschheid in haar historische ontwikkeling

doorloopen heeft. Zij begon met hetzelfde eenvoudige beeld van de

wereld, dat bij iedereen door dagelijksche ervaring opgroeit. Een

nauwkeuriger beschouwing der hemelsche en aardsche verschijnselen

voerde dan tot moeilijkheden en tegenspraken, die de menschen

dwongen hun eerste opvatting te verbeteren; en zoo stegen zij, trap

voor trap, in een lang ontwikkelingsproces tot steeds juistere

denkbeelden omhoog, totdat zich daaruit eindelijk -- altijd nog met

behulp van eenvoudige overwegingen, alleen nu en dan op een rijker

waarnemingsmateriaal steunend -- de moderne wereldbeschouwing

vormde. Wie de wetenschap als een levende, zelf verworven waarheid

in zich wil opnemen, moet deze trappen van ontwikkeling zelf nog

eens doorloopen. Dan ziet hij bij elken volgenden stap in, hoe

noodzakelijk deze was, om de onvolkomenheden van den vorigen trap

der kennis op te heffen; hij kent de redenen, de bewijsgronden, die

in den strijd voor en tegen een rol speelden. De zoo verkregen

zekerheid is niet meer aan het wankelen te brengen, omdat zij niet

dogmatisch, maar historisch gewonnen is en daarom tegelijk ruimte

open laat voor verdere ontwikkeling.

Onder de vele populaire werken over sterrekunde is Kaiser's

"Sterrenhemel" dat in het midden van de 19e eeuw verschenen is, in

ons land zeker wel het meest beroemd geworden. De terecht geprezen

voortreffelijkheid van dit werk berust hierop, dat het met strenge

en zuivere konsekwentie een vast methodisch principe toepast. Dit

principe: dat de lezer als leek alleen belang stelt in en te maken

heeft met de resultaten der wetenschap, doch de manier, waarop zij

verkregen zijn, aan de natuuronderzoekers moet overlaten, is echter

juist het tegendeel van de beginselen, die wij hier ontwikkeld

hebben; zoo is dan ook ons werk een volkomen tegenvoeter van

Kaiser's werk. Hij schreef voor een publiek, dat in de heerschappij

der wetenschap het principe van den nieuwen tijd zag en daarom

volkomen bereid was om de mannen der wetenschap op hun gezag te

gelooven. Wij schrijven in een tijd, die meer dan vroeger op de

historische ontwikkeling nadruk legt, die in den tegenwoordigen

scherpen strijd der richtingen een voortzetting van de vroegere

ontwikkeling ziet en daarom iedereen drijft zich zelfstandig, door

eigen denken zekerheid over zijn algemeene wereldopvattingen te

verschaffen.

Onze methode brengt daarom ook een juistere waardeering van de

vroegere ontwikkelingstrappen der wetenschap mede, die

buitengesloten is bij de dogmatische uiteenzetting der uitkomsten,

welke onze tegenwoordige en de vroegere denkbeelden scherp als

waarheid en dwaling tegenover elkaar stelt. Dikwijls leest men bij

moderne schrijvers uitingen van afkeuring over het onvruchtbare en

beschamende, groote geesten onwaardige bijgeloof der astrologie; of

wel zij verwonderen zich, hoe de oudheid, nadat zij het ware

wereldsysteem al had leeren kennen, deze waarheid weer opgaf en tot

een onjuiste opvatting terugkeerde; meer dan eene geniale

kuriositeit zien zij in het wereldbeeld van Aristoteles niet. Voor

ons zijn zulke oude denkbeelden niet eenvoudig dwaling, maar

ontwikkelingstrappen der groeiende waarheid, die ook wij in een

zeker stadium onzer ontwikkeling als nieuwe en noodzakelijke

waarheid inzien; maar die wij dan naderhand op grond van verdere

ervaringen moeten opgeven, om hun blijvende kern in een nog hoogeren

trap van kennis op te nemen.

Ons werk -- dat zich alleen met de ontwikkeling der grondslagen van

ons sterrekundig wereldbeeld bezighoudt en alle latere, daarop

gebouwde meer of minder zekere uitkomsten omtrent de natuur der

hemellichamen achterwege laat -- wil daarom toch geen geschiedenis

der wetenschap zijn. Ons doel is, uit de eenvoudige waarneming der

verschijnselen om ons heen trapsgewijs en logisch ons wereldbeeld op

te bouwen. Waar de werkelijke historische ontwikkeling zijwegen of

omwegen insloeg, die niet in de lijn der verdere ontwikkeling lagen,

behoeft zij ons niet bezig te houden. Maar in de belangrijkste

hoofdtrekken loopt toch de logische opbouw van onze tegenwoordige

kennis met de historische ontwikkeling parallel; zoo wordt tusschen

hen een band gevlochten, die de geestelijke ontwikkeling van den

enkelen mensch met het historische omhoog stijgen der geheele

menschheid samenweeft. Wie zich op deze wijze in de wetenschap

inwerkt, beleeft een belangrijk stuk beschavings- en

geestesgeschiedenis der menschheid als een deel van zijn eigen

levensgang.

Er zijn weinig dingen, die zooveel genot en bevrediging kunnen

geven, als zulk een natuurstudie. Niet alleen door den rijkdom van

verschijnselen, die zij ons toont, die aan de in gedachteloozen

sleur voortlevende menschen onbekend blijven, en van welke wij nu de

beteekenis leeren kennen; maar ook door het geestelijk verwerken

dezer ervaring, waardoor het schijnbaar gekompliceerde en verwarde

ten slotte in de schoonste harmonie en eenvoud wordt opgelost. Wij

veronderstellen, dat de lezer de verschijnselen, voorzoover ze hem

niet reeds bekend zijn, zelf ook gaat waarnemen. Al is dit tot goed

begrip ook niet absoluut noodig -- want feiten kan men ook aan

anderen ontleenen, en op de gevolgtrekkingen, die men er uit

afleidt, komt het toch vooral aan -- zoo maakt toch het eigen

waarnemen de wetenschap tot iets levends, tot een wereld, die wij

persoonlijk uit eigen aanschouwing kennen. En zeker zal ieder, die

op deze manier geleerd heeft uit den loop der sterren de groote

wetten van het heelal af te leiden en hun beteekenis voor onze, voor

zijn eigen wereldbeschouwing leerde kennen, deze sterren voortaan

met geheel andere oogen aanzien. Zij spreken woorden tot hem vol

inhoud en zin. Als hij tot hen omhoog ziet, zooals zij daar aan den

hemel hun banen doorloopen, spreken ze tot hem van de vroegere

geslachten der menschen, die ook zoo tot hen omhoog zagen, spreken

ze van hun arbeid en hun strijd, niet als stomme getuigen, die

onverschillig voor wat op aarde gebeurde, hun eigen weg gingen, doch

als werkelijke deelgenooten in de geestesworsteling der menschheid.

Aan de sterren heeft de mensch zich als het ware opgericht; met hun

hulp heeft hij zich den weg der vrije ontwikkeling gebaand. Wie zoo

hun beteekenis voor de menschheid heeft leeren kennen, voor hem is

de sterrenhemel een beeld van strijd en overwinning, van onbegrensde

ontwikkeling in verleden en toekomst, een bron van schoonheid, van

genot en van trots.

De Wonderbouw der Wereld · 第 7 / 64 题