XVI. ZILVEREN BRUILOFT IN DE DUIVENTIL

„Er wordt daar zeker een bizonder feest gevierd,” dachten de

voorbijgangers, die de lange rij auto’s en rijtuigen zag staan voor

„Huize Canneheuvel.” ’t Was een heldere Novemberdag, doch de duisternis

viel al vroeg in, en telkens als de huisdeur werd geopend om een

nieuwen bezoeker binnen, of een die wegging, uit te laten, viel een

stroom van licht uit ’t feestelijk huis, en zag men overal festoenen

van kransen, guirlanden van bloemen in vestibule en gang. Nu, er was

dan ook een groot feest in de Duiventil, ’t allergrootste, dat nog ooit

door de familie Canneheuvel gevierd werd. En de heer en mevrouw

Canneheuvel waren heden koning en koningin, want zij vierden hun

zilveren bruiloft, en al de kinderen en kleinkinderen waren om hen

heen.

De zilveren bruid stond naast haar bruidegom, en zag er even dankbaar

en gelukkig uit als toen ze, een kwart eeuw geleden, de reis door ’t

leven met hem begon. Rank en slank als toen, wel verouderd zoo op ’t

eerste gezicht, met ’t zilvergrijze haar, dat de plaats van de

goudblonde vlechten had ingenomen. Doch voor man en kinderen was moeder

precies dezelfde gebleven. Want haar lief, zacht moedergezicht had ze

behouden, en dat zou ook wel nooit veranderen in hun oog. Was ’t niet

nog moederlijker geworden, nu de kleinkinderen ook om haar zorg en

toewijding vroegen?

Met liefde en trots keek Mevrouw Canneheuvel naar haar man, zoo jong,

gezond en flink nog voor zijn twee en zestig jaren. Hij leek bijna een

broer van Dolf, zijn oudste zoon, wien men zijn ingespannen arbeid, als

druk gezocht geneesheer op ’t warme Soerabaïa, terdege aan kon zien.

Lous was weinig veranderd. Ze liet Bas je bijna niet uit haar oogen.

Wat een verrukkelijk weerzien was dat geweest tusschen ouders en

kinderen, tusschen vader, moeder en zoon nu een maand geleden, toen

Basje ’s morgens vroeg ’t huis was uitgeslopen, en ’s middags vader en

moeder de Duiventil binnenbracht. „Een mensch zou bijna de scheiding

over hebben voor zulk een zalig wederzien,” had Lous gesnikt.

’s Avonds waren alle broers en zusters er ook, om Lous en Dolf te

verwelkomen. Hoe langen tijd hadden zij daar niet naar uitgezien en

verlangd!

Basje had tante Ajoe in ’t geheim moeten nemen, nu Grootma niets weten

mocht van Dolf’s en Lous’ komst, en dus niet vooruit kon zorgen. Tante

Ajoe en oom Jan hadden alles bezorgd en geschikt, en met vreugde hun

zitkamer afgestaan, die met hulp van Bet en Kee in een keurige

slaapkamer werd omgetooverd.

Moeder zou natuurlijk ook Lous en Dolf in de Duiventil willen houden,

en ’t kon ook best geschikt. Op ’t laatste oogenblik behoefde er dus

niets in orde gemaakt, en was er geen drukte. En toen Ajoe zei: „U hadt

Dolf en Lous natuurlijk nergens anders willen hebben dan hier,”

antwoordde Mevrouw Canneheuvel: „Dat spreekt immers van zelf, geen kind

van vader en mij, zonder eigen thuis, mag in Holland ergens anders

wonen dan bij ons.

„En je bent een lieve schat, kleine Ajoe, dat je alles zoo netjes

beredderd hebt.”

Nu ook de kinderen uit Indië om haar heen waren, voelde Mevrouw

Canneheuvel zich pas volkomen gelukkig, en ontbrak er niets meer aan

haar vreugde. Van Dolf keek zij naar Jan, de zoon van haar man, wiens

liefde zij ’t laatst gewonnen had, die haar haar taak als tweede moeder

dikwijls heel moeilijk had gemaakt. Doch hoe rijk waren haar geduld en

liefdevolle toewijding ook door dit kind beloond! Naast Ajoe en Suusje

stelde Jan niemand hooger dan haar. Geen mensch op de wereld had hij

inniger lief dan zijn „Mader,” dat bewees hij haar elken dag.

En Puck, haar zorgenkind, die beweerde dubbel recht te hebben vader en

moeders dochter te zijn, omdat zij als Canneheuveltje was aangenomen en

door Frits nog eens lid van de familie geworden was. Met welk een

innige liefde hing Puck aan „Moeder” en in ’t hart van haar pleegmoeder

nam Puck haar eigen plaatsje in, niet minder groot dan dat der andere

kinderen.

Welke flinke, degelijke mannen waren Dolf, Jan en Frits geworden. Jan

was vaders steun en rechterhand. Niemand had Vader de zaken in

Soerabaïa beter kunnen toevertrouwen dan zijn nauwgezetten, eerlijken

tweeden zoon. Een jaar geleden was Jan als compagnon in de firma

opgenomen, en stond nu naast zijn vader, aan ’t hoofd van ’t bloeiend

handelshuis in Indië. Men kon ’t Jan bijna niet aanzien, dat hij zoo

langen tijd onder ’t tropisch zonnetje had gewerkt. Hij was er jong bij

gebleven. Met zijn grappig, vroolijk gezicht, zijn lange, altijd in

beweging zijnde armen en beenen had hij tusschenbeide nog iets echt

jongensachtigs over zich, en als hij Ajoe plaagde, of met Duimelientje

stoeide, was hij nog net een jongen.

Frits, die lieve, knappe zoon, aan wien zij zoo oneindig veel te danken

had, leek bijna ouder dan Jan door zijn ernstig uiterlijk en rustige

manieren. Hij had heusch al de bedaarde deftigheid van een professor

over zich.

Puck en moeder fluisterden er dikwijls over, en ’t vervulde haar met

stillen trots, nu Frits dit misschien al gauw worden zou. ’t Was al

lang geen geheim meer, dat professor S. Frits tot zijn opvolger zou

aanwijzen, wanneer hij zijn ambt neerlegde. ’t Vooruitzicht stemde Puck

meer dan gelukkig, en hoe blij zou Frits zelf zijn, als ’t zoover was.

Maar hij verdiende het. Niemand dan zij wist beter hoe ijverig,

geduldig en nauwgezet hij was, hoe zijn vak hem boven alles ging. En

voor hoe knap en kundig men hem hield, daarvan had zij bewijzen te

over; geen operatie van belang, of haar Frits werd er bij geroepen.

„En,” vertrouwde Puck aan moeder toe, „Frits zal als prof maar wat een

goed figuur maken. Want uitleggen, duidelijk verklaren en redeneeren

vooral, dat kan hij! Daarin heeft hij zich van kind af aan geoefend.”

Joop had al professor kunnen zijn, doch bleef liever uitsluitend

practiseerend geneesheer. Zijn patiënten waren hem hier heel dankbaar

voor. Want Dokter van Rithem maakte als kundig arts niet alleen ’t

lichaam maar ook de ziel gezond. Menig armen tobber wist hij moed en

hoop in te spreken, aan zijn gezin en ’t leven te hergeven. Dan was

Joop niet allereerst bedacht op eigen voordeel; zijn armenpractijk ging

hem bovenal. Doch ook menigeen uit den z.g. goeden stand, die gebukt

ging onder geldzorgen, stond verbaasd over ’t kleine honorarium, dat

Dokter van Rithem vroeg.

„Dokter is er toch zoo dikwijls geweest!” zei de patiënt dankbaar. „’t

Is of de goeie man weet, hoe moeilijk wij ’t kunnen missen.”

Nel was ’t, ook in dit opzicht, geheel met haar man eens. Van haar

leerden Eric en Tobi, met Vader als voorbeeld, meelij te hebben met

zieken, zwakken en hulpbehoevenden, wèl te doen met woord en daad. ’t

Was een voorrecht, als ze met moeder mee mochten om een versterkend

soepje te brengen aan een gezin, dat in stilte armoe leed, geen geld

voor duur vleesch te missen had. Of wanneer ze een van hun eigen

zakgeld gekochte versnapering een ziek stumperdje in de magere handjes

mochten stoppen. Nel leerde haar kinderen ’t rijmpje van Mevrouw

Canneheuvel met ter daad toepassen:

„Men steunt en helpt pas dubbel goed,

Wanneer men ’t van harte doet.”

Och! Och! wat was ’t heden een drukke dag in Huize Canneheuvel. ’t

Begon al toen ’t zilveren paar nog boven was, en de drie kleintjes:

Jopie, Cartje en Suusje, de handen vol bloemen, Grootpa en Grootma hun

gelukwenschende versjes kwamen toezingen. „Net drie engeltjes,” zei

Marietje, die ze zag binnen gaan, en aan de deur naar ’t zingen bleef

luisteren.

Beneden werd ’t zilveren paar ontvangen met een lied, door Joop

gemaakt, door Puck gezongen, door Frans op muziek gezet en begeleid.

In dat lied zong Puck de ouders de dankbare liefde toe van al de

kinderen. ’t Was aandoenlijk mooi, en geen wonder, dat vooral de bruid

moeite had haar ontroering meester te blijven.

Cadeaux, bloemstukken, gelukwenschen, den heelen dag vlogen die

vreugdeboden de Duiventil binnen. ’s Middags stroomde ’t visite.

„Gelukkig, dat er zulk een groote familiekring om Opa en Oma

heenstond,” zei Tobi, „anders hadden de „feliciteerders” maar even

kunnen blijven.” Nu kon iedereen nog een praatje maken, terwijl Grootma

en Grootpa steeds nieuwe handen drukten.

Eric, Tobi en Jopie presenteerden heerlijke bonbons, en droegen Oma’s

prachtig cristallen mandjes zoo voorzichtig als ’t maar kon. Jopie

zocht de menschen op, die een beetje achteraf stonden, en bood hen gul

haar lekkers. Niemand mocht vandaag te kort komen.

Maar dan zocht ze gauw Cartje weer op; die moest erg in ’t oog worden

gehouden, want hij snoepte veel te veel, en liep voortdurend te zuigen.

Duimelientje bleef aldoor naast haar Maatje; op die werd dus van zelf

gepast. Dat gaf Jopie een heele rust.

Mevrouw Canneheuvel keek de kamers rond. Een dame had naar Nel

gevraagd; waar of lieve Nel toch was? Ze zag haar nergens. En toen

bedacht moeder zich, dat Nel zeker even was weggeslipt om naar

Grootmama te gaan kijken. Want ’t groote wonder was geschied. Grootmama

uit Haarlem had de reis naar den Haag ondernomen om dezen eenigen

feestdag met de familie Canneheuvel mee te vieren.

’s Morgens waren Joop en Frits Grootmama per auto gaan halen, en Chris

was ook meegegaan, want die liet haar oude Mevrouw nooit alleen.

’t Makkelijke, kalme ritje was Mevrouw van de Capelle best bekomen,

maar ’t bijwonen der receptie durfde zij niet aan. Dolf en Joop zouden

het Grootmama ook niet hebben toegestaan.

Tante Johanna uit Voorburg stond wel in den kring, en vertelde ieder,

die ’t wilde hooren, dat die dame met de mooie, donkere oogen, haar

nichtje Puck was, en dat snoezige diertje in ’t wit met rose, haar

achternichtje Jopie, haar petekind. En voor haar waren die twee ’t

beste en liefste, wat ze op de wereld bezat.

Grootmama had kalmpjes boven koffie gedronken met Nel en Chris, terwijl

Eric en Tobi de trap op en af renden, om allerlei lekkers boven te

brengen. Dit gunden zij niemand anders. Toen was de oude dame wat gaan

rusten in de stille kamer achter in ’t huis, waar bijna geen geluid van

beneden doordrong.

Chris had de breede rustbank tot een lekker bed gemaakt, en „Mevrouw

was gelukkig al gauw ingesluimerd,” zeer tot geruststelling van Chris,

die ’t in haar hart wel een beetje afkeurde, ’t een groot waagstuk

vond, die verre reis in den winter voor haar oude meesteres.

Maar in zoo’n auto zit je anders lekker, (Mevrouw warm toegestopt met

een heete kruik aan haar voeten). Zij had ’t hier even best als thuis,

dat moest Chris eerlijk toegeven. De jonge Mevrouw Nel was straks

stilletjes boven gekomen, en had Mevrouw zachtjes in slaap gelezen. Zoo

heerlijk als Mevrouw Nel kon voorlezen! Daar raakte je zelf ook bijna

van in den dut, al waren ’t ook nog zulke mooie verzen. „Dokter Joop

had ze gemaakt,” vertelde Mevrouw.

Nu was Grootmama wakker geworden, en zat Nel naast de bank en streelde

haar hand, terwijl zij zachtjes samen babbelden.

„Hoe laat gaan jullie aan tafel, Nel?” vroeg Grootmama. „’k Wil mij

bijtijds netjes maken en.... niet vertellen, Nel, maar bij ’t dessert

wil ik ook een woordje zeggen. We zijn heelemaal onder ons, hé kind?”

„O Grootma, hoe aardig! Wat zullen Vader en Moeder dit op prijs

stellen! Zeker, de vrienden worden later gevraagd en de kinderen

krijgen volgende week partij, maar vandaag zijn we onder ons, zooals

altijd wanneer er groot feest is. En vaders’ en moeders’ zilveren

bruiloft is wel ’t grootste feest, dat we nog ooit gevierd hebben,

vindt U ook niet?”

„Zeker vrouwtje, ’t grootste, mooiste feest? Lieve Nel,” vervolgde

Grootmama na een poosje, „je kunt je wel begrijpen, hé, dat ik jullie

eigen moedertje zoo lang ik leef zal blijven missen en betreuren. Maar

ik denk dikwijls, dat zij zelf dankbaar zou zijn, als ze weten kon, wat

de nieuwe moeder, die vader jullie gaf, voor haar kinderen steeds

geweest is. Moeder is mij als een eigen kind aan ’t hart gegroeid,

Nel.”

„Hoe heerlijk, dat U dit zegt, Grootma, want moeder verdient ’t, dat U

haar liefheeft. Ze heeft vader en ons een hemel op aarde gegeven.

Moeder zei ’t zoo dikwijls: „juist omdat jullie je eigen moedertje

missen moet, wil ik mijn best doen dubbel goed voor haar kinderen te

zijn. En dat is Moeder geweest en gebleven.”” Ze zweeg ontroerd,

Grootmama had de oogen vol tranen, en Nel wischte ze voorzichtig af.

„Kom, lieve schat, nu moet U opstaan, en zullen Chris en ik Uw vlugge,

handige kameniers zijn, niet waar Chris?”

Om zes uur daalde Mevrouw van de Capelle tusschen Nel en Chris de trap

af. Bij de eetkamer stonden al de kleinkinderen als eeregeleide gereed,

en brachten de oude dame veilig naar haar stoel aan ’t hoofd van de

tafel.

Aan haar linkerzij zat de zilveren bruigom naast zijn bruid, en Dolf

zat aan Grootma’s anderen kant naast Lous. Want vandaag had iedere heer

zijn vrouw als tafeldame. Tante Johanna sloot de rij der volwassenen

tusschen Frits en Basje ingezeten, die de orde hield onder de

kleintjes. Hij schonk hun de glaasjes vol vruchtensap en zorgde er

voor, dat ieders bordje welgevuld was. Kee, Chris en Marietje dienden,

en Sarina zorgde met Basje mee voor de kinderkamer.

Toen ’t dessert op tafel stond, keken trouwe Bet en Betjesmoe om ’t

hoekje van de deur, die op een kier stond, want de „toosten,” zei Bet,

„die wilde ze ook hooren.”

Dolf opende de rei der toasten, en na hem spraken Jan, Frans en Joop:

hartelijk en gevoelvol. Doch Frits’ toespraak klonk Puck ’t mooist van

alle in de ooren. Zijn woorden gingen recht van hart tot hart tusschen

zijn ouders en hem.

En Puck glimlachte door haar tranen heen: niemand kan spreken als mijn

Frits.

Nu stond Grootmama op en hief met bevende hand haar glas omhoog. ’t

Werd doodstil, duidelijk klonk de zwakke stem der twee en negentig

jarige:

„Een enkel woord, lieve kinderen, van de oude vrouw, die ge steeds als

een moeder hebt geëerd en lief gehad, en die U leerde liefhebben als

eigen kinderen. Wat gij voor mij geweest zijt en bent, kan ik niet

onder woorden brengen, dat behoeft ook niet, wij weten en voelen ’t, en

dat is genoeg.” Zacht dwong Dolf Grootmama te gaan zitten, en hem

dankend voor zijn zorg met een vriendelijk knikje, hervatte zij, zich

tot het bruidspaar wendend: „Carel, als man van mijn lieve dochter

waart ge mij meer dan welkom, en met de jaren werd ge mij dierbaar als

een eigen zoon. En de vrouw, die Nellie’s plaats innam, die Nellie’s

kinderen grootbracht, kan ik in mijn hart en in mijn liefde niet meer

scheiden van mijn eigen bemind kind. Dat is de hoogste lof, die ik haar

schenken kan. God geve, dat ge elkaar, uw kinderen en kleinkinderen nog

jaren ten zegen moogt zijn.”—De oude stem trilde, de laatste woorden

werden bijna fluisterend geuit....

Mevrouw Canneheuvel omhelsde Grootmama lang en innig, sprak zacht haar

dank. Allen waren aangedaan, en Lien liet de heldere tranen langs haar

wangen rollen, terwijl zij moeder toelachte. Hoe schattig van

Grootmama, om zóó over haar moedertje te spreken!

Ze wilde opstaan, Grootmama ook omhelzen. Doch Dolf wenkte haar te

blijven zitten: Vader had ’t woord gevraagd. Maar de heer Canneheuvel

was te ontroerd om wat hij voelde onder woorden te brengen, nam de hand

van zijn lieve vrouw in beide de zijne, en in zijn oogen las zij den

stillen, overgrooten dank voor ’t geluk, dat zij hem en de kinderen

vijf en twintig jaren lang geschonken had.

„Lieve Suze....” zijn stem stokte. Hij keek Dolf aan, gaf de andere

kinderen een teeken. En zij begrepen, waar hij hen om verzocht. Zonen

en dochters omringden den stoel van de zilveren bruid, en riepen haar

als uit één mond toe: lang leve Moeder, onze lieve Moeder, zij leve!

Nu werd er gekust en omarmd, de glazen werden geledigd op ’t welzijn

van ’t zilveren paar.

De kleintjes kwamen als kabouters achter elkaar aanstappen, stieten hun

glaasjes met vruchtensap tegen de hooge glazen, en gilden: „hoera!”

Duimelientje fluisterde even met haar pappa. Toen klom ze bij Mevrouw

van de Capelle op schoot, sloot beide handjes om haar gezicht en zei:

„Jij bent Suusjes Ote-Grootmama,” zegt Pappa, „en of ik Ote-Grootmama

een kusje mag geven?”

En dit keer was ’t prinsesje erg gul met haar zoentjes.

Vol trotsche vreugde keek de heer Canneheuvel de tafel langs. Hij kon

met recht trotsch zijn op zijn flinke, knappe zonen, zijn lieve

dochters en aardige bloeiende kleinkinderen. En hij dacht aan de jaren,

nu zoo ver achter hem liggend, toen zijn arm viertal zonder

moederliefde en zorg, dreigden op te groeien tot zelfzuchtige menschen

met verkeerde karaktereigenschappen, en wat zij geworden waren onder de

hoede hunner tweede moeder. Met haar komst had ’t geluk op nieuw intree

in zijn huis gedaan. Met nimmer falend geduld, en de volle liefde van

haar moederhart, had zij de kleine weerspannige harten gewonnen. Er ’t

goede zaad in gestrooid met milde hand, ’t welzijn en geluk van haar

man’s kinderen boven alles stellend.

Ze was hun ten voorbeeld geweest, had hen gesteund en geholpen, den weg

geëffend voor de zoekende, dwalende, dikwijls struikelende

kindervoeten. Zij werd en bleef haar gezin een zegen van God. Nu droeg

zij haar loon weg, oogstte rijk en vol wat zij aan zelfopofferende

liefde gezaaid had.—

En zoo verlaten wij de familie Canneheuvel, en nu voorgoed. Nauw

verknocht onderling, elkaars lief en leed deelend als eigen in

eensgezind, gelukkig familie leven. Maar ook veel anderen ten zegen

naar aard en aanleg.

Moeder boven allen bemind en aangebeden als de goede engel van Huize

Canneheuvel.

Den Haag, Januari 1922.

Huize "Canneheuvel" · 第 19 / 20 题