„Er wordt daar zeker een bizonder feest gevierd,” dachten de
voorbijgangers, die de lange rij auto’s en rijtuigen zag staan voor
„Huize Canneheuvel.” ’t Was een heldere Novemberdag, doch de duisternis
viel al vroeg in, en telkens als de huisdeur werd geopend om een
nieuwen bezoeker binnen, of een die wegging, uit te laten, viel een
stroom van licht uit ’t feestelijk huis, en zag men overal festoenen
van kransen, guirlanden van bloemen in vestibule en gang. Nu, er was
dan ook een groot feest in de Duiventil, ’t allergrootste, dat nog ooit
door de familie Canneheuvel gevierd werd. En de heer en mevrouw
Canneheuvel waren heden koning en koningin, want zij vierden hun
zilveren bruiloft, en al de kinderen en kleinkinderen waren om hen
heen.
De zilveren bruid stond naast haar bruidegom, en zag er even dankbaar
en gelukkig uit als toen ze, een kwart eeuw geleden, de reis door ’t
leven met hem begon. Rank en slank als toen, wel verouderd zoo op ’t
eerste gezicht, met ’t zilvergrijze haar, dat de plaats van de
goudblonde vlechten had ingenomen. Doch voor man en kinderen was moeder
precies dezelfde gebleven. Want haar lief, zacht moedergezicht had ze
behouden, en dat zou ook wel nooit veranderen in hun oog. Was ’t niet
nog moederlijker geworden, nu de kleinkinderen ook om haar zorg en
toewijding vroegen?
Met liefde en trots keek Mevrouw Canneheuvel naar haar man, zoo jong,
gezond en flink nog voor zijn twee en zestig jaren. Hij leek bijna een
broer van Dolf, zijn oudste zoon, wien men zijn ingespannen arbeid, als
druk gezocht geneesheer op ’t warme Soerabaïa, terdege aan kon zien.
Lous was weinig veranderd. Ze liet Bas je bijna niet uit haar oogen.
Wat een verrukkelijk weerzien was dat geweest tusschen ouders en
kinderen, tusschen vader, moeder en zoon nu een maand geleden, toen
Basje ’s morgens vroeg ’t huis was uitgeslopen, en ’s middags vader en
moeder de Duiventil binnenbracht. „Een mensch zou bijna de scheiding
over hebben voor zulk een zalig wederzien,” had Lous gesnikt.
’s Avonds waren alle broers en zusters er ook, om Lous en Dolf te
verwelkomen. Hoe langen tijd hadden zij daar niet naar uitgezien en
verlangd!
Basje had tante Ajoe in ’t geheim moeten nemen, nu Grootma niets weten
mocht van Dolf’s en Lous’ komst, en dus niet vooruit kon zorgen. Tante
Ajoe en oom Jan hadden alles bezorgd en geschikt, en met vreugde hun
zitkamer afgestaan, die met hulp van Bet en Kee in een keurige
slaapkamer werd omgetooverd.
Moeder zou natuurlijk ook Lous en Dolf in de Duiventil willen houden,
en ’t kon ook best geschikt. Op ’t laatste oogenblik behoefde er dus
niets in orde gemaakt, en was er geen drukte. En toen Ajoe zei: „U hadt
Dolf en Lous natuurlijk nergens anders willen hebben dan hier,”
antwoordde Mevrouw Canneheuvel: „Dat spreekt immers van zelf, geen kind
van vader en mij, zonder eigen thuis, mag in Holland ergens anders
wonen dan bij ons.
„En je bent een lieve schat, kleine Ajoe, dat je alles zoo netjes
beredderd hebt.”
Nu ook de kinderen uit Indië om haar heen waren, voelde Mevrouw
Canneheuvel zich pas volkomen gelukkig, en ontbrak er niets meer aan
haar vreugde. Van Dolf keek zij naar Jan, de zoon van haar man, wiens
liefde zij ’t laatst gewonnen had, die haar haar taak als tweede moeder
dikwijls heel moeilijk had gemaakt. Doch hoe rijk waren haar geduld en
liefdevolle toewijding ook door dit kind beloond! Naast Ajoe en Suusje
stelde Jan niemand hooger dan haar. Geen mensch op de wereld had hij
inniger lief dan zijn „Mader,” dat bewees hij haar elken dag.
En Puck, haar zorgenkind, die beweerde dubbel recht te hebben vader en
moeders dochter te zijn, omdat zij als Canneheuveltje was aangenomen en
door Frits nog eens lid van de familie geworden was. Met welk een
innige liefde hing Puck aan „Moeder” en in ’t hart van haar pleegmoeder
nam Puck haar eigen plaatsje in, niet minder groot dan dat der andere
kinderen.
Welke flinke, degelijke mannen waren Dolf, Jan en Frits geworden. Jan
was vaders steun en rechterhand. Niemand had Vader de zaken in
Soerabaïa beter kunnen toevertrouwen dan zijn nauwgezetten, eerlijken
tweeden zoon. Een jaar geleden was Jan als compagnon in de firma
opgenomen, en stond nu naast zijn vader, aan ’t hoofd van ’t bloeiend
handelshuis in Indië. Men kon ’t Jan bijna niet aanzien, dat hij zoo
langen tijd onder ’t tropisch zonnetje had gewerkt. Hij was er jong bij
gebleven. Met zijn grappig, vroolijk gezicht, zijn lange, altijd in
beweging zijnde armen en beenen had hij tusschenbeide nog iets echt
jongensachtigs over zich, en als hij Ajoe plaagde, of met Duimelientje
stoeide, was hij nog net een jongen.
Frits, die lieve, knappe zoon, aan wien zij zoo oneindig veel te danken
had, leek bijna ouder dan Jan door zijn ernstig uiterlijk en rustige
manieren. Hij had heusch al de bedaarde deftigheid van een professor
over zich.
Puck en moeder fluisterden er dikwijls over, en ’t vervulde haar met
stillen trots, nu Frits dit misschien al gauw worden zou. ’t Was al
lang geen geheim meer, dat professor S. Frits tot zijn opvolger zou
aanwijzen, wanneer hij zijn ambt neerlegde. ’t Vooruitzicht stemde Puck
meer dan gelukkig, en hoe blij zou Frits zelf zijn, als ’t zoover was.
Maar hij verdiende het. Niemand dan zij wist beter hoe ijverig,
geduldig en nauwgezet hij was, hoe zijn vak hem boven alles ging. En
voor hoe knap en kundig men hem hield, daarvan had zij bewijzen te
over; geen operatie van belang, of haar Frits werd er bij geroepen.
„En,” vertrouwde Puck aan moeder toe, „Frits zal als prof maar wat een
goed figuur maken. Want uitleggen, duidelijk verklaren en redeneeren
vooral, dat kan hij! Daarin heeft hij zich van kind af aan geoefend.”
Joop had al professor kunnen zijn, doch bleef liever uitsluitend
practiseerend geneesheer. Zijn patiënten waren hem hier heel dankbaar
voor. Want Dokter van Rithem maakte als kundig arts niet alleen ’t
lichaam maar ook de ziel gezond. Menig armen tobber wist hij moed en
hoop in te spreken, aan zijn gezin en ’t leven te hergeven. Dan was
Joop niet allereerst bedacht op eigen voordeel; zijn armenpractijk ging
hem bovenal. Doch ook menigeen uit den z.g. goeden stand, die gebukt
ging onder geldzorgen, stond verbaasd over ’t kleine honorarium, dat
Dokter van Rithem vroeg.
„Dokter is er toch zoo dikwijls geweest!” zei de patiënt dankbaar. „’t
Is of de goeie man weet, hoe moeilijk wij ’t kunnen missen.”
Nel was ’t, ook in dit opzicht, geheel met haar man eens. Van haar
leerden Eric en Tobi, met Vader als voorbeeld, meelij te hebben met
zieken, zwakken en hulpbehoevenden, wèl te doen met woord en daad. ’t
Was een voorrecht, als ze met moeder mee mochten om een versterkend
soepje te brengen aan een gezin, dat in stilte armoe leed, geen geld
voor duur vleesch te missen had. Of wanneer ze een van hun eigen
zakgeld gekochte versnapering een ziek stumperdje in de magere handjes
mochten stoppen. Nel leerde haar kinderen ’t rijmpje van Mevrouw
Canneheuvel met ter daad toepassen:
„Men steunt en helpt pas dubbel goed,
Wanneer men ’t van harte doet.”
Och! Och! wat was ’t heden een drukke dag in Huize Canneheuvel. ’t
Begon al toen ’t zilveren paar nog boven was, en de drie kleintjes:
Jopie, Cartje en Suusje, de handen vol bloemen, Grootpa en Grootma hun
gelukwenschende versjes kwamen toezingen. „Net drie engeltjes,” zei
Marietje, die ze zag binnen gaan, en aan de deur naar ’t zingen bleef
luisteren.
Beneden werd ’t zilveren paar ontvangen met een lied, door Joop
gemaakt, door Puck gezongen, door Frans op muziek gezet en begeleid.
In dat lied zong Puck de ouders de dankbare liefde toe van al de
kinderen. ’t Was aandoenlijk mooi, en geen wonder, dat vooral de bruid
moeite had haar ontroering meester te blijven.
Cadeaux, bloemstukken, gelukwenschen, den heelen dag vlogen die
vreugdeboden de Duiventil binnen. ’s Middags stroomde ’t visite.
„Gelukkig, dat er zulk een groote familiekring om Opa en Oma
heenstond,” zei Tobi, „anders hadden de „feliciteerders” maar even
kunnen blijven.” Nu kon iedereen nog een praatje maken, terwijl Grootma
en Grootpa steeds nieuwe handen drukten.
Eric, Tobi en Jopie presenteerden heerlijke bonbons, en droegen Oma’s
prachtig cristallen mandjes zoo voorzichtig als ’t maar kon. Jopie
zocht de menschen op, die een beetje achteraf stonden, en bood hen gul
haar lekkers. Niemand mocht vandaag te kort komen.
Maar dan zocht ze gauw Cartje weer op; die moest erg in ’t oog worden
gehouden, want hij snoepte veel te veel, en liep voortdurend te zuigen.
Duimelientje bleef aldoor naast haar Maatje; op die werd dus van zelf
gepast. Dat gaf Jopie een heele rust.
Mevrouw Canneheuvel keek de kamers rond. Een dame had naar Nel
gevraagd; waar of lieve Nel toch was? Ze zag haar nergens. En toen
bedacht moeder zich, dat Nel zeker even was weggeslipt om naar
Grootmama te gaan kijken. Want ’t groote wonder was geschied. Grootmama
uit Haarlem had de reis naar den Haag ondernomen om dezen eenigen
feestdag met de familie Canneheuvel mee te vieren.
’s Morgens waren Joop en Frits Grootmama per auto gaan halen, en Chris
was ook meegegaan, want die liet haar oude Mevrouw nooit alleen.
’t Makkelijke, kalme ritje was Mevrouw van de Capelle best bekomen,
maar ’t bijwonen der receptie durfde zij niet aan. Dolf en Joop zouden
het Grootmama ook niet hebben toegestaan.
Tante Johanna uit Voorburg stond wel in den kring, en vertelde ieder,
die ’t wilde hooren, dat die dame met de mooie, donkere oogen, haar
nichtje Puck was, en dat snoezige diertje in ’t wit met rose, haar
achternichtje Jopie, haar petekind. En voor haar waren die twee ’t
beste en liefste, wat ze op de wereld bezat.
Grootmama had kalmpjes boven koffie gedronken met Nel en Chris, terwijl
Eric en Tobi de trap op en af renden, om allerlei lekkers boven te
brengen. Dit gunden zij niemand anders. Toen was de oude dame wat gaan
rusten in de stille kamer achter in ’t huis, waar bijna geen geluid van
beneden doordrong.
Chris had de breede rustbank tot een lekker bed gemaakt, en „Mevrouw
was gelukkig al gauw ingesluimerd,” zeer tot geruststelling van Chris,
die ’t in haar hart wel een beetje afkeurde, ’t een groot waagstuk
vond, die verre reis in den winter voor haar oude meesteres.
Maar in zoo’n auto zit je anders lekker, (Mevrouw warm toegestopt met
een heete kruik aan haar voeten). Zij had ’t hier even best als thuis,
dat moest Chris eerlijk toegeven. De jonge Mevrouw Nel was straks
stilletjes boven gekomen, en had Mevrouw zachtjes in slaap gelezen. Zoo
heerlijk als Mevrouw Nel kon voorlezen! Daar raakte je zelf ook bijna
van in den dut, al waren ’t ook nog zulke mooie verzen. „Dokter Joop
had ze gemaakt,” vertelde Mevrouw.
Nu was Grootmama wakker geworden, en zat Nel naast de bank en streelde
haar hand, terwijl zij zachtjes samen babbelden.
„Hoe laat gaan jullie aan tafel, Nel?” vroeg Grootmama. „’k Wil mij
bijtijds netjes maken en.... niet vertellen, Nel, maar bij ’t dessert
wil ik ook een woordje zeggen. We zijn heelemaal onder ons, hé kind?”
„O Grootma, hoe aardig! Wat zullen Vader en Moeder dit op prijs
stellen! Zeker, de vrienden worden later gevraagd en de kinderen
krijgen volgende week partij, maar vandaag zijn we onder ons, zooals
altijd wanneer er groot feest is. En vaders’ en moeders’ zilveren
bruiloft is wel ’t grootste feest, dat we nog ooit gevierd hebben,
vindt U ook niet?”
„Zeker vrouwtje, ’t grootste, mooiste feest? Lieve Nel,” vervolgde
Grootmama na een poosje, „je kunt je wel begrijpen, hé, dat ik jullie
eigen moedertje zoo lang ik leef zal blijven missen en betreuren. Maar
ik denk dikwijls, dat zij zelf dankbaar zou zijn, als ze weten kon, wat
de nieuwe moeder, die vader jullie gaf, voor haar kinderen steeds
geweest is. Moeder is mij als een eigen kind aan ’t hart gegroeid,
Nel.”
„Hoe heerlijk, dat U dit zegt, Grootma, want moeder verdient ’t, dat U
haar liefheeft. Ze heeft vader en ons een hemel op aarde gegeven.
Moeder zei ’t zoo dikwijls: „juist omdat jullie je eigen moedertje
missen moet, wil ik mijn best doen dubbel goed voor haar kinderen te
zijn. En dat is Moeder geweest en gebleven.”” Ze zweeg ontroerd,
Grootmama had de oogen vol tranen, en Nel wischte ze voorzichtig af.
„Kom, lieve schat, nu moet U opstaan, en zullen Chris en ik Uw vlugge,
handige kameniers zijn, niet waar Chris?”
Om zes uur daalde Mevrouw van de Capelle tusschen Nel en Chris de trap
af. Bij de eetkamer stonden al de kleinkinderen als eeregeleide gereed,
en brachten de oude dame veilig naar haar stoel aan ’t hoofd van de
tafel.
Aan haar linkerzij zat de zilveren bruigom naast zijn bruid, en Dolf
zat aan Grootma’s anderen kant naast Lous. Want vandaag had iedere heer
zijn vrouw als tafeldame. Tante Johanna sloot de rij der volwassenen
tusschen Frits en Basje ingezeten, die de orde hield onder de
kleintjes. Hij schonk hun de glaasjes vol vruchtensap en zorgde er
voor, dat ieders bordje welgevuld was. Kee, Chris en Marietje dienden,
en Sarina zorgde met Basje mee voor de kinderkamer.
Toen ’t dessert op tafel stond, keken trouwe Bet en Betjesmoe om ’t
hoekje van de deur, die op een kier stond, want de „toosten,” zei Bet,
„die wilde ze ook hooren.”
Dolf opende de rei der toasten, en na hem spraken Jan, Frans en Joop:
hartelijk en gevoelvol. Doch Frits’ toespraak klonk Puck ’t mooist van
alle in de ooren. Zijn woorden gingen recht van hart tot hart tusschen
zijn ouders en hem.
En Puck glimlachte door haar tranen heen: niemand kan spreken als mijn
Frits.
Nu stond Grootmama op en hief met bevende hand haar glas omhoog. ’t
Werd doodstil, duidelijk klonk de zwakke stem der twee en negentig
jarige:
„Een enkel woord, lieve kinderen, van de oude vrouw, die ge steeds als
een moeder hebt geëerd en lief gehad, en die U leerde liefhebben als
eigen kinderen. Wat gij voor mij geweest zijt en bent, kan ik niet
onder woorden brengen, dat behoeft ook niet, wij weten en voelen ’t, en
dat is genoeg.” Zacht dwong Dolf Grootmama te gaan zitten, en hem
dankend voor zijn zorg met een vriendelijk knikje, hervatte zij, zich
tot het bruidspaar wendend: „Carel, als man van mijn lieve dochter
waart ge mij meer dan welkom, en met de jaren werd ge mij dierbaar als
een eigen zoon. En de vrouw, die Nellie’s plaats innam, die Nellie’s
kinderen grootbracht, kan ik in mijn hart en in mijn liefde niet meer
scheiden van mijn eigen bemind kind. Dat is de hoogste lof, die ik haar
schenken kan. God geve, dat ge elkaar, uw kinderen en kleinkinderen nog
jaren ten zegen moogt zijn.”—De oude stem trilde, de laatste woorden
werden bijna fluisterend geuit....
Mevrouw Canneheuvel omhelsde Grootmama lang en innig, sprak zacht haar
dank. Allen waren aangedaan, en Lien liet de heldere tranen langs haar
wangen rollen, terwijl zij moeder toelachte. Hoe schattig van
Grootmama, om zóó over haar moedertje te spreken!
Ze wilde opstaan, Grootmama ook omhelzen. Doch Dolf wenkte haar te
blijven zitten: Vader had ’t woord gevraagd. Maar de heer Canneheuvel
was te ontroerd om wat hij voelde onder woorden te brengen, nam de hand
van zijn lieve vrouw in beide de zijne, en in zijn oogen las zij den
stillen, overgrooten dank voor ’t geluk, dat zij hem en de kinderen
vijf en twintig jaren lang geschonken had.
„Lieve Suze....” zijn stem stokte. Hij keek Dolf aan, gaf de andere
kinderen een teeken. En zij begrepen, waar hij hen om verzocht. Zonen
en dochters omringden den stoel van de zilveren bruid, en riepen haar
als uit één mond toe: lang leve Moeder, onze lieve Moeder, zij leve!
Nu werd er gekust en omarmd, de glazen werden geledigd op ’t welzijn
van ’t zilveren paar.
De kleintjes kwamen als kabouters achter elkaar aanstappen, stieten hun
glaasjes met vruchtensap tegen de hooge glazen, en gilden: „hoera!”
Duimelientje fluisterde even met haar pappa. Toen klom ze bij Mevrouw
van de Capelle op schoot, sloot beide handjes om haar gezicht en zei:
„Jij bent Suusjes Ote-Grootmama,” zegt Pappa, „en of ik Ote-Grootmama
een kusje mag geven?”
En dit keer was ’t prinsesje erg gul met haar zoentjes.
Vol trotsche vreugde keek de heer Canneheuvel de tafel langs. Hij kon
met recht trotsch zijn op zijn flinke, knappe zonen, zijn lieve
dochters en aardige bloeiende kleinkinderen. En hij dacht aan de jaren,
nu zoo ver achter hem liggend, toen zijn arm viertal zonder
moederliefde en zorg, dreigden op te groeien tot zelfzuchtige menschen
met verkeerde karaktereigenschappen, en wat zij geworden waren onder de
hoede hunner tweede moeder. Met haar komst had ’t geluk op nieuw intree
in zijn huis gedaan. Met nimmer falend geduld, en de volle liefde van
haar moederhart, had zij de kleine weerspannige harten gewonnen. Er ’t
goede zaad in gestrooid met milde hand, ’t welzijn en geluk van haar
man’s kinderen boven alles stellend.
Ze was hun ten voorbeeld geweest, had hen gesteund en geholpen, den weg
geëffend voor de zoekende, dwalende, dikwijls struikelende
kindervoeten. Zij werd en bleef haar gezin een zegen van God. Nu droeg
zij haar loon weg, oogstte rijk en vol wat zij aan zelfopofferende
liefde gezaaid had.—
En zoo verlaten wij de familie Canneheuvel, en nu voorgoed. Nauw
verknocht onderling, elkaars lief en leed deelend als eigen in
eensgezind, gelukkig familie leven. Maar ook veel anderen ten zegen
naar aard en aanleg.
Moeder boven allen bemind en aangebeden als de goede engel van Huize
Canneheuvel.
Den Haag, Januari 1922.