XIV. OP WELKOM BUITEN

De winter, een echte, nare kwakkelwinter, zonder sneeuw of ijs (wat

vooral Jan een groote teleurstelling bracht) was zoo zoetjes aan

voorbij gegleden, en ’t mooie, vroege voorjaar werd door een kouden,

regenachtigen zomer gevolgd. Tot ’t weer in Juli plotseling omsloeg, en

de prachtzomerdagen tegen de groote vacantie intocht hielden. „Dat

hoort ook zoo,” besliste Tobi, „verbeeld je, dat we op „Welkom Buiten”

geen prachtweer hadden!”

Mevrouw Canneheuvel had Lien meer dan eens gevraagd: „Vrouwtje, is ’t

jullie heusch niet te druk, zooveel logés tegelijk, zoo’n tijd

achtereen?” En Lien had geantwoord: „Moeder, hoe kan je nou toch zoo

dom vragen? We vinden ’t heerlijk ze allemaal hier te hebben. Frans

zegt: „hoe meer hoe liever,” en ik voeg er bij: „we hebben plaats en

ruimte genoeg, en niemand zal te kort komen, of ’t minder goed hebben

dan thuis.”

„Frans, Cartje en ik verheugen ons den heelen dag op half Juli, dus

vraag nou nooit meer, gekke mamp, of ’t ons wel schikt.”—

Nu half Juli steeds nader kwam, hadden moeder Lien en Cartje ’t dan al

verbazend druk. Ze deden niet anders dan door ’t huis draven, trap op,

trap af, nu beneden, dan weer boven. Als een trouw hondje liep Cartje

achter moeder aan; waar zij was moest hij ook wezen. Voor ’t groote

bezoek uit den Haag moest alles in de puntjes zijn; dit keer kwamen er

nog vier gasten meer dan anders. In ’t geheel liefst vijftien, menschen

en kinderen bij elkaar.

Vader en Moeder met Basje, Nel, Eer en Tobi (terwijl Joop twee weken

zou blijven, en den overigen tijd zoo dikwijls overkomen als hij kon).

Dan Puck, Jopie en Frits, die een lange vacantie noodig had, en alleen

als ’t noodzakelijk was, naar den Haag zou gaan, wanneer zijn

assistent, dokter Heller, dit absoluut noodig oordeelde, terwijl Ajoe,

Jan en Suusje de rij sloten.

Kee, Juf en Sarina kwamen natuurlijk mee, om Gesien en Koosje te

helpen. Anders waren er stellig handen te kort gekomen, om voor zooveel

menschen te zorgen. Maar ze vonden ’t erg prettig, om mee te gaan, ’t

was voor hen ook echt vacantie op dat heerlijk buiten, zoo gezellig met

je velen. En al die vele handen maakten licht werk, zoodat er genoeg

tijd om te genieten overbleef.

„Hoe zalig toch, dat we zoo’n heerlijk groot huis hebben, Frans,” riep

Lien opgetogen, „zoo’n echt ouderwetsch, leuk buitenhuis met zooveel

ruime kamers, breede trappen en portalen. En dan die gezellige zitjes

en nissen! ’t Torenkamertje is natuurlijk weer voor Eric, daar is hij

bizonder op gesteld.”

„’k Ben benieuwd,” zei Frans, „hoe je iedereen onder dak zult brengen,

nu er weer drie logés meer zijn dan verleden jaar.”

„Of ’t zal best gaan. ’k Geef een van de groote kamers dit jaar aan al

de kinderen samen, behalve Basje en Eer dan. Juf krijgt ’t cabinetje

naast de kinderkamer. Cartje mag bij Tobi en Jopie, Suusje en Sarina

slapen. Daar heeft hij zelf om gevraagd, en zijn bedje staat al boven.

„Jopie heeft ’t mij van de winter afgebedeld voor Cartje te mogen

zorgen. Ze is even dol op hem als hij op haar.”

„Dat schijnt bij jullie in de familie zoo te hooren,” merkte Frans op:

„altijd een spannetje, dat doodelijk van elkaar is. Vroeger waren Frits

en Nel onafscheidelijk en jij en Puck. Nu Tobi en Eric, Cartje en

Jopie.”

„’k Denk, dat ’t de invloed van Moeder is,” zei Lien. „Ze moedigde ’t

altijd erg aan bij de kinderen, alles voor elkaar over te hebben, voor

elkaar op te komen en eigen ikje op te offeren als de gelegenheid zich

voordeed. Moeder gaf zelf ’t voorbeeld.”

„Dat heb jij dan al heel goed geleerd, Lien,” sprak Frans hartelijk.

„Daar was nog al wat aan te leeren,” lachte Lien, „als je zoo’n

heerlijk, gelukkig leven hebt als wij thuis hadden. Maar Frans, nou is

mijn tijd heusch schoon op, we moeten naar de keuken, hé Cartje? Gesien

zal niet weten waar wij blijven, en er is voor morgen nog verbazend

veel te bespreken.”—

Frans zou de gasten gaan halen van het dichts nabijzijnd station. Dat

was nog een heel eind weg, en Bruin moest wel drie maal heen en weer

met de brik. Als hij goeden zin had, deed hij den afstand in vijftien

minuten.

Lien was pas gerust, toen al de logés er waren, en genoot van de

drukte, ’t vroolijk praten en lachen op de portalen en trappen. Ze liet

’t zich door niemand nemen ieder naar ’t voor hem of haar bestemde

vertrek te brengen, en vergezelde Eric zelfs naar zijn torenkamertje.

Eric vloog Tante Lie om den hals. „Hoe echt heeft U alles weer voor me

in orde gebracht, lieve Lie,” riep hij dankbaar, „maar die sarong aan

de muur, en dat mooie wapen er tegen aan, is wat nieuws, eenig!”

„Dat is een kris, die oom Frits jaren geleden van een vroegeren

bediende van Grootpa uit Soerabaïa present heeft gekregen,” vertelde

tante Lie. „Naderhand heeft oom hem mij gegeven, en nou krijg jij hem

weer van mij present. Als je naar huis gaat mag je de kris meenemen.”

Eric danste van plezier. „Heerlijk tante Lie, hoe echt! ’k Ben er dol

blij mee. Zeg Tobi, ik mag de kris van die lieve Lie present,” riep hij

zijn zusje toe, die net binnen kwam. „Lie heeft hem vroeger van oom

Frits gekregen.” Natuurlijk was Tobi tante Lie en Eer achterna gehold,

toen ze hoorde, waar die waren. Ze moest Eric’s kamertje toch ook zien,

en had er dolgraag zelf willen slapen. Zoo’n torenkamertje deed je

denken aan heel vroeger, toen de kasteelen en landhuizen nog vol

schuilhoeken, verborgen plaatsen en geheime gangen waren. Toen je er

altijd op verdacht moest zijn, dat de vijand je kon overvallen.

Nieuwsgierig keek Tobi om zich heen. ’t Zou toch mogelijk kunnen zijn,

dat er hier ergens een verborgen deur was, die naar een geheime gang

leidde.... Doch ze kon niets verdachts ontdekken, en keerde dus tot de

werkelijkheid terug.

„Hoe leuk voor je, Eer, om die kris cadeau te krijgen,” riep ze blij,

want ze was blij voor Eric.

Maar bij zich zelf dacht ze: „ik gun hem jou, een meisje heeft net niks

aan zoo’n ding.”

En met een wijs gezicht vroeg ze: „Tante Lie, waarom heeft oom Frits U

dat bloeddorstige wapen gegeven? Wat doet een meisje daar nou mee?”

„Wel, ik had een weddenschap van oom gewonnen, en ik denk, dat hij mij

een bizonder mooi cadeau wou geven, en niets anders wist te bedenken

dan zijn kris. ’k Was er heel blij mee, hoor, en hing hem op in de

kamer van tante Puck en mij. Daar mocht oom Frits er ook naar komen

kijken, zoo vaak hij er lust in had. Want iets anders dan naar de kris

kijken, mochten we er niet mee doen.”

„Nou ja,” dacht Eric, „maar een jongen heeft toch veel meer aan een

wapen dan een meisje.

„Je kunt nooit weten, hoe zoo’n ding je nog eens te pas kan komen,

vooral buiten met inbrekers en zoo.” Maar hij zei dit niet hardop. Want

hij wist vooruit, dat tante Lie hem verbieden zou de kris van de muur

te nemen. En dat was hij toch stellig van plan. Al was ’t maar één

keer, hij moest de kris eens ter dege van dichterbij en van alle kanten

bekijken.

Alleen Tobi mocht er bij zijn, als hij ’t deed. Die zou ’t ook fijn

vinden.—

Was er heerlijker leven denkbaar dan op „Welkom Buiten” bij lieve tante

Lie en gullen, aardigen oom Frans? En dan met iedereen er bij, die je

eigenlijk niet goed missen kon, en naar wie je altijd verlangde als je

alleen uit logeeren ging?

„’t Was gewoon zalig, heerlijk, verrukkelijk,” zooals Tobi zei, „van

dat je opstond tot je naar bed ging. En dan was ’t nog niet uit, want

je droomde van al ’t prettige, dat je overdag beleefd had.”

’t Bleef maar prachtweer, zoo’n echte ouderwetsche zomer, wanneer je

haast altijd buiten kunt zijn. Zoo vroeg als ze mochten (en als Juf toe

wilde staan) sprongen de kinderen ’t bed uit, om gauw, gauw buiten te

komen. Juf hielp met ’t wasschen, jurken en blouses vast maken.

„Tolletje is akelig precies,” klaagde Tobi tegen Eric, „ze weet ’t

altijd, als je je ooren bij ’t wasschen hebt overgeslagen.”

„Of ze raadt er naar, omdat je verdacht gauw klaar bent,”

veronderstelde Eric.

Jopie trok Cartje sokjes en schoentjes aan, veegde met den borstel over

zijn krulletjes, en streek ze in zijn oogjes, wat Cartje goedmoedig

verdroeg. Dan riep ze vergenoegd: „Jopie heeft Cartje weer heel alleen

gehelpt.”

Basje had Eric (die de langslaper in de familie werd genoemd) uit zijn

bed getrommeld, en zoo ’s morgens ging de kinderoptocht allereerst naar

den vijver om de zwanen en al ’t andere watervolk eten te brengen. De

statige zwanen waren mooi om te zien, maar trotsche, onvriendelijke

vogels. Ze bleven schuw en verwaardigden zich dikwijls niet eens naar

den kant te komen, waar de kleintjes hen trachtten heen te lokken.

Jopie en Duimelientje voelden dan ook veel meer voor de eenden en

waterhoentjes. De eenden waren in ’t geheel niet bang, en werden al

gauw erg vertrouwelijk. Brutaal bedelend liepen ze Cartje en de kleine

meisjes na op den schelpweg om den vijver heen, aldoor snaterend om

broodkruimels.

Alleen als Pluto, de jachthond, door Oom Frans uit het hok losgelaten,

woest tusschen de vogels rondsprong, vlogen ze luid kwebbelend den

vijver in, en zwommen verontwaardigd weg. Voor Tommy waren ze niet

bang, die deed nooit zoo dol als Pluto, en marcheerde, net als zij, op

korte pooten ’t leven door.

Jopie trok Cartje mee, de grooten achterna naar de wei, waar de koeien

graasden, en de melkmeid met haar juk, waaraan de blank geschuurde

emmers bengelden, om dezen tijd ’t land opging. Meestal was Arie, de

oude knecht, daar ook, en tilde Jopie en Suusje op den ouden Bles, die

heel vergenoegd met dien lieven lichten last ’t weiland rondstapte,

terwijl Arie hem trouw op zij bleef, en zorgde, dat de „hartjes” niets

kon passeeren. Ofschoon, de kans op vallen was buitengesloten, want

Bles had een machtig breeden rug, en legde de zaak zeer kalmpjes aan.

Dan kregen Cartje en Tommy (die zich de zaak, zeer tegen zijn zin,

moest laten welgevallen) een beurt. „Drie keer ’t weiland om en één

keertje toe,” zei Arie altijd, en hield zich trouw aan dien regel.

Eric wou dolgraag leeren melken, en Tobi beweerde, dat ze ’t al kon.

Doch toen ze in haar haast om dit te bewijzen den halfgevulden

melkemmer had omgegooid, en Bella zeer verontwaardigd achteruit was

gestapt, om aan de greep van Tobi’s onbedreven vingertjes te ontkomen,

wou Trine niets meer van die grappen weten.

De kinderen mochten haar zoo veel ze wilden op de vingers kijken, daar

draaide ze geen vinger voor om, maar ’t melken moesten ze aan haar

overlaten. Van melken moet je verstand hebben, anders gebeuren er

ongelukken, dat zagen ze nou zelf.

Drie keer ’t weiland om en één keertje toe, was voor de twee partijen

ook afgeloopen, en ’t werd nu tijd om naar huis terug te hollen. De

groote bel in de toren liet haar zware slagen hooren, en riep iedereen

naar ’t ontbijt. De groote menschen: Grootpa, Grootma, de ooms en

tantes waren al binnen. Tante Lie, Juf en Kee hadden ’t druk aan ’t

buffet met boterhammen snijden en melk inschenken. „’t Is hier net

luilekkerland,” riep Eric. Want waar kreeg je alles zoo volop en zoo

heerlijk versch als op „Welkom Buiten”? Room en eieren, melk, honing,

jam, ’t smaakte alles even lekker, heel anders dan in de stad.

Tante Lie, erg trotsch, dat haar tafel zoo geprezen werd, vulde kroezen

en melkbekers, en smeerde de goudgele honing met milde hand op ’t

eigengebakken, lekkere brood met de knapperige, bruine korst. „Eet

toch, lieve groote en kleine menschen,” riep ze, „iedereen moet hier

dik en gezond van daan. Weg met de spillebeenen van To en Eertje.”

Waartegen ’t tweetal zeer verontwaardigd protesteerde. „Eer heeft zelfs

dikke kuiten,” riep Tobi, „laat zien Eer.”

„Nou niet, strakjes,” riep Eric terug.

Jopie kroop bij Paps op schoot, zij had een massa te vertellen, haar

mondje stond niet stil. En er was nog zoo veel te doen nà ’t ontbijt.

De kippen en duiven moesten hun voer hebben, en Jopie mocht vandaag

gerst en maïs uitdeelen. Geurt had de bakjes al klaar gezet. Dan

moesten de paarden roggebrood hebben, en dat mochten Eric en Tobi met

tante Lie hen gaan brengen straks.

Misschien mocht zij zelf ook een hompje geven, zóó van haar vlakke

handje als oom Frans haar geleerd had. „En, Paps,” zei Jopie, „paarden

hun lipjes zijn net van fleweel.” Maar Cartje was nog te klein, hij

mocht de paarden niet voeren van Jopie, verbeeld je, dat zoo’n paard

Cartjes vingertjes eens inslikte!!—

Dadelijk na ’t ontbijt verdwenen Tobi en Eric, en bleven geheimzinnig

lang weg. Oom Frans had er met tante Lie om gewed, dat Eric’s kuiten

dunner waren dan die van Tobi, en dat was ook zoo. Maar tante Lie moest

de weddenschap winnen, dus.... vulde Tobi Eertjes kuiten met watten op,

en maakte er een paar kuiten van stavast van. Toen de koffietafel was

afgeloopen, zei Eer zoo zonder erg: „Lie wil je nou onze kuiten eens

vergelijken?”

Vier beenen werden voor ’t onderzoek van ’t gezelschap ten toon

gesteld.

„Twee beenen is genoeg,” besliste oom Frans, „van ieder één,” en moeder

Nel vroeg: „waarom heb je lange kousen aan, Eer? hoe kom je daar zoo

toe, vent?”

Maar oom Frans kwam al met zijn meterrolletje aanzetten. Och! Och, wat

een verbazend verschil tusschen Eric’s en Tobi’s kuiten wees ’t

rolletje aan.

Iedereen keek verbaasd, want op zulk een reuzenverschil was niemand

verdacht. Eric kreeg ’t benauwd: wat wriemelde oom Frans toch raar met

dat „gemeet” aan zijn beenen.

„Nou nog eens rechtop staan, naast elkaar,” commandeerde oom Frans. Als

kaarsen stonden Eer en Tobi, en op eens hoorden ze een bulderend

gelach. Eric’s kuiten zaten vol spelden, die oom er handig had

ingeprikt. Zelfs Tobi proestte ’t uit, en Eric deed ook maar mee aan de

algemeene vroolijkheid.... ten zijnen koste. De leukerds trokken echter

nog aan ’t langste eind, want er werd uitgemaakt, dat Oom Frans en

tante Lie nu allebei moesten tracteeren, daar zij beiden de weddenschap

verloren hadden.

Huize "Canneheuvel" · 第 17 / 20 题