AANTEEKENINGEN

[1] Tienkojangs-prauwen (bladz. 3) Zie de noot No 82 op bladz. 392 van

Naar den Equator.

[2] De Welkomst-batterij (bladz. 3) is een klein onbeduidend veldwerk,

dat met de batterij, het Loo, die nog kleiner is, den toegang tot het

havenkanaal van Batavia heet te verdedigen. Die twee werken met de

kustbatterijen Castor en Pollux, met het fort Antjol en de batterij

Moeara Antjol, met de kustbatterijen Moeara Baroe en Moeara Angké en

het fort Angké, vormen eene strandverdediging, die de reede van Batavia

tegen eenen westerschen vijand moet beschermen. Als die werkjes daartoe

ooit voldoende geacht mochten zijn, wat met grond betwijfeld mag

worden, dan zijn zij het, sedert het geschut in den laatsten tijd zoo

verbeterd is geworden, niet meer. Nimmer is er ernstig aan gedacht

geworden in die strandverdediging verbetering te brengen. Daaromtrent,

even als ten opzichte van zooveel andere belangrijke zaken voor Indië,

heerscht hier in Europa de gedachte voor: après nous le déluge! Nu, die

zondvloed zal zich niet laten wachten.

[3] In den modder waren blijven steken (bladz. 3). Hoe het destijds met

den toegang tot Indië’s hoofdplaats geschapen stond, valt af te leiden

daaruit, dat jaren later, toen Lord Elgin, uit China terugkeerende en

Batavia aandoende, met zijne lichte sloep vlak bij den Kleinen boom in

den modder steken bleef, en door koelies uit zijn vaartuig gedragen

moest worden.

[4] Totdat de vloed doorkwam (bladz. 3). Bij hoogen vloed of springtij

is bij den vuurtoren te Batavia de grootste rijzing en daling der zee

1,32 M. en bij gewoon tij slechts 0,67 M. (Jaarboekje voor de leden v/h

Kon. Inst. van Ingenieurs).

[5] Ver in zee uitgebouwd waren (bladz. 4). Die kaaimuren waren

destijds zoo lang niet als nu. Thans zijn ze 1800 M. ver in zee

uitgebouwd, gerekend van af het oude Waterkasteel, hetwelk op eene

landtong op 1100 M. van den Kleinen boom gelegen is.

[6] Een werpnet (bladz. 4) heet te Batavia: „djala”, een kruisnet:

„antjo” en een treknet: „djaring.”

[7] Sarong (bladz. 5) is een kleedje, dat op Java zoowel door mannen

als door vrouwen gedragen wordt. Het is eigenlijk niet meer dan een

zak, van boven en onder open, die om de heupen geslagen wordt en de

beenen tot op de enkels bedekt.

[8] Een vischhaak (bladz. 5) heet „pantjing,” welke naam ook aan het

geheele vischtuig gegeven wordt. Hengelen heet: „mantjing.”

[9] Bedoelde palmbladeren (bladz. 5) zijn gewoonlijk afkomstig van

Nipah-fruticans, eene moeraspalm.

[10] Bandeng (bladz. 6) = Lutodeira Chanos, behoort tot de Clupea of

haringsoorten.

[11] Kakap (bladz. 6) = Lates nobilis, behoort tot de Percoïdeae of

baarsachtigen.

[12] Baren (bladz. 7) of in het enkelvoud baar, is afkomstig van het

Maleische woord bahroe, hetgeen door nieuw vertaald wordt. Baren

beteekent hier dus: nieuwelingen, vreemdelingen.

[13] Kondeh (bladz. 8). Zie de noot No 35 op bladz. 388 van Naar den

Equator enz.

[14] Perampoean djelek kei andjing (bladz. 9) beteekent: vrouw zoo

leelijk als een hond. Er was iets anders geroepen, een obscoeniteit,

die ik niet mag neerschreven. Het is voor een baar in Indië uiterst

gevaarlijk woorden te herhalen, die hij niet verstaat. Op het gebied

van koopjes geven is men daar zeer sterk.

[15] Toekan-auer (bladz. 12) is een rondwandelende gaarkeukenbaas.

[16] Obie’s (bladz. 12) zijn aardvruchten, die veel met onze

aardappelen, of meer nog met de topinambours overeenkomen. Hun

technische naam is Batatas edulis.

[17] Ananas (bladz. 12) = Ananassa sativa. Pompelmoes = Citrus

decumana. Oranjeappels = Citrus aurantium.

[18] Katoepat (bladz 12) is rijst in een vlechtwerk van klapperbladeren

gekookt, die daarin in een dichten deeg te saam gedrongen wordt en den

vorm aanneemt van een poppenkussentje.

[19] De Groote Boom (bladz. 12) is eigenlijk het Rijks-entrepot, waar

de douaneformaliteiten vervuld worden.

[20] Passar (bladz. 13) verbastering van het woord: bazar, beteekent:

markt.

[21] Trassi (bladz. 14) is een deeg, die in Indië onontbeerlijk bij de

rijsttafel is. De eerste kwaliteit wordt gewoonlijk van bedorven

garnalen vervaardigd, die met zout en specerijen fijn gewreven worden.

De tweede kwaliteit wordt van heele kleine vischjes en de derde van

visch-afval als ingewanden enz. zoo-ook van schelpdieren vervaardigd.

[22] Kwenni (bladz. 14) ook wel kawini = Mangifera foetida.

[23] Nangka djawa (bladz. 14) = Artocarpus integrifolia.

[24] Klapperpalm (bladz. 15) = Cocos nucifera.

[25] Katapangboom (bladz. 16) = Terminalia Catappa.

[26] A. V. H. vocht (bladz. 16) Zie daaromtrent de noot No 22 op bladz.

386. van Naar den Equator.

[27] Koeliet langsep. (bladz. 17) Koeliet beteekent: huid, ook schil.

Langsep is de vrucht van de Lansium domesticum. Die vrucht heeft eene

zachte fijne schil, die uiterst teeder geel genuanceerd is. Eene

inlandsche of halfbloed maagd vertellen, dat zij koeliet langsep is,

wordt gewoonlijk als een zeer vleiend kompliment omtrent hare teint

opgevat.

[28] In het hartje van den westmoesson (bladz. 17) Langs de noordkust

van Java begint de westmoesson gewoonlijk in het begin van November om

in het laatst van April te eindigen.

[29] In drieën vertakte (bladz. 20). De middenweg loopt recht uit langs

Passar Tanabang naar Buitenzorg. De linker voert naar Weltevreden en de

rechter langs kampong Petodjo naar de Defensie-linie Van den Bosch.

[30] De hier bedoelde boontjes (bladz. 26) worden eenvoudig katjang,

door de Oost-Javanen katjang bagohloh genoemd. Dit is de Vigna sinensis

der geleerden.

[31] Geel vezelachtig touw (bladz. 26). De hier bedoelde specerij is de

serèh, eene grassoort, die zeer welriekend is en door de geleerden

Andropogon Schoenanthus geheeten wordt.

[32] Sambal (bladz. 27) is eene toespijs bij de rijst, welker

bestanddeelen hoofdzakelijk uit spaansche peper, de lombok der

inlanders en de Capsicum annuum der geleerden bestaat. Er worden veel

soorten van sambals vervaardigd, en het laat zich hooren, dat die, in

de keuken der soldaten gemaakt, niet in de schaduw kunnen staan, welke

als fijn kunstproduct de keukens van rijke particulieren verlaten. In

die dagen daarenboven was het eten bij het depôt afschuwelijk slecht.

[33] Slaaptafels (bladz. 28) zijn vierkante houten tafelbladen, die

zoowat de lengte van een groot mensch en in de breedte dezelfde

afmeting hebben. Die bladen rusten op schragen, die ongeveer vier voet

hoog zijn. Die slaaptafels worden in de kazerne naast elkander

geplaatst, en zijn de gewone ligplaats der inlandsche militairen.

[34] In Nederlandsch-Indië wordt een groot aantal soorten muskieten

(bladz. 30) aangetroffen. Op de noordkust van Java heeft men echter

hoofdzakelijk drie soorten, die door de geleerden Culex nero, C.

setulosus en C. luridus genoemd worden.

[35] Eene tongtong (bladz. 31) is een uitgehold dik stuk hout, waarop

door de wachthebbende Javanen met een knuppel de uren en de halfuren

alsook alarmseinen, zooals bij brand en amokh (moord) geslagen worden.

Het boveneinde van zoo’n tongtong is veelal in de gedaante van het

hoofd van het een of ander afschuwelijk leelijk monster gesneden.

[36] Tamarindeboom (bladz. 32) = Tamarindus indica.

[37] Een gekko (bladz. 32) is eene groote hagedissoort, die gaarne in

oude boomen en bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde

huizen der menschen te deelen. Het diertje houdt zich dan bij voorkeur

in het kapgebindte op. Het ontleent zijn inlandschen naam aan zijn

geroep van gèk-ko.

[38] Zijn pantalon (bladz. 35). De man bezigde eene andere uitdrukking,

die ik niet kan weergeven.

[39] De Javaansche suiker (bladz. 42) wordt hoofdzakelijk uit de

sagoeweer- of den palmwijn uit de Arenga saccharifera getrokken,

vervaardigd.

[40] Klamboe beteekent gordijn. Klamboehaken (bladz. 43) zijn haken

waarmede bedgordijnen open gehouden worden.

[41] Kraboe’s (bladz. 44) zijn oorknoppen, die middels een stiftje door

het gaatje, in de oorbel gestoken en met een schroefmoertje bevestigd

worden.

[42] Sarong en kabaai (bladz. 44). Zie omtrent eerstbedoeld

kleedingstuk noot 7 op bladz. 372 hiervoren. Een kabaai is een lang

jak, van gekleurde zijde of sits bij de inlanders, maar van wit katoen

of linnen bij de Europeanen vervaardigd.

[43] Recepissen (bladz. 46). Destijds bestond in Indië papieren geld

van ƒ 1.00, in de wandeling recepis genoemd. Dat was vies, smerig, aan

elkander geplakt papier, dat stonk, en de handen vuil maakte van wien

het aanraakte.

[44] Nonna (bladz. 46) is de betiteling in Indië van een jong meisje

van Europeesche afkomst.

[45] Nèh of nenèh (bladz. 43) is de gemeenzame benaming voor oude

Inlandsche vrouwen.

[46] Sirihkalk (bladz. 48) maakt een bestanddeel van de sirih-pruim

uit. De beste sirihkalk wordt door het branden van schelpen gewonnen.

Over het sirihpruimen zullen wij later wel meer vernemen.

[47] Pandoppo (bladz. 50) is eigenlijk een ruime overdekte galerij, die

achter het hoofdgebouw van eene aanzienlijke woning in Indië en

loodrecht daarop aangebracht is. Dient gewoonlijk tot eetzaal.

[48] Mangistan (bladz. 57). Zie hieromtrent de noot No. 78 op bladz.

392 van Naar den Equator.

[49] Generaal de Stuers (bladz. 68). Die naam is niet verdicht.

[50] Ik beveel u vooral bladzijde 28 (bladz. 71) Grandeurs et

servitudes militaires par Alfred de Vigny, 12e édition 1872.

[51] Door andere soorten had doen vervangen (bladz. 74). Voor hen, die

met de toestanden destijds bekend waren, roep ik de correspondentie in

het geheugen, welke door wijlen kapitein Schiff, die van het

Nederlandsche bij het Indische leger gedetacheerd werd, met de

departementen van Oorlog en Koloniën over de onderwerpelijke

leverantiën gevoerd is.

[52] De kazernes gesloten waren (bladz. 74). Tusschen 10 en 4 uur, dus

op het heetste van den dag, mocht destijds in Indië geen militair de

kazerne verlaten. Uit een oogpunt van hygiëne werkte die maatregel

uitmuntend.

[53] Bruine kwalijk riekende olie (bladz. 77). Deze olie wordt van

katjangboonen gewonnen. Die boonen zijn afkomstig van eene plant, die

door den vakkundige Arachis hypogaea genoemd wordt.

[54] Tottokh’s (bladz. 80). De blanken, die niet in Indië geboren zijn,

worden zoo genoemd.

[55] Buikje (bladz. 81) is de betiteling in de militaire wereld van

burgers, vooral van hooggeplaatste civiele ambtenaren.

[56] Eene bendie (bladz. 84) is of beter was een eenspannig licht

voertuig, het best te vergelijken met onze sjees.

[57] Toean toean koeliet langsep (bladz. 86). Toean toean beteekent

heeren. Overigens wordt omtrent deze uitdrukking naar de noot No. 27 op

bladz.

373 hierboven verwezen.

[58] Sienjo (bladz. 87) is eene verbastering van het Portugeesche

Signor. Deze benaming wordt in N. I. aan alle mannelijke kinderen van

Europeesche afkomst gegeven.

[59] Nontongen (bladz. 88) of beter nontong wordt genoemd: buiten of op

straat staande naar een feest te kijken of naar de muziek van een

concert of van de opera luisteren. Wordt te Batavia zeer veel gedaan,

waartoe de luchtigheid der gebouwen zich uitermate leent. Ik ben

overtuigd, dat, wanneer het opera-gebouw aldaar op doelmatigen afstand

door een flinken ringmuur omgeven was, de recette minstens een derde

meer zou bedragen. Tegen die soort van oneerlijkheid zien zelfs zeer

rijken en zeer hooggeplaatsten niet op.

[60] Lantaarns bengelden (bladz. 90). Die lantaarns heeten lolleng’s.

De karakters daarop zijn gewoonlijk ontleend aan de gewijde geschriften

van Kong Foe Tschee, en bevatten in den regel heilwenschen.

[61] Diam! olang blanda, soldadoe! blankali olang mabôh (bladz. 91). De

Chineezen kunnen sommige letters moeielijk of in het geheel niet

uitspreken. In den hier gebezigden zin is de r door de l vervangen en

zou die moeten luiden: Diam! orang blanda soldadoe! brangkali orang

mabôh.

[62] A. Thiers (bladz. 97). Histoire du Consulat et de l’empire par A.

Thiers, XLIVe boek.

[63] Passar Senin (bladz. 107) beteekent: Maandag-markt.

[64] Tjoe (bladz. 107) is de Chineesche naam voor jonge arak.

[65] Ajer kras (bladz. 107) is palmwijn afkomstig van de Arenga

Saccharifera. Deze drank wordt, na gegist te zijn, met het aftreksel

eener bitter smakende wortel, „akar sosoot” afkomstig van de Garcinia

Picrorhisa, vermengd en zoo de „ajer kras” verkregen. Die drank, die

niet dronken maar stapel gek maakt, werd op Passar Senin bij

verscheidene Chineezen verkrijgbaar gesteld; maar te Soerabaja geheel

onbelemmerd door Inlanders aan bijna alle hoeken der straten in de

nabijheid der kazernes gevent.

[66] Struiswijk en Kramat (bladz. 110) zijn Europeesche wijken ten

zuiden van Passar Senin langs den weg naar Meester Cornelis gelegen.

[67] In Indië is een ras honden inheemsch, de zoogenaamde gladakhond

(bladz. 110) dat meer van den jakhals dan van den hond heeft. Die

dieren blaffen ook niet, zij janken en huilen; zij hebben steile ooren

en zijn zeer schurftig.

[68] Sp........ (bladz. 113). De lezer zal, hoop ik, permitteeren, dat

ik den gebruikelijken naam, dien ik slechts met twee beginletters

aanduid, niet voluit ter neder schrijf.

[69] Babah (bladz. 114) is de betiteling, waarmede Chineezen in Indië

in het dagelijksche leven aangesproken worden. Men zou het door ons

„man” of „goede vriend” kunnen weergeven.

[70] Kee (bladz. 115) is een soort scheldnaam, waarmede Chineezen

bejegend worden.

[71] Verschijnt in de eerste plaats de opiumpachter (bladz. 116). De

heer Cremer, hoofdadministrateur der Deli-maatschappij heeft in zijne

brochure: De toekomst van Deli als zijne overtuiging uitgesproken: dat

de opiumpacht te Deli was ingevoerd, niet om te voorzien in eene

bestaande behoefte, maar om die te scheppen ten voordeele der

Gouvernements kas. De lezer zal begrepen hebben, waarom ik de

afschuwelijke tooneelen afbrak, die in zoo’n kit met annex b.....

voorkomen. Hij, die daar meer van wil weten, raadplege: the History of

Java van Sir Stamfort Raffles, Luit.-Gouverneur Generaal van Java; de

Proeve van eene geschiedenis van den handel in het verbruik van Opium

in N. I. van J. C. Baud, gewezen Minister van Koloniën en wd.

Gouverneur-Generaal van N. I.; Eene bijdrage tot de studie der

opiumkwestie op Java van Mr. W. K. Baron van Dedem, lid der Tweede

Kamer der Staten-Generaal. In die staatkundige geschriften konden die

verdienstelijke en hoogst achtenswaardige mannen meer openhartigheid

betrachten, dan ik mij bij mijne pogingen om door middel van

romantischen vorm belangstelling in onze koloniën op te wekken,

veroorloven mag.

[72] Voor den opium-pachter buigt geheel Nederlandsch-Indië (bladz.

118). De Minister van Koloniën rapporteerde destijds aan Z. M. den

Koning het navolgende: „Ik veroorloof mij Uwer Majesteits aandacht in

het bijzonder te vestigen op het zeer geheime en vertrouwelijke rapport

van den Directeur der Middelen en Domeinen, 9 Oktober 1866 No. 3910,

waarin de vroeger los daar heen geworpen bewering, dat Europeesche en

Inlandsche ambtenaren stelselmatig door de opium-pachters worden

omgekocht, maar al te zeer met onwraakbare feiten wordt gestaafd. Het

blijkt daaruit hoe de smokkelhandel den pachters aanleiding geeft tot

ondermijning van het gezach door de uitvoerders van de bevelen der

Regeering in de binnenlanden, althans voor een deel, in afhankelijkheid

te brengen van Chineesche pachters en sluikers.”

[73] Voor den krijgsraad (bladz. 119). Het saaie en langdradige der

rechtspleging heeft bij het schetsen van dit tooneel voor eene meer

gewenschte veerkrachtigheid van het verhaal moeten plaats maken. Ik

hoop, dat ik hierbij een niet al te vreemd beeld van den gang van zaken

bij de behandeling van een geding voor den krijgsraad geleverd heb. Ik

stel deze bemerking ter neer om den Generaal-criticus te gemoet te

komen, die eens beweerd heeft, dat ik de rechtspleging voor de

landmacht niet zou kennen. Mijne lezers ten dien opzichte

geruststellende, betuig ik: dat het mij niet mogelijk was, een

eenigszins genietbaar verhaal te leveren bij het nauwkeurig getrouw

blijven aan den gang bij zoo’n geding.

[74] Theorie (bladz. 119). Zie omtrent dat woord de noot No. 42 op

bladz. 389 van Naar den Equator.

[75] Uit de binnenlanden van Java en Madura of van Amboina (bladz.

121). Het 11e bataillon infie bestond destijds uit eene Europeesche,

drie Javaansche, eene Madureesche en eene Amboineesche kompagnie.

[76] Het gaat al wonderlijk toe in de wereld (bladz. 129). Het geldt

hier vroegere toestanden. Overigens wordt verwezen naar de noot No. 15

voorkomende op bladz. 386 van Naar den Equator.

[77] En kibbelde over de betaling van eene duit (bladz. 147). De

schrijver heeft zoo’n geval in 1856 waargenomen. Een ter dood

veroordeelde Eur. kavalerist, die den volgenden morgen zou gefusilleerd

worden, bracht in de gevangenis te Weltevreden nagenoeg den geheelen

nacht met kaartspelen door, en kibbelde herhaaldelijk over het betalen

of het ontvangen van één duit, die destijds de waarde van 1⁄120 gulden

vertegenwoordigde.

[78] Toetool (bladz. 155) is de Javaansche naam van de Felis pardus.

[79] Matjan en Singa (bladz. 155). Die woorden beteekenen in het

Maleisch: tijger en leeuw. Die namen worden door Europeanen in Indië

veel aan honden gegeven.

[80] Tjelleng (bladz. 156) = Sus verrucosus.

[81] De Lawoe (bladz. 157) een vulkaan, die 3254 M. of 10394 voet hoog

is, ligt op de grenzen van de Residentiën Soerakarta en Madioen.

[82] De Tjerimai (bladz. 157) een vulkaan die 3070 M. of 9808 voet hoog

is, ligt in de Residentie Cheribon.

[83] Karbouw-vogel (bladz. 161). Dit is eene soort lijster met fraaie

bonte veeren.

[84] Schaduwboomen (bladz. 161). Hiertoe wordt op Java gewoonlijk de

Erytrina indica gebezigd.

[85] Telogo Passir (bladz. 161) beteekent: zandmeer.

[86] Dessa (bladz. 167) is Javaansch en beteekent dorp.

[87] Plosso-boomen (bladz. 171) zijn vrij hooge woudboomen, die op de

berghellingen van Midden- en Oost-Java veelvuldig aangetroffen worden.

Hun loof, uit driebladig gevinde bladeren bestaande, is allerliefst en

de fraaie vuurroode bloemtrossen bekoorlijk. De geleerden noemen die

boomen: Butea frondosa.

[88] Tjakkar-beh-beh en Tjoemplingan (bladz. 171). Beiden zijn

Convolvulus-soorten, die door de geleerden, de eerste: Ipomoea pes

tigridis, en de andere Ipomoea Hewittia bicolor genoemd worden.

[89] De Willis (bladz. 171) is een vulkaan, op de grenzen van de

residentiën Madioen en Kediri gelegen, die in zijn hoogsten top,

Goenoeng Doerowati geheeten, eene hoogte van 2351 M. of 7512 voeten

bereikt.

[90] Dessa-boschjes (bladz. 171). De dessa’s of dorpen liggen

gewoonlijk in boschjes van vruchtboomen verscholen.

[91] Sawah’s (bladz. 172) zijn rijstvelden, die in de vlakten en ook op

de berghellingen, ten allen tijde met behulp van waterleidingen en

kunstmatig besproeid kunnen worden. De rijstvelden, die afhankelijk van

den regen zijn, worden „hoembah” of „gaga” genoemd.

[92] Kaboepaten (bladz. 172) is de benaming eener Regentswoning.

Vroeger heetten de regenten: boepati.

[93] Toedoeng (bladz. 174) is een hoofddeksel in den vorm van een

slabak, en is gewoonlijk van palmbladeren vervaardigd.

[94] Droh (bladz. 174) is eene eerbiedsuitdrukking, titel zou men

kunnen zeggen, die de Javaan steeds tegenover blanken, hetzij man of

vrouw, bezigt.

[95] Raden Maas Adipati (bladz. 175). Dit is eene gewone titulatuur van

een Regent.

[96] Kiahi (bladz. 175) is de titulatuur van een opperhoofd. Nimmer zal

de Javaan het woord: harimao (tijger) bezigen. Hij zal zelfs vermijden

over het dier te spreken. Kan hij evenwel niet anders, dan geeft hij

het een titel bij voorkeur dien van kiahi om zijn eerbied te betuigen.

[97] Ketjoe’s (bladz. 177) zijn gewapende rooverbenden.

[98] Dengdeng (bladz. 183) is rauw vleesch, aan dunne reepen gesneden

en in de zon gedroogd.

[99] Ikan sapat (bladz. 183) is een vischje dat veel overeenkomst met

ons scharretje heeft, en gezouten en gedroogd in den handel voorkomt.

[100] Het fort Pontjol (bladz. 183) is eene gebastionneerde redoute,

die aangelegd is, om in verband met eenige andere kleinere werkjes de

reede van Semarang te verdedigen. Als die werken ooit daartoe voldoende

gerekend zijn, dan zijn zij dat niet meer, daar zij door de verbazende

aanslibbing der noordkust van Java, thans veel te ver van den zeeoever

verwijderd liggen.

[101] Bodjong (bladz. 183) is eene buitenwijk van Semarang.

[102] Sajor-petèh (bladz. 184) beteekent: petèhsaus. De petèh is eene

peulvrucht afkomstig van de Parkia speciosa, eene Mimosceën-soort. De

petèhboonen hebben eenen hoogst onaangenamen geur, maar smaken goed

toebereid zeer lekker.

[103] Karbouwenlapjes (bladz. 184). De hier bedoelde lekkernij is de

binnenwand van een karbouwenmaag in vierkante stukjes gesneden en in

klapperolie gebraden. Door de inlanders worden zij „babat” geheeten.

[104] Oesi-oesi (bladz. 184) zijn gebraden kippen- of kalfsdarmen.

[105] Randoesari, Djoemblang en Karang Bidara (bladz. 184). De twee

eerstbedoelden zijn groote dessa’s in de nabijheid van Semarang. De

derde is eene buitenwijk van die plaats.

[106] Koeda galadak en koeda haloes (bladz. 186). Het eerstbedoelde is

een werkpaard, Koeda haloes beteekent een fijn paard, dus een rijpaard,

een heerenpaard. Na hetgeen ik in den tekst van dit laatste gezegd heb,

wanhoop ik er aan om van het eerstbedoelde eene beschrijving te kunnen

geven. Om dat waardig te doen, zou het talent noodig zijn van den

schrijver van den Danse macabre.

[107] De Oenarang (bladz. 188) is een vulkaan, op de grens van de

Residentiën Semarang en Kadoe gelegen, die 2047 M. of 6527 voet hoog

is. Aan zijn noord-oostelijken voet is een groote kampong van

denzelfden naam gelegen.

[108] Merak Mati (bladz. 188) is een vrij groote kampong, die haren

naam ontleent aan een’ kleinen berg—een vulkaan in miniatuur. Merak

Mati beteekent eigenlijk: doode pauw. Zeer waarschijnlijk is die naam

evenwel afgeleid van de woorden: Mer api mati, hetgeen beteekent dooden

of uitgebranden vuurberg.

[109] De Telemojo (bladz. 188) is een kleine vulkaan, die 1880 M. of

6006 voet hoog is.

[110] De Toentang (bladz. 188) is eene rivier, die uit een moerassig

meer, Rawah Peneng genaamd, ontspringt, en zich onder den naam van

rivier van Demak in de Java-zee stort. Van de Toentang en van de Rawah

Peneng zullen de lezers later meer vernemen.

[111] Merbaboe (bladz. 188) is een vulkaan, op de grenzen van de

Residentiën Kadoe en Semarang gelegen, die 3116 M. of 9955 voet hoog

is.

[112] Eene galadak (bladz. 188) op Java is wat men zou kunnen noemen

een militair passantenhuis. Voor die inrichtingen wordt hoegenaamd geen

zorg gedragen. En wordt er al eens naar omgekeken, dan gaan de civiele

ambtenaren gewoonlijk van het denkbeeld uit, dat, hoe vies, hoe smerig,

hoe vervallen en hoe overbevolkt ook door het wandgedierte, die

passantenhuizen ook zijn, zij goed genoeg voor de mindere militairen

moeten geacht worden.

[113] Witte mieren (bladz. 188) = Termes fatalis.

[114] Merapie (bladz. 189) is een vulkaan, op de grenzen van de

Residentie Kedoe, Djokjokarta en Soerakarta gelegen, die 2807 M. of

8967 voet hoog is.

[115] Madja (bladz. 191) is een plaatsje in de Residentie Cheribon, aan

den westelijken voet van den Tjerimai gelegen.

[116] Majoor (bladz. 196). In de militaire hospitalen, wordt de

behandelende geneesheer steeds met den titel van majoor begiftigd.

[117] Zaal 7 (bladz. 198) was destijds de dyssenterie-zaal.

[118] De gamelang (bladz. 199) is een orkest van vele metalen bekkens,

die bespeeld worden. Na de Amsterdamsche Koloniale Uitvoerhandel

Tentoonstelling zal het wel onnoodig zijn, eene nadere beschrijving er

van te geven.

[119] „Jan den dief” (bladz. 200). In alle militaire hospitalen werd

destijds een „Jan den dief” aangetroffen. Waaraan die naam ontleend is,

heb ik niet kunnen ontdekken. Het is evenwel geen individu, die steelt,

maar bij wien allerhande zaken te koop zijn, zoowel eetwaren als

papier, enveloppen, sigaren, tabak, speelkaarten, zelfs sterke drank.

Waar vandaan hij de meeste dier zaken, die in de hospitalen verboden

zijn, erlangt, weet de hemel alleen.

[120] Pisang radja (bladz. 201) is een der edelste soorten van de Musa

paradisiaca.

[121] De Lampongs (bladz. 204). Zoo wordt het Zuider gedeelte van

Sumatra geheeten. Destijds was het een onbeduidend gewest, hetwelk door

een kapitein als Civiel en Militair Gezaghebber bestuurd werd. Sedert

is het tot eene residentie verheven.

[122] Op de liederlijkste wijze door de wervers met behulp van opium en

spel in het net gelokt zijn (bladz. 209). Ik breng hier voor hen, die

op de Militaire bureaux te Batavia bekend zijn, in herinnering de

aanschrijving van den G. G. Duymaer v. Twist, waarbij de kunstgrepen,

bij de werving van inlandsche militairen gewoonlijk gebezigd, verboden

werden. Ik breng tevens in herinnering, dat dat verbod bij latere zeer

geheime aanschrijving ingetrokken werd.

[123] Eene tandoe (bladz. 211) is een draagtoestel. De hier bedoelde

zou men hier te lande brancard noemen.

[124] De randsels (bladz. 213). Destijds behoorden de randsels tot de

velduitrustingen en werden derhalve in het garnizoen niet verstrekt.

[125] Gollokh’s (bladz. 213) zijn eene soort hakmessen, die eigenlijk

geen wapen mogen genoemd worden. Zij zijn daarentegen uiterst nuttig om

zich in de wildernis baan te breken.

[126] Wingsen (bladz. 224) waren worstvormige smakelooze

schouderversieringen van geel sajet vervaardigd.

[127] Frisschen morgenwind (bladz. 226). De maanden Juni, Juli en

Augustus leveren de koelste nachten op van het geheele jaar. Niet

zelden wijst dan de thermometer des morgens bij het opgaan der zon 64o

F. aan.

[128] De Kleine Boom (bladz. 227) is het kantoor van in- en uitgaande

rechten aan het haven-kanaal gelegen, alwaar de visitatiën der bagages

enz. door de douanen plaats hebben.

[129] Een slendang (bladz. 228) is een kleedingstuk, een soort sjerp,

die voornamelijk door de inlandsche vrouwen over den schouder gedragen

wordt. Moeders en baboe’s wikkelen er gewoonlijk kleine kinderen in, en

dragen die, hetzij op den rug, of schrijlings op de heup.

[130] Snuivende zoenen (bladz. 228). De bewoners, van den Ind. archipel

kussen niet, zooals wij westerlingen dat doen. Zij drukken hunnen neus

tegen het te zoenen voorwerp, en snuiven daarbij sterk en met gedruis

de lucht op. Sommige maken daarbij eene beweging met den neus, alsof

zij het te zoenen voorwerp al snuivende willen afvegen.

[131] Kree’s (bladz. 230) is een soort matwerk van zeer fijne

bamboelatjes vervaardigd. Die latjes worden op een onderlingen afstand

gelijkstaande aan hunne dikte gebonden, zoodat de luchtstroom er

heerlijk doorheen kan.

[132] Eene soeling (bladz. 232) is eene inlandsche dwarsfluit.

[133] De kanari-boom (bladz. 234) is een der fraaiste boomen van

Nederlandsch-Indië. Hij wordt voornamelijk aangeplant tot het vormen

van lanen. Zijn naam in de botanische wereld is Canarium commune.

[134] Zich lekker maken (bladz. 235) is een Indische uitdrukking, welke

beteekent: het zich gemakkelijk maken.

[135] Een Java-paal (bladz. 236) is een afstand van 1507 M.

[136] Kruisbooten (bladz. 239) zijn lichte vaartuigen, gewoonlijk met

schooners- of kotters-tuig—met een of hoogstens twee stukken kanon

gewapend—bestemd om voortdurend te kruisen en derhalve de politiedienst

in den Indischen Archipel uit te oefenen.

[137] Majang- en tjunia-prauwen (bladz. 239) zijn lichte inlandsche

zeebouwende vaartuigen.

[138] Poeloe Seboekoe en Tandjong toea (bladz. 240). Eerstgenoemde is

de naam van een eiland in de Lampong-baai gelegen. De andere is de naam

van den zuidoostelijksten punt van het eiland Sumatra, en heet bij de

Europeesche zeelieden: varkenshoek.

[139] Poeloe tiga (bladz. 240) beteekent: drie eilanden. Er zijn

schrijvers, die deze eilandjes: tiga poeloeh genoemd hebben. Dat is

eene vergissing, want dat beteekent: 30.

[140] Dapoer (bladz. 242) is een toestel, gewoonlijk van gebakken

zandgrond, waarop gekookt wordt. Overdrachtelijk heet de keuken ook

dapoer.

[141] Atàp (bladz. 242) is eene dakbedekking, die gewoonlijk van de

bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt.

[142] Kadjang omwanding (bladz. 242) is een matwerk, dat ook van de

bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt.

[143] Niboeng (bladz. 242) is eene fraaie slanke palmsoort, door de

plantenkundigen Areca Nibung geheeten. De stam van dien palm levert een

sterk hout, dat zich zeer gemakkelijk tot latten laat splijten.

[144] Tampat mandi (bladz. 248). Mandi beteekent: baden, Tampat mandi =

badplaats.

[145] Kembang sapatoe (bladz. 250) = Hibiscus rosa sinensis. Van deze

bestaan zeer veel variëteiten, met dubbele en enkele, met groote en

kleine bloemen. Vooral komen de variëteiten in de kleur der bloemen

uit. Er bestaan vuurroode, rooskleurige in alle schakeeringen,

paarsche, witte en gele kembang Sapatoe.

[146] Sedap malam (bladz. 250) = Polyanthes tuberosa. Katja piring =

Gardenia florida. Melattie = Jasminum sambec.

[147] Kembang mawar (bladz. 251). Zoo worden door de inlanders alle

rozensoorten geheeten. De hier bedoelde is de „rosa indica”, die in

sommige bergstreken gekweekt wordt, en dan overschoone heggen vormt.

[148] De prachtigste orchideeën (bladz. 251) waaronder in de bedoelde

bergstreken, op ± 2000 voet hoogte gelegen, aangetroffen worden, b.v.:

de Vanda tricolor suavis,—door de inlanders „angrek kringsing”

genaamd—met hare fraaie paarsche bloemtrossen, met oranjekleurig

hart,—de Coelogina speciosa—angrek djamboe—met hare vijf hoekige bulbis

en hare bruine bloemtrossen, die wonderlijk grillig van vorm zijn met

heure harige en onevenredig groote bovenlip en zijlobben; en de

Phalaenopsis grandiflora—angrek poeti bezar—met hare fraaie bonte

bladeren, met haren langen bloemstengel, aan welker uiteinde een tros

zacht-lilakleurige bloemen bengelt, enz., enz.

[149] Aardorchideeën (bladz. 251), waaronder o.a. de Cipipredium

javanicum—angrek plembang—met hare wonderlijk gevormde bloem, welker

onderlip den vorm van een muiltje vertoont.

[150] Pandan bebaoe (bladz. 252) = Pandanus odoratissimus.

[151] Wariengien (bladz. 253) = Ficus religiosa.

[152] De Takka laoet (bladz. 254) wordt door Miquel Tacca cristata en

in Paxton’s Botanical Dictionary Attaccia Rafflesiana genoemd.

[153] Een allerliefste vuurvliegje (bladz. 259). Waarschijnlijk een

Lampyris of ook wel een Fulgora of lantaarndrager, waarvan in

Nederlandsch Indië verscheidene soorten aangetroffen worden.

[154] Benteng (bladz. 262) is de inlandsche naam eener versterking.

Gevoegelijk is dat woord door: fort te vertalen.

[155] Kemiri (bladz. 263) = Aleurites tribola. De noten smaken als

fijne amandelen.

[156] De peper (bladz. 266) = Piper nigrum.

[157] Kedjineman (bladz. 267) is een Javaansch woord, dat het best door

„in dienst zijnde werkman” te vertalen is.

[158] Patjar tjina (bladz. 268) is een sierlijk struikgewas, dat door

de geleerden Lawsonia alba, ook wel Aglaja odorata genoemd wordt.

[159] Idjoh (bladz. 272) is eene zwarte haarzelfstandigheid, die

tusschen den stam en de bladstelen van de Arengpalmen groeit.

[160] Brandals (bladz. 274) beteekent: muitelingen.

[161] Rappat (bladz. 275), beter gezegd landraad, is eene rechtbank,

die door het Europeesche hoofd van gewestelijk bestuur gepresideerd

wordt, maar welker leden uit inlandsche hoofden bestaan.

[162] Oelam emas (bladz. 278) is de Javaansche naam van eene soort

goudkarper, die door de geleerden Cyprima flavis punis geheeten wordt.

Die visch wordt ongeveer twee voet lang.

[163] Tambra (bladz 278) = Labea barbus tambra. Deze visch bereikt bij

volkomen wasdom eene lengte van ruim drie voet en weegt dan ± 20

katti’s of 25 Amsterdamsche ponden. Is zeer lekker.

[164] Goerami (bladz. 278) = Osphromeus olfax. Is een visch die

ongeveer 1½ voet lang wordt. Is de lekkerste zoetwatervisch, die in den

Indischen Archipel aangetroffen wordt.

[165] Kilaling (bladz. 278) = Bogarius Buchanani. Dit is een geduchte

roofvisch, die ruim drie voet lang wordt.

[166] Randjoe’s (bladz. 281) zijn een soort voetangels van bamboe, van

ijzerhout of van andere harde houtsoorten vervaardigd. Zij zijn een

geducht chicane-middel voor den ongeschoeiden voet onzer inlandsche

soldaten, en noodzaken de Europeanen zelfs om uiterst voorzichtig

voorwaarts te schrijden. Het is meermalen gebeurd, dat zoo’n randjoe de

schoenzool doorboorde en den voet deerlijk wondde.

[167] Borang’s (bladz. 281) zijn lange randjoe’s, die onder eene zekere

helling in het hooge gras of te midden van het struikgewas geplant

worden, en waaraan de aanvaller zich den buik gevaarlijk wonden kan. In

ieder geval noodzaakt dit chicane-middel hem om behoedzaam en langzaam

vooruit te gaan.

[168] Op den bedoelden top aan (bladz. 283). De Radja Bassa-top is 1341

M. of ruim 4316 voet hoog.

[169] De eilanden Seboekoe en Sebessi (bladz. 285). De hoogste top van

het eiland Seboekoe bereikt 426 M. of ruim 1360 voet. De top van het

eiland Sebessi is 859 M. of ruim 2744 voet hoog.

[170] Krakatoea (bladz. 285). De piek van Krakatoea is (was) 823 M. of

ruim 2629 voet hoog.

[171] Maar het is misdadig (bladz. 292). Ik laat hier volgen wat

destijds aan de troepen te velde verstrekt werd: 1⅓ pond rijst of 1

pond hard brood, zoogenaamde scheepsbeschuit, ¾ pond versch rund- of

gezouten vleesch, in vervanging waarvan ook ½ pond gezouten of gerookt

spek of ½ pond gezouten visch kon verstrekt worden, 1⁄25 pond koffie,

1⁄120 pond peper, 1⁄12 pond zout, 1⁄10 kan jenever of arak, 1⁄1000

vadem brandhout, 3⁄1000 kan lampolie. De ponden beteekenen Amsterdamsch

gewicht en de kannen Bataviasche maat. De inlandsche soldaten bekwamen

minder vleesch, geen spek en slechts 1⁄30 kan jenever.

[172] IJzerhout (bladz. 296) wordt door de geleerden Eusideroxylon

Zwagerii genoemd.

[173] Poeloe Bessi en Krakatoea (bladz. 296). Deze uitleg dier namen,

die zeer aannemelijk is, werd mij zoo in het jaar 1856 medegedeeld.

Laat mij hier nog bijvoegen, dat tegenover Karang toea of Krakatoea in

Bantam een berg ligt, die Karang heet, en door de inlanders wel eens

Karang moeda genoemd wordt. Vergelijk nu daar eens mede het verhaal van

een grappenmaker—dat evenwel na den Krakatoea-ramp op 27 Augustus 1883,

in alle Nederlandsche couranten de rondte deed—alsof de naam Krakatoea

van „krakende touw” en Sebessi van „slib in zee” zou afgeleid zijn, aan

welke afleiding een dwaze hollandsche matrozenlegende werd

vastgeknoopt. Alsof de inlanders zich bij het geven van namen aan onze

matrozenverhalen zouden storen en diensvolgens hunne nomenclatuur

vaststellen!

[174] Een groote inktvisch (bladz. 296). Zie daaromtrent de noot No. 76

op bladz. 391 van Naar den Equator. Het hier bedoelde dier, dat de

schrijver zelf gezien en waarvan hij gegeten heeft, was waarschijnlijk

een jonge Architeuthis princeps.

[175] Kaoem (bladz. 298) is een soort Mohammedaansch priester, wiens

voornaamste bezigheid is driemaal daags, op de bedoed, die gewoonlijk

onder het afdak der missigit staat, te roffelen.

[176] Bedoed (bladz. 298) is een instrument, dat niet beter te

vergelijken is dan met eene overgroote Turksche trom, die slechts aan

eene zijde met een vel bespannen zoude zijn.

[177] Adat (bladz. 300) beteekent: gewoonte, gebruik. Stelt in Indië

een grooteren band daar dan nieuwbakken wetten.

[178] Dat de schuldige jaren geleden (bladz. 301). De bedoelde moord

werd in 1851 gepleegd.

[179] Confiteor Deo omnipotenti (bladz. 310) beteekent: ik belijd aan

den almachtigen God. Het zijn de beginwoorden van een formulier van

schuldbekentenis, hetwelk steeds de eigenlijke belijdenis der zonden

bij de oorbiecht voorafgaat.

[180] Meâ culpâ, meâ maximâ culpâ (bladz. 310) beteekent: door mijne

schuld, door mijne overgroote schuld. Behoort tot het hierboven

bedoelde formulier.

[181] Ideo precor beatam Mariam semper Virginem (bladz. 310) beteekent:

Daarom verzoek ik de gelukzalige Maria, die steeds Maagd gebleven is,

enz. Dat is eene smeekbede van den biechteling aan de Moedermaagd, aan

alle Heiligen, ook aan den biechtvader, God den Heer te willen bidden

den zondaar vergeving te schenken.

[182] Viaticum (bladz. 310) is de naam van het Nachtmaal aan stervenden

verstrekt.

[183] Groene en roode briefjes (bladz. 314). Dat was destijds papieren

geld van 5 en 10 gulden.

[184] Boegineezen (bladz. 317). Zoo worden de bewoners van Boni en

aangrenzende rijken op Celebes genoemd.

[185] De geweren worden gebruineerd (bladz. 322). In Indië zijn de

ijzerdeelen der geweren niet blank zoo als hier te lande. Het onderhoud

dier wapens zou in die warme, vochtige atmosfeer te lastig en te

schadelijk zijn door te veel slijtage. Al de zichtbare ijzerdeelen

worden met een bijtend middel—een mengsel van sulphas ferri en murias

ferri liquidum gebruineerd. Dat bruineeren heeft nog een ander voordeel

dan het onderhoud der wapenen te bevorderen, namelijk, dat op die

bruindoffe geweerloopon de zonnestralen niet kunnen weerkaatsen, en zoo

den troep in de verte niet kunnen verraden.

[186] Amokh (bladz. 322) is een kreet, die bij moord zoowel door den

moordenaar als door de bedreigden aangeheven wordt.

[187] Melattie-bloempjes (bladz. 333) zijn allerliefste uiterst

welriekende bloemen, die door de geleerden Jasminum Sambec genoemd

worden.

[188] Nonnie (bladz. 334) is eene verbastering van nonna. Wordt tegen

zeer kleine meisjes gebezigd. Zie verder de noot No. 44 op bladz. 375

hiervoren.

[189] Pagger (bladz. 334) beteekent: heg.

[190] Matraman (bladz. 335) is een landgoed, dat in de afdeeling

Meester Cornelis langs de Tjiliwong gelegen is.

[191] Pagger-koffiestruiken (bladz. 337). In zeer vele kampongs worden

koffieheesters als heggen gebezigd.

[192] Sambalans en sajorans (bladz. 337). Zie omtrent het eerstbedoelde

woord, de noot No. 32 op bladz. 273 hiervoren. Sajoran is ook eene

toespijs voor de rijsttafel, waarvan „daoen sajor” (groentebladeren) de

voornaamste bestanddeelen zijn.

[193] Bantal goeling (bladz. 340) is een kussen, een rolkussen, in den

vorm van eene dikke worst. Wordt in Indië zeer veel ter bevordering van

de luchtigheid gebezigd.

[194] Stip (bladz. 340) was destijds een schimpnaam voor de

adjudant-onderofficieren bij het leger, waarschijnlijk omdat zij zoo

stipt hunne plichten vervulden.

[195] De acht en twintig naderden (bladz. 342). Die leeftijd was het

maximum, waarop een kandidaat tot het afleggen van het officiersexamen

werd toegelaten.

[196] ((In den tekst op bladz. 345 staat abusievelijk (182) moet zijn

(196).)) De weg naar Meester Cornelis (bladz. 345) is 3¾ paal of ruim

5½ kilometer lang.

[197] Les Sept Caveaux (bladz. 362). Zoo wordt eene galerij genoemd,

die zich in de helling van den berg, ter halver hoogte daarvan bevindt.

Van de boot op de Maas gezien, leverde die galerij een schilderachtigen

aanblik op.

[198] Zouden de konkernollen-struiken daar nog staan? (bladz. 362). Men

leze nog eens bladzijde 6 van Naar den Equator. Op 2 Mei 1884 volbracht

de schrijver in zeer lief gezelschap een pelgrims-tocht naar Slavante.

Hij deed zich toen die vraag: Zouden de konkernollenstruiken daar nog

staan? De twijfel was gerechtvaardigd. Ruim dertig jaren waren

voorbijgesneld. Och, wat gaat en vergaat er niet in zoo’n tijdruimte!

Maar ziet... die struiken waren er nog! Hij toonde ze zijne lieve

geleidster, en was ondeugend genoeg om haar voor te stellen met een

blad op hare lieve wangen het proefondervindelijk bewijs te leveren. De

achterkant van de bladeren van dat gewas is met fijne haartjes bezet,

die bij wrijving een branderig en jeukend gevoel aan de huid

mededeelen.

In het land der zon · 第 45 / 46 题