Die moordgeschiedenis had een diepen indruk op Herman Riethoven
gemaakt. Weken zouden voorbijgaan, eer zijne geschokte zenuwen tot
bedaren waren gekomen, eer hij weer tot zijnen normalen toestand
teruggekeerd zoude zijn. Het gebeurde toch veel malen, dat hij over dat
verschrikkelijke voorval des nachts droomde, dat hij dan dien
verschrikkelijken amokhkreet andermaal hoorde, het gillen der
verschrikte vrouwen en kinderen vernam, dat het geklaag der gewonden en
het gerochel der stervenden in zijn ooren drong. Hij zag dan den
rampzalige onder zijne sabelhouwen ineenzakken, hij zag de verschrikte
soldaten op den rampzalige toespringen om met hunne krissen in zijne
ingewanden te wroeten en... dan ontwaakte hij met een gil en meende,
alvorens hij over de ontzetting, door die droomen veroorzaakt, vaardig
werd, die verschrikkelijke geluiden, die zijnen slaap zoo schrikkelijk
gestoord hadden, nog te hooren. En dan te midden van den nacht
verscheen in vurige letters voor zijn oog in vlammend letterschrift het
woord: OPIUM!
Ja, daar was de grondoorzaak van die schrikbarende misdaad, waarvan hij
getuige was geweest. De opium! Van den zielstoestand des rampzaligen
was misbruik gemaakt, om hem tot het gevaarlijke heulsap te verleiden.
O! hij zou daarbij eene verdooving van zijn leed putten! Hij zou zijne
ontrouwe gade leeren vergeten! Hij zou eene andere leeren liefhebben,
eene andere, die hem zou beminnen boven alle andere mannen! Dat werd
hem ingefluisterd door een der beunhazen van den opiumpachter, die er
steeds op uit was, om nieuwe slachtoffers voor den hartstocht van het
opiumschuiven aan te werven. En de ongelukkige had geloof geslagen aan
die verraderlijke woorden. Hij had de opiumpijp ter hand genomen. En...
o zaligheid! reeds bij de eerste pijp werd de hem gedane voorspelling
gedeeltelijk verwezenlijkt. Hij vergat.... hij zag een hoeri met
aanmoedigende blikken om hem heen dartelen;... maar.... als hij dan
ontwaakte... dan weken de droombeelden, dan hernam de werkelijkheid
hare rechten. Hij wilde andermaal vergeten, andermaal genieten. De
doses opium werden sterker genomen, naarmate zijn gestel meer en meer
gewoon aan het verdoovingsmiddel geraakte. Er kwam eindelijk een tijd,
dat de werkelijkheid voor den droom niet wilde wijken, dat het vergift
slechts verbittering, haat en wraakzucht in zijn overspannen gemoed
deed ontvonken. Toen de ongelukkige dat stadium bereikt had, was de
amokhpartij, het bloedbad, niet verre meer.
Gelukkig voor Herman dat zijne overplaatsing naar de Militaire School
spoedig volgde. Hij zou nu in eene andere omgeving komen, die het
schrikkelijke tafereel langzamerhand op den achtergrond zoude dringen.
Ronduit bekende hij, dat hij zich gelukkig, ja, gered gevoelde, toen
hij uit die omgeving, die hem dat alles steeds herinnerde, verlost
werd. Toch speet het hem, dat hij op de School niet bij Frank in ééne
kamer gehuisvest kon worden. Hij smaakte evenwel het genoegen na
afgelegd examen bij zijn vriend in de 3de klasse geplaatst te worden;
zoodat beiden nog een jaar aan die inrichting door te brengen hadden,
alvorens tot het officiers-examen toegelaten te worden. Langzamerhand
herkreeg Herman zijnen normalen toestand, en kon zijn studiën met ijver
voortzetten.
„Stilte jongelui! luister nu aandachtig.... Maar.... eigenlijk moest ik
die voorlezing staken.... wij hebben nog de rivieren van Java’s
noordkust te behandelen...”
„Och, toe luitenant! Die rivieren kennen wij van de Tji Oedjoeng af,
die ten zuiden van Lebak in Bantam op den Goenoeng Halimoen ontspringt
en in de Java-zee uitwatert, tot de Kali Banjoe Pait, die in het
kraterbekken van den Goenoeng Idjen haar oorsprong heeft, en zich in de
Madura zee stort. Maar die geschiedenis van Nederlandsch Indië, door u
te samengesteld, is zoo mooi!....”
„De stijl is zoo pittig!....”
„De taal zoo onnavolgbaar verheven!....”
„Zoo zwierig!....”
„Zoo tot het hart sprekend!.... Zoo....”
Het was een broehaha van stemmen, hetwelk zich daar in een der
onderwijslokalen van de Militaire School te Meester Cornelis verhief en
ten doel had, het ijdelheidsgevoel van den in functie zijnden
officier-docent te streelen.
Die leeraar was een man van middelmatige gestalte, eer klein dan groot,
niet erg uit de kluiten geschoten, met een matbleek, scherphoekig kaal
en glad gelaat, met rusteloos rondglurende oogen, die noode anderer
blik vermochten te trotseeren, met sluike blonde haren, die weinig zorg
daaraan besteed verrieden, met een korten maar zeer bewegelijken nek,
die in de staande modelboorden soms zulke potsierlijke wendingen
maakte, en zich daarbij rechts en links uitrekte, alsof zijn eigenaar
het er op toelei, zijn hoofd aan de staande boorden, die het als in een
schotel omsloten hielden, te doen ontglippen.
De man, die op den naam van Sopoc antwoordde, was uiterst goedig van
karakter,—hij zou geen mug kwaad hebben kunnen doen;—maar
onuitstaanbaar pedant en zenuwachtig. Hij had zich in het hoofd
gehaald, dat hij geroepen was om eene geschiedenis van Nederlandsch
Indië te schrijven, en van dat oogenblik verscheen hij bijna nooit meer
in het openbaar zonder een dikke rol folio-papier onder den arm, die
hem een zeer gewichtig uiterlijk verleende. Geen grooter genoegen kon
men hem baren, dan hem te verzoeken eenig saillant feit uit zijn werk
voor te lezen. Steeds was hij daartoe bereid, tot zelfs in de sociëteit
toe, wanneer hij daar des morgens een oogenblik aan de „kletstafel”
plaats genomen had. Werd hij dan na afloop gecomplimenteerd, hetgeen
hem steeds te beurt viel, dan stond hij van zijn stoel op, gaf zich op
het voorste gedeelte zijner voeten met eene veerkrachtige beweging op,
en liet zich met een schok op zijne hakken neerkomen, dan krabde hij
verlegen met zijn rechterwijsvinger in zijne boorden, trok die als het
kon nog hooger, terwijl het hoofd daarbij merkwaardige kapriolen
volvoerde. Zijn mond stamelde daarbij schuchter enkele onverstaanbare
woorden, als eene jonge maagd, die het eerste complimentje opvangt.
Hij was thans bezig de jongelieden der derde klasse onderwijs te geven.
De tafel der werkzaamheden gaf aardrijkskunde aan; maar hij had geen
weerstand kunnen bieden aan de verleiding, om zijnen leerlingen weer
enkele bladzijden uit zijne geschiedenis voor te lezen. „Dat was toch
geen verloren tijd” zoo redeneerde hij bij zich zelven, „want de
Indische geschiedenis moeten zij toch ook kennen, en met nu op een
ander uur de aardrijkskunde te hervatten, blijf ik stipt binnen de
grenzen van mijn plicht.”
„Ik wil wel aan uw verzoek voldoen” sprak hij, terwijl hij zijn linker
boordpunt hoog ophaalde. „Ik zal u eene bladzijde uit den Bondjolschen
opstand voorlezen, die, zooals gij weet, in het begin van 1833
losbarstte. Luistert nu aandachtig.”
De vier en dertig leerlingen, die de bewuste klasse uitmaakten, zetten
zich schrap. Er waren er bij, die de hand aan de oorschelp brachten, en
haar dan trompetsgewijs ombogen, om toch maar geen lettergreep verloren
te laten gaan. Allen waren geheel gehoor. De luitenant kuchte en hemde,
schraapte zich de keel, bewoog den hals links en rechts, trok zijne
boorden met eene zenuwachtige beweging andermaal omhoog en liep van
stapel:
„Onder vele, ja onder de ontelbare heldendaden der troepen van het
roemvolle Nederlandsch Indische leger, valt er eene aan te wijzen, die
niet alleen diepen indruk gemaakt heeft op de inlandsche stammen in
deze gewesten, maar ook de opmerkzaamheid tot zich getrokken heeft van
al de beschaafde natiën der geheele wereld, als ik niet vreesde mij aan
overdrijving schuldig te maken, zou ik zeggen: van het gansche
heelal!....”
„Van het gansche heelal!.. O! hoe schoon, hoe sierlijk is dat
uitgedrukt!..” viel een der leerlingen den voorlezer in de rede.
„O! hoe schoon! hoe sierlijk!” herhaalden alle aanwezigen in stomme
bewondering.
De luitenant had niet gemerkt, dat een der jongelieden op een gegeven
oogenblik den vinger omhoog gestoken had, waarop die uitbarsting van
opgetogenheid volgde.
„Sjtt! Stil jongelui!” zei de luitenant, het hoofd vol ijdelheid op het
boordjes-bord latende rollen. „Laat mij vervolgen: Van het gansche
heelal! maar inzonderheid de bewondering van elken krijgsman ontvonkt
heeft. Dat is de roemvolle terugtocht, die de luitenant-kolonel
Vermeulen Krieger van Pisang op Agam volvoerde. Niet alleen in den
kring van de operatiën van den kleinen oorlog, niet alleen onder de
voornaamste partijgangerstochten zal die terugtocht een merkwaardige
plaats innemen; neen, hij zal de eerste plaats, den hoogsten rang
verwerven, wanneer hij slechts door eene geniale, door eene
geestdriftvolle pen, als die van een Victor Hugo of een De la Martine,
aan de vergetelheid zal ontrukt worden. Want die tocht, hij staat,
wanneer alle bijzonderheden behoorlijk overwogen worden, niet beneden
den Terugtocht der Tien Duizenden in Klein Azië! Vermeulen Krieger, de
Nederlandsche Overste, streeft Xenophon, den Griekschen veldheer, op
zijde!”
Daar ging de vinger omhoog.
„O! hoe mooi! hoe verheven!” blaatten de vier en dertig stemmen
andermaal.
„Stil dan toch, jongelui! Laat mij voortgaan:
„Toch wordt die Terugtocht der Tien Duizenden als het grootste
Militaire wonder der wereld in alle geschiedenissen vermeld, terwijl
hij evenwel bij de tegenwoordige wijze van oorlogvoering niet die
leerrijke voorbeelden van vastberadenheid, van kalm beleid en van
onwrikbaren heldenmoed kan aan de hand doen, die deze terugtocht van
Pisang naar Agam geleverd heeft, en waardoor hij niet alleen eene boven
alles uitstekende plaats in onze roemrijke nationale krijgsgeschiedenis
moet innemen, maar als eene hoog ontstoken fakkel in de geschiedrollen
van de oorlogen der beschaafde volkeren moet schitteren!”
Bij die ontboezeming had de luitenant, als door geestdrift vervoerd,
zelf den vinger opgestoken, om den stand dier hoog ontstoken fakkel aan
te duiden.
„O! hoe overweldigend verheven! hoe goddelijk dichterlijk!” klonk het
van alle kanten.
„Stil dan toch!
„Vermeulen Krieger was in December 1832......”
„Ik meen dat de tafel der werkzaamheden aangeeft, dat thans
aardrijkskunde zou gedoceerd worden!” klonk een stem, die zich van den
kant der deur, in de zij-galerij van het schoolgebouw liet hooren. Het
was de kapitein, Directeur der Militaire School, wiens opmerkzaamheid
door de eerste uitbarsting der bewonderende jongelieden getrokken was
geworden, de galerij ingetreden was om te vernemen wat daar gaande was,
en zoo getuige geweest was van de geschiedkundige voorlezing en
natuurlijk ook van het spelletje, dat de jongelui met hunne
opgetogenheidskomedie gespeeld hadden.
„Wilt u het lesuur maar eindigen en mij volgen, luitenant,” sprak hij
verder tot den docent. „Wat de jongelui betreft, ik had van hen, die
eenmaal officier wenschen te worden, meer achting, meer égards jegens
hun meerderen verwacht. Zulk vergeten van een hunner voornaamste
plichten mag ik niet door de vingers zien. Ik straf dan ook de geheele
klasse met vier weken arrest!”
De luitenant-instructeur ging met den directeur deemoedig mede, om zijn
„sans-prendre” met alle ondergeschiktheid te genieten; maar wie het
ergste op hun neus keken, dat waren de bewonderaars van den
dilettant-geschiedschrijver. Vier weken arrest! Dat wilde zeggen: vier
weken opsluiting in de schoolinrichting; dat wilde zeggen: vier weken
lang de paar uren vrijheid derven, die tweemaal ’s weeks des avonds, en
des zondags den geheelen dag den jongelieden geschonken werden; dat
wilde zeggen: achter de ijzeren traliën van het hek te staan turen naar
de gelukkigen, die daar buiten de volle vrijheid genoten, langs ’s
Heeren wegen voortstapten met den sabel kletterend en trillend bij
iedere schrede op de beide kuiten, en niet nalieten op het erf van de
hoofdofficiers-woning, die schuins tegenover het schoolgebouw, aan de
andere zijde van den grooten weg, gelegen was, een steelsgewijzen blik
te werpen, ten einde Serassima te ontwaren, die op dat uur steeds met
de kinderen van den bewoner van dat huis daar heen en weder drentelde.
O! die gelukkige stervelingen!
Wie van de onderofficieren, die in die dagen de Militaire School
bezochten, kende Serassima niet?
Serassima met haar allerbevalligst kinderlijk naïef gelaat; met haar
koddig gevormd, wel eenigszins platgedrukt neusje; met hare fijne maar
zwellende lippen, die bij een glimlach het fraaiste en regelmatigste
gebit der wereld te zien gaven, een gebit dat door het fatale
sirih-pruimen nog niet ontsierd was; met hare fraaie amandelvormige
zwarte oogen; met haren rijken haardosch, die, naar achteren gestreken,
de lieve gelaatstrekken zoo bevallig deed uitkomen, en tegen het
achterhoofd in een zwaren kondeh opgebonden was, waarin hier en daar
eenige melattie-bloempjes [187] prijkten en heerlijk geurden; met hare
licht bruine gelaatskleur, die in den hals en het keelkuiltje in een
donker brons overging, en het lieve wezen eene onbeschrijfelijke
bevalligheid bijzette; met hare goed gevormde schouders en aangenaam
gewelfde borst, die door de kabaai zoo zedig mogelijk bedekt was; met
haar dun middel, hetwelk in waarheid met twee handen omspannen kon
worden, met hare goed gevulde heupen, die plastisch door den „sarong”
omgeven, buitengewoon weelderige wendingen konden maken; met hare
kleine handen doch breed uit elkander getrapte ongeschoeide voeten, was
de bekoorlijkste, de slankste, de kleinste en de fraaistgevormde baboe,
die Java’s bodem ooit gedragen heeft. Dat was ten minste de meening van
de geheele Militaire School van Meester Cornelis.
Of de ega van den heer des huisgezins evenveel bewondering voor hare
kleine baboe aan den dag legde, valt te betwijfelen; maar Serassima had
zoo veel zorg voor den kleinen sienjo en de kleine nonnie [188], dat de
goede moeder, daardoor afgeleid, de soms onverholen bewonderende
blikken, die de majoor, haar heer en meester, op de verzorgster zijner
kinderen sloeg, niet zag of niet wilde zien.
Achter de bedoelde hoofdofficiers-woning strekte zich kampong Bali tot
aan de Tjiliwong uit, die daar achter stroomde, en was die kampong het
rendez-vous van alle aspirantluitenants, die aan verliefde grillen
leden. Zij konden van daar de lieve Serassima, die de spelen der
kinderen in den ruimen tuin deelde, op hun gemak bewonderen. Of het
bevallige wezen aan sommige verzuchtingen geen weerstand wist te
bieden, of dat een stoutmoedige het gewaagd had ondanks alles, een
verboden jachtgebied te betreden, is nimmer ontsluierd geworden. Maar
te midden van een zekeren nacht vloog de majoor, door een vreemd
gedruis in den tuin verontrust, plotseling zijne kamer uit; maar kwam
nog tijdig genoeg, om eene gedaante, welker vorm niet te onderscheiden
was, door den pagger [189], die zijn tuin van het kamponggebied
afscheidde, te zien sluipen. Naar zijne kamer terugspringen, zijn sabel
grijpen, en die gedaante achterna spoeden, was door den majoor snel
bedacht en even snel uitgevoerd. Maar... toen de vluchteling zich op de
hielen vervolgd zag, maakte hij natuurlijk meer haast, liep regelrecht
op de rivier aan, waar de majoor hem dacht te pakken te krijgen; maar
sprong, toen deze de hand reeds op hem wilde leggen, zonder aarzelen in
de snelvlietende rivier, en liet zich onder het slaken van een gil met
den stroom afdrijven.
Door dien gil onthutst, keek de majoor een poos den afdrijvende na en
vroeg zich af, of hij niet onwillekeurig oorzaak van een ongeluk was,
ook of er geen pogingen tot redding te doen waren. Onder den spoorslag
van die laatste gedachte, begaf hij zich spoedig naar de politiewacht
van het infanterie-kampement, dat terzijde van de kampong Bali lag, en
gaf daar bevelen, dat eene patrouille de oevers der Tjiliwong zoude
volgen. Zelf vergezelde hij die manschappen tot bij de brug van
Matraman [190], een groot kwartier benedenstrooms gelegen; maar keerde,
toen geen spoor van den vluchteling ontdekt was, langs den grooten weg
naar zijne woning terug.
Toen hij zijn erf wilde binnentreden, zag hij nog licht in de
voorgalerij van de woning van den Directeur der School, die met
ettelijke makkers een partijtje zat te maken. Hij stapte even binnen en
verhaalde, wat hem overkomen was, en gaf als zijn gevoelen te kennen,
dat het waarschijnlijk een élève der school was die in de kali
gesprongen was.
„Onmogelijk is het niet,” sprak de Directeur glimlachend. „Serassima is
mooi, en.... een mensch is geen stokvisch!”
„Ook geen snijboon!” merkte een der medespelenden aan.
„Maar, wij zullen wel zien,” vervolgde de Directeur.
Hij liet door een zijner bedienden den onder-adjudant der School
roepen, en gaf dien bevel, stipt nauwkeurig contre-appel te houden, en
na afloop rapport te komen uitbrengen.
„Als een mijner jongelui in het kwartier ontbreekt, dan kunt ge zeker
zijn, dat die de verliefde Don-Juan zal zijn.”
„Maar, dan is hij verdronken,” zei de majoor.... „Ik hoorde een gil, en
van regelmatig zwemmen heb ik niet vernomen, wel eenig geplas.”
Weinige oogenblikken later verscheen de onder-adjudant en meldde in
onberispelijk militaire houding:
„Alles is present, kapitein. Maar....”
„Maar?...”
„Maar, bij de badkamers is duidelijk zichtbaar, dat iemand over het dak
binnen de inrichting gedrongen is. Die iemand moet kletsnat geweest
zijn. De sporen zijn daarvan duidelijk zichtbaar en tot bij den put,
die midden op de cour staat, te volgen; daar schijnt die persoon zijn
kleeding uitgewrongen, te hebben....”
„En?....”
„Verder is niets meer te bespeuren. Daar houdt het spoor op.”
„En hebt gij nergens natte kleeren in de kamers der jongelieden
ontwaard?”
„Neen, kapitein.”
„Ik dank u, onder-adjudant.”
Toen deze vertrokken was, zei een der aanwezigen:
„Bij nauwkeurige inspectie zouden die natte kleeren toch wel te
ontdekken zijn.”
„Och kom,” antwoordde de Directeur, „zooveel opschudding, om te
trachten een minnaar van Serassima op te sporen, en.... waarschijnlijk
niets te vinden. Kom, het is na middernacht. Laten wij de laatste
spelen.”
Kampong Bali leverde niet alleen een aanblik op baboe Serassima op.
Neen, te midden van het klapperbosch en de pagger-koffiestruiken, [191]
waarin hij zich verschool, bood hij voor jeugdige gemoederen, door
tropenzon gestoofd en door de gloeiende sambalans en sajorans [192]
overprikkeld, andere en menigvuldige aantrekkelijkheden aan. Die
kampong vormde met de daaraan en opvolgend aan elkander grenzende
kampongs: Ambon, Tanah Rendah, Malajoe en Bidara Tjina, die het
Europeesche kwartier Meester Cornelis en den daarbij behoorenden Passar
omgaven, een doolhof, waarvan de beschrijving, door eene bekwame hand
ondernomen, de galante verborgenheden van de meest groote Europeesche
stad zoude op zijde streven, en den tegenwoordigen realistischen
schrijver Emile Zola menige studieschets zoude inspireeren.
Is het wonder, dat de vier weken arrest, de jongelieden in het vorig
hoofdstuk opgelegd, lang, zeer lang vielen zelfs voor Frank en Herman,
die wel is waar, de eene door zijne liefde voor Adelien, de andere door
zijne herinnering aan Lydia voor ernstige afdwalingen behoed werden;
maar die niettemin hunne vrijheid betreurden, en soms het door den
Directeur der School gesproken woord: „de mensch is geen stokvisch!”
tusschen de tanden, de eene minder de andere meer, hoorbaar gromden en
variëerden, naarmate zij door hun innerlijk gevoel ten opzichte van de
verplichtingen aan de toekomst of van den eeredienst voor het verledene
beheerscht werden.
Vooral waren het de zondagen, die het gemis aan vrijheid zwaar deden
voelen. Ja, dan was de School zoo verlaten! Lezen, studeeren, teekenen
en dergelijke, ja, dat ging nog gedurende de warme uren van den dag,
die niet door het traditioneele middagdutje ingenomen werden. Maar des
namiddags, wanneer de groote weg met wandelaars bezaaid was, dan liepen
de gestraften de binnenplaats, waar omheen de kamertjes der
onderofficieren zich uitstrekten, in groepjes op en neer, of stonden
zij als arme zondaars achter het hek naar de gelukkigen daar buiten te
turen of hen te benijden, terwijl soms de kreet weerklonk:
„Hoort ze eens brullen!”
Waarbij dan gezinspeeld werd op hunne overeenkomst met de wilde dieren
eener menagerie, die ook achter de traliën zaten.
„Ik weet een goed tijdverdrijf!” riep een der meest levendige
jongelingen van dien troep rampzaligen, toen het kijken naar den
grooten weg begon te vervelen.
„Laat hooren! Maar pas op als....”
„Wij zullen een optocht houden! Een optocht bij gelegenheid.... ja, van
wat?.... Kom, wij zullen den kardinaal Granvelle ophangen!....”
„Hoerah! hoerah! den kardinaal Granvelle ophangen!” was de algemeene
kreet.
Men school in de teekenzaal, die vlak bij het hek gelegen was, te
samen. In weinige oogenblikken was een pop vervaardigd, die met veel
verbeeldingskracht van de zijde van de toeschouwers, wel iets van een
kardinaal had, maar welks gelaat sprekend op den luitenant-adjudant van
de Militaire School geleek. Dat hoekige, bleeke gelaat, met den spitsen
neus en doffe zwarte oogen was kenbaar genoeg.
De luitenant-adjudant Blauw was een ijverig dienaar. Hij was met de
instructie der exercitie-reglementen en met den politie-dienst bij de
Militaire School belast; maar had geen slag om die diensten aangenaam
uit te voeren. Hij was in de hoogste mate stug van inborst, hetgeen hem
wel eens uit het oog deed verliezen, dat hij aanstaande collega’s voor
zich had. Daarbij had hij zoo een lijmerig, vezelachtig spraakorgaan,
door een onaangenamen neusklank nog verergerd, hetwelk hij, vooral
wanneer hij in dienst het woord voerde, bot vierde, dat het
onwillekeurig aan draderige keukenstroop deed denken, wanneer men deze
laatste van zijne suikerdeelen kon ontdoen. De man was streng, door het
strenge heen. Niets ontzag hij, zelfs de geringste kleinigheid niet.
Voor de minste beuzeling, zelfs wanneer zij een eerste maal voorkwam,
of dat de delinquent overigens een uitmuntend leerling was, eischte hij
bestraffing; en meermalen moest de Directeur, die een flink militair
was, maar daarbij een humaan mensch moest genoemd worden, dien ijver
temperen, en die strengheid matigen. De jongelieden hadden dan ook
hartelijk het land aan dien officier. Er was slechts één punt dat hem
genade in hunne oogen deed verwerven, dat was: dat hij de bezitter was
van een allerliefst vrouwtje, eene bevallige creoolsche, die door hare
bekoorlijke gestalte en hare innemende gelaatstrekken aller oogen tot
zich trok. De gelukkigen der élèves, die hunne opwachting bij de
familie Blauw mochten maken, werden wel benijd en algemeen werd de
schoone vrouw in de School van Meester Cornelis innig beklaagd, dat zij
zoo’n „saaien kardoes”, dat was destijds de uitdrukking, tot echtgenoot
had.
Toen Granvelle klaar was, kostumeerden zich de grappenmakers met alles,
wat zij voor de hand vonden. Waar de prullen vandaan kwamen als heeren-
en dameshoeden, japonnen, chacots, helmen enz., weet de hemel. Wat
evenwel verreweg het meest op contributie gesteld werd om aan een
gewenscht fantasie-costuum te komen, was het beddengoed. Zoo was er
hier een die in zijn linnen sprei als in een almaviva gewikkeld was;
elders verleende eene pluizige wollen deken het uitzicht van een beer
aan een ander; terwijl een derde zijn „bantal goeling” [193] bij wijze
van tulband om zijn hoofd droeg, en daar heen stapte met eene
deftigheid en ernst, alsof hij Nathan de Wijze was, en den armen
veroordeelden kardinaal geestelijken troost moest brengen.
Eindelijk was de optocht gereed, die nu driemaal het plein der School
rondtrok en eindelijk bij den put, die het middenpunt van de plaats
uitmaakte, aankwam, en zich daar rondom plaatste. Boven den put verhief
zich eene galg, waaraan eene katrolschijf bevestigd was, om het
waterputten te vergemakkelijken. Hieraan werd de kardinaal onder luid
gejuich opgehangen, waarna de joelende jeugd een patertje langs den
kant er omheen danste.
Dat gejuich en gejoel had evenwel de aandacht van den onder-adjudant,
tot handhaving der politie bij de inrichting geplaatst, getrokken. Deze
vertoonde zijne strenge tronie in de nabijheid, juist toen de
cirkeldans in vollen gang was en de jongelieden hand aan hand in dolle
vaart rond vlogen.
„De Stip! daar is de Stip!” [194] gilde eene stem.
De menschenkring stond plotseling stil als versteend. Een paar evenwel,
beducht dat de onder-adjudant de wezenstrekken van luitenant Blauw in
die van den opgehangen kardinaal zoude herkennen, vlogen op de pop aan,
trokken haar zoo stevig aan de beenen, dat de strop brak en de
kardinaal in den put verdween.
„Hij verliest zijn afstand!!” gilde eene stem op hartverscheurenden
toon.
Ja, dat gaf den doorslag. Bij het lijntjes-exerceeren namelijk, wanneer
de een of andere guide den bepaalden afstand tot zijn voor hem
marcheerenden collega niet nauwkeurig onderhield, dan riep de
luitenant-adjudant onverdroten: „de guide van het zooveelste peloton
verliest zijn afstand!” en dat geval kwam soms wel honderdmaal bij
zoo’n oefening voor; eigenlijk was het de eenige aanmerking, welke die
officier zich veroorloofde. Het „hij verliest zijn afstand” was dan ook
spreekwoordelijk geworden, en werd bij alles te pas gebracht en met de
haren er bij gesleept. En zoo kwam het, dat kardinaal Granvelle, toen
hij de buiteling in den put maakte, gezegd werd ook zijn afstand te
verliezen.
Maar die kreet had den Stip opmerkzaam gemaakt. Hij liet de pop uit den
put opvisschen, en toen hij in weerwil van die indompeling, die veel
van de gelijkenis uitgewischt had, toch nog de trekken van den
luitenant Blauw in den gehangene meende te herkennen, huiverde hij van
verontwaardiging, en droeg den kardinaal Granvelle naar den Directeur,
om zooveel snoodheid aan te klagen. Deze lachte hartelijk om de grap;
maar verlengde toch het arrest van de grappenmakers met acht dagen, om
het autoriteits-gevoel van den stipten dienaar, die zijn plicht deed,
niet te beleedigen.
„Dat zullen wij den Stip betaald zetten!” riepen de gestraften woedend
uit, evenwel zoo, dat de betrokkene die bedreiging niet kon hooren.