Herman Riethoven had gelijk gehad. Hij zou van uit de Lampongs niet
meer schrijven. Weinige dagen later werd ook hij door de
uithongerings-koorts aangetast, en bewusteloos naar het ziekenschip
overgebracht. Van de ellende aan boord van dat met lijders opgepropt
vaartuig heeft hij nimmer iets geweten, daar hij eerst uit den ijlenden
toestand, waarin hij van het eerste oogenblik verkeerde, korten tijd,
nadat hij in het groot militaire hospitaal te Batavia was overgebracht,
ontwaakte.
Lang, zeer lang bleef hij ziek. Maanden en maanden gingen voorbij,
zonder dat zich eenige teekenen van beterschap vertoonden. Meende de
geneesheer ook al soms die akelige moeraskoorts te boven te zijn, dan
trad zware dyssenterie in, die al meer en meer de krachten sloopte; en
was deze vreeselijke ziekte weer bedwongen, dan deden zich andermaal
koortsverschijnselen voor. In die afwisselingen gingen zes bange
maanden voorbij. Toen scheen de ziekte tot een crisis te willen komen.
De toestand verergerde met den dag, en eindelijk:
„Sergeant, hebt gij nog iets in deze wereld te beschikken?” vroeg
eindelijk de behandelende geneesheer bij de namiddag-visite den lijder,
nadat hij hem aandachtig beschouwd had.
Herman sloeg den zwakken en doffen blik op den geneesheer. Die oogen,
welke diep in hunne kassen verscholen lagen, waren nagenoeg die eens
stervenden. De zieke was doodsbleek en daarbij zoo mager, dat zijn
hoofd, wanneer hij de lippen bewoog, het akelig gegrijns van een
doodshoofd vertoonde, en zijne handen op die van een skelet geleken.
„Zoo, dokter, is het zoo laat?” vroeg hij met meer krachtige stem, dan
van dat uitgeteerde lichaam te verwachten was. „Neen, ik heb niets meer
te beschikken. Ik zal straks een collega verzoeken om aan mijne ouders
te schrijven. Maar....” ging hij aarzelend voort, „als het dan toch
zoover gekomen is, laat dan den pastoor verwittigen, heer dokter, dan
kan die mijn marschorder afteekenen.... Wilt ge?.... Ik zal u wel
dankbaar zijn!”
De geneesheer knikte, fluisterde den sergeant-ziekenvader, die hem
volgde, iets in het oor, en trad naar de volgende sponde toe, om daar
zijnen plicht te betrachten. Hier was volgens hem niets meer te doen.
Toen de geneesheer vertrokken was, werd rondom de krib, waarop Herman
uitgestrekt lag, een daartoe bijzonder vervaardigd kamerschutsel
geplaatst, die de kleine ruimte, door den zieke ingenomen, tot een
klein vertrek vervormde, en hem van het overige gedeelte van de
ziekenzaal afsloot.
De zon was intusschen ondergegaan, en de schaduwen des nachts begonnen
de hooge ruimte onder het dakgewelf van de zaal al meer en meer te
vullen, en waren de glazen stolpen, die van afstand tot afstand aan den
zolder bengelden, en waarin een oliepitje ontstoken was, onmachtig om
die te verdrijven. Herman lag met wijd opengesperde oogen de grillige
zwarte figuren te volgen, die door die kleine vlammetjes, door den adem
van den heerschenden luchtstroom zacht bewogen, her- en derwaarts
geteekend werden. Hij tuurde naar die grillige zwarte lijnen, alsof die
hem iets zeggen wilden; soms verbeeldde hij zich, dat die figuren hem
toewenkten. Hij was bij zijn volle bewustzijn; hij zag alles, wat om
hem plaats greep; hij hoorde duidelijk het gedruisch der stemmen van
hen, die met hem dezelfde lijderszaal bevolkten; ja, nu en dan kon hij
een woord van het gesprokene opvangen. Toch was zijn brein eenigermate
beneveld. Hij had als een doek voor de oogen, waarop het verledene,
eigenaardig door elkander gehaspeld met het tegenwoordige, opvolgend
afgebeeld werd. Zoo kwam een weemoedige trek op het bleeke magere
gelaat, wanneer hij daar de wezenstrekken zijner ouders, zijner
dierbare moeder zag voorbijtrekken, of kwam er een waas van verrukking
op dat grijnzende doodshoofd, wanneer hij de gestalte van Lydia meende
te herkennen, wanneer hij zich verbeeldde, dat zij hem van uit de
schaduwen daarboven toewenkte en noodigde tot haar te komen; maar dat
waas werd gewoonlijk opgevolgd door den onverbiddelijken trek van
verbeten woede, van tandengeknars, wanneer zich dan de gestalte van den
Directeur van Rolduc tusschen dat lieftallige beeld en hem inschoof.
„O! altijd die priester! die valsche priester!” riep hij hardop.
„Hij roept den priester,” hoorde hij eene stem naast zijn
kamerschutsel. „Arme drommel, het zal spoedig met hem gedaan zijn! De
dokter heeft gezegd, dat hij den morgen niet meer zal halen.”
„Spoedig met mij gedaan zijn!... Den morgen niet meer halen!... Dat is
dus het einde van een zoo schoon begin!... Te sterven in een
hospitaal!... O, Lydia! als gij dat hadt kunnen voorzien.... zoudt ge
dan het oor geleend hebben aan dien priester.... aan dien hatelijken
priester?....”
Daar ging de beweegbare vleugel van het kamerschutsel open. Zijn oog
ontwaarde daar, in weerwil van het halfdonker, in de smalle ruimte, die
tusschen zijn krib en de daarop volgende bestond, eene zwarte gedaante,
die bij het binnentreden van die enge ruimte fluisterde:
„Pax vobiscum (de vrede zij met u). Mijn zoon, ik breng u den vrede des
Heeren!”
Het was een der Roomsch-Katholieke geestelijken van Batavia, die op de
eerste tijding, dat zijne hulp noodig was, naar het hospitaal gespoed
was. Hij liet zich op een stoeltje neer naast de krib van den lijder.
„Ik weet niet, of ik wel in eene gemoedsstemming ben, eerwaarde vader,
om uw ministerie te aanvaarden,” sprak Herman met aarzelende stem.
„Juist, toen gij binnentraadt, dacht ik met verbittering aan iemand,
die hetzelfde kleed van u draagt.”
„Maar gij gevoelt daar berouw over, nietwaar mijn zoon? Gods
goedertierenheid is oneindig. Ik kom u de H. Sakramenten der H. Kerk in
extremis toedienen en dan nietwaar, dan, wanneer wij ons gereed maken
om aan den Almachtigen rekenschap te gaan afleggen, moeten wij
vergevensgezind zijn. Gij bidt immers dagelijks:
„En vergeef ons onze schulden
Gelijk wij ook onzen schuldenaren vergeven.”
„Kom, mijn zoon, laten wij met de belijdenis der zonden beginnen!”
En de geestelijke boog zich over het bed des lijders, leunde met zijn
elleboog zoodanig op diens hoofdkussen, dat zijn oor dicht bij Hermans
mond genaderd was, en hij ieder woord, hoe zacht ook gesproken, kon
opvangen. Deze begon:
„Confiteor Deo omnipotenti....” [179]
De priester maakte op het hooren van die Latijnsche woorden eene
beweging van verrassing. Hij keek den zieke strak in het gelaat, maar
sprak geen woord. Hij liet hem het formulier ten einde brengen. Toen
Herman het meâ culpâ, meâ maxima culpâ [180] uitgesproken had, begon
hij de opsomming zijner tekortkomingen. Die was niet lang. Riethoven
had geen misdaden bedreven. Had hij gezondigd tegen de geboden des
Heeren; och, dan had hij niet erger gehandeld dan het overgroote
meerendeel mannen van zijn leeftijd. Toen hij geëindigd had, prevelde
hij:
„Ideo precor beatam Mariam semper Virginem...” [181]
De priester liet hem geheel eindigen, maande hem daarna tot berouw aan,
en sprak vervolgens de sakramenteele woorden der absolutie uit, waarna
hij hem het Viaticum [182] toereikte, en het H. Oliesel toediende.
Toen die plechtigheid afgeloopen was, vroeg hij den lijder hoe hij zich
gevoelde, of hij niet vermoeid was?
„Neen ik ben niet vermoeid, eerwaarde heer,” antwoordde Herman. „Och,
straks zal ik immers lang genoeg rusten.”
De priester boog zich andermaal over hem.
„Waar hebt ge uwe opvoeding genoten, sergeant?” vroeg hij nieuwsgierig.
Dat Latijnsche confiteor intrigeerde hem.
„Te Rolduc.”
„Te Rolduc?... Wie zijt ge dan? Hoe heet ge?”
„Ik heet Herman Riethoven.”
„Herman Riethoven!... Gij, Herman Riethoven!... Gij, die eenmaal ons
aller voorbeeld in godsvrucht, in ijver, in handel en wandel waart!...
Moet ik u zoo als koloniaal, als een verworpeling terugvinden?...
Stervende in een hospitaal!... Gods wegen zijn onnaspeurlijk! Hij is
streng, maar rechtvaardig in zijn oordeel!”
Het matte oog van den zieke schitterde, terwijl het zich op den
geestelijke vestigde:
„Ik herken u thans,” sprak hij zacht. „Gij zijt Philippe * * *. Ja, ik
ben thans stervende, ja, ik lig thans ellendig in een hospitaal,...
gehuld in de ziekenkleeding, die ik niet eens de mijne mag noemen.
Straks zal waarschijnlijk mijn stoffelijk omhulsel naar het
lijkenhuisje gebracht worden,... om morgen zoo spoedig mogelijk
begraven te worden. Maar ... heer pastoor, ik heb nog geen berouw over
den stap, dien ik deed,... over de verandering van loopbaan, die ik
vrijwillig volbracht heb. Ja, ik ben slechts sergeant; maar geloof
mij,... onder dat militaire kleed heeft mij het hart ruimer en vrijer
geklopt, dan het ooit onder de soutane zou gedaan hebben. Gij schijnt
meewarig te zijn omtrent mijn lot... O, vergeef mij... ik voel mij
vermoeid... maar mag ik op mijne beurt u eene gewetens-vraag doen?...
Philippe, voelt ge u gelukkig onder het priesterkleed?...”
De geestelijke zuchtte diep, maar antwoordde niet dadelijk. Eindelijk
greep hij Herman’s hand.
„Vergeef mij mijne woorden van straks. De verrassing van het
weerzien... dit hospitaal... weet ik het... Ik neem nu afscheid... Ik
vrees u te vermoeien... Morgen kom ik... Vaarwel!”
„Morgen!” prevelde Herman bitter, toen de geestelijke weg was.
„Morgen!...”
Was het vermoeidheid, was het uitputting? Een sluier benevelde zijne
oogen, alles dwarrelde om hem heen. Hij zag de schaduwen aan den wand
zich onmetelijk vergrooten. Angstig sloot hij de oogen. Hij hoorde een
schellen metaalklank in de verte. Hij poogde de slagen van de klok te
tellen. Hij bracht het tot acht. Wat daarna gebeurde, wist hij niet
meer. Hij was bewusteloos.
Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, stond de geneesheer aan zijn
bed.
„Ik kan je feliciteeren, sergeant,” zei hij. „Er is merkbaar beterschap
ingetreden. Nu maar voorzichtig!”
En inderdaad de deskundige had gelijk; de ziekte had eenen gelukkigen
keer genomen. Langzaam maar gestadig namen van nu af de krachten toe.
Toen eindelijk de dokter het geschikte oogenblik gekomen achtte, zond
hij Riethoven naar Buitenzorg, ten einde daar in de zooveel mildere
berglucht verdere genezing te erlangen.
Daags voor het vertrek derwaarts werd de reconvalescent aangenaam
verrast, toen hij eensklaps Frank Brinkman voor zich zag staan. Deze
was overgeplaatst bij de Militaire School te Meester Cornelis, om
daarbij zijne opleiding te voltooien. Hij was dien morgen met de
stoomboot Oenarang van Semarang aangekomen, en was, toen hem zijn
dienst zulks veroorloofde, naar het hospitaal geijld, om zijn vriend de
hand te drukken. In den tusschentijd, die sedert het verlaten van de
Lampongs door Herman verloopen was, hadden de vrienden druk
gecorrespondeerd, van de zijde van dezen slechts met korte soms
onsamenhangende briefjes, om van zijn toestand bericht te geven of te
doen geven—want het was wel eens gebeurd, dat Herman zich tot
medelijders in het hospitaal had moeten wenden, om iets van zich te
doen hooren. De brieven van Frank waren natuurlijk uitvoeriger geweest.
Bij de overmaat van zijn geluk had hij zijn verblijf op Wilatoong in
alle bijzonderheden beschreven. Niets had hij vergeten, noch de
wandelingen door de koffietuinen, noch de uitstapjes op de hellingen
van den Lawoe, noch het zeilpartijtje op de Telogo Passir, noch de
fraaie bloemen in Adelien’s tuin, noch het bezoek van den dief en de
gemoedsaandoening, toen hij dien een slag met den sabel op diens hoofd
meende toe te brengen, maar eene klapperdop voor zijne voeten rolde
enz. enz. Neen, niets was vergeten van dat overheerlijk verblijf op
Wilatoong. Later waren zijn terugkeer naar Ngawi, zijne
dienstverrichtingen aldaar, zijne wandelingen rondom die plaats enz.
enz. de onderwerpen van zijn schrijven geweest, en had hij die steeds
aangenaam en boeiend voor zijn vriend weten af te wisselen.
En nu, daar stond hij, nu drukte hij zijn vriend met warmte de hand, en
vulde de leemten aan, die zijne brieven mochten vertoond hebben.
„Gij zijt wel gelukkig,” sprak Herman. „Gij gaat naar de Militaire
School. Gij nadert uw einddoel dus al meer en meer. Ik ga naar
Buitenzorg, en wie weet, wanneer ik weer genoegzaam bij krachten zal
zijn om mijn dienst te kunnen hervatten. En wanneer zal ik dan op
School geplaatst worden?”
„Kom, kom, nu geen mismoed. Gij gaat naar die heerlijke bergstreken,
waar men gezondheid met volle teugen inademt. Laat thans het hoofd niet
hangen. Binnen weinige weken zijt gij weer de oude. Bedenk, er behoort
zielskracht in den stand, dien gij u gekozen hebt.”
„Gij hebt gelijk! Maar... mijne ziekte heeft zoolang geduurd!”
antwoordde Herman. „Weg nu evenwel met alle sombere gedachten! Ik wil
en zal gezond worden! Ik wil en zal slagen!”
„Bravo! zoo hoor ik het gaarne! Maar... Herman, hoe is het met uwe
finantiëele middelen gesteld?”
„Ik zit er niet dik in; maar waarom vraagt gij mij dat?”
„Daar ginds te Buitenzorg zal de berglucht veel tot uw herstel
bijdragen: maar uwe ziekte had haar oorsprong in het
hongerlijderstarief. Gij zult de berglucht moeten steunen door eene
goede voeding, eene krachtige soep, een heerlijke beefsteak met een
goed glas wijn.”
Herman zuchtte eens.
„Ik heb nog wel wat geld,” antwoordde hij, „maar niet genoeg om dat
programma uit te voeren. Ik heb mijne ouders mijn toestand verzwegen om
hen niet ongerust te maken.”
Frank tastte in zijn zak, en wierp een pak recepissen op Hermans bed.
„Daar zijn groene, daar zijn roode briefjes,” [183] zei hij. „Wij
zullen deelen!”
„Mijn God! zooveel geld! Hebt gij eene erfenis gedaan?”
„Verkoop nu geene domheden. Je weet, al stierf het halve menschdom, dan
was ik nog niet aan de beurt om te erven. Maar luister. Op een avond
gedurende mijn verblijf te Wilatoong ontbraken een paar spelers. Papa
Groenewald was knapjes knorrig, en stelde mij en Jan Slierendrecht voor
met hem en den Regent een partijtje quadrille te maken. Ik had de
vorige avonden wel eens achter het speeltafeltje toegekeken, en daarbij
bespeurd, dat er niet minder dan voor een kwartje het viesje gespeeld
werd. Ik weigerde dus gladweg en bekende gul, dat ik bij mogelijk
verlies niet zou kunnen betalen. Papa Groenewald gromde geweldig.
Adelien had mij al eens aangestooten en toegeknikt; want dat was het
zwakke punt bij den overigens edelaardigen vader. Als hij geen
partijtje had, was hij uit zijn humeur.
„„Toch spelen!” zei hij. „Als ge aan mij verliest, geef ik krediet,
totdat gij mij later betalen kunt.”
„Ik pruttelde tegen en mompelde zoo iets van: dat gaat niet; toen
mevrouw Groenewald zich over de leuning van mijn stoel boog en mij
influisterde: „spelen!” terwijl zij mij tevens een nog al zware
porte-monnaie op den schoot schoof. Ja, wat zal ik verder zeggen. Ik
heb toen gespeeld, en in een drietal uren tijd ruim driehonderd gulden
gewonnen. Ik zal je niet verhalen, wat ik gedurende die partij
uitgestaan heb. Aan ieder haar bengelde een droppel zweet, en met welke
inspanning ik die ongelukkige stukjes papier bekeken heb, die men
speelkaarten noemt, zal ik wel nimmer kunnen weergeven. Hoe hartelijk
mij ook toegeschoven, zou ik toch zeer ongaarne den inhoud van die
porte-monnaie aangeraakt hebben; maar de fortuin was mij gunstig, en ik
ben er te gelukkiger door, nu ik mijn vriend met die onverwachte winst
helpen kan!”
Riethoven nam dankbaar het aanbod van zijn vriend aan, en aanvaardde
den volgenden dag met opgebeurd gemoed per rijtuig de reis naar
Buitenzorg. De zienswijze van den geneesheer, die hem derwaarts
gezonden had, bleek de ware te zijn; want de lijder was ternauwernood
een maand in die milde bergstreken, of hij was reeds zoover in krachten
toegenomen, dat hij reeds eenigszins uitgebreide wandelingen kon
ondernemen, waartoe zich de omstreken van Buitenzorg, maar vooral de
fraaie plantentuin, die zich rondom het paleis van den
Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië uitstrekte, bij uitstek
leenden. Van nu af nam hij in beterschap toe, en weldra kon hij
verzoeken naar zijn korps terug te keeren. De behandelende geneesheer
te Buitenzorg evenwel, een edelaardig mensch, stond dat verzoek zoo
grif maar niet toe. Hij wilde zich eerst overtuigen, of geen
wederinstorting van die gevaarlijke koorts te vreezen was, en zoo
gingen nogmaals eenige weken heen, alvorens aan Herman’s wensch gevolg
was gegeven, zoodat zijn verblijf aldaar tot drie maanden gerekt werd.
Bij terugkomst bij den staf van zijn korps evenwel wachtte hem eene
groote verrassing, die hem door Frank Brinkman bereid was. Deze
namelijk had bij kapitein van Dam, die op het punt stond naar Sumatra’s
Westkust te vertrekken, een afscheidsbezoek gebracht, en die
gelegenheid benut om den edelen menschenvriend mede te deelen, hoe
neerslachtig Herman was wegens zijne langzame reconvalescentie, die
zijn studiën maar ook zijne overplaatsing bij de school te Meester
Cornelis zoo zeer vertraagde. Kapitein van Dam had daarop niet veel
geantwoord; maar zich gehaast om bezoeken af te leggen bij den
bataillonschef van Herman, den kommandant der 1ste Militaire afdeeling
op Java, bij den Chef van het Militaire Departement, alsook bij den
Legerkommandant, en daar Riethovens belangen met zooveel warmte
bepleit, dat toen deze te Meester Cornelis aankwam, hij vernam, dat de
voordracht om bij de Militaire School geplaatst te worden reeds
ingediend was.
Wanneer de beslissing daarop—en die kon niet anders dan gunstig
zijn—zou ontvangen zijn, zou hij op den eersten van het volgende
kwartaal bij die inrichting overgaan. In afwachting daarvan moest hij
nog een paar maanden dienst verrichten bij zijn korps, het 11e
bataillon Infanterie.
Bij dat korps waren inmiddels vele veranderingen voorgekomen. Verreweg
het grootste gedeelte der officieren, die den korten veldtocht naar de
Lampongs medegemaakt hadden, waren niet meer aanwezig. De meesten
bevonden zich in de binnenlanden van Java om hunne geschokte gezondheid
te herstellen; anderen waren met hetzelfde doel naar Nederland
vertrokken; enkelen waren voor den dienst ongeschikt geworden en
derhalve gepensionneerd; terwijl een zestal of 20% overleden was.
Verreweg het meerendeel dezer laatsten waren in vlagen van ijlende
koorts, anderen ten gevolge van uitputting bezweken.
Vooral de mindere leden van het bataillon hadden zware verliezen
ondergaan. Geheele kompagnieën waren verwisseld moeten worden door
geheel valiede, wilde men den garnizoensdienst gaande kunnen houden, en
waren de manschappen der gebleven kompagnieën zoo zwak, dat op
voorschrift van den geneeskundigen dienst dubbel ration vleeschvoeding
werd verstrekt, en dat van die mannen maanden lang geen anderen dienst
gevorderd werd, dan de bewaking en het reinhouden van het kampement,
terwijl ze dagelijks ongewapend des morgens en des namiddags, gedurende
de koele uren eene kleine wandeling volbrachten.
De manschappen der 3de kompagnie, waarbij Herman den veldtocht
medegemaakt had, en waarbij hij thans terugkeerde, waren allen
verwisseld. Aanvankelijk was dat een Javaansche kompagnie geweest, die
nu in eene Boegineesche veranderd was. Dat was een lastig volkje,
althans vergeleken met de Javaantjes, welker gedweeheid het best met
die der schapen kan vergeleken worden. Neen, vrije Boegineezen [184]
waren van een ander temperament. Had Herman ondervonden, dat de
eerstbedoelden zacht van aard en bescheiden in hun omgang waren, thans
ervoer hij, dat zijne nieuwe ondergeschikten ruw van inborst en brutaal
in hunne uitingen waren. Van gedweeë volgzaamheid was geen spoor te
vinden; integendeel, de geheele omgang met hen moest op een toon van
gezag geschieden; de minste zachtaardigheid, de geringste
toegeeflijkheid had eene verkeerde uitwerking, en moesten onmiskenbaar
voor onvergeeflijke zwakheid gelden. Die mannen genoten zoo een roep
van dapperheid en onversaagdheid, maar ook van blinde wraakzucht,
vooral bij personeele geschillen, dat niet alleen krijgsmakkers van
dezelfde huidkleur maar van andere rassen als Javanen, Madureezen,
Maleiers, hunnen omgang stelselmatig vermeden; maar ook dat het
Europeesche kader, hetwelk hen beheerschen moest, niet altijd die
geestes-meerderheid kon uitoefenen, en steeds veel takt vereischt werd
van wege den bevel voerenden officier, om de geschiktste sujetten te
kiezen, die, zonder de rust in gevaar te brengen, de krijgstucht
onwrikbaar stipt wisten te handhaven.
De voornaamste hartstocht, welke deze natuurmenschen bezielt, is de
ijverzucht. Evenals ieder Oostersch volk zijn de Boegineezen ijverige
volgelingen van Eros; maar zijn daarbij uiterst getrouw aan hunne
eenmaal gevestigde genegenheid, waarbij zij wederkeerige trouw van
hunne wederhelften vorderen. Ontbreekt die, of vermeenen zij ook maar,
dat daaraan afbreuk gedaan wordt, dan ontvlamt hun wraakzuchtig gemoed,
dan wapent zich hun arm met den vlammenden kris, dan....
Maar, laten wij de gebeurtenissen niet vooruit loopen.... Herman zou
getuige van een tooneel zijn, dat zich diep in zijn ziel zoude griffen.
Op een avond, dat hij van beëindigden dienst op zijn kamer in zijn
boeken te snuffelen zat, werd er aan zijne deur geklopt, en trad op
zijn: „massokh!” (binnen) een der Europeesche korporaals van de
kompagnie binnen.
„Wat is er, korporaal?” vroeg Herman.
„Ik vrees, sergeant, dat er in de kompagnie iets gaande is.”
„Wat dan toch?”
„De fuselier Batjo is na taptoe binnen gekomen in een toestand, die,
wanneer het geen Boeginees was, aan dronkenschap zou doen denken. Hij
zwaaide met de armen, balde de vuisten, bedreigde een denkbeeldig
wezen, en stiet daarbij onzamenhangende en voor het meerendeel
onverstaanbare woorden uit, die bij de gebaren, die hij maakte en de
gezichten, die hij daarbij trok, veel van verwenschingen hadden. Op
mijne vraag, wat hem scheelde, antwoordde hij kortaf: „tida apa apa”
(er is niets). Toen ik hem naderde, ontwaarde ik dien akeligen
zoetachtigen geur, die het opiumschuiven kenmerkt....”
„Nu, wat zou dat? Laat den vent bedaard uitslapen. Bemoei je zoo min
mogelijk met hem, korporaal.”
„Dat zal ik doen, sergeant. Hij ligt nu op zijne slaaptafel, maar ligt
daar te kreunen en te prevelen, terwijl hij nu en dan, als in woede
ontstoken, met de tanden knerst, en dan met razernij in zijn
hoofdkussen bijt. Ik weet het niet, sergeant.... ik vrees een
ongeluk.... het is met den kerel niet pluis!”
„Maar, wat meent gij toch?”
„Ja, wat? .... Ge weet, dat korporaal Kasteels het met de vrouw van
Batjo houdt?”
„Dat heeft die korporaal bij den kompagnie’s-kommandant ontkend, toen
die hem daarover onderhield.”
„Hij heeft dat ontkend, om de provoost te ontloopen, sergeant. De
kapitein had hem daarmede bij vroegere gelegenheid bedreigd. Maar, waar
is het, dat hij alle gelegenheden zoekt om die vrouw te naderen.”
„Maar, Kasteels heeft nachtpermissie, niet waar?”
„Ja, sergeant. Hij zou naar Weltevreden gaan. Maar.... ik vertrouw het
geheele spel niet. Als ik in uw plaats was, liet ik Batjo van nacht in
de politie-kamer doorbrengen. Dan zou hij kunnen uitslapen.”
„Ik dank er hartelijk voor, korporaal, om iemand in de politie-kamer te
zetten, die niets misdaan heeft.”
„Als hij wat misdaan zal hebben, zal het te laat zijn, sergeant.”
„De hoornblazer zal dadelijk avondappel blazen,” antwoordde sergeant
Riethoven, terwijl hij op zijn horloge keek. „Ik zal den officier van
de week het medegedeelde rapporteeren, dan kan die beslissen.”
Juist weerklonk op dat oogenblik het avondappel. Sergeant Riethoven
sprong op, om over zijne sectie appel te houden, en trad daarop met de
andere sectie-kommandanten op den sergeant-majoor der kompagnie toe, om
alles present te melden. Tevens gaf hij kennis van het medegedeelde
omtrent den fuselier Batjo. De luitenant van de week kwam zich zelven
van ’s mans toestand overtuigen. De Boeginees lag op zijne slaap-tafel
uitgestrekt, en in zijne sprei gewikkeld. Hij scheen veel bedaarder te
zijn, althans hij onthield zich van gebaren; alleen rolden zijne oogen
woest, toen de luitenant, omgeven nagenoeg door het geheele Europeesche
kader, zijne slaapstede naderde.
„Ada koerang apa, apa, Batjo?” (scheelt je iets Batjo) vroeg de
officier.
„Tida, littnant,” (neen, luitenant) antwoordde de man, zonder evenwel
op te staan, terwijl hij zijne sprei nog vaster om zijn lichaam sloeg.
„Tida sakit?” (Gij zijt toch niet ziek?)
„Tida, littnant.”
„Laat dien man stil met rust,” sprak de officier tot het kader, terwijl
hij zich verwijderde. „Hoe minder gij u met hem inlaat, hoe beter.”
Daarop spoedde hij voort om het avondrapport, dat hem door den sergeant
der week overhandigd was, te teekenen, en dat aan den kapitein van
politie in te dienen.
Na het avondappel was het nog een oogenblik luidruchtig op de chambrée
van de 3e kompagnie. De soldaten zaten met elkander te praten òf op de
banken, die met de beide tafels, het geheele meubilair van die kamer
uitmaakten, òf gehurkt onder deze of gene slaaptafel, waar zij,
gezellig bij elkander gedoken, het nieuws van den dag bespraken.
Eindelijk weerklonk het signaal „licht uit”, waarna langzamerhand de
luidruchtigheid afnam en het stil werd.
Herman zat op zijne kamer over zijne boeken gebogen. Die uren van af
half tien des avonds waren hem de aangenaamste, dan was iedere
dienstaangelegenheid geëindigd, en het was ook eerst dan, dat hij gezet
en onafgebroken aan den arbeid kon gaan. De tijd naderde ras voor hem.
Hij wilde het examen afleggen voor de derde klasse, waarin Frank
Brinkman dan ook zou overgaan. Lukte dat, dan zouden zij hoogst
waarschijnlijk te samen officier worden. Maar ... maar ...
wetenschappelijk was hij genoeg beslagen, daarvan hield hij zich
overtuigd. Wat wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, talen enz.
betrof, daarin zag hij zich in staat om dadelijk het officiers-examen
af te leggen. Maar... de militaire vakken? De versterkingskunst, de
wapenleer, de militaire rechtspleging, de dienstreglementen, de
artillerie-wetenschappen, de velddienst, de militaire verkenningen,
enz. enz. ja... en dan dadelijk in de 3e klasse!... Hij voelde, dat hij
nog veel te leeren had. Hij zat daar dan ook bij zijn lampje met het
hoofd in de hand, de oogen op het voor hem liggend boek gevestigd.
Toch was studeeren in die heete luchtstreek geene gemakkelijke taak,
dat ondervond hij. Er behoorde geestkracht toe, onbezweken ijver, om na
een dienstdoen, dat des morgens om vijf uur voor hem begonnen en eerst
om half tien des avonds geëindigd was, gedurende die zwoele nachtelijke
uren, waarin de stilte en het zachte gesuis van den wind in het loof
der nabij staande boomen zoo aanlokkelijk tot rust voor het afgematte
lichaam uitnoodigden, de oogen open en ze gevestigd te houden op dat
vervelende boek met nog vervelender inhoud.
Herman keek op zijn horloge.
„Reeds half twaalf! Kom, nog een half uur,” moedigde hij zich zelven
aan. „Dan ga ik naar mijn mandje en kan ik volle vijf uren lekkertjes
slapen.”
Bij die woorden liet hij een’ begeerigen blik op zijn bed vallen.
„Nog een half uur!” mompelde hij, terwijl hij het hoofd voorover boog
en den blik op zijn boek vestigde.
„De geweren,” prevelde hij, „worden dus gebruineerd [185] met... laat
zien met murias ferri liquidum en met....”
Een schrikkelijke gil brak zijn volzin af. Die gil was zoo akelig en
zoo doordringend, dat Herman als door eene machtige veer bewogen van
zijn stoel opvloog, en zijn sabel greep. Maar ter nauwernood had hij
dien ter hand, of daar verhief zich in de chambrée der manschappen een
spektakel, een chaos van schreeuwen, van gillen, van vloeken, van
verwenschingen, van geloop, van gebons, alsof het laatste oordeel
aangebroken ware. Herman spoedde naar de deur zijner kamer, waardoor
hij gemeenschap met de slaapplaats der soldaten had.
„Amokh! amokh!” [186] klonk plotseling de zoo verschrikkelijke kreet,
woest en onbedwingbaar uitgestooten.
„Amokh! amokh!” herhaalden meer dan twintig stemmen, maar angstig en
met vertwijfeling, die scherp afstak met den eerst uitgebrulden kreet.
Riethoven met den sabel in de vuist vloog de chambrée in, om de orde te
handhaven en, als het noodig mocht zijn, hulp aan te brengen. Helaas!
in de chambrée was de verwarring ten top. Allerwege werd onder de
slaaptafels een angstig gegil, een geween en gesnik van vrouwen en
kinderen vernomen, die daar eene schuilplaats gezocht hadden; en aan de
andere zijde van de chambrée wielde een troep mannen te zamen,
ongekleed, ongewapend, die in eene wilde vlucht uit den weg stoven voor
een razenden, die volkomen gekleed en met den kris in de vuist hen
achtervolgde, stekende en verwondende; die hij maar bereiken kon.
Op den vloer, te midden van de chambrée lagen verscheidene menschelijke
wezens uitgestrekt, vreeselijk verminkt, een daarvan met de ingewanden
over den grond slepende, te wentelen, te kermen en te steenen; terwijl
aan den kant van den woesteling nieuwe angstkreten, nieuw doodsgerochel
vernomen werd.
Herman poogde ettelijke manschappen, die vluchtende de deur der
chambrée trachtten te bereiken, te verzamelen. Maar de angst en schrik
waren te groot.
„Djaga baai baai, sergeant!” (pas op, sergeant) riepen hem ettelijke
soldaten toe, maar verdwenen door de buitendeur.
Plotseling kwam het gros der vluchtelingen, steeds vervolgd door den
amokhmaker, die zijn bloedig werk voortzette, naar den kant van Herman
Riethoven stuiven, om ook door de deur naar buiten te komen.
„Moendoer!... moendoer, sergeant!” (achteruit, achteruit sergeant!)
riepen hem eenigen toe. Anderen poogden hem mede te slepen, ten einde
hem buiten gevaar te brengen.
Maar de onderofficier stond pal. Hij liet den vluchtenden troep om zich
heen trekken. Eindelijk verscheen de amokhmaker, die een der
vluchtelingen op de hielen vervolgde, en zijn wapen reeds ophief, om
den stoot toe te brengen.
„Batjo!” riep Herman Riethoven met eene stentorstem, die boven het
heerschende geweld uitklonk.
De Boeginees, zijn naam hoorende, hield halt, keek met opgeheven kris
verbijsterd rond.
„Batjo!” herhaalde de sergeant met krachtig bevelende stem. „Marri
sini,” (kom hier).
Akelig keek de woesteling met woest glinsterende en rollende oogen
rond. Eensklaps ontwaarde hij Riethoven.
„Kafir!” (ongeloovige!) huilde hij en stormde met dreigenden kris op
hem los.
De bedoeling was niet twijfelachtig. Moordzucht was op ’s mans gelaat
te lezen. Het schuim stond hem op de lippen. Herman was dan ook op
alles voorbereid.
„Lempar itoe sendjata!” (gooi weg dat wapen!) gebood hij.
„Kafir!” brulde de woestaard en stortte zich op den sergeant, om hem
met zijn wapen te treffen.
Maar deze kalm en bedaard ontweek den schok door een zijwaartschen
sprong; maar bracht zijn belager een houw met den sabel op den
rechter-arm toe, die dat lichaamsdeel verlamde, waardoor de kris op den
grond viel. Brullend bukte het monster zich snel om het wapen op te
rapen en den sergeant te lijf te gaan. Maar deze maakte zich de
gelegenheid ten nutte, en bracht den amokhmaker achtereenvolgens drie
slagen op den schedel toe, die dezen eindelijk bewusteloos deden
neerstorten. Voor nog dat Riethoven tot bezinning gekomen was, en zich
rekenschap kon geven van wat er omging, waren eenige soldaten
toegesprongen, die den woesteling nu met kris- en bajonetsteken verder
afmaakten. Toen de patrouille van de politie-wacht op het rumoer
verscheen, was hij reeds een lijk.
Het alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat het voor een droom
gehouden had kunnen worden, lagen de gekwetsten daar niet op den grond
te wentelen, te kermen en te klagen.
In allerijl werden „tandoes” (draagtoestellen) bijgebracht om de
ongelukkigen naar de infirmerie of naar het hospitaal te Weltevreden te
brengen. Bij de verzorging der rampzaligen kwam men tot de
verschrikkelijke overtuiging, dat bij die amokhpartij drie dooden,
waaronder eene vrouw, gevallen waren; terwijl een tiental zwaar
gekwetsten, waaronder verscheidene levensgevaarlijk, verzorgd moesten
worden.
Onder de zwaar verminkten bevond zich ook de korporaal Kasteels. Hij
was niet heel nuchter te huis gekomen, en had om zijne slaapplaats te
bereiken, Batjo moeten voorbij stappen. Zoodra deze zijnen gehaten
mededinger in het oog kreeg, was hij met den kris in de vuist
opgevlogen, en viel Kasteels als eerste offer van de wraakzucht van den
Boeginees. De eerste gil, die Riethoven gehoord had, was door het
eerste slachtoffer uitgestooten. De korporaal had niet minder dan zeven
doodelijke wonden, ongeteld de minder gevaarlijke steken, die hem in
armen en schouders waren toegebracht.
Na die daad werd de moordzucht over den rampzaligen opiumschuiver
meester. In blinde woede verhief hij zich van zijn prooi.
„Amokh! Amokh!” schreeuwde hij en stak een vrouw dood, die met haar
kindje aan de hand, hetwelk zij buiten gereinigd had, juist in dat
oogenblik naar binnen trad.
En daarop ontspon zich het tafereel, waarvan wij poogden een schets te
geven.
„Hadt gij hem maar in de politie-kamer gestopt, sergeant,” fluisterde
eene stem Herman in het oor.
„Ja, had ik!” gaf deze met een zucht ten antwoord, „maar, wie kon zoo
iets voorzien?”