Een klein kwartier later waren al de lichten gebluscht op Wilatoong, en
lag het landhuis in een dichterlijken lommer, dien de rondom geplante
boomen, onder het zachte licht der maanstralen op de witte muren
wierpen, als geheimzinnig verscholen. Allen hadden zich in het
hoofdgebouw te rusten gelegd, en genoten dien heerlijken slaap, die den
bewoners van bergstreken in tropische landen zoo weldadig en
verkwikkend deelachtig kan zijn. Frank Brinkman en Jan Slierendrecht
hadden nog een oogenblik plaats genomen op de luiaardsstoelen, die de
gemeenschappelijke voorgalerij der logeervertrekken meubelden, om van
de koele nachtlucht nog een oogenblik te genieten en den zachten
bloemengeur, die zich verspreidde, in te ademen. Vlak voor hunne
vertrekken stond een groote prachtige „patjar tjina,” [158] die den
atmospheer als met reseda-geur doortrok.
Het gesprek der jongelieden liep vooral over het heerlijke dien dag
genoten, over de gastvrijheid der familie Groenewald, over de
lieftalligheid hunner dochters, enz. totdat ook zij begrepen, dat het
tijd was om te gaan slapen.
Maar Frank kon den slaap zoo niet vatten. Zijne levendige
verbeeldingskracht tooverde hem voortdurend het liefelijke gelaat van
Adelien voor oogen. Hij bewonderde die aanminnige trekken, die fraaie
oogen; hij herinnerde zich ieder woord door haar gesproken, iederen
glimlach van hare lippen opgevangen. Hij voelde den druk nog van hare
lieve hand, toen die bij het walsen op zijnen schouder gerust had. O!
die bekoorlijke leest van het jonge meisje rustte nog in zijn arm, toen
zij met licht achterovergebogen hoofd, en met zacht geopende lippen
hare oogen onafgewend in de zijne spiegelde, terwijl haar blik daarbij
van grenzenlooze liefde getuigde. Was het wonder, dat met zulke beelden
in het hoofd, de slaap den jonkman niet kon naderen? En van Adelien
voerden hem zijne gedachten naar de toekomst. Of beter, het lieve
meisjeskopje weerde zich met die toekomst tot een ideaal te zamen. O!
wat zouden zij vereenigd gelukkig zijn! Dat landleven, ja, daarvan had
hij nog niet veel gezien; maar dat zou aan hare zijde verrukkelijk
wezen! Zij zouden ... ja, maar Emma? Och, dat Herman haar nu zoo in
haar huishoudelijk gedoente eens te zien kreeg. Of die ijskorst dan
niet smelten zou? Wel zeker zou dat, daar was hij zeker van. Die
Maastrichtsche....
En zoo droomde hij met open oogen voort, terwijl hij zich nu eens op
deze, dan weer op gene zijde wentelde. Neen, zijn verbeelding was nog
te opgewekt om hem rust te laten genieten. Hij dweepte steeds voort
en....
Maar wat was dat?.... Een licht geritsel liet zich hooren.... zoo
zacht, zoo onbestemd, dat hij geen naam kon geven aan hetgeen hij
waarnam. Hij lette er dan ook verder niet meer op.
„Wellicht het geritsel van de avondbries,” had hij in zichzelven
gezegd..... „Juist, die Maastrichtsche hartstocht zou wel op den
achtergrond raken.... Wellicht is Lydia reeds getrouwd?.... Wellicht
heeft ze reeds een.... Daar hoor ik het weer.... en nu duidelijker....”
Werkelijk, het geritsel was langzamerhand vervangen geworden door een
geluid, dat op een krabben of op een schrapen geleek. Dat geluid begon
Frank’s aandacht te boeien. Hij hield zich doodstil. Dat krabben en
schrapen kwam nader, hield somtijds op, om na verloop van een tiental
minuten, die den jonkman wel een uur toeschenen, andermaal te beginnen.
Maar telkens was het alsof het geluid dan weer dichterbij was....
Eindelijk ging Frank zich verbeelden, dat het geluid in zijne kamer
geboren werd. Het nachtlampje brandde rustig op zijn nachttafel,
verlichtte vrij wel de ruimte voor zijn ledikant, maar liet de stroken
aan het hoofden- en voeteneind geheel in het donker. Hij lichtte het
hoofd zachtjes op, keek rond; maar zag niets.... Toch beweerde hij, dat
het gerucht zijn oorsprong in zijn vertrek had. Hij zette zich
langzaam, bijna onmerkbaar overeind, en verliet in alle stilte het bed.
Zacht vooruittredende, doorzocht hij het vertrek, maar vond niets
verdachts.... Hij ging weer liggen, en keek scherp uit.... Eensklaps
meende hij, dat een der roode tegels, waarmede zijn vertrek bevloerd
was, die daar buiten de grens der rottanmat, die voor zijn bed gespreid
lag, aan het hoofdeneind van zijn ledikant, bewoog.
„Dat is slechts verbeelding,” sprak hij zich toe. „Hoe zou die tegel
bewegen kunnen? Het is om te lachen! Wat scheelt mij toch? Het is.....”
Daar verdween plotseling diezelfde tegel, waarop de jongman het oog
strak gevestigd hield, niet zonder gedruisch in de diepte. Maar
tegelijkertijd sprong hij ook op, greep zijn sabel, dien hij uit de
scheede trok, en vatte post bij het hoofdeneind van zijn ledikant, waar
hij in het donker stond, maar tevens het volle gezicht had op en in de
nabijheid was van het pas ontstane gat. Zijn geduld werd evenwel op
eene harde proef gezet; want het eene kwartier verliep voor en het
andere na, zonder dat het minste gerucht vernomen werd. Eindelijk begon
Frank zich te verbeelden, dat het gat toevallig, ja, op natuurlijke
wijze ontstaan was.... Kon het niet zijn, dat de vloer uitgehold was
door de mijngangen van witte mieren?.... Ja, zoo was het, en.... reeds
wilde hij zijn sabel opbergen, terwijl hij om zijn eigene beangstheid,
zooals hij dat noemde, lachte, toen plotseling een verdacht geritsel
zich weer hooren liet....
Frank stond andermaal stil als een beeld in de schaduw van zijne
klamboe, en keek scherp in de holte van het ontstane gat. Aanvankelijk
zag hij niets dan eene zwarte diepte, die hem als aangluurde. Eindelijk
meende hij zich iets in die donkere ruimte te zien bewegen. Hij kon nog
niet ontwaren wat het was.... Maar daar steeg in den lichtenden hoek,
die door het nachtlampje bij den rand der opening geworpen werd....
„God in den hemel! een menschenhoofd! Ja waarachtig! Dus een dief!
Wacht, kerel!”
Maar het hoofd bleef een wijl met de monding van het gat gelijk. Het
was alsof de drager van dat hoofd zich bezon. Frank stond klaar met den
sabel in de hand, en wachtte in de grootste spanning.... Daar bewoog
het hoofd weer.... o, het lange sluike haar van een inlander was reeds
duidelijk te erkennen. Het hoofd was reeds ter halverwege buiten de
opening. Frank wachtte nog.... hij zou zijn slag op den nek
toebrengen!.... Nog eene sekonde, daar sloeg hij eindelijk toe.... en
met zoo’n kracht, dat het hoofd met kletterend geluid over den
tegelvloer rolde, terwijl een kreet zich in het hol onder den grond
liet hooren.
Brinkman sprong toe, en greep dat hoofd.... Maar.... wat was dat? Hij
had eene leege klapperdop in de hand, waarop eene soort pruik van
„idjoh” [159] geplakt was. De inbreker had een der gebruikelijke listen
gebezigd, om zich te overtuigen, dat in het vertrek, waarin hij
trachtte te komen, geen onraad was.
Half suf stond Frank Brinkman zijn buit een oogenblik aan te staren.
Eindelijk begreep hij de list, en barstte nu in een luid gelach uit,
dat hem een knorrig:
„Wat drommel, hebt gij zoo midden in den nacht te lachen? Gij belet mij
te slapen,” van zijn buurman op den hals haalde.
„Mijnheer Slierendrecht!” riep hij. „Kom eens kijken..... Neen, toe kom
toch! Er is voor u wat aardigs te zien.... Wezenlijk, het is de moeite
waard.”
Een oogenblik later verscheen Jan Slierendrecht met slaperige tronie,
die evenwel ophelderde, toen hij het gat in den vloer zag.
„Drommels! eene poging tot inbraak!” zei hij. „Eene politiezaak! ik ga
dadelijk aan het verbaliseeren! Dat is juist een kolfje naar mijn
hand.”
„Eene poging tot inbraak?” vroeg Frank. „Om wat te doen?”
„Wel om u te bestelen!”
„Mij te bestelen?.... Ha, ha, ha, ik had het gezicht van den dief wel
eens willen zien, op het oogenblik, dat hij, bij welgelukken van zijne
poging zijn buit zoude nageteld hebben. Dat zou werkelijk een
wonderschoon beeld weergegeven hebben van: den dief bestolen. Een
onderofficier van het Nederl. Indische leger bestolen! Neen, de
gedachte alleen is kluchtig! die dief... Maar... ik bedenk mij daar...
zou hij zich ook van kamer vergist, en het op uwe portemonnaie gemunt
hebben?”
„Inbreken bij een civiel ambtenaar!”... sprak Jan Slierendrecht met
waardigheid. „Den nieuw benoemden toean controleur bestelen!... dat
durft geen inlander. Daartoe wordt hij te zeer door het prestige van
den Nederlandschen ambtenaar beheerscht. Ik vind het al schrikkelijk,
dat zoo eene poging bij een mijner vrienden, in de kamer naast de mijne
aangewend wordt. Maar, ik zal verbaliseeren!... en wee den snoodaard!”
„Jawel! dat’s goed,” zei Frank, ietwat verbluft door den solemneelen
toon van den controleur, en niet minder door dat bewijs van de werking
van dat prestige, dat een dief er toe bracht bij een onderofficier in
te breken, waar zeer weinig of niets te verwachten was, en de kamer te
ontzien van den prestige-wekkenden ambtenaar, waarbij meer buit te
verwachten was.
„Jawel, dat’s goed. Maar, met die gekheid heb ik nog niets geslapen.
Over een paar uren breekt de dageraad aan, en dan is het reveille. De
afspraak is immers, dat wij met de dames naar het meer zullen gaan. Als
wij nu gedurende die paar uurtjes slapen?...”
„Ook goed,” sprak de controleur. „Ik zal morgen een expresse naar
Magettan afzenden, om den Regent op te roepen. Wij zullen die zaak toch
wel tot klaarheid brengen en den dief pakken! Dat verzeker ik u!”
De beide vrienden namen eenige voorzorgen, om een tweede bezoek van den
dief te verijdelen, hoewel dat niet meer te verwachten was, nu zijn
mijngang, dien hij van buiten onder de fundeering van den buitenmuur
doorgegraven had, ontdekt was. Zij draaiden de tafel van Frank’s kamer
om met de vier pooten in de lucht, en met het blad op het ontstane gat.
Daarna plaatsten zij een der pooten van het ledikant op dat tafelblad,
waardoor dat gat niet te bezigen was, zonder de slaapstede te bewegen.
Frank sliep dan ook een kwartier later den onbezorgden slaap der jeugd.
Hij had evenwel zijn uitgetrokken sabel naast zich in het bed genomen.
De jonge dames lachten Frank des morgens dapper uit met de
vreemdsoortige onthoofding, die hij verricht had.
„Als gij op het veld van eer klappers afslaat, in stede van „brandal’s”
[160] te raken,” spotte Emma, „zullen de vijanden er wel bij varen,
maar geen lauwerkroonen zullen dan uw hoofd versieren.”
„Een weinig te driftig geweest,” zeide de heer Groenewald.
„Te driftig? Hoe bedoelt gij, mijnheer?” vroeg Frank.
„Gij hadt nog moeten geduld oefenen. Dan hadt gij die klapperdop, die
met geen ander doel uit dat gat omhoog gestoken werd, dan om hem, die
waakzaam in dat vertrek mocht zijn, tot een voorbarigen aanval te
verlokken, zien verdwijnen, waarna eindelijk het hoofd van den dief met
de noodige behoedzaamheid te voorschijn ware gekomen. Dan ware het tijd
geweest om toe te slaan.”
„Nu, ik ben maar wat blij, dat de zaak zoo afgeloopen is,” sprak
Adelien gevoelig.... „God, wat ijselijke gebeurtenis ware dat geweest,
wanneer er bloed vergoten, wanneer die sabelslag op een menschelijk
lichaam ware te recht gekomen.”
„Maar een dief, juffrouw Adelien....” bracht Jan Slierendrecht in het
midden, „is die uw mededoogen waard?”
„Een dief, die wellicht uit gebrek steelt, wel zeker. Die wellicht
eenige guldens trachtte meester te worden om zijne kinderen te kleeden,
om hen wellicht voedsel te geven.”
„Of om wellicht naar de amfioenkit te gaan?” klonk twijfelachtig uit
des ambtenaars mond.
„Ja, zeer mogelijk, maar ook dan nog verdient de ongelukkige diep
medelijden!” antwoordde het jonge meisje met hartstocht.
„Medelijden, juffrouw Adelien!” riep de ambtenaar met afgrijzen.
„Zeker, medelijden! mijnheer Slierendrecht. Want de ongelukkige
gehoorzaamt dan nog maar aan de inspraken van den hartstocht, waartoe
hij verlokt en verleid werd, ter wille van de rijke inkomsten, welke
die vergiftiging van een geheel volk aan de Nederlandsche schatkist
bezorgt!”
Het gelaat van het lieve meisje gloeide van verontwaardiging bij het
uitspreken dier woorden. Hare anders zoo lieve zachte blauwe oogen
schoten thans vuur. Met de houding eener koningin richtte zij thans
hare anders zoo van zachtmoedigheid getuigende gestalte op. Jan
Slierendrecht boog het hoofd. Zoo baar was hij niet meer in
Nederlandsch Indië om niet te begrijpen, dat hij hier uiterst onhandig
een argument aangehaald had om den dief te verzwaren, hetwelk als
verlichtende omstandigheid bij ieder weldenkende moest dienen. Zoo’n
nieuweling was hij niet meer om niet te weten, dat het opiummonopolie
de vloek der Nederlandsche koloniale staatkunde is, en dat iedere
beschuldiging deswege, hoe bar ook klinkend, den vaderlandlievenden
Nederlander het hoofd moet doen buigen, om den blos van schaamte te
verbergen, die onmiskenbaar moet te voorschijn treden, wanneer dat
onderwerp aangeraakt wordt.
„Nietwaar, mijnheer Slierendrecht?” smeekte het jonge meisje, toen hare
zachtere geaardheid de overhand weer hernomen had, terwijl zij beide
handen naar den jongman uitstak, „niet waar, gij zult medelijden met
den schuldigen hebben, wanneer hij uit nood tot het plegen zijner
euveldaad overging, en gij zult bij den „rappat” [161] verzachtende
omstandigheden bepleiten, wanneer het amfioenschuiven de grondoorzaak
van den diefstal is.”
„Ik voeg mijne smeekbeden bij die mijner zuster!” zei Emma aangedaan,
terwijl ook zij den controleur hare hand toestak.
„Dat beloof ik,” sprak Jan Slierendrecht, terwijl hij die twee handjes
met warmte drukte. „Maar.... daarom mag ik eed en plicht niet vergeten.
Mij is eene poging tot inbraak met ondergraving van een muur ter kennis
gekomen. Ik ben verplicht alle moeite aan te wenden om den schuldigen
op te sporen. Ik heb dan ook reeds mijn brief gereed om den Regent op
te roepen, ten einde een nauwkeurig onderzoek in te stellen. Mag ik u
verzoeken, mijnheer Groenewald, dat schrijven door een uwer bedienden
naar Magettan te laten brengen?”
Emma klapte in de handen.
„Dat ’s heerlijk! Dan komt de Regent in dienst, dat kan en mag hij niet
uitstellen. Ik ga dadelijk een briefje aan den
zoutverkooppakhuismeester schrijven, dan komt die mee, en dan heeft
papa zijn partijtje van avond.”
„Maar het onderzoek?” vroeg Adelien angstvallig.
„Och, dat zal wel „koerang trang” (niet helder, niet uit te wijzen)
blijven, zusje lief, laat mij daar maar voor zorgen. Ik zal den ouden
Regent wel bewerken,” antwoordde Emma.
Weinige minuten later was het geheele gezelschap, op papa Groenewald
na, die te huis bleef, op weg naar Telogo Passir, om zich met het
voorgenomen zeilpartijtje te vermaken. De heeren hadden ieder een
jachtgeweer van het wapenrek van den landheer medegenomen; ook gingen
ettelijke Javanen ter begeleiding mede, die met „toembakh” (lans) en
„parang” (zwaard) gewapend waren. Men kon toch niet weten. In dat
gedeelte van het zoo woeste Lawoe-gebergte, zoude eene ontmoeting met
een tijger niet tot de onmogelijkheden behooren. Maar niets verdachts
werd ontwaard. Het was eene aangename wandeling door de koffietuinen,
die alleen door de klimming van het terrein eenigszins bemoeielijkt
werd. Maar wij weten het, de wegen slingerden zigzagsgewijze tegen de
scherpe hellingen op, waardoor groote vermoeidheid ontgaan werd. De zon
was nog niet ter kim, toen de dessa Sarengan bereikt werd, die op de
nok van het ringgebergte van het meer gelegen was. De helling van dien
binnenwand was snel afgedaald, en een oogenblik later had een sloep den
oever verlaten en stevende onder den invloed van een lichte
morgenkoelte, die de zeiltjes zacht vulde, naar het midden van het
meer.
„Amis! la matinée est belle!”
zong Slierendrecht met heldere stem en wekte de echo’s der omringende
bergen wakker. Na hem droeg Frank het
„Auf der Alma (bis) ist’s so herrlich, ist’s so schön!”
voor; en toen hij aan het einde van ieder vers het zoo fraaie
joedelrefrein uit volle borst uithaalde, en over de watervlakte liet
weergalmen, was het of honderden stemmen die fraaie klanken aan den
oever herhaalden. De beide meisjes klapten in de handen van
vergenoegen. Maar ook zij lieten zich niet onbetuigd, en weldra lieten
hare lieve stemmen, Emma’s diep gevoelvolle alt en Adelien’s zachte
maar uiterst zuivere sopraan, zich op hare beurt hooren.
Inmiddels klom de dagvorstin boven den oostelijken nokrand van het
omliggend gebergte, verguldde het woud aan den tegenovergestelden kant,
terwijl het bosch, dat aan den zonnekant den meerbekkenrand bekleedde,
in een donkere schaduw bedekt bleef, totdat de zon eenigszins hoog
boven dien rand gestegen was. Frank had het roer gegrepen, en met de
zuidelijke bries gelaveerd om het midden van het meer te bereiken. Het
water had eene blauwe tint en was zoo helder, dat, hoe diep het meer
ook op sommige plaatsen was (120 voeten), overal de zandige bodem, hier
en daar afgewisseld met kalk- en trachietrotsen, duidelijk zichtbaar
was. Daar er niet geroeid werd, en de boot slechts zacht en kalm door
den wind voortgedreven werd, vertoonden de visschen, waaraan het meer
zoo rijk was, zich onbeschroomd in de nabijheid. Belangstellend bogen
de opvarenden zich over boord om de bewegingen der levendige dieren in
het heldere water te volgen.
„Ziet,” riep Adelien, „daar hebt ge eenige goudkarpers.” „Sariman,
namanja apa itoe ikan?” (Sariman, hoe heeten die visschen?)
Sariman was een der bedienden van het landhuis. Hij met eenige zijner
landgenooten hadden plaats in het schuitje genomen, om bij de
behandeling der zeiltjes behulpzaam te zijn, ook om te roeien, wanneer
de wind vallen mocht.
„Itoe, oelam emas, [162] nonna.”
„Kijk, daar schiet eene geheele school tambra’s,” [163] riep Adelien.
„Hemel, wat zijn die groot!”
„En daar een zestal goerami’s”. [164]
„Kijk, die goudvisschen eens wegschieten!” riep Frank. „O! nu zie ik
waarom; kijk, die roofvisch zit hen achterna. Wat is dat voor een
visch, juffrouw Adelien?”
De vraag werd aan Sariman overgebracht.
„Itoe, kilaling [165] nonna. Tjelakka dia, sebab makan banjak ikan.”
(Dat is eene kilaling, juffrouw. Hij is een ramp, want hij verslindt
veel visch).
Zoo hield ons gezelschap zich een tijd bezig. Maar eindelijk was ook
van dat zeiltochtje het nieuwtje af. De zon was al hooger en hooger
geklommen en begon hinderlijk te worden. Op een wenk van mevrouw
Groenewald zette Sariman de zonnetent uit.
„En nu,” sprak Adelien, „zou Frank gevoegelijk met de voorlezing van
den brief van Riethoven kunnen vervolgen.”
„Ja, dat is goed.... Uitmuntend!” was aller instemming.
„Als ik hem maar bij mij heb,” zei Frank, terwijl hij ijverig in zijne
zakken tastte. „Met die malle klapperonthoofding zou het.... O, daar
heb ik mijne portefeuille! Luistert, ik loop van stapel!”
„... Eindelijk vertoonde zich eene opening in het bosch—juist, daar was
ik gisteren avond gebleven,” viel Frank zich zelven in de rede, „toen
de katjesman....”
„De katjesman?”.... vroeg Adelien verwonderd.
„Ja, die man, die op de tongtong sloeg.”
„De kedjineman, ongelukkige!”
„Nu dan, toen de kedjineman ons naar bed joeg;... in het bosch en daar
voor ons vertoonde zich eene borstwering voor ons oog, die de geheele
breedte van de bergrib, die wij bestegen, innam en aan weerszijden aan
de duizelingwekkende diepte leunde. Keek men in die diepten, dan zag
men op de kruinen van uitermate hooge boomen neer, die met de struiken
en ruigten daar eene wildernis vormden, die eene omtrekking langs die
schier loodrechte hellingen onmogelijk maakte. Had de vijand dat punt
verdedigd, Frank, dan had het bloed, zeer veel bloed gekost om het te
bemachtigen. Maar zoo als ik reeds verteld heb, daags te voren was het
reeds verlaten geworden. Wij trokken die borstwering langs of beter
door, die eigenlijk maar een voorwerk vormde; want van af dat punt
breidde zich het vlak der bovenbedoelde bergrib uit, en kwamen wij een
honderd passen verder aan eene tweede borstwering, die thans een
onregelmatig berg vlak aan de voor- en achterzijde omgaf. Aan de
westzijde bestond zij uit een aarden wal van een paar meters dik,
tusschen bamboezen binnen- en buitenomwandingen loodrecht opgezet. Aan
deze zijde was niet veel gevaar te duchten, daar de westzijde door het
voorwerk gedekt was, en daarenboven eene berggraat bestreek, waarop een
aanvaller zich slechts in een zeer smal front kon ontwikkelen. De
noord- en zuidzijden waren door geene omwalling gedekt. Daar verhief de
berghelling zich bijna loodrecht boven de vlakte, waarin de grootste
boomen als kinderspeelgoed schenen. Ik ben overtuigd, dat zelfs de apen
nimmer beproefd hebben Bandoeloe aan die zijden te beklimmen. Maar
langs de oostzijde, waar het plateau, waarop de benting lag, in de
verdere hellingen van den Radja Bassa-berg overging, en waar dus een
aanvallende vijand zijne macht ontwikkelen kon, was eene buitengewone
sterke borstwering aangelegd. Deze bestond uit op elkander gestapelde
rotsmassa’s waarvan de tusschenruimten met aarde aangestampt waren, die
een hoogen wal vormden met naar buiten gerichte zeer scherpe helling,
aan welker voet bovendien nog een vrij diepe droge gracht gegraven was.
De borstwering had een zeer breeden basis, zeker wel 20 of 25 M., en
waren in het binnentalud, dat vrij glooiend verliep, drie banketten
gespaard, waarop schutters geplaatst konden worden, die door
bamboekokers, dwars door de dikte der borstwering aangelegd, konden
vuren. Wel is waar, was door zoo’n inrichting het schootsveld zeer
beperkt, maar daartegenover stond, dat de verdedigers volkomen gedekt
stonden tegen horizontale vuren; terwijl daar geen zwaar geschut te
brengen was, om die borstwering in bres te leggen, altijd rekening
houdende met de middelen, waarover wij te beschikken hadden. Nogmaals,
wanneer de vijand hier ernstig weerstand geboden had, dan had het nemen
van Bandoeloe ons op zeer groote verliezen te staan gekomen, want de
aanvalbare zijde van het werk was daarenboven zooveel mogelijk
stormvrij gemaakt, door „randjoe’s” [166] en „borangs” [167] waarmede
de omtrek rondom het werk op aanmerkelijken afstand beplant was.
„Van de bewapening van Bandoeloe kan ik niet veel mededeelen. Wij
hebben er geen geschut in gevonden. In het voorwerk evenwel waren drie
geschutstellingen aanwezig. Van spionnen werd vernomen, dat de vijanden
bij het verlaten van de sterkte hunne kanons hadden medegevoerd. Wij
vonden nog ettelijke sigarenvormige mandjes van gevlochten bamboe, die
met stukgeklopte steenen gevuld waren, en dus als kartetsen dienst
moesten doen. Ik heb ook een paar geweerkogels in mijn bezit gehad, die
er volmaakt als een onzer projectilen uitzagen, maar uit een van
koraalsteen geslepen knikker bestonden, met een dun laagje tin
overdekt.
„Bandoeloe is een waar adelaarsnest. Het ligt volgens deskundigen op
ongeveer 1800 voet boven de oppervlakte der zee, en daar men de zee om
zoo te zeggen aan zijne voeten ziet, en men als het ware er over
zweeft, is de vergelijking met een adelaarsnest niet onjuist gekozen.
Van het uitzicht over de straat Sunda zal ik zoo dadelijk, want ik ben
hooger geklommen en heb den Radja Bassa-piek betreden, spreken.
„Bijna iederen morgen bij ons ontwaken, ontwaarden wij op de hellingen
van den berg eene dampopstijging, die het beste te vergelijken was bij
eene stoompluim, die uit eene kolossale afvoer-buis van een machtigen
stoomketel ontsnapte. Dat verschijnsel duurde zoo omstreeks tot 10 uur
in den morgen, waarna het verdween. Allen waren wij nieuwsgierig, wat
dat zijn kon, en ik hoorde nu en dan de officieren de meening uiten,
dat daar ergens een krater moest bestaan. De afstand van dat punt tot
Bandoeloe was niet groot, zoodat ik dan ook herhaaldelijk het verlangen
hoorde uiten, die plek te mogen bezoeken. Eindelijk gaf onze kapitein
aan dat verlangen toe. Een luitenant zou met dertig vrijwilligers
derwaarts gaan, en van zijn bevinding rapport uitbrengen. Hoewel al
mijn collega-onderofficieren zich met mij voor dien tocht hadden
aangemeld, koos de luitenant mij uit om hem te vergezellen. Met het
krieken van den dag waren wij op weg, en het kon zoo omstreeks acht uur
zijn, toen wij ons doel genaderd waren. Een gids of zoo iets hadden wij
niet bij ons. Wij waren eenvoudig een vrij bruikbaar pad gevolgd, dat
ons van tijd tot tijd een uitzicht ruim genoeg verleende, om ons te
vergewissen dat wij in de goede richting bleven; terwijl wij overigens
op het kompas van den luitenant marcheerden. Het schouwspel was
grootsch, hetwelk wij tot belooning van onze inspanning voor oogen
kregen. Aan onze voeten gaapte een trechtervormig gat van eene
middellijn aan den bovenrand van ongeveer 150 meter. De bodemvlakte,
die op ongeveer 50 à 60 meter beneden ons lag, was zeer hobbelig, en
droeg, van boven af gezien, wel sporen van eenmaal in gesmolten
toestand verkeerd te hebben, terwijl hier en daar rotsblokken met
scherpe kanten verspreid lagen, die klaarblijkelijk van de wanden waren
afgestort. Die wanden waren, evenals de bodem, geheel naakt; men kon de
twee of drie verschillende lagen waaruit zij bestonden, door verschil
van kleur van het donkergrijze naar het lichtgrijze, duidelijk
onderscheiden; terwijl hier en daar bij uitstekende rotsgedeelten,
witte of gele plekken bespeurd werden, die op neerslagen van aluin of
van zwavel duidden. Tusschen twee kolossale rotsblokken spoot een
machtige stoomstraal, met een geluid alsof wel honderd locomotieven
stoom afbliezen, uit den bodem, en deed den ketelrand, waarop wij
stonden, trillen van het geweld, waarmede die ontlasting plaats had.
Het was niet mogelijk elkander toe te spreken, zoo krachtig was het
geluid.
„Ja, daar stonden wij dat bekken en die stoompluim aan te staren, maar
beneden komen konden wij niet. Hadden wij eenige vlaggelijnen
meegenomen, dan.... maar wij hadden ze niet. Dat was wel jammer! Want
al ben ik geen geoloog, toch had ik den bodem van dien kleinen krater
wel hebben willen betreden, en die stoomontlastingsbuis van nabij
naderen.
„Toen wij onze teleurstelling volop genoten hadden, stelde ik den
luitenant voor den Radja Bassa-top te beklimmen. Ziet, die kegelvormige
spits lag daar zoo uitlokkend voor ons. De helling scheen niet te
steil. Het plantenkleed niet al te dicht, terwijl het pad verleidend
zacht omhoog slingerde. Het was daarenboven nog zoo vroeg, dat het wel
bespottelijk zoude zijn nu reeds terug te keeren, terwijl wij toch voor
den avond te huis zouden zijn. In het kort, de luitenant liet zich
bepraten. Aanvankelijk was het klimmen ook niets moeielijk; maar
langzamerhand werden de hellingen scherper en wel soms zoodanig, dat
wij op handen en voeten moesten klauteren, waarbij wij ons hier van een
tak, elders van een wortel, dan weer van een vooruitspringende rots
moesten bedienen, om ons naar boven te hijschen. Hijgend en afgemat
kwamen wij zoo tegen twee uur op den bedoelden top aan. [168]
Merkwaardig viel het ons, dat, terwijl de weelderigste plantengroei ons
op ons pad vergezeld had, de top en de helling, tot ongeveer 300 meter
daar beneden, bijna kaal genoemd kon worden, en slechts met een
stekelig kort gras bedekt was, dat niet vertikaal opschoot, maar
horizontaal vertakt over den bodem kroop. Die top had eene oppervlakte
die onregelmatig was, maar den ovaalvorm naderde, in zijne grootste
lengte 120 en in zijn grootste breedte 80 pas mat, en lichtelijk van
het oosten naar het westen helde.
„Maar, Frank, wat een gezicht spreidde zich daar onder onze voeten uit!
Naar het noorden, het oosten en zuidoosten waarde ons oog over een
bergachtig landschap, hetwelk wij van ons standpunt geheel
beheerschten, en dat ons een beeld van woestheid voorspiegelde, dat
moeielijk te overtreffen zal zijn. De hoogten stapelden zich op,
verdwenen weer in peilloos diepe ravijnen, en waren niet ongelijk aan
reusachtige golven eener woest aanstormende zee, die plotseling in
volle beweging verhard, versteend zouden zijn, en daarna met de
schatten van het plantenrijk overtogen waren geworden. In engeren kring
was het of die golven, opvolgend hooger wordende, naar den Radja
Bassa-top opsteigerden, alsof zij hem, den reus, bestormen wilden. Iets
verder af vormden de bergribben afzonderlijke stelsels, die weer uit
middenpuntig uitstraalden. Maar aan de west- en aan de zuidzijde
flonkerde de zee onder de zonnestralen, en vertoonde van daar boven
afgezien een helderen spiegel, die met een blauw doorzichtig waas
overtrokken scheen te zijn. Dat spiegelvlak bewoog evenwel lichtelijk
als het lichte lijnwaad op de borst van een gerust slapend kind.
Duidelijk zag men het vlak in- en opbuigen, terwijl de beweging
voortrolde tot daar diep beneden tegen het strand, waar de bolvorm in
een sneeuwwitte massa brak, dat strand met een helder glinsterende
zilveren franje omzoomde, terwijl een oogenblik later een zware toon,
aan den verwijderden rollenden donder gelijk, naar boven steeg, en het
zijne er toe bijbracht om onze bewondering ten hoogste te spannen. De
geheele Straat Sunda lag daar voor ons open, terwijl ons oog de
Lampong-baai in hare geheele uitgestrektheid kon peilen. Op de gladde
spiegeloppervlakte van die Straat spreidde zich daar de
drie-eilanden-groep Poeloe Tiga aan onze voeten uit, als een mandje met
uiterst teer siergroen gevuld. Iets verder zuidwaarts, verhieven zich
de eilanden Seboekoe en Sebessi, [169] waarvan het eerste een grilligen
vorm op het vlak der blauwe zee vertoonde, en het andere zijnen fraaien
regelmatigen kegel in de blauwe lucht verhief, en daar nog verder het
eiland Krakatoea, [170] dat zich met zijne verbrokkelde noordelijke
massa en zijn zuidelijker vulkaantop helder tegen de blauwe lucht
afteekende.
„In het zuiden, daar ver bij den horizon verscheen de Java-kust als een
donker blauwe band, terwijl aan den westkant de eilandengroep van
Lagoendi zich helder ontwikkelde, en daar achter het gebergte, dat de
oostzijde der Lampongbaai omzoomt, duidelijk in al deszelfs grilligheid
te voorschijn trad. Daar achter verhief zich de Keizerspiek statig en
vol majesteit.
„Maar.... maar; terwijl wij die natuurpracht stonden, of liever
uitgestrekt op het gras lagen te bewonderen, had zich gluipend een
kring van wolken om den Radja Bassa getrokken. Terwijl wij in
verrukking naar het westen stonden te turen, waren de uitdampingen van
zee en bodem onder den invloed der zonnestralen naar omhoog gestegen,
en hadden zich nu, in de koudere luchtlagen aangekomen, aan de
oostelijke zijde van den berg verdikt, en omgaven den reus nu met een
krans van helder witte wolken. Wij waren evenwel nog te vermoeid, om
dadelijk reeds aan den terugtocht te denken. Toen wij evenwel
eenigszins uitgerust waren, was het tooneel, dat wij straks zoo
bewonderd hadden, geheel van natuur veranderd, of beter gezegd, daar
was niets meer van te ontwaren....”
„Dan is het net als wij nu,” viel mevrouw Groenewald den lezer in de
rede. „Kijkt, de hemel is betrokken. Het is tijd om naar den wal te
zeilen. Het is de vraag, of wij nog wel droog te huis zullen komen.”
Aan dien wenk gehoorzamende, liet Frank de sloep, die scherp bij den
wind zeilde, afvallen. De bries was evenwel aangewakkerd, zoodat de
terugkeer naar het punt van afvaart spoedig volbracht was. Door de
zorgen van den heer Groenewald stond daar het noodige aantal rijpaarden
klaar. Allen waren spoedig in het zadel, en nog voor dat de bui
losbarstte, was Wilatoong bereikt.