OP WILATOONG.—HERMAN IN DE LAMPONGS.

„Hebt ge het nieuws van papa reeds gehoord?” vroeg Adelien Groenewald

aan hare zuster.

„Welk nieuws?”

„De controleur Slierendrecht is te Magettan geplaatst, en komt heden

nog te Wilatoong aan.”

„Dat’s een buitenkansje. Dan hooren wij weer iets van de buitenwereld.

Hij komt het laatst van Ngawi, niet waar?”

Adelien bloosde bij die vraag onder den doordringenden blik van hare

oudere zuster.

De beide meisjes waren in de voorgalerij van het landhuis gezeten. De

zon stond reeds hoog, en het was warm in den dampkring. Vestigde zich

het oog op eenig donker getint voorwerp als een rotsblok, het verouderd

dak eener Javaansche woning, de grauwe wegen, die zich langs de

berghellingen slingerden, dan ontwaarde het duidelijk de trillingen en

de golvingen van de verhitte en daardoor opstijgende luchtlagen. In die

galerij was het evenwel betrekkelijk koel. Hooge schaduwrijke boomen

beschutten toch het dak van de woning tegen de brandende zonnestralen,

terwijl de galerij voor en ter zijde door groen geverfde „kree’s” [131]

beschermd was, waardoor de luchtige morgenwind vrij kon gieren, die dus

niet alleen de drukkende warmte van daarbuiten afweerden, maar ook het

schelle licht zacht temperden, dat bij vollen zonneschijn wel eens het

zijne er toe bijbrengt, om het ondragelijke van de warmte te

vermeerderen. De blik naar buiten werd evenwel door die „kree’s” niet

onderschept. Tusschen de latjes door was het geheele landschap

zichtbaar. De blik kon dan vrij waren over Madioens fraaie dalvlakte.

„Maar de controleur komt niet alleen,” ging Adelien voort.

„Niet alleen? Wien verwacht papa dan nog?”

„Nu raad eens.”

„Kom, zusje, ge weet, dat ik niet gelukkig in het raden ben. Wie komt

er?”

„Frank,” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken blos op de

wangen en een weinig hapering in de stem.

„Frank? Wat komt die hier doen?”

„Toen papa laatst op zijne doorreis te Ngawi was, heeft hij verlof voor

hem aangevraagd. Dat kon toen niet, waarom niet? Dat weet ik niet.

Thans heeft hij voor veertien dagen verlof gekregen, en nu heeft hij

van de gelegenheid gebruik gemaakt om met den heer Slierendrecht meê te

reizen.”

„Dat’s prettig! Wij zullen ’s morgens paardrijden....”

„En wandelen,” viel Adelien in. „En schuitje varen op het meer.”

„Wij zullen den Lawoe beklimmen.....”

„Dat zal papa wel niet willen.”

„En overdag zullen wij zitten lezen. Frank zal wel zeker beeldig kunnen

voorlezen?”

„En ’s avonds muziek maken.”

„Kent hij muziek?”

„Ik geloof het wel. Ik meen, dat hij mij daarvan iets verteld heeft.”

„En wij zullen dansen! O, heerlijk, wij zullen dansen!” kreet Emma

opgewonden uit.

„Als papa maar geen streep door de rekening maakt....”

„Waarmeê?”

„Wel, als papa logé’s heeft, dan verlangt hij erg een partijtje te

maken.”

„Stil, dan zullen we hem met mama opschepen en met.... ja met wien?

Wacht.... ik zal den regent verzoeken, dat hij des avonds hier komt

gedurende die dagen. Dat is een fijne ombreur.”

„Dan zijn ze nog maar met hun drieën. Je weet dat papa niet gaarne met

drieën ombert. Dat is te druk, zegt hij. Maar.... de controleur zou als

vierde man meê kunnen doen.”

„En met wien zou ik moeten dansen, zusjelief? Goed uitgedacht, om met

je Frank een tête à tête te hebben. Dan zoudt gijlieden mij wel naar de

piano verwijzen, of naar de Mookerheide wenschen.”

„O, Emma!.... Maar dat’s waar ook. Wie zou moeten piano spelen? Wij

kunnen toch niet dansen zonder muziek!”

„Wij zullen sienjo Priston verzoeken!”

„Ja, dat’s goed.”

Sienjo Priston, was schrijver op het bureau van den heer Groenewald.

Hij kende geen noot, al was die ook zoo groot als een schilderhuis.

Toch tokkelde hij niet onverdienstelijk een paar walsen en een paar

polka’s op de piano. Maar zijne kunstwaarde bereikte haren hoogsten

trap van volmaking bij het bespelen der „soeling.” [132] Hij kon dat

instrument laten huilen, lachen, zuchten, spreken, loeien, blaten,

mauwen of blaffen. In één woord, als sienjo Priston zijne „soeling” aan

de lippen had, dan was hij sienjo Priston niet meer, dat wil zeggen een

bloode en domme jongen, die vooral in tegenwoordigheid van Europeesche

jonge dames geen oog durfde opslaan; maar dan was hij een virtuoos, die

met ten hemel geslagen oogen zijn geest en zijn hart in zijne fluit

poogde te leggen, en die dan soms zulke aandoenlijke tonen daaraan wist

te ontlokken, dat hij zelf in snikken uitbarstte en zijn gemauw staken

moest, terwijl zijne toehoorders een luid gelach aanhieven.

„Maar de vierde man? Ik zie het nog gebeuren, dat de heer Slierendrecht

bij het partijtje aangetrokken wordt en.... die wou ik toch wel voor

mij behouden,” zei Emma.

„Bracht Frank zijn vriend Herman maar mede, niet waar?”

De oudste zuster bloosde op hare beurt.

„Och, dat kan nu eenmaal niet. Die is ten oorlog getrokken. Marlborough

s’en va-t-en guerre! Waarheen ook weer? Ik ben het glad vergeten.”

„Naar de Lampongs.”

„Wel bekome het hem! Hij zal nu nog wel eens aan de Fernandina Maria

Emma denken. Het moet niet alles zijn op zoo’n expeditie!”

„Het was toch een eigenaardig karakter,” zei Adelien, „dat mij wel

aantrok.”

„Wat vond mijn zusje aantrekkelijks in de terughoudendheid van dien

lummel?”

„Ja, wat moet ik daarop antwoorden? Ziet, zijne standvastigheid aan

zijne eerste liefde boezemt mij achting in. Frank heeft mij wel eens

een portret van die Lydia laten zien. Het was een lief, aanvallig

kopje. Toch moet ik erkennen, dat gij schooner en bevalliger zijt. Van

die meening was Frank ook....”

„Zoo!.... Ik ben uw galant wel dankbaar voor die meening. Maar.... wat

bedoelt gij met de vergelijking van mij met die Lydia, die ik zou....”

„Wel, dat Hermans genegenheid wel zeer sterk moet wezen, om koud

tegenover u te blijven. Zulke standvastige karakters bekoren mij.”

„Lieve dweepster....”

„Maar, als wij met den Regent ook den zoutverkooppakhuismeester

verzochten, om met papa een partijtje te maken.”

„Een saaie vent, maar.... ik zal het doen,” zei Emma.

„Ada toean toean njang datang!” (Daar komen heeren aan) waarschuwde een

bediende, die op de treden der voorgalerij gehurkt zat, gereed om de

jonge dames op den eersten wenk te bedienen.

De beide zusters stonden op, en spoedden naar voren.

„Waarachtig, daar zijn ze!” juichte Adelien, terwijl ze in de handen

klapte. „Daar is Frank, daar is mijn Frank!”

Inderdaad, de heeren Slierendrecht en Brinkman, beiden te paard

gezeten, reden thans het ruime erf, dat zich als een smaakvol

aangelegden tuin voor het landhuis Wilatoong uitstrekte, binnen. Een

handgalop door de prachtvolle Kanarie-laan, [133] die naar het

heerenhuis geleidde, bracht hen in weinige oogenblikken tot voor het

perron. Was het toeval, overleg of gebrek aan behendigheid? Frank

scheen de vlugheid van den controleur bij het uit den zadel springen

niet te hebben; want deze was reeds den trap opgeijld, had reeds

Adelien gegroet, Emma een handdruk aangeboden, en was met deze de

galerij verder ingetreden, toen onze sergeant eindelijk met zijn

rossinant klaar was, de teugels aan een toegeschoten bediende had

overgereikt, en nu de treden opstapte, waar hij een allerliefst

snoeperig bekje ontwaarde, dat hem schalksch glimlachend aangluurde, en

dat hij, rondkijkende en zich alleen ziende, niet nalaten kon met zijn

beide handen te omvatten en met kusjes te overdekken.

„Frank! mijn Frank!....” lispelde het jonge meisje tusschen twee

kussen.

„Adelien! mijne Adelien!” was het hartstochtelijke antwoord daarop.

Mevrouw en mijnheer Groenewald verschenen nu weldra, die zich niet

alleen beijverden hunne medereizigers van de Fernandina Maria Emma

welkom te heeten, maar er een eer in stelden de Indische gastvrijheid

in haren ruimsten zin te beoefenen. Toen dan ook de eerste begroetingen

en plichtplegingen volvoerd waren, viel de huisheer zijn dochters in de

rede, die de reizigers met ongeduldige vragen van allerlei aard

bestormden, zooals:

„Mijnheer Slierendrecht, hoe maakt het mijne vriendin Juffrouw

Oudenaller te Ngawi?” vroeg Emma.

Juffrouw Oudenaller was de dochter van den assistent-resident aldaar.

„Hoe hebt gij Ngawi gevonden, mijnheer Brinkman?” vroeg Adelien,

schalksch glimlachende. „Is van daar de Lawoe te ontwaren?”

„Hoe vaart uw vriend Herman?” vroeg mevrouw Groenewald.

„Hebt gij tijding van kapitein Van Dam?.... Waar zit dokter

Hannius?.... En hoe....?”

„Sjtt!....” beval de huisheer. „Laat de reizigers zich eerst lekker

maken! [134] Kom, heeren, ik zal u uwe kamers wijzen.”

De drie mannen traden de binnengalerij van het woonhuis door, daarna de

pandoppo, stapten vervolgens een smaakvollen bloementuin door, die zich

achter het landhuis uitstrekte, en waarin de fraaiste rozensoorten

bloeiden, en bereikten vervolgens een afzonderlijk gelegen gebouw,

hetwelk zich ter zijde van het hoofdgebouw uitstrekte en een zestal

logeerkamers bevatte, die allen door eene gemeenschappelijke galerij

omgeven werden. Vlak daar tegenover aan de andere zijde van het

landhuis, lag een dito blok.

De logeerkamers waren uiterst smaakvol gemeubeld, en bevatten

daarenboven die honderde nietigheden, welker aanblik van den ernstigen

man slechts een minachtend schouderophalen verwerft, maar die toch

zoo’n prettig waas verspreiden, aan de geheele omgeving een gezellig

aanzien verleenen, en onmiskenbaar de vrouwelijke hand in hare

schikking verraden.

„Daar op den vleugel van het blok zijn de badkamers,” lichtte de heer

Groenewald toe.

„Ja, eene afspoeling hebben wij wel noodig,” gaf Jan Slierendrecht

lachend ten antwoord; „want de weg was zeer stoffig.”

„Welnu, verfrischt u naar hartelust. Maakt het u verder zoo lekker

mogelijk. Gij ziet daar liggen kabaja’s, slaapbroeken en flanellen

jasjes gereed. Die kunt gij aantrekken in afwachting dat de koelie’s

(lastdragers) met uw goed aankomen. Denkt er om, om half een wachten

wij u aan de rijsttafel.”

De maatregelen van den controleur waren evenwel zoo goed genomen, dat

de gezegde koelies met de bagage der reizigers aangekomen waren,

alvorens deze het bad, waarin zij trouwens lang gedarteld hadden,

verlieten. Toen de beide heeren dan ook de binnengalerij binnentraden,

waar hen de geheele familie zat te wachten, om hen met een glas

morgendrank te verwelkomen, waren zij in helder witte jasjes, vesten en

pantalons gekleed, en was er niets te bespeuren, dat zij dien moren

ruim twaalf palen [135] steeds bergop te midden van wolken van

vulkanisch stof, door de beenen hunner paarden opgejaagd, afgelegd

hadden.

Nauwelijks kreeg Jan Slierendrecht de piano in bet oog, die in de

binnengalerij prijkte, of hij stoomde er naar toe, opende haar, en daar

weerklonk de „Carnaval de Venise” met wonderlijk kunstgevoel

voorgedragen, door de ruime hal.

„Ik kon mijn gevoel niet bedwingen, toen ik uw Erard zag,”

verontschuldigde de controleur zich. „Sedert ik Nederland verliet, was

ik niet in de gelegenheid mijne vingeren in aanraking met eene toets te

brengen.”

Emma en Adelien keken elkander verrukt aan.

„Doet gij ook aan de muziek?” vroeg Emma aan Frank.

„Och, zoo wat,” antwoordde de sergeant lachende. „Er zal wel

gelegenheid komen om de dames met mijn getokkel te vervelen.”

Onder levendig gekout snelden de uren voorbij. De bewoners van

Wilatoong hadden zooveel te vragen, de gasten zooveel te antwoorden en

te vertellen, dat de rijsttafel reeds lang verorberd was, maar allen in

de pandoppo nog bij elkander zaten. Papa Groenewald’s weetgierigheid

scheen eindelijk bevredigd.

„Kom,” sprak hij, „ik ga wat rusten. Zullen de heeren dat ook niet

doen?”

Jan Slierendrecht gaf te kennen, dat hij wel wat uitblazen wou. Hij was

zeer vroeg op geweest, verzekerde hij, daar hij voor zijn vertrek nog

een distributieplan van de omliggende gouvernements-koffietuinen te

controleeren had gehad.

„Ik zal dus ook maar het gras gaan hooren groeien,” zei hij, terwijl

hij zich naar zijne kamer begaf.

Toen de drie dames met Frank alleen zaten, werden voor en na de

wederwaardigheden van de reisgenooten nog eens behandeld. Eindelijk

herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag van des morgens.

„Hoe vaart uw vriend Herman, mijnheer Frank?”

„Opperbest, mevrouw, voor zoover ik althans uit de laatste tijding kan

opmaken. Daags voor mijn vertrek van Ngawi heb ik nog een brief van hem

ontvangen, maar die is gedagteekend van 25 October. Wij hebben thans 25

November. De post van het oorlogsterrein schijnt niet bijzonder

geregeld te zijn.”

„En hoe bevalt hem dat expeditie-leven?” vroeg Emma ietwat

nieuwsgierig.

„O zeer goed!... Maar, hier is zijn brief, wil ik hem u voorlezen?”

Adelien klapte in de handen. Emma zorgde voor de thee, waarna alle vier

in een hoekje van de pandoppo samenschoolden om naar Frank te

luisteren. Deze begon:

Tjantee den 25 October 1856.

Waardste Frank!

„Ik eindigde mijn vorig epistel met het relaas van de inscheping der

expeditionnaire troepen te Batavia. Aan boord gekomen, had ik

gelegenheid mijn brief af te sluiten, en kon hem aan onzen goeden

apotheker Behren, die in het gevolg van den legerkommandant nog een

bezoek op de transportvloot had gebracht, medegeven om in de bus te

doen.

„Ik hervat thans mijn verhaal, maar waarschuw al dadelijk, dat gij in

dit mijn schrijven geen geregeld relaas van den veldtocht zult vinden.

Daartoe ontbreekt mij vooreerst ervaring, en dan bovenal den ruimen

blik, die het alles moet kunnen overzien, om zich aan zoo’n arbeid te

wagen. Dat is dus goed begrepen. Gij moogt in mijn geschrijf niets

anders zien, dan eene mededeeling van wat mij wedervoer of van wat in

mijne onmiddellijke omgeving voorviel.

„Het was den 10en Augustus toen wij het havenkanaal van Batavia

uitstevenden, en koers zett’en naar de flottilje, die in de nabijheid

van het eiland Onrust op ons wachtend ten anker lag. Die flottilje

bestond uit het oorlogsfregat Prins Frederik der Nederlanden, uit het

oorlogsstoomschip Amsterdam, uit de koopvaardijschepen President Plate,

Alcor en Cornelia, uit het gouvernements civiele stoomertje Bennett,

uit ettelijke kruisbooten [136] en uit een twintigtal „majang-prauwen”

en „tjunia-prauwen,” [137] welke laatste met genie- en

artillerie-materieel, alsook met levensmiddelen bevracht waren. Hoe de

troepen over die vaartuigen verdeeld werden, kan ik niet opgeven, maar

de 3de kompagnie, waarbij ik behoor, zooals gij weet, en de 1e

kompagnie kwamen aan boord van het stoomschip Amsterdam. Op dat

vaartuig scheepte ook de staf van het bataillon in.

„Van het leven aan boord zal ik maar zwijgen. Ik zal slechts vertellen,

dat die twee kompagnieën ter gezamenlijke sterkte van 308

onderofficieren en manschappen in eene ruimte gestuwd werden, veel

kleiner dan aan boord van de Fernandina Maria Emma voor slechts 180 man

voorhanden was, terwijl op het dek en op de brug tusschen de beide

raderkasten een aanmerkelijke ruimte door een groot aantal Bataviasche

koelies werd ingenomen. Hoe wij op elkaar gepakt stonden, laat zich

begrijpen, en dat er van rusten of van slapen niet veel inkwam, zal u

duidelijk genoeg zijn. Ik vond gelukkig een plaatsje toen het donker

geworden was en de officieren het dek verlaten hadden, op..... den 60

ponder, op cirkel-affuit, die het achterdek bewapent. Ik had er wel

willen inkruipen, hoewel ik het daarbinnen niet ruim zou gehad hebben,

maar de windprop, die de monding van het stuk sloot, kon ik niet

afnemen zonder geraas te maken. Hoe ik nog een paar uren heb kunnen

slapen en daarbij mijn evenwicht bewaren, is mij een waar raadsel. Iets

voor 5 uur voelde ik mij onzacht bij den kraag gevat. Het was de

constabelsmaat, die mij wekte.

„„Drommels, sergeant,” zeide hij, „dat is geen zacht bed. Kom, op! ik

moet het stuk laden voor het morgenschot!”

„Ik vloog natuurlijk overeind, en was nog niet geheel van mijne

slaperigheid bekomen, toen zich van de brug het kommando: „vuur” liet

hooren en het kanonschot donderend weerklonk, en statig rollend door

het nabijgelegen gebergte indrukwekkend weerkaatst werd. De dageraad

kleurde spoedig daarop het Oosten met hare rozeroode vingeren, en

weldra werd het anker gewonden en waren wij onder stoom. O ja, ik heb

nog vergeten te melden dat wij ’s avonds te voren na zonsondergang ten

anker gekomen waren onder den hoogen Sumatra-wal tusschen Poeloe

Seboekoe en Tandjong toea [138]. Toen de zon nu verrees, spreidde zich

de Radja Bassa-berg, gij weet wel, dien wij bij onze aankomst in Straat

Sunda bewonderd hebben, voor ons oog uit. Wij stoomden een groot uur,

toen het anker andermaal in den grond viel. Wij waren aangekomen. Het

schip lag bij drie kleine eilanden, Poeloe tiga [139] genaamd, die

uiterst zonderling gevormd, en als eene voortzetting van het eiland

Seboekoe te beschouwen zijn. Voor en na vereenigde zich de vloot.

Vooral was daarbij het opstevenen van de Prins Frederik der Nederlanden

indrukwekkend, dat zeekasteel, hetwelk met zijne twee rijen vuurmonden

en met al zijne zeilen in den wind aan een naderenden berg van zeildoek

gelijk scheen.

„Het was ongeveer elf uur, toen de booten, die de twee kompagnieën

debarkeeren moesten, van de Amsterdam afstaken, en het was middag toen

die sloepen op een kleinen afstand van het strand, te midden eener

lichte branding, die de geheele kust als met eene zilveren franje

omgaf, op het zand vast bleven zitten. Wij sprongen allen te water, en

in een ommezien waren wij op het strand behoorlijk gerangschikt en

werden de geweren geladen.

„Frank, wat dat rinkelen van de laadstokken in de geweerloopen voor een

eigenaardig gevoel aan iemand mededeelt, is onbeschrijfelijk. Men

gevoelt, dat dat laden iets anders te beduiden heeft dan bij het

schijfschieten. Nooit hebben dan ook de kerels de patroon met meer

aandacht afgebeten en het geweer met meer zorg geladen.

„Onmiddellijk nadat een voorwacht gevormd was, werd de marsch naar den

hoofdkampong Radja Bassa ondernomen. Toen wij het strand verlaten

hadden, dat een vijftig meter breed was, uit wit zand bestond,

waartusschen veel koraal-brecciën en zeer fraaie schelpen gevonden

werden, troffen wij een voetpad aan, dat evenwijdig liep aan de zee te

midden van struikgewas, hetwelk het uitzicht niet geheel belemmerde,

terwijl talrijke klapper- en andere boomen het pad aangenaam

overschaduwden. De marsch strekte zich hoogstens gedurende een uur

langs het strand uit, daarna werd landwaarts ingetrokken langs een

bergstroom, die, van de hoogte afdalende, zijne heldere wateren over

zijne rotsbedding, die soms trapsgewijze naar beneden voerende, vaak

versperd was met steenmassa’s, die onoverkomelijk schenen, liet

dartelen, schuimen en klateren. De kampong Radja Bassa ligt ongeveer op

zes of zeven minuten gaans van de zee af, zoodat wij hem, de

kronkelingen van het pad medegerekend, binnen het half uur bereikten.

„Wij vonden het nest geheel leeg. Geen enkel levend menschelijk wezen

werd bespeurd, slechts eenige kippen liepen hier en daar, en schenen

zich om ons niet te bekommeren. Bij het uiteinde van den kampong vonden

wij eene geit aan een boom gebonden, die onder hevig geblaat zich

trachtte los te rukken, toen zij ons zag. Eenige galadakhonden liepen

snuffelend onder de huizen, maar stoven weg bij ons verschijnen. In

vele huizen werd nog vuur in de dapoer [140] aangetroffen; bij enkelen

was de rijst gaar, zoodat kon aangenomen worden, dat de bevolking eerst

sedert kort geleden de vlucht genomen had.

„Een vijftal veldwachten werden als eerste veiligheidsmaatregel

uitgesteld, die op aanwijzing van den luitenant Buisson hare

schildwachten plaatsten; zoodat de kampong weldra door een beschermende

keten omringd was, die iedere nadering ontdekken moest. Vervolgens

werden de twee kompagnieën in een viertal ruime huizen onder dak

gebracht. Ja, die woningen waren geen paleizen, het waren zelfs geen

kazernes; maar met hun dicht atappen [141] dak, met hare

kadjang-omwanding [142], verschaften zij een aangenaam koele

binnenruimte, waarvan het genot evenwel erg getemperd werd door totale

afwezigheid van eenig meubelstuk, en door den vloer van „niboeng” [143]

latten, die tot slaapplaats moest dienen, maar het lichaam tot pijnbank

verstrekte.

„Middelerwijl waren aan de koks een paar hutten aangewezen, waarvan zij

eenvoudig de omwandingen gedeeltelijk en de vloeren geheel wegbraken,

zoodat zij een hoogst eenvoudig afdak erlangden, dat evenwel aan de

sober gestelde eischen geheel voldeed. Iedereen rammelde van den

honger. Wel was er voor het debarkeeren nog een maal aan boord

genuttigd geworden, maar dat was zoo omstreeks te tien uur geschied, en

de zon was haren ondergang zeer nabij, toen het signaal „etenhalen”

zich hooren liet.

„Eindelijk viel de avond. Het was helder weer en daarbij wassende maan,

waardoor een goed uitzicht aan de schildwachten verleend werd. Toch

werd de postenketen hier en daar versterkt, en de schildwachten

verdubbeld. Zoolang de maan scheen, bleef het rustig. Maar nauwelijks

was deze zoo omstreeks tegen één uur ondergegaan, of daar hadt ge het

spektakel gaande. Aan den noorderkant van den kampong barstte het

geweervuur los, en breidde zich weldra over de geheele postenketen uit.

Het was een leven als een oordeel, wat nog vermeerderd werd door de

vele echo’s van den Radja Bassa-berg, die ieder schot twintigvoudig

herhaalde, en het aan een ratelenden donder gelijk deed zijn. Bij het

eerste schot had ik reeds het oor gespitst. Bij de spoedig daarop

volgende was ik opgevlogen. Ook de manschappen, die gekleed lagen te

rusten, waren bij de hand en grepen hunne geweren, zoodat, toen de

hoornblazer het alarmsignaal liet weerklinken, de troepen reeds

aangetreden stonden, gereed om op te rukken. Het vuren duurde inmiddels

onafgebroken voort; maar zonderling, er liet zich geen enkel schot van

buiten af hooren; onmiskenbaar waren het allen modelgeweren, die

afgevuurd werden. Ik kreeg spoedig bevel om met een twintig man de

oosterveldwacht te gaan versterken, die het meest vooruitgeschoven aan

den voet van den Radja Bassa en derhalve bij een aanval het meest

blootgesteld was.

„Bij de veldwacht aangekomen, vernam ik dat haar kommandant zich met

het grootste gedeelte van zijne manschappen in de schildwachtenketen

begeven had, en daar lustig aan het schieten deel nam.

„„Maar wat is er gaande?” vroeg ik aan een der achtergebleven soldaten.

„„Ik weet het niet, sergeant,” was het antwoord. „Ik hoor, dat de

vijand zich voortdurend in grooten getale met brandende lichtjes op de

rijstvelden vertoont, en derhalve wat in zijn schild moet voeren.”

„„Met brandende lichtjes? Hou-je mij voor den gek, flankeur?”

„„Waarachtig niet, sergeant. Ik vertel u, wat ik zoo even van een

afgelosten schildwacht vernomen heb.”

„Het vuren hield inmiddels aan. Aan die onzekerheid moest een einde

komen, ik mocht daar niet werkeloos blijven. Ik nam vier man met mij

mede, en liet de overigen onder bevel van een korporaal achter, hem

aanbevelend onder de wapens te blijven en goed uit te kijken. In de

postenketen ontmoette ik den veldwachtkommandant en vroeg hem:

„„Ik ben met twintig man versterking aan de wacht aangekomen. Wat is er

toch aan de hand?”

„„Ziet ge dat niet?” was de wedervraag.

„„Wat?”

„„Wel, die lichtjes.”

„Ik tuurde en tuurde nogmaals. Ja, geheel in de verte zag ik te midden

van het groen zich iets bewegen, alsof brandende kaarsen heen en weder

gedragen werden.

„„Zouden dat menschen zijn?” vroeg ik. „Ik kan geen gedaante in de

nabijheid daarvan ontwaren.”

„„Als het geen geesten zijn, dan moeten het menschen zijn, die die

lichtjes dragen.”

„„Maar vindt gij het niet te dol, dat menschen in het holle van den

nacht met een kaars in de hand voor onze voorposten zouden komen

zwerven? Het zou zijn, alsof ze om een kogel kwamen smeeken.”

„„Gij kent de inlanders niet, schijnt het. O, zij zijn zoo leep!”

„„Maar, wat zou hunne bedoeling zijn met die manoeuvre?”

„„Wel, om ons te overvallen.”

„„Om ons te overvallen? Het is om te lachen! Vooreerst zouden zij dan

geen kaarsjes meedragen, maar veeleer in het donker voortsluipen. Ook

zouden zij wel trachten te naderen.”

„„Sjt!... daar heb je er een paar... Zie, daar bij dien hoek van het

bosch!...”

„En zich tot zijne manschappen wendende:

„„Vuur! jongens, vuur!” riep hij, terwijl hij ook zijn wapen in de

aangewezen richting afschoot.

„Wat zal ik je zeggen, Frank. Toen ik die twee lichtjes in het zwarte

donker, onder het bladerendak van het hoog geboomte zag schitteren als

twee vurige oogen, die mij aanstaarden, greep ook mij een

onverklaarbaar gevoel aan, dat mij noodzaakte het gegeven voorbeeld te

volgen. Ik bracht den kolf van mijn geweer aan den schouder en pang!...

daar kraakte ook mijn schot. Was het begoocheling of werkelijkheid? De

beide lichtjes verdwenen, alsof zij in een afgrond verzonken waren. Ik

moest zeker iets geraakt hebben. Er was evenwel geen gelegenheid om te

gaan onderzoeken wat; want het was uitdrukkelijk verboden zich buiten

de postenketen te begeven. Het vuren hield evenwel aan, totdat de

dageraad aanbrak. Toen verdwenen de lichtjes en met hen de aanleiding

tot schieten.”

„Toen het volkomen dag was, werd ik uitgezonden met een sterke

patrouille om het voorliggend terrein te doorzoeken, en na te gaan of

er gewonden of dooden gevallen waren, en of slechts bloedsporen

aangetroffen zouden worden. Er waren vele, zeer vele honderden kogels

verschoten geworden; het moest toch zeer waarschijnlijk geacht worden,

dat enkelen daarvan raak geweest waren. Maar hoe ik ook zocht, er was

niets te vinden, niets, niets hoegenaamd, zelfs geen gebroken takje,

zelfs geen platgetrapt grasscheutje, niets wat de tegenwoordigheid van

den mensch had kunnen verraden. Ik wil wel bekennen, dat ik beteuterd

stond te kijken; ik had die twee lichtjes zoo netjes onder mijn schot

zien vallen. En,... nu was daar niets! Dat was maar een droom....”

Frank werd in zijne lezing door een schaterlach van de jonge dames

Groenewald gestoord.

„Dat geloof ik wel, dat hij niets vond,” zei Adelien.

„O, wat zijn die „tottokhs” toch dom!” meesmuilde Emma.

„Verwachttet gij dan, dat er niets gevonden zoude worden?” vroeg Frank

verbaasd.

„Wel zeker,” antwoordde Adelien steeds lachende. „De lichtjes, die

Herman gezien heeft, waren.... Maar ga voort. Wellicht zal hij u zelf

vertellen, hoe hij zich beet heeft laten nemen.”

Frank hervatte zijne voorlezing.

„Zoo ging het gedurende vier nachten. Telkens als de maan onder was,

begon dat akelige schieten. Den vierden nacht kwam ik op wacht. Ik

prentte mijne manschappen goed in, dat al zagen zij ook lichtjes, zij

mij wel waarschuwen mochten, door bij voorbeeld te fluiten, maar niet

mochten schieten, wanneer zij niet duidelijk menschengestalten

ontwaarden.

„Tot drie uur ongeveer bleef het volmaakt rustig in de postenketen.

Toen evenwel de maan ondergegaan was, barstte het geweervuur bij de

schildwachten der overige veldwachten los, en onmiddellijk vernam ik

van de mijnen een gefluit om mijn aandacht te wekken. Ik begaf mij

dadelijk bij mijne schildwachten en, jawel! duidelijk zag ik op een

afstand van ongeveer 300 passen eene veel grootere menigte lichtjes dan

de vorige avonden.

„„Mogen we schieten?” vroegen de schildwachten.

„„Neen,” was mijn antwoord. „Ik ga er zelf naar toe.”

„Ik ontdeed mij van mijn buikgordel en patroontasch, zette mijn geweer

tegen een boom, trok mijn sabel uit de scheede, wierp mij zoo gewapend

op den buik in het struikgewas en sloop voort in de richting waar ik de

lichtjes waargenomen had. Na een ongelooflijk moeielijken tocht van

ruim een half uur in de duisternis, waarbij ik voornamelijk door

mieren, die mij als met vuur brandden, gehinderd werd, zag ik

plotseling boven mij twee glinsterende oogen mij uit de kruin van een

boom begluren. Ik stond op....”

In het land der zon · 第 29 / 46 题