VOORBEREIDING TEN STRIJDE.—VERTREK.

Neen, de staffourier had met Herman geen loopje genomen. Het bericht,

dat het bataillon expeditionnair verklaard was, kwam met de waarheid

overeen. Al heel spoedig werden de ransels, [124] de veldflesschen en

de „gollokh’s” [125] aan de manschappen verstrekt. Het zoo gehate gele

ledergoed,—dat den man het uitzicht gaf van een pakje, hetwelk onder

kruisband verzonden moest worden, en waaraan destijds eene

bajonetscheede,—die nooit gebruikt mocht worden, maar waarin een

driekant houtje, voorzien van een fraai aangegeelde lus, gestoken

was,—en eene zoo ondoelmatig mogelijk maar glinsterend verlakte

patroontasch op de minst daarvoor geschikte plaats van het menschelijk

lichaam bengelden,—werd vervangen door een bruikbaren patroonzak van

zacht leder, en door eene sabelbroek, waarin dat wapen of de gollokh

bevestigd kon worden, en die beiden aan den buikriem gedragen werden.

Dat was tot hiertoe uitstekend; maar nu kwam er de overdreven zorg bij,

die het alles met een bespottelijk waas overdekte. De bataillonschef,

een diepe... denker, kwam op de lumineuse gedachte, dat de troep te

velde zijnde, bij het lesschen van zijn dorst, niet uit de hand kon

drinken. De man had voorzeker het voorbeeld van Diogenes, die op het

gebied van geringe behoeften en van zelfverloochening met den besten

veldsoldaat kon wedijveren, vergeten. Eene bataillons-orde verscheen,

waarbij gelast werd, dat ieder man zich eene halve klapperdop moest

aanschaffen, die middels een touwtje aan de greep van sabel of

„gollokh” bevestigd zou worden. Er volgde nu een wedstrijd tusschen de

kompagnieskommandanten, omtrent de gelijkvormigheid, de

bevestigingswijze, enz. dier doppen; terwijl van uit den hoogen met den

meest mogelijken nadruk gelast werd, dat die drinknappen op twee duim

links van de gaatjes,—waardoor het bevestigings-touwtje geregen moest

worden, en die op hunne beurt op één duim beneden den rand geboord

moesten zijn,—van ’s mans stamboeknummer met cijfertjes van vijfstreep

hoogte in witte verf zeer netjes geschilderd, voorzien moesten zijn.

Hoeveel dagen arrest en politiekamer er voor die klapperdoppen

uitgedeeld werden, alvorens zij naar den zin waren, was niet te

berekenen. Ook Riethoven kreeg daar zijn deel van, hoewel zijn kapitein

humaan genoeg was, om hem slechts eenige dagen kwartier-arrest op te

leggen.

De eerste maal, dat het bataillon zoo opgetuigd, de kazerne uitrukte,

verwekte het wel sensatie. Die klapperdoppen bengelden en klepperden

bij iederen stap zoo tegen de sabel—of gollokhscheeden, en

veroorzaakten daardoor zoo’n geluid, alsof een overgroot aantal

klepperlieden, met hunne ratels de tijdmaat van den pas aangaven.

Iedereen liep uit om te zien, wat dat spektakel te beduiden had. Nimmer

heeft een krijgsoverste zooveel succes met zijn korps behaald, vooral

van de zijde der straathonden, die bij dat ongewone leven, hetwelk door

geen tamboers of hoornblazers te overstemmen was, de landsverdedigers

al jankend en huilend omringden.

Eindelijk werd aan het bataillon nog eene zevende kompagnie toegevoegd,

bestaande voor de helft uit zoogenaamde Buitenzorgsche walbusschutters

(Europeanen) en voor de andere helft uit Afrikanen, waardoor het korps

thans op eene sterkte van 30 officieren, 366 Europeesche, 54

Afrikaansche en 633 inlandsche onderofficieren en manschappen, of van

1053 geweerdragenden gebracht was, hetgeen ongeveer 150 man per

kompagnie maakte. Ook werd toen bekend, dat de Lampongs het doel van de

expeditie zouden zijn.

Dat van het kader, zoowel van officieren als van onderofficieren en

korporaals, in dien voorbereidingstijd veel gevergd werd, zal wel niet

behoeven verteld te worden. De bataillons-chef had voortdurend

bijeenkomsten met eerstbedoelden, en de luitenant-adjudant van het

bataillon beijverde zich om de onder zijne leiding staande

onderofficieren en korporaals meer en meer voor de taak, die hen

wachtte, te bekwamen.

O! die luitenant-adjudant van het 11e bataillon was een eenig man. Hij

leeft voorzeker in de herinnering van zijne ondergeschikten voort, en

niemand hunner zal aan hem denken, zonder een gevoel van onbegrensde

achting te ondervinden, hoewel die achting een welwillende glimlach

niet behoeft buiten te sluiten. In ik weet niet meer welke beschrijving

van militaire typen staat te lezen: dat de bataillons-adjudant het

beste met een herdershond kan vergeleken worden, die door den

bataillons-chef met een wenk als door den herder met zijn schopje,

heinde en ver gejaagd wordt. Dat was vooral het geval, wanneer het

korps bataillons-exercitiën uitvoerde. Dan liep hij, dan draafde hij,

dan marcheerde hij beurtelings met deftige afgemeten passen, dan

plaatste hij jalonneurs, alsof hij asperges plantte, dan liep hij soms

achter de guides aan, alsof hij hen in de kuiten bijten wilde, dan riep

hij, dan wenkte hij, dan was hij nu eens vóór het front van het

bataillon, dan weer er achter, nu eens aan het hoofd, een oogenblik

later aan den staart der kolonne, en daarbij hijgend en buiten adem,

bij welke oefening ook de tong te voorschijn kwam om onsierlijk op

onderlip en kin te prijken. Ja, dat beeld van herdershond was ten

opzichte van luitenant Buisson vrij getrouw, vooral wanneer hij op het

exercitie-terrein verscheen. Had hij evenwel de onderofficieren en

korporaals om zich heen geschaard om hun onderwijs te geven, dan

vertoonde hij weer een ander beeld, dan was hij de vaderlijkheid en de

gemoedelijkheid zelve, hoewel die door een zweempje letterknechterij

getemperd werden.

„Korporaal Guillemins,” luidde eens een zijner vragen, „wat is het

laatste woord van de tweede afdeeling der soldatenschool?”

De genoemde korporaal bedacht zich, en bedacht zich nogmaals.

Eindelijk:

„Ik weet het niet, luin’t,” antwoordde hij.

„Een teeken, korporaal Guillemins, dat gij uwe theorie niet geleerd

hebt.”

Een andermaal:

„Wat moet de soldaat des morgens, nadat de reveille geblazen is,

hebben, korporaal de Man?”

„Zijn broodje en zijn koffie, luin’t!”

„Mis, korporaal de Man, hij moet dan zijn gezicht gewasschen hebben.”

Een andermaal:

„Sergeant Riethoven, waarmede moet de soldaat zijn geweer onderhouden?”

„Met een lap met kompagnie’s vet doortrokken, luin’t.”

„Niet goed geantwoord, sergeant Riethoven. Hij moet zijn geweer met

zorg onderhouden.”

Het gezicht van Riethoven te beschrijven, hetwelk hij bij die

terechtwijzing zette, is eenvoudig eene onmogelijkheid. Luitenant

Buisson, hoe ernstig en strak van gelaat overigens bij zijne aanraking

met den minderen militair, kon een glimlach niet verbergen.

Nu evenwel het bataillon op voet van oorlog verklaard was, scheen een

andere geest in den luitenant Buisson gevaren te zijn. Van letterlijke

opdreuning der reglementen, van het „vervallen en vervangen” was geen

sprake hoegenaamd meer. De geestdoodende uitpluizerij eener

menagerekening, of de geheimzinnigheden van een „uitrukkende staat” of

van een „mutatierapport” werden niet meer beoefend. Daarentegen

beijverde de brave officier zich om zijn kader in het kort en bondig

stellen van patrouille- en veldwachtrapporten te oefenen. Het scheen

wel wat laat. Maar bij den zoo drukkenden garnizoensdienst te

Weltevreden, en door het steeds aanwezig zijn van een groot aantal

recruten, had hij gedurende de weinige uren, die hem wekelijks tot

oefening van het kader gegund waren, hoogst zelden het tiende gedeelte

van die gegradueerden te zijner beschikking gehad, en had dan die uren

moeten besteden om hun de geheimnissen te ontvouwen van den

garnizoensdienst, b.v. welke eerbewijzen voor de burgerlijke overheden,

voor een Raad van Indië, voor een Resident—uiterst wichtige

vraagstukken in het oog van die ijdele hoogwaardigheidsbekleders—èn

door de posten èn door de schildwachten te volvoeren waren, als ook de

verborgenheden van den inwendigen dienst, van het

administratie-reglement, van.... enz., enz. Voor de wezenlijke

bestemming van den onderofficier, namelijk: voor zijne vorming tot

veldsoldaat was niet veel tijd overgebleven. Thans evenwel, nu hem het

kader schier dagelijks gedurende vele uren ter beschikking gesteld

werd, nu kon met die vreeselijke garnizoenssleur gebroken worden, nu

hervatte hij de zoo gewichtige taak, die hem beschoren was, en bracht

haar in die weinige weken, die tot voorbereiding gelaten waren, met

vlijt en inspanning tot een goed einde. Hoe menigmaal rukte hij met het

kader uit, bezette dan veldwachten, liet hen voorhoeden of achterhoeden

vormen, bracht hen aan het verstand, dat meestal bij onze Indische

oorlogen, wel verre van met legers, met legerafdeelingen, met divisiën

of met brigades te opereeren, de troep in tegendeel in kleine gedeelten

versnipperd werd, waardoor het kon en moest voorkomen, dat aan

onderofficieren en soms ook aan korporaals eene soms aanzienlijke mate

van onafhankelijkheid van handelen moest toevertrouwd worden, en hen

derhalve eene verantwoordelijkheid ten deel viel, welke in Europa

slechts aan officieren beschoren was. Vooral trachtte hij gevatheid bij

hen te doen ontkiemen, om bij iedere gebeurlijkheid tot handelen gereed

te zijn, en steeds bracht hij hen op terreinen, waar aanschouwelijk kon

gemaakt worden, wat hij bedoelde.

„Sergeant Devens, gij zijt kommandant van de voorwacht eener

marcheerende kolonne. Het terrein is, zooals gij ziet, en zooals hier

in Indië gewoonlijk voorkomt, zeer bedekt. Heel ver kunt en moogt gij u

van den hoofdtroep niet verwijderen. Evenwel door het kronkelen van het

pad, en ook ten gevolge van de vertraging, door de kolonne bij het

vervoer van geschut enz. ondervonden, zijt gij uit haar gezicht

geraakt. Plotseling bespringt de vijand u hier uit dat struikgewas.

Kom, snel, antwoordt, wat zijn uwe maatregelen?”

„Mijne maatregelen, luin’t?”

„Ja, de vijand dringt op; met den klewang in de vuist bedreigt hij uwe

gelederen. Kom, snel, wat doet gij?.... Gij denkt te lang.... Gij,

sergeant Willekes?”

„Ik luin’t? Ik vecht me dood.”

„Dat ’s heel braaf! maar dat redt uw troep niet. Gij sergeant

Maasdijk?”

„Ik los mijn schot.”

„Goed zoo, maar waarom?”

„Wel luin’t, om de kerels te raken.”

„Om geen andere redenen?”

„N.. een!”

„Je bent een uilskuiken, sergeant Maasdijk! Wat is het doel van de

voorwacht?”

„Om op den vijand te letten, en als ik hem zie, om den hoofdtroep te

waarschuwen, luin’t.”

„Juist, om den hoofdtroep te waarschuwen. Die kan onmogelijk den

geheelen marsch afleggen met het geweer vaardig. In de allereerste

plaats moet die gewaarschuwd worden om eene overvalling te voorkomen.

Hadt ge tijd, dan zoudt gij gauw een briefje schrijven, nietwaar? Maar

daar valt niet aan te denken. Dus gij schiet. Goed. Maar.... wat dan?”

„Dan herlaad ik mijn geweer.”

„Ik herhaal, sergeant Maasdijk, je bent een uilskuiken.”

„Tot uw dienst, luin’t.”

„Gij sergeant Riethoven, wat zoudt gij doen? Zoudt gij ook uw geweer

herladen?”

„Zeker luin’t, als daar tijd voor was. Maar in de eerste plaats zou ik

mijne manschappen om mij heen verzamelen in een dicht carré, ik zou

trachten de vooruitgeschoven spits tot mij te trekken, en alsdan den

vijand met kogel en bajonet te keer gaan, en zoo wachten tot dat hulp

van de zijde van den hoofdtroep opdaagt.”

„Maar, wanneer die hoofdtroep ook in gevecht gewikkeld is? Kom, snel,

het geweervuur barst ook allerwege in die richting los. Hoort, daar

dreunt een kanonschot,..... nog een,... nog een! Wat doet gij?”

„Ik, luin’t? Ik beijver mij om mijn troepje moed in te spreken. Ik

sluit de kerels zoo dicht mogelijk aaneen. Ik maan hen aan om hun

verband goed te bewaren. Ik laat hen lustig vuren en nog lustiger

steken maar ik laat hen inmiddels langzaam op den hoofdtroep

terugtrekken. Ziet, de weg daarheen is nog open. Kom, jongens, bedaard

en kalm.... vooral mikt goed!.... Daar.... daar daagt reeds hulp op!...

Hoerah jongens! wij zijn gered! Daar komt luin’t Buisson aan het hoofd

van een troepje om ons bijstand te verleenen... Ik laat nog een paar

salvo’s geven, en daar ik bemerk dat de vijand door de nadering van die

versterking onthutst schijnt, kommandeer ik: velt geweer! er op in

jongens! looppas—marsch!... En als luitenant Buisson bij ons gekomen

is, is, hoeveel haast hij ook maakt, van den vijand niets meer te

bespeuren.”

„En de luitenant reikt u eene hand en zegt tot u: dat is flink

geageerd, sergeant Riethoven!”

Het gelaat van den luitenant-adjudant, anders zoo strak, glom van

tevredenheid, terwijl hij die woorden sprak.

„Gij sergeant Marcussen, gij voert eene patrouille aan. Gij bevindt u

in een dicht bosch, waarin geen weg of steg is, en waarin gij u met uw

troep met het kapmes in de hand baan moet breken. Op een gegeven

oogenblik ontsnapt de gids, die u meegegeven is. Hoe oriënteert gij u?

Men heeft u een schetskaartje meegegeven, en gij weet dat de plaats,

die gij bereiken moet, oostwaarts van u ligt.”

„Ik kijk naar de boomen, luin’t.”

„Wat, naar de boomen?”

„Of er schors op den bast is. Die bevindt zich steeds aan de westzijde;

ik moet dan den anderen kant uit.”

„Domoor, dat is goed voor Europa.”

„Maar luin’t, het staat in ’t boekie.”

„Voor Europa, domoor! Gij, sergeant Van der Marle?”

„Ik luin’t. Ik kijk naar de zon. Die komt in het oosten op, dus... ik

moet daarheen.”

„Maar zij staat in het zenith. Daarenboven het dichte gebladerte van

het bosch laat niet vele zonnestralen door.”

„Ja luin’t, dan weet ik het niet! Wat is dat voor ’n ding het zenith,

waar de zon in staat?”

„Gij, sergeant Lievekooi?”

„Wel luin’t. Ik kijk naar de schaduw, die de zon werpt. Wij hebben nu

Augustus. Het zal wel September wezen, eer dat mij zoo’n koopje

overkomt. Gij zegt dat de zon in het zenith staat, d.w.z. in haar

hoogste punt, en het is dan bijgevolg middag. Zij staat dan loodrecht

boven mij. Nu steek ik mijn laadstok zoo recht mogelijk in den grond op

een plekje, dat wel te vinden zal zijn, waar de zon een doorglippertje

maakt en nu wacht ik een oogenblik. Lang evenwel behoeft niet, want

kijk daar komt al een eindje schaduw aan het voeteinde van den

laadstok. Ik wacht nog een kwartiertje, dan is dat eindje schaduw

ongeveer een halve vinger lang en het wijst naar het oosten, of dat zal

niet heel veel schelen. Ik kan nu mijn marsch verzekeren door in de

gewilde richting merkbare punten in het oog te nemen. Toch zou ik bij

iedere gelegenheid mijne laadstokproef herhalen, om niet aan het

ronddwalen te raken. Ik geloof luin’t, dat ik dan niet ver van de

aangeduide plaats zou uitkomen.”

„Dat meen ik ook. Maar, wat te doen, wanneer de lucht betrokken is en

er dus geen zon en geen schaduw waar te nemen valt?”

„Dan kijk ik op mijn kompas,.... als ik er een heb.”

„Maar gij hebt er geen?”

„Drommels, dat wordt lastig, luin’t.”

„Wie weet het?”

„Ik zou dan te rade gaan bij de inlandsche onderofficieren, die bij het

troepje aanwezig zouden zijn,” antwoordde er een. „Ik zou hen beduiden

dat ik oostwaarts op moet, en die zouden mij wel te recht helpen.”

„Zeer goed. Hoe zoudt gij dat zeggen: oostwaarts op, sergeant

Nelissen?”

„Ik weet het niet, luin’t.”

„En gij?... Ook niet?... en gij?... ook al niet?... Wie weet het?...

Niemand?... Kom, dan papier voor den dag en opschrijven!”

De onderofficieren en korporaals schoven de blikken cilinder-trommel

naar voren, die zij met een leeren riem over den schouder droegen, en

waarin zij een paar boeken papier alsmede potlood en pennen voorradig

hadden, terwijl de inktkoker in het deksel doelmatig aangebracht was,

en waren weldra tot aanteekenen gereed.

„Het oosten heet bij de Maleiers: „timor,” dus: oostwaarts: „di sablah

timor.” Het westen heeten zij: „barat,” het zuiden....”

„O! dat weet ik,” riep er een. „Dat is „kidoel.””

„Daar zou je in de Lampongs niet ver mee komen. Dat is Javaansch,”

antwoordde de luitenant-adjudant. „Het zuiden wordt „selatan” geheeten

en het noorden: „oetara,” ook wel „lor.” Goed onthouden! Hebt ge dat

opgeschreven, korporaal Meursen?”

„Ja luin’t.”

„Hoe zegt ge dus: zuidwaarts?”

„Di sablah selatan.” „Is ’t goed zoo, luin’t?”

„Zeer goed.”

Zoo beijverde zich onverdroten de waardige officier de hem

toevertrouwde onderofficieren en korporaals voor den werkkring, die

voor de deur stond, geschikt te maken. Hij wees hen er voortdurend op,

dat het geval veelal zich zou voordoen, als zij op zich zelven stonden,

dat er dan geen raadsman bij de hand was, om eventueel gebrek aan

kennis aan te vullen. Dat dan helderheid en beknoptheid bij het

vervaardigen van rapporten, dat dan degelijke kennis van de

dienstplichten, die grondslag van vastberadenheid en doortastendheid

moesten voorzitten, ten einde, hunnen stand volkomen waardig, voor

hunne ondergeschikten en voor het vaderland nuttig te kunnen zijn.

„Ja, voor uwe ondergeschikten, voor het vaderland!” ging dan de

luitenant met eene voor zijn gestel onmogelijk geachte geestdrift

voort. „Voor uwe ongeschikten, voor het vaderland, onderofficieren! Ik

sprak van uwe belangen niet. Ik beriep mij op edeler gevoelens. Op uwe

vaderlandsliefde, op uwe zorg voor den minderen soldaat! Gij zoudt voor

u eigen, daar ben ik overtuigd van, u doodvechten om goed te maken, wat

een verkeerd gesteld rapport, of wat een maatregel in onberadenheid

genomen, bedorven zou kunnen hebben. Maar er is nog hooger taak dan

zijn leven op te offeren, of veil te hebben, wanneer men te velde is,

onderofficieren; dat is, dat gij u zelven bewust moet worden in allen

deele aan uwe zoo schoone en zoo eervolle bestemming te kunnen

beantwoorden, en daardoor voor het vaderland zoo nuttig mogelijk te

zijn! Ziet, dat bewustzijn schenkt vertrouwen, en dat vertrouwen op

eigen krachten vertienvoudigt in de oogen van hen, die hierover

oordeelen kunnen, uwe krachten, uwe waarde en uwe verdiensten ten

opzichte van het vaderland.”

Zoo sprak de edele chef en was zich zelven daarbij bewust dat

vaderland, waarop hij zoo herhaaldelijk wees, den grootsten dienst te

bewijzen, door een degelijk korps onderofficieren te kweeken.

Inmiddels naderde de gewichtige dag.

Een paar dagen voor het vertrek werd door het expeditionnaire bataillon

de groot-tenuekleeding, de zoo ondoelmatige schako en de circassienne

mouwvesten met de zoo afzichtelijk leelijke gele wingsen [126]

ingeleverd. Daags daarop had de inspectie plaats van de vertrekkende

troepen door den legerbevelhebber. Het 11de bataillon met de daaraan

toegevoegde artillerie en genietroepen, gezamenlijk nagenoeg 1100 man

sterk, stonden in marschtenue gekleed aangetreden in de lommerrijke

Willemslaan,—in die fraaie laan, die het Waterlooplein met het

Koningsplein verbindt—en werden daar door generaal De Stuers in

oogenschouw genomen.

Het expeditionnaire korps zag er uitstekend uit, alleen de ratelende

klapperdoppen, die aan de zijde der infanteristen bengelden, ontlokten

den waardigen chef een glimlach; maar indachtig dat het wreed is,

iemand een onschuldig stokpaardje te ontnemen, zweeg hij. Met enkele

woorden tot de troepen gericht, gaf de edele krijgsoverste zijne

tevredenheid te kennen, riep den vertrekkenden een hartelijk vaarwel

toe, en deed de gemoederen van allen tot een geestdriftvol gejuich

losbarsten, toen hij, terwijl hij den steek afnam en daarmede wuifde

met een luid: Leve de koning! besloot.

Onmiddellijk na de inspectie trokken de troepen met divisiën in

gesloten kolonne te zamen, defileerden voor den legerbevelhebber, die

zich met zijn staf ter zijde van de laan, die de oostzijde van het

Koningsplein uitmaakte, opgesteld had, marcheerden langs de Hertogslaan

en keerden zoo naar hunne kwartieren terug.

Des avonds werd door de officieren van het achterblijvende garnizoen te

Batavia aan hunne collega’s van het expeditionnaire troepengedeelte een

kameraadschappelijk feest in de Concordia aangeboden. Voor het fraaie

sociëteitsgebouw was een sierlijk tempelfront met zijne zuilen en bogen

in licht bamboe-werk opgetrokken, waaraan honderde lampions aangebracht

waren, die, toen het avonduur gevallen was, helder schitterden, en dien

fraaien Griekschen gevel als in eene vuurzee gehuld deden uitkomen.

Lustig speelde de stafmuziek en hief het „Wilhelmus” aan, toen de

Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië verscheen, om als

Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop

dit echt Militaire feest door zijne tegenwoordigheid allen luister bij

te zetten. Geheel Batavia was in en om die officierssociëteit

vereenigd. Het eene gedeelte om daadwerkelijk aan het feest deel te

nemen, het andere om door „nontongen” zoowel van de fraaie muziek als

van de algemeene feestvreugde mede te genieten. Toen dan ook ’s Konings

vertegenwoordiger tegen middernacht een dronk wijdde aan den goeden

uitslag van den krijgstocht, en zijne hartelijke rede besloot met het

welzijn van den Koning te brengen, toen plantte zich het „leve de

Koning!” van uit de zalen van het Concordia-gebouw naar het

Waterloo-plein over. Overal werd die zegekreet met uitbundig gejuich

herhaald; tot in de kazernes toe, die hoewel achter de

officiersgebouwen langs de zuid-oostzijde van gezegd plein gelegen,

toch een vergezicht op de fraaie verlichting aanboden.

Waarom was voor den minderen militair ook geen feestdag bereid? Och,

mocht die verzuchting bij den een of anderen denker opgekomen zijn, bij

de nederigen van het leger vond zij geen ingang. Gewoonlijk zijn zij

van afgunst vrij.

Nadat de Gouverneur-Generaal het sociëteitsgebouw verlaten had, was het

feest daarom niet geëindigd. Integendeel, het was alsof de pret,

vroeger door de étiquette in bedwang gehouden, nu eerst recht

losbarstte. En terwijl in de kazernes allen als gelukzaligen eindelijk

ronkten, weerklonk het dansmuziek in de Concordia en zweefden de

Bataviasche schoonen, omstrengeld door de armen van hen, die weldra ver

weg zouden zijn, door de fraaie zaal op de zoo opwekkende maat van een

bevallige wals.

De dageraad verscheen aan den hemel, toen de laatste groep dames door

de heeren naar hare rijtuigen geleid en daar zorgvuldig ingebakerd

werden, uit vreeze voor de nadeelige gevolgen van den frisschen

morgenwind. [127]

Wanneer de expeditionnaire troepen dien morgen hadden moeten uitrukken,

dan zoude het officierskorps althans geen opwekkend beeld hebben

vertoond; maar.... dan zoude het feest ook òf niet zoolang geduurd

hebben, òf eenige dagen vroeger gevierd zijn.

Den daaropvolgenden dag liet de reveille zich reeds ten half vier

hooren. Een oorverdoovend gejuich steeg uit de kazernes op. Iedereen

was bij de expeditionnaire troepen in de weer. Onderofficieren en

manschappen vlogen naar buiten om zich rondom de putten handen en

gezicht met het heldere water te verfrisschen, dan spoedden zij zich

naar de keuken om hun laatste ontbijt te halen. Maar dat ging spoedig

in zijn werk; want van nu af waren de minuten, ja de seconden geteld.

Weldra verscheen het grootste gedeelte der manschappen reeds in volle

marschtenue onder de voorgalerij der kazernes en schaarde zich daar in

rij en gelid. Het duurde niet lang of de generaalmarsch liet zich

hooren, en trokken de afdeelingen naar de algemeene vergaderplaats.

Inmiddels had zich een der flankkompagnieën, voorafgegaan door de

tamboers en de kapel van het korps, maar toch met stille trom naar de

woning van den bataillonskommandant begeven, ten einde het vaandel af

te halen. Zoodra dit, door den onderadjudant-vaandeldrager getorst,

onder de voorgalerij verscheen, sloegen de tamboers den ban, hief het

muziek het „Wilhelmus” aan, terwijl de kompagnie de geweren

presenteerde, als om eer te bewijzen aan het dierbare kleinood, dat het

ver verwijderde vaderland vertegenwoordigde. Onmiddellijk daarop werd

het vaandel onder het spelen der muziek naar de algemeene

vergaderplaats gebracht, alwaar het met de daartoe bestemde

vaandelwacht zijne plaats onder dezelfde eerbewijzen in de

bataille-linie innam.

En nu eindelijk weerklonk het kommando forsch en helder:

„Met sectiën rechts, om naar de linkerzijde af te marcheeren....

Marsch!!!”

Ja, „marsch!” Hoe dikwerf had dat kommando op diezelfde plaats niet

weerklonken, om de troepen naar het oefeningsveld te voeren; thans

klonk het om hen naar het veld van eer te geleiden! Een geestdriftvol

gejuich ging uit de gelederen op en begroette dat: „marsch!” De bevolen

beweging werd met de nauwkeurigheid van afgedrilde troepen uitgevoerd,

en onder het geroffel der trommen en het geschetter der muziek zetten

de expeditionnaire troepen de eerste schreden op den weg.... waarlangs

velen, zeer velen niet zouden wederkeeren. Maar kwam ook al die

gedachte bij een enkelen op, zij beving evenwel niemand.... dat was

genoegzaam op te maken uit de algemeene opgewektheid, die allerwege

heerschte. Op den langen marsch langs Rijswijk en Molenvliet naar

Batavia’s reede werd er geen huis gepasseerd, waar het hoerahgejubel

den vertrekkenden toegebracht, door dezen niet even geestdriftvol

beantwoord werd.

Eindelijk was de Kleine Boom [128] bereikt, en maakten de troepen halt.

Voor een oogenblik werden zij in bataille geformeerd. Hier ontsponnen

zich nu tafereelen, die voor den aandachtigen beschouwer niet van

belang ontbloot waren. Het oogenblik van afscheid was gekomen. Wild en

woest baande zich hier eene Javaansche vrouw een weg door de menigte en

vloog, van smart gillend, haren echtvriend, die daar in het gelid

stond, om den hals. Zij had een knaapje aan de hand en droeg een

zuigeling in haar „slendang” [129] gewikkeld, op den rug. Zij reikte

den vader zijne kinderen, opdat hij ze nog eens mocht kussen. Deze

leunde zijn geweer tegen een naast hem staanden makker, greep het

jongetje, zette dat schrijlings op zijn ransel en schouders, prangde

het jongste kind aan zijn hart, overdekte het met snuivende zoenen

[130] en wel met zooveel onstuimigheid, dat het wicht beangst begon te

schreien. Elders wisselde een jeugdig officier een teederen handdruk,

een blik, waarin een wereld lag opgesloten, met eene lieve blozende

jonkvrouw, een onzer noordsche zusteren, die bij dat vertrek ruim

vertegenwoordigd waren, en een innig blijk van belangstelling aan de

dapperen, die vertrekken zouden, kwamen geven. Nog verder prangde een

bejaard kapitein, terwijl eene enkele traan, aan zijn oog ontglipt,

langs zijn reeds grijzenden knevel neerdroppelde, zijne wederhelft aan

zijne borst, greep zijne kinderen en overdekte hen met kussen. Daar

verder reikten vrienden en bekenden elkander als laatst vaarwel de

hand:

„Vaarwel!.... Blijf gezond!.... Alle succes!.... Dag Anna!.... Tabeh

Sarina!.... Tabeh Sidin!....”

Dat waren de kreten, die vernomen werden. Het geheel vormde in dat

oogenblik een tooneel van verwarring, een concert van gillen en

snikken, dat evenwel het menschenhart goeddeed, en waarbij naast

geheele berusting de meest mogelijke vastberadenheid te ontwaren waren,

om het vaderland met opoffering van gezondheid en leven te dienen.

Herman Riethoven, die dat alles ernstig, evenwel niet zonder geestdrift

waarnam, moest erkennen, dat het dagelijksche leven moeielijk zulke

hartverheffende tafereelen kon aanbieden.

Eindelijk, op een teeken van den bataillons-chef, stak de

korporaal-tamboer zijn stok met zwaren koperen knop in de hoogte. Eene

flinke roffel weerklonk; de hoornblazers bliezen het: geeft acht! en

een oogenblik later braken de troepen kompagnie’s gewijze af en daalden

in de vaartuigen af, die aan de kade van het havenkanaal gereed lagen,

en staken van wal; terwijl de korpskapel het „Wilhelmus” speelde,

waarop de stafmuziek, die aan den wal bleef, met het: „Wien Neerlands

bloed” antwoordde.

Onder uitbundig gejuich volgde de menigte de kojangs-prauwen langs de

beide kaden van het kanaal, en wisselden geestdriftvolle hoera’s met de

vertrekkenden. Toen de vaartuigen evenwel de Welkomstbatterij

voorbijgestevend waren, kwamen zij meer en meer onder den invloed van

den landwind, die in dit vroege morgen uur nog stevig doorstond. De

zeilen werden geheschen, en onder dien druk werd weldra zoo’n vaart

bereikt, dat de wandelaars niet meer volgen konden. Voor en na bleven

deze achter, en nog voor dat de prauwen ter hoogte van het Oude

Water-kasteel gekomen waren, was er geen enkele meer te bespeuren.

De zon dook daar ginder uit den schoot der baren op, toen de vaartuigen

het havenkanaal uitstevenden en het ruime sop bereikten.

In het land der zon · 第 27 / 46 题