Herman werd, zoo als hierboven verhaald is, ingedeeld bij het 11de
bataillon infanterie, dat te Weltevreden in garnizoen lag. Drommels, de
dienst bij de veldbataillons was destijds, althans te Batavia, niet
gemakkelijk. In die dagen werden andere exercitie-reglementen bij de
infanterie in Nederlandsch Indië gevolgd dan wel bij het Nederlandsche
leger. Op de soldaten-, peloton- en bataillon-scholen bestond een
zoogenaamd „vervallen en vervangen door,” een lijvig cahier, dat door
de gegradueerden eerst overgeschreven en daarna van buiten geleerd
moest worden. De luitenant-adjudant van het bataillon, waarbij
Riethoven stond, was een man van de letter en, belast met het onderwijs
in de militaire reglementen van het kader, eischte hij van de
onderofficieren en korporaals, dat zij niet alleen „dat vervallen en
vervangen door,” maar ook de bedoelde scholen, die vervallen waren,
letterlijk van buiten kenden. De man was zoo stipt minutieus op de
letter gesteld, dat het meermalen gebeurde, dat hij op de theorie [74]
vroeg, wat het laatste woord was b.v. van de soldatenschool, of wel van
deze of gene afdeeling. En wee dengene, die dat woord niet onmiddellijk
wist op te dreunen. Het was voor den luitenant het onwraakbaar bewijs,
dat de delinquent zijn reglement niet had ingekeken.
Een ander gevolg van die afwijking der Nederlandsche reglementen was,
dat de nieuw aangekomen onderofficieren en korporaals gedurende een
geruimen tijd bij de instructie der rekruten gebezigd werden, hetgeen,
wel is waar, het zijne er toe bijdroeg om de nieuwelingen zoo spoedig
mogelijk de taal des lands, het Maleisch, waarin de inlandsche rekruten
onderwezen werden, te doen aanleeren; maar hen ook een buitengewoon
drukken werkkring verschafte, die in een zoo ongewoon klimaat, als de
strandplaatsen in Nederlandsch Indië opleveren, menigen zweetdroppel te
voorschijn deed parelen.
„Drommels!” zei Herman gewoonlijk tot Frank, wanneer dat onderwerp ter
sprake kwam. „Men heeft er hier slag van om dienst te doen. Dag in dag
uit, is het om 5 uur reveille, en sta je om kwart voor zes volledig
gewapend aangetreden voor het rekrutenexerceeren, en als je om half
negen in de kazerne terug bent, dan mag je blij zijn. Om 9 uur zijn de
officieren reeds in de kazerne, om half tien is het kamerinspectie, om
10 uur appel en soep eten; om half elf theorie met de rekruten tot
twaalf uur. Om 1 uur onderofficierstafel, na welker afloop je een
uurtje mag zitten of liggen puffen van de warmte. Om half vier klinkt
het signaal eten voor de manschappen, dan moet de onderofficier reeds
gebaad hebben en gekleed zijn. Om kwart voor vier is het appel voor het
rekruten-exerceeren en het slaat gewoonlijk half zeven, wanneer je
bestoven en bezweet in het kwartier terug bent. Om 7 uur is het
onderofficierstafel, om 9 uur taptoe, om half tien avondappel en om 10
uur licht uit. Zie daar de dagelijksche tredmolen. Voegt daar nu bij de
weekdienst, die vrij zwaar is. Van de vier sergeanten, die bij eene
kompagnie aanwezig zijn, zijn er soms twee, soms meer van in het
hospitaal. Ik heb b.v. nu reeds veertien dagen achter elkander de
week.”
„En de inlandsche onderofficieren dan?” vroeg Frank. „Je staat immers
bij eene Javaansche kompagnie?”
„Die rouleeren met de Europeesche korporaals, wat wacht- en weekdienst
betreft. Dat kan ook niet anders, daar bijna geen hunner lezen of
schrijven kan.”
„Dan geef ik je gewonnen, dan is de dienst zwaar.”
„Ja, maar ik ben nog niet aan het eind mijner opsomming. Voeg daar nu
bij: de garnizoensdienst, die zeer zwaar is b.v. de onderofficieren
hebben gemiddeld slechts twee nachten vrij van wacht. Dat is op de drie
nachten een nacht waken. En na zoo’n nacht in dit afmattend klimaat,
voel je je alsof je gekookt bent. Je geheele plunje plakt je aan het
lijf. Dan hebben we nog de theoriën, de garnizoenschool, de
gymnastiekschool, het schermen en batonneeren, de avondschool enz. enz.
Geloof me, ze weten hier de lui bezig te houden, en de dienst is hier
heel iets anders, dan in Nederland.”
„Ja, maar, als die rekrutentijd om is, dan....”
„Rekruten zijn hier het geheele jaar door. Zoodra de manschappen
afgeëxerceerd en in de bataillonsschool geoefend zijn, worden ze met
troepen van honderden heinde en ver naar de Buitenbezittingen
overgeplaatst, waar men aan rekruten niets zou hebben. Er gaat geen
maand voorbij, dat zoo eene overplaatsing niet geschiedt, en de
afgeëxerceerden worden trouw vervangen door rekruten, eenvoudige maar
domme dessabewoners uit de binnenlanden van Java en Madura, of van
Amboina [75] of blanke kinkels, zooals wij ze aan boord van de
Fernandina Maria Emma gezien hebben, uit alle oorden van Europa te saam
gebracht, en zoo spoedig mogelijk naar herwaarts gezonden, maar die
even zorgvuldig ontbolsterd moeten worden. Gij kunt er op rekenen, dat
de veldbataillons hier te Batavia jaar in jaar uit 2 à 300 rekruten te
drillen hebben.”
„Maar gij zult toch niet altijd bij de instructie der rekruten
ingedeeld blijven?”
„Dat’s ten minste te hopen! Maar, of de dienst dan lichter zal zijn?
Luister: Des maandags morgens is het voor het bataillon:
bajonetschermen; des namiddags: inspectie voor den
bataillons-kommandant. En van zoo’n inspectie heb je volstrekt geen
begrip. Denk maar niet dat dien hoofdofficier een rad voor de oogen te
draaien is. Des dinsdags morgens: oefening in het schatten van
afstanden; des namiddags: soldaten-school, eerst met en daarna zonder
bewegingen. Onder toezicht van de kompagnies-kommandanten, moeten de
luitenants instructie geven. Woensdags morgens: tirailleeren, des
namiddags: peloton-school. Donderdags morgens: oefeningen in de
velddienst; des namiddags: bataillon-school. Vrijdags morgens:
bajonetschermen; des namiddags linie-school voor de vereenigde
bataillons. Tenzij deze laatste oefening vervalt, door dat het
garnizoen des morgens eene militaire wandeling heeft gemaakt met
daarbij behoorende „praktische oefeningen in de velddienst”; maar dan
zijn de troepen des morgens om 5 uur uitgerukt en om 1 of 2 uur des
namiddags in hunne kwartieren teruggekeerd. Des zaterdags morgens is
het....”
„Jawel,” viel Frank in, en zong met luider stem het destijds in zwang
zijnde soldatenkoepletje:
„Zaterdags is het schrobben en schuren.
De arme soldaatjes moeten het bezuren!
Dan komt luitenant Smit:
De tafels en banken zijn nog niet wit!
Gooit ze maar op den wagen, gelijk ’t behoort,
Voerman, rij jij maar lustig voort”!
„Juist,” beaamde Herman. „Dan is het de reinigingskuur. Stroomen met
water, emmers met kalk en bakken met teer worden dan gebezigd, om den
rommel een proper aanzien te geven bij de inspectie voor den
bataillons- of kompagnie’s-kommandant, die des namiddags met eene
ongeëvenaarde nauwgezetheid gehouden wordt. Reken bij die drukke dienst
dan nog: de schijfschietoefeningen, die tweemaal ’s weeks plaats
hebben, de gedeeltelijke inspectiën over wapening en kleeding, die
plaats moeten hebben om het rommelzoodje in orde te houden, de theoriën
en schooluren met de manschappen, dan zult ge moeten bekennen, dat er
van lediggang vooral voor het kader geen sprake is.”
Onmiddellijk na de aankomst van de Fernandina Maria Emma te Batavia
waren de belhamels, in zake de muiterij aan boord van dat fregat, naar
de gevangenis te Weltevreden overgebracht. De rechtsvervolging werd
onmiddellijk tegen hen ingesteld en met de gerechtelijke informatiën
een aanvang genomen. Is vrouwe Justitia in Nederland eene statige
matrone, die niets overijld doet, maar met bedaarden en bedachtzamen
tred voorwaarts schrijdt, in Indië is zij even statig; maar ondervindt
den invloed van het klimaat in hooge mate, en is daardoor nog meer
geneigd tot weinig of niets doen dan overal elders. Een geding duurt
daar in den regel ontzettend lang, hetgeen dat nadeel heeft, dat de
preventieve gevangenschap daardoor van sommige ongelukkigen, die met de
blinde godin in aanraking komen, tot in het oneindige gerekt wordt, en
de gevangenissen en verzekerhuizen overvuld zijn. Intusschen hadden de
rechters-commissarissen vele getuigen te hooren en ging dat niet altijd
met die vlugheid, welke wenschelijk geweest ware. Maar hoe lang ook het
geding hangende was, zoo brak de dag toch aan, dat de krijgsraad
bijeengeroepen werd, die het eindvonnis zoude uitspreken. Verscheidene
zittingen werden ingenomen om de aanwezige verhooren te recolleeren,
daarna nog ettelijke getuigen en ook de beklaagden nader te hooren. Ten
laatste was de eindzitting daar, waarin de drie hoofdbeklaagden, na op
hunne beurt verhoord en met elkander en met de getuigen geconfronteerd
geweest te zijn, een voor een de klacht, die door kapitein Van Dam was
opgemaakt, de proces-verbalen hunner eigene alsmede die der
getuigen-verhooren en der confrontatiën werden voorgelezen. Twee hunner
hadden eerst gepoogd door ontkenning en later door slinksche en
dubbelzinnige antwoorden uit den pekel te geraken; maar door de
getuigenissen overstelpt, door hunne confrontatiën met elkander en met
de getuigen van leugentaal overtuigd, hadden zij eindelijk bekend niet
alleen gewelddadigerwijs een aanslag gedaan te hebben op het leven
hunner officieren, maar ook anderen tot het plegen van dien aanslag
overgehaald te hebben, maar beschuldigden hun’ medebeklaagde, den
Zwitser Taugwalder, het hoofd van het komplot geweest te zijn, die de
eerste gedachte daaromtrent ontwierp en onder wiens leiding zij
gehandeld hadden.
Taugwalder was van het eerste oogenblik af tot volledige bekentenis
gekomen, en had het ver beneden zich geacht tot spitsvondigheden of tot
haarkloverijen zijne toevlucht te nemen. In zijn verhoor had hij met
vaste stem, zonder dat daarin evenwel iets uitdagends of snoevends
ontwaard werd, geantwoord: „ja, ik heb het eerste denkbeeld ontworpen
om een complot te smeden, ten einde ons gewelddadig van het schip
meester te maken; ja, ik heb anderen in dat complot medegesleept, ja,
ik heb het sein tot het begin van uitvoering gegeven. Ik, en niemand
anders ben daar de ziel van geweest.”
Toen hem de verhooren der getuigen voorgehouden waren geworden,
antwoordde hij, dat hij daarop niets te bemerken had, dat die mannen
allen naar plicht en geweten de waarheid gesproken hadden. Alleen
meende hij, dat uit die stukken niet genoegzaam in het licht trad, dat
het zijn doel was geweest om zooveel mogelijk bloed te sparen, dat hij
na het gevecht iedere mishandeling, iedere euveldaad ernstig zou hebben
tegengegaan, en dat hij nimmer voornemens was geweest zich met iets,
dat schip of der opvarenden toebehoorde, te verrijken.
„Ik zou derhalve wenschen, dat zulks in mijn vonnis vermeld werd of
verzoeken, wanneer mijne rechters omtrent dit punt meer helderheid
wenschten te hebben, hun onderzoek daaromtrent te vervolledigen”
De voorzitter van den krijgsraad, een bejaard overste met grauw haar en
knevelbaard, en eerbiedwaardige en innemende gelaatstrekken, liet den
vragenden blik langs de leden van den krijgsraad waren.
„Ik vind het geding voldoende geïnstrueerd” begon de auditeur-militair,
een jong mensch met pieperige stem, die daar met zijn zwarten rok te
midden dier uniformen als ’t ware eene inktvlek vormde. „Ik twijfel er
niet aan of het geweten van de heeren zal voldoende voorgelicht zijn.
Bij zoo’n muiterij is niet aan te nemen, dat het doel van het hoofd van
het komplot geweest is om bloedvergieten te voorkomen....”
„En tòch is dat zoo!” viel de beschuldigde den rechtsgeleerde in de
reden. „Dat zweer ik bij al wat heilig is!”
„Beschuldigde, niet spreken; tenzij gij gevraagd wordt!” maande de
voorzitter met ernstige stem. „Wat is het oordeel der heeren?”
vervolgde hij, zich tot de leden van den krijgsraad wendende en tot het
jongste lid:
„Wat is uw gevoelen?”
„Ik deel het gevoelen van den auditeur-militair,” antwoordde de
toegesprokene, een jong officier, die wellicht voor het eerst deel
uitmaakte van een groep menschen, die geroepen waren om over leven en
dood van een medemensch uitspraak te doen. „Ik deel het gevoelen van
den auditeur-militair, wanneer hij beweert, dat de zaak voldoende
geïnstrueerd is; maar ik verschil geheel en al met hem, dat uit de
processtukken gebleken zoude zijn, dat deze beschuldigde tot
bloedvergieten zoude aangezet hebben. Ik heb uit die stukken een geheel
anderen indruk gekregen.”
Het meerendeel van de leden van den krijgsraad gaven te kennen, dat zij
van die meening ook waren.
„Maar, de verhooren der andere beschuldigden geven duidelijk aan, dat
zij van Taugwalder de opdracht hadden, alles wat tegenstand bood neer
te slaan en over boord te werpen,” bracht de auditeur hiertegen in.
„Vergeef mij,” antwoordde de jonge officier, en zich tot den
hoofdofficier wendende: „President, die verklaringen missen voor mij de
noodige waarde. Eerst hebben die twee beschuldigden alles ontkend,
daarna hebben zij allerhande uitvluchten gezocht; eindelijk, toen zij
zich niet meer wisten te redden, wierpen zij alle schuld op den
hoofdaanlegger. Daartegenover staan evenwel andere getuigenissen,
waarbij verklaard wordt, dat Taugwalders plan was de officieren van het
detachement en den kapitein en de stuurlieden van het schip te
overvallen, hen te binden en onschadelijk te maken. Verder is uit de
processtukken gebleken, dat de plannen der opstandelingen ten opzichte
der jonge dames, die aan boord waren, buiten zijn weten gesmeed zijn.
Eindelijk meen ik, dat de loop van dat gedeelte van het gevecht,
waarbij Taugwalder de aanvallers aanvoerde, duidelijk aangeeft, dat er
gepoogd werd zonder bloedvergieten tot het doel te geraken. Alles heeft
zich toch daarbij tot een vuistgevecht bepaald. Hadden de muiters
daarbij gebruik hunner messen gemaakt, dan ware de kans waarschijnlijk
ten hunnen voordeele gekeerd. Dat alles geeft mij de overtuiging, dat
de beklaagde thans waarheid spreekt.”
„En u, mijnheer?” vroeg de overste aan het daaropvolgende lid in
ancienniteit.
„Ik deel het gevoelen van mijn collega, president,” antwoordde deze.
„Ik ook; ik ook,” antwoordden de andere leden van den krijgsraad.
„Aan den voet van uw verhoor zal derhalve de noodige toelichting
geschieden,” sprak de voorzitter tot den beschuldigde, „en de
overweging daarvan te zijner tijd behoorlijk gelden. En nu....
Taugwalder, gij hebt nu alles gehoord, de klacht tegen u ingebracht is
u voorgelezen, ook uwe eigen verklaringen, ook die uwer
medebeschuldigden en der getuigen; hebt gij thans nog iets ter uwer
verdediging of ter verschooning in te brengen? Spreek, de krijgsraad
zal uwe woorden aandachtig aanhooren en in nauwgezette overweging
nemen.”
De Zwitser stond daar in onberispelijke houding, kalm en waardig. Bij
de woorden van den auditeur-militair was hij straks doodsbleek
geworden, vuur was toen uit zijne oogen geschoten; maar hij had zich
bedwongen. Bij de woorden van het jongste lid van den krijgsraad had
hij zijne kalmte herkregen en had zich opgericht als iemand, die zich
van een onverdienden blaam gezuiverd voelt. Thans was iedere
hartstochtelijkheid geweken. Toen de voorzitter hem de bovenvermelde
eindvraag deed werd hij andermaal bleek. Hij streek zich met de hand
over het geestkrachtvolle gelaat en antwoordde met een zucht:
„Iets ter mijner verdediging, heer overste?.... Neen, dat heb ik niet.
Wat zou ik kunnen bijbrengen? Ik gevoel mij meer schuldig, dan de leden
van den krijgsraad, waarvoor ik terecht sta, dat kunnen begrijpen.
Neen, ik wensch mij niet te verdedigen! Of ik iets ter
verontschuldiging aan te voeren heb? Och, veel ware anders geweest,
wanneer te Harderwijk zich iemand mijner aangetrokken had. Maar,
niemand, niemand die mij inlichting gaf! De werver, dien ik te Londen
ontmoette, spiegelde mij alles van de mooiste zijde voor en verzekerde
mij, dat ik binnen weinige jaren officier bij het Nederlandsch-Indische
leger zoude zijn. Dat was mijn doel, dat was mijn streven. Ik kwam bij
het Koloniaal Werfdepot aan. Men reikte mij daar bij het aangaan mijner
verbindtenis zestig gulden aan, die ik zonder aarzelen aannam. Hoe zou
ik ook hebben kunnen denken, dat dat geld een onoverkomelijke
hinderpaal zoude zijn om mijn doel te bereiken? Toen ik bij het
Engelsche vreemdenlegioen in dienst trad, ontving ik ook handgeld, maar
dat stond mijne bevordering niet in den weg en ik kan met trots wijzen
op mijne dienstverrichtingen als Engelsch officier. Ik kon er dus ook
niet naar vragen, of het aannemen van dat handgeld mij benadeelen zou,
en had ik er ook al naar gevraagd, dan betwijfel ik nog of bij den
geest, die bij het kader te Harderwijk heerscht, ik nog wel behoorlijk
ingelicht zou zijn geworden. Iedereen aast daar in dat Zuiderzeestadje
op het bloedgeld, dat daar aan hen uitgereikt wordt, aan hen die zich
voor de militaire dienst in de koloniën verbinden. Ja, bloedgeld! ik
had dien naam wel eens hooren uitspreken; te laat begreep ik wat dat
beteekende. Voor mij zijn die zestig gulden in werkelijkheid bloedgeld
geworden; ik zal ze met mijn bloed bezegelen! Maar.... het gaat toch
wonderlijk toe in de wereld. Ik vernam dat uwe Gouverneurs-Generaal,
wanneer zij naar Indië vertrekken, een handgeld van 50,000 gulden
ontvangen, dat is 10,000 gulden per jaar dienst, die zij zullen
presteeren. Voor den soldaat bedraagt dat maar 10 gulden per jaar, daar
hij slechts 60 gulden voor zes jaren dienst ontvangt. Maar die 50,000
gulden zijn voor den eenen geen hinderpaal om de hoogste waardigheid na
uwen Koning te bekleeden, terwijl die ellendige 60 gulden voor den
anderen een onoverkomelijk beletsel zijn om tot den officiersstand te
geraken.... Vergeeft mij, mijne heeren, die uitwijding; maar.... ik
herhaal, het gaat al wonderlijk toe in de wereld....” [76]
De leden van den krijgsraad keken elkander aan. Niemand wilde den
beschuldigde storen in hetgeen hij te zeggen meende te hebben. Toch
wenschte de voorzitter aan zijn gedachtengang eene andere richting te
geven. Toen Taugwalder dan ook een oogenblik zweeg, als om zijne
gedachten te verzamelen, hernam de overste:
„Beschuldigde, gij spraakt zooeven van het kader te Harderwijk,
bedoeldet gij daarmede ook de officieren?”
„God beware! heer overste,” antwoordde de beschuldigde. „Waar ik met
die in aanraking kwam, heb ik niets dan welwillendheid ondervonden. Het
spijt mij wel, dat ik mij bij mijn indiensttreden niet tot een hunner
vervoegd heb. Misschien zou die wel naar mijne plannen voor de toekomst
geïnformeerd hebben, en dan ware ik behoorlijk ingelicht geworden. Maar
ik herhaal: hoe kon ik gissen, dat die 60 gulden mijne loopbaan zouden
verwoesten?... Toen ik de noodlottige mededeeling twee dagen voor het
vertrek van het detachement ontving, was het te laat. Dat geld
teruggeven kon ik niet, ik had het uitgegeven. O! toen rijpte bij mij
reeds het plan om te deserteeren, en dat had ik zeker volvoerd, hoe?...
dat weet ik niet. Maar het hek der kazerne was dagen lang voor ons
vertrek gesloten... Het was onmogelijk. Later aan boord van die kaag op
de Zuiderzee? Geene gelegenheid! Te Nieuwediep evenmin. Een oogenblik
gloorde de hoop. Ik dacht de reis is lang. Wellicht legt het schip in
Engeland aan om lading, of op de Canarische of Kaapverdische eilanden
om ververschingen in te nemen; of in Zuid-Amerika, of aan de Kaap de
Goede Hoop. Maar het fregat stevende het Kanaal uit, later de
Canarische eilanden voorbij en geen zweem van aandoen. Ik vernam dat
wij noch de Amerikaansche kust, noch Afrika’s zuidpunt zelfs maar te
zien zouden krijgen. Toen maakte zich de wanhoop van mij meester; toen
werd ik krankzinnig, ja krankzinnig! Ik zag mijn geheel leven verwoest
en verloren. Na die zes jaren van het schoonste gedeelte mijns levens,
zou iets anders beginnen niet wel mogelijk zijn. Toen begon ik
verfoeielijke plannen te beramen om mijne vrijheid te herwinnen en....
het gevolg daarvan kent gij.... Ziet, dat is de eenige
verontschuldiging, die ik in te brengen heb, en ik laat het aan het
oordeel der heeren over om te wegen in hoeverre het aangevoerde daartoe
dienen kan....”
Hij zweeg. Stil en aandachtig zaten die mannen daar, die straks hun
vonnis zouden uitspreken. Hooge ernst was op ieders gelaat te lezen.
Gehoorzaamheid aan de wetten, onderwerping aan de krijgstucht hadden
zij eenmaal bezworen. Bij het aanvaarden der zware taak als
krijgsraadslid hadden zij in handen van den plaatselijken militairen
kommandant den eed afgelegd, dat zij naar plicht en geweten recht
zouden doen. Dien plicht zouden zij nakomen! Toch welde in hun hart
deernis op voor dien man, die daar voor hen stond. Hij had zwaar
misdaan, o! daaromtrent bestond geen schijn van twijfel; maar zij
gevoelden, dat hij waarheid sprak, dat hij door de omstandigheden en
door de menschen deerlijk misleid was.
„Hebt gij er nog wat bij te voegen?” vroeg de overste met ietwat rauws
in zijne stem, alsof hij een snik inslikte.
„Ik heb de heeren nog een verzoek te doen. Och, dat zij mij nog een
oogenblik gehoor verleenen!” sprak Taugwalder met smeekende stem.
„Spreek vrij op,” antwoordde de voorzitter van den krijgsraad met
deelneming.
„Wanneer de tijding van mijn wedervaren,” begon de beklaagde met
zachtruischende stem, alsof hij tot zich zelven sprak, „daarginds in
het Zermatt-dal, dat zich met zijne pijnboom-bosschen liefelijk
tusschen de gletschers van den Matterhorn en den Breithorn uitstrekt,
zal ontvangen worden, och! wat zal daar dan droefheid heerschen! O,
mijn arme vader! mijne arme moeder! mijne arme zusters! Mij breekt het
hart, wanneer ik daaraan denk.... Wat ik echter het meeste ducht, dat
is de schande, die over die brave lieden zal komen, wanneer daarginds
vernomen zal worden, dat ik een smadelijk.... niet eervol doodvonnis
ondergaan zal hebben....”
Zijne stem stokte, hij snakte naar adem. Gedurende een wijl werd hij
door zijn luid snikken belet om voort te gaan. Toch vermande hij zich
weer.
„Die tranen zijn onwaardig,” sprak hij, toen zijne stem meer vastheid
had herkregen. „Gelooft niet, heeren, dat ik den dood vrees; neen! gij
zult zien, dat ik hem als man te gemoet zal treden, dat ik hem
onverschrokken zal ondergaan; maar ik smeek u, laat mij niet ter dood
brengen als een dief, als een verrader, als een eerlooze. Ja, ik heb
den dood verdiend. Ja, ik heb zwaar gezondigd tegen de krijgstucht,
tegen de subordinatie. Ik heb mij uwe wetten laten aangeven; artikel 81
van uw Crimineel wetboek laat mij geen sprank van hoop: „Ingeval van
oproer, van algemeenen opstand van de militairen tegen hunne
superieuren, zullen de aanstokers, bewerkers en hoofden van den opstand
met den dood gestraft worden.” Dat’s duidelijk. Maar heeren, slechts
met den dood, hoort ge: slechts met den dood! niet met een
niet-eervollen dood! Ook het artikel 100, dat zegt: „Ingeval de
onderofficier of soldaat zich tegen zijne meerderen met der daad
verzet, het geweer tegen hem trekt, hem aangrijpt, slaat, kwetst of
eenige andere daden van geweld tegen hem pleegt, zal hij met den dood
gestraft worden,” veroordeelt mij, laat mij geen hoop over. Maar,
heeren! ik herhaal het: slechts tot den dood! Ik ben onschuldig, ik
betuigde het straks nog, aan iedere gedachte om mij met iets, aan het
schip of aan de opvarenden toebehoorende, te helpen verrijken. Ja, ik
heb de hand opgeheven tegen mijne officieren, en heb derhalve den dood
verdiend, maar slechts den dood des krijgsmans!.....”
Diep haalde de ongelukkige gedurende eenige oogenblikken adem. Daarna
vervolgde hij:
„Ziet ge, dat is het verzoek, hetwelk ik u doen wilde. Veroordeelt mij
niet.... tot den strop, veroordeelt mij om onder het Oranje-vaandel,
wat ik bij een anderen gang van zaken trouw zou gediend hebben,
doodgeschoten te worden. Niet alleen zal ik, rampzalige, u in mijne
laatste oogenblikken dankbaar gedenken; maar daarginds uit een van
Zwitserland’s meest verborgene dalen, zal eene innige bede oprijzen
voor de mannen, die eene geheele familie voor de schande van een
onteerend vonnis over een hunner uitgesproken, hoedden. En nu, God geve
dat mijne woorden weerklank in uwe krijgsmansharten mogen gevonden
hebben!.... Ik heb gezegd!...”
Het was stil in die zaal, waar die mannen rondom de langwerpige ronde
tafel geschaard zaten. Men zou een speld hebben kunnen hooren vallen.
De meesten dier krijgslieden waagden het ternauwernood adem te halen,
als vreesden zij de betoovering te verbreken, die hen geboeid hield.
Aller oogen waren op den rampzalige gevestigd; aller gelaat drukte
onverholen de meeste deernis uit, zelfs waren er, en daaronder ook de
jeugdige rechtsgeleerde, die zich niet schaamden hun zakdoek te
voorschijn te halen, om den traan, die hun oog verduisterde, weg te
vegen.
„Beschuldigde, de krijgsraad zal uw verzoek in gezette overweging
nemen,” sprak de overste met ontroerde stem, „en naar plicht en geweten
handelen.”
„Daar ben ik overtuigd van,” sprak Taugwalder met vaste stem.
„Hebt gij nog iets bij te voegen of mede te deelen?”
„Niets meer, heer overste, dan u en de leden van den krijgsraad mijne
erkentelijkheid te betuigen voor de welwillendheid, waarmede zij mij
aangehoord hebben.”
Bij die laatste woorden boog de Zwitser eerbiedig. De president van den
krijgsraad gaf een teeken aan den provoostgeweldige, die den beklaagde
wegleidde.
Na zijn vertrek zaten de leden van den krijgsraad een poos in stille
overpeinzingen verzonken. Eindelijk vroeg de president andermaal of het
geding behoorlijk toegelicht was, om daarop recht te kunnen spreken. En
toen die vraag met algemeene stemmen bevestigend beantwoord was,
noodigde hij den auditeur-militair om binnen de tweemaal vier en
twintig uren te dienen van eisch.
Drie dagen nadat de krijgsraad kennis had genomen van de conclusie van
eisch, ter goeder tijd door den auditeur-militair ingediend, vergaderde
dat lichaam weer. Dat rechterlijk stuk was een welsprekend betoog van
de schuld der drie aangeklaagden, dat evenwel van groote welwillendheid
voor Taugwalder ademde. Helaas! hier viel geen onschuld te betoogen,
geen verzachtende omstandigheden te bepleiten. De schuldigen waren tot
bekentenis gekomen, de getuigenissen waren verpletterend; er viel niets
anders te doen, dan naar de letter van de wet schuldig verklaring en
veroordeeling der beklaagden te vorderen.
Toen de voorlezing van dien breed gemotiveerden eisch beëindigd was,
werd den leden van den krijgsraad een wijl geschonken om dien eisch in
overweging te nemen, waarna de president tot de stemming overging. Die
stemming kon niet twijfelachtig zijn. Geen enkel bezwaar werd tegen de
overwegingen, of tegen de conclusie ingebracht. Het vonnis verklaarde
Taugwalder schuldig aan oproer aan boord van het fregatschip Fernandina
Maria Emma te hebben aangestookt, en de aanleider van den tot een begin
van uitvoering gekomen opstand te zijn geweest, en veroordeelde hem
dientengevolge tot de straf des doods met den kogel. De beide anderen
werden schuldig verklaard aan hetzelfde feit, niet alleen, maar
daarenboven aan geweldenarij met erkend plan om zich van het schip
meester te maken, de bezittingen der opvarenden te plunderen en de
vrouwelijke passagiers aan de meest gruwzame mishandelingen te
onderwerpen en dientengevolge in verband met de artikelen 172 en 174
van het Crimineel wetboek veroordeeld tot de straf des doods met den
strop.
De rechters commissarissen vergezeld van den auditeur-militair begaven
zich tot de gecondemneerden om hun mededeeling te doen van het geslagen
vonnis, en hen in de gelegenheid te stellen om zoo zij zulks vermeenden
te moeten doen, daarvan binnen de drie dagen te appelleeren.
De tot de galg verwezenen grepen ijverig dat middel aan om hun ellendig
bestaan te rekken en teekenden onmiddellijk appel aan. Taugwalder
weigerde dat evenwel.
„Dat ik ter dood veroordeeld ben,” antwoordde hij, „ontzet mij zeer. De
mensch is al een heel wonderlijk schepsel. Zelfs in de meest wanhopige
gevallen blijft hem in weerwil van alles een sprankje van hoop bij. Dat
is nu weg. Ik heb mijn lot verdiend, en zal mijn leven niet verder aan
de menschelijke gerechtigheid betwisten. Ik dank de heeren evenwel, dat
zij aan mijne bede gehoor hebben gegeven. Ik zal als een waardig
militair weten te sterven.”
Het duurde lang eer dat het vonnis van den Zwitser door het Hoog
Militair Gerechtshof geapprobeerd, en eer door den Gouverneur-Generaal
het „fiat executie” verleend was. De autoriteiten begrijpen veelal
niet, hoe wreed het vertragen ten dezen werkt. Ontzettend is de
gedachte aan hetgeen een ter dood veroordeelde lijdt, aan het hopen en
het vreezen, dat beurtelings zijn gemoed bestormt, terwijl zijne
proces-stukken rustig in de archiefkasten op afdoening wachten van een
groepje oude heeren, die slechts weinige uren in de week bijeenkomen om
den achterstand in de rechtsbedeeling bij te werken, terwijl de
gevallen uitspraak soms weken op het bureau van den Opperlandvoogd op
goedkeuring of verandering ligt te wachten.
Maar die lange tijd kroop voor den ongelukkige ook om. Eindelijk
ontving de veroordeelde het bericht dat hij voor den vollen krijgsraad
zoude moeten verschijnen. En toen hij daarvoor gebracht was, werd hem
andermaal zijn vonnis voorgelezen en medegedeeld dat het èn door het
hoogste rechterlijk lichaam èn door den Vertegenwoordiger des Konings
in deze gewesten goedgekeurd was. Nauwelijks was die formaliteit
afgeloopen en was Taugwalder in het vertrek, dat hem tot gevangenis
diende, teruggebracht, of de auditeur-militair vergezeld van twee
commissarissen uit den krijgsraad, verschenen bij hem om hem den dood
aan te zeggen, om hem kennis te geven, dat hij nog slechts tweemaal
vier en twintig uren te leven had, tenzij hij gratie aan den
Opperlandvoogd wenschte te vragen.
Doodsbleek, maar toch met opgeheven hoofd en met heldere stem gaf
Taugwalder ten antwoord, dat hij gereed was te sterven, en dat hij geen
verzoek om gratie wenschte in te dienen. Waartoe zou dat leiden? meende
hij. Of tot verlenging zijner marteling, die reeds te lang geduurd had;
òf tot verandering der doodstraf in tuchthuisstraf, die hij niet
wenschte, omdat hij meende geene onteerende straf verdiend te hebben.
Neen.... hij wenschte te sterven. Hij had nog slechts twee verzoeken in
deze wereld te doen, namelijk om kapitein Van Dam nog eens te mogen
zien, en om het gezelschap der sergeanten Brinkman en Riethoven
gedurende de laatste vier en twintig uren, die hij nog te leven had te
mogen genieten. De auditeur-militair beloofde hem, dat aan die
verzoeken gevolg zoude worden gegeven.