Volle veertien dagen gingen voorbij, alvorens de indeeling van het
detachement, aangebracht door de Fernandina Maria Emma, bij de bureaux
van het Militaire Departement was tot stand gebracht. Bij aankomst van
zoo’n troep waren dan ook destijds de werkzaamheden talrijk; want er
moest op zoovele aanvragen en verlangens gelet, en die in verband
zoowel met de belangen van de dienst als van de betrokken personen
gebracht worden. Nauwelijks toch was zoo’n detachement geland of staten
werden gevraagd van de verschillende ambachten of bedrijven, die door
de manschappen voor hun in diensttreden beoefend waren; en waren die
eenmaal ingediend, dan regende het aanvragen van allerlei aard. De
kapelmeester van de stafmuziek had gebrek aan een paar esklarinetten,
en had vernomen dat een paar artisten onder de nieuw aangekomenen
waren; de sergeant hoornblazer van een der bataillons op Batavia kwam
in concurrentie met de stafmuziek, wel niet voor een esklarinet, maar
bij zijne kapel ontbrak een saxhoorn, en hij verzekerde den
luitenant-adjudant van het bataillon, dat die nu kers-versch uit Europa
was aangekomen. Ja, maar die luitenant-adjudant had aan meer te denken
dan aan dien ontbrekenden saxhoorn; de korporaal schoenmaker van het
korps drong op het bekomen van werklieden aan, hij kon onmogelijk de
reparatie af. Zeker waren er schoenmakers bij het aangekomen
detachement, maar bij andere korpsen was ook gebrek; de zadelmakers bij
de veld- en bergbatterijen en het regiment Oost Indische kavalerie
hadden werklieden noodig; de artillerie-constructiewinkel deed ook zijn
eischen hooren. En zoo ging het met ieder handwerk, met ieder bedrijf.
De genie had behoefte aan timmerlieden, aan smeden, aan aardwerkers,
aan ververs; de artillerie en kavalerie aan hoefsmeden; de bureaux van
het militair departement en van de intendance aan schrijvend personeel;
de chef van den geneeskundigen dienst liet informeeren of er geen
apothekers-leerlingen of geen hospitaal-oppassers onder de nieuw
aangekomenen schuilden. Zelfs van de civiele diensten kwamen aanvragen
in. Zoo vroeg b.v. het departement van Burgerlijke openbare werken, of
er geen teekenaars beschikbaar waren. Zoo informeerde de chef der
telegrafie of er geen ontwikkelde jongelieden bij dien tak van dienst
wenschten over te gaan. En die allen vroegen met nadruk en klem en
deden bij hunne aanvragen ’s lands belangen hard klinken.
Toen dan ook de indeeling tot stand gebracht was, en uitgevoerd zoude
worden, spatte het detachement, door de Fernandina Maria Emma
aangebracht, uit elkander, en restte maar een betrekkelijk heel klein
gedeelte van die 180 mannen om bij de infanterie, bij die reine des
batailles, die er toch het meeste behoefte aan had, over te gaan. Maar
ook dezen werden heinde en verre verspreid en, zoo zoude weinige dagen
later een troepje op reis zijn naar Padang of naar Palembang, een ander
naar Riouw of Pontianak, een derde naar Semarang, een vierde naar
Soerabaja, waarvan er weer enkelen of naar Bandjermassin, of naar
Makassar of naar Amboina vertrokken, van al welke plaatsen er weer naar
onderhoorige plaatsjes gezonden werden; zoodat weinige weken later dat
detachement, hetwelk zeventig dagen door de Fernandina Maria Emma
geherbergd was geworden, in de binnenlanden van Java, Sumatra, Borneo,
Celebes, enz. enz. allerwege vertegenwoordigd werd.
Van de onderofficieren, die aan boord waren, werden verscheidene
opgenomen in het aanbevelingsregister bij het Militair Departement, als
geschikt om bij voortdurend goed gedrag en bij voldoenden dienstijver
voor eene plaatsing bij de Militaire School te Meester Cornelis in
aanmerking te komen. Dat onder die gelukkigen Frank Brinkman en Herman
Riethoven behoorden, is buiten kijf. Kapitein Van Dam had omtrent hun
gedrag bij de muiterij aan boord naar waarheid gerapporteerd, en
daarbij zoo’n gunstig verslag omtrent de ontwikkeling en beschaving
dier jongelieden gegeven, dat die opname in bedoeld
aanbevelingsregister op last van den legerkommandant geschied was. Wel
had zich in de eerste dagen van verblijf te Batavia de ingenieur, chef
der telegrafie, bij de beide jongelieden vervoegd en hun zeer
aannemelijke voorstellen gedaan om bij dien tak van dienst, die
destijds op Java in staat van wording verkeerde, over te gaan, maar
beslist hadden de beide onderofficieren die aanbiedingen dadelijk en
zonder aarzeling van de hand gewezen; hoewel die ingenieur er op
aangedrongen had, zijne voorstellen eenige dagen in beraad te houden.
„Neen,” sprak Herman, toen later die zaak tusschen de twee jongelieden
ter sprake kwam, „ik heb eenmaal de uniform aangetrokken, ik wensch in
die uniform begraven te worden. Ik heb den militairen stand lief
gekregen.”
„Anders, die paar nachten in de arrestlokalen van het depot
doorgebracht, en de kort daarop gevolgde bejegening in de Concordia
zijn wel geschikt om iemand te ontnuchteren.”
„Frank,” hernam Herman, terwijl hij zijn vriend bij de hand greep, „er
is een tijd geweest, dat wij dweepziekvol droomden om ons leven aan den
altaardienst te wijden. Zeg, als wij het priesterkleed aangetrokken
hadden, zouden wij dan ook niet een leven vol lijden, vol miskenning te
gemoet getreden zijn, waarbij de zelfverloochening, waarvan kapitein
Van Dam sprak, even noodig zou geweest zijn als bij de loopbaan, die
wij thans ingetreden zijn. Herinnert ge u nog de fraaie verzen van
Dechamps in zijn brief „à mon frère missionnaire redemptoriste”:
„Prêtre, tu fus choisir pour chambre nuptiale
La cabane du pauvre, et pour baiser le râle
D’un mourant sur son lit par le chaume abrité;
Et, scellant sur ton front Son divin caractére,
Dieu sacra de Sa main, dans ce profond mystère
Ta sublime paternité.”
„En verder:
„Retourner l’indigent sur son lit de souffrance,
Avoir toujours des mots d’amour et d’espérance
Pour ces maux que le coeur recèle dans ses plis.
Verser une eau du Ciel sur toutes les blessures,
Et puiser le pardon de toutes les injures
Aux genoux de ton crucifix.”
„En verder, verder nog!”
Herman’s stem trilde van aandoening en opgewondenheid:
„A ton habit de prètre, inspirés par la haine,
Leurs yeux n’auront pour toi qu’une rage inhumaine,
Et les petits enfants te suivront de leurs cris!...
Mon frère, ah! cette idée amère me déchire.
Que tu sois le jouet d’une foule en délire.
Et qu’un homme ait pour toi des regards de mépris.”
„Zeg Frank,” ging Herman met klimmenden hartstocht voort. „Zeg, als wij
die woorden zoo hooren, en wij ons de bejegeningen, die ons reeds
wedervoeren en de liefderijke woorden van den legerkommandant bij de
inspectie, en de bemoedigende woorden van kapitein Van Dam bij iedere
gelegenheid herinneren, komt dan niet bij je op, dat de uniformjas en
de priestersoutane, hoewel in vorm en snit veel van elkander
verschillende, toch dat met elkander gemeen hebben, dat zij wier borst
daardoor bedekt worden, geroepen zijn om goed, veel goed rondom zich te
verspreiden! om te verbeteren wat de maatschappij bedierf; maar dat zij
beide aan miskenning, aan wreede miskenning bloot staan?”
„Maar, lieve dweeper....” trachtte Frank die opgewondenheid te stuiten.
„Laat mij voortgaan, ik bid je Frank! Vindt ge niet, wanneer wij zoo
iemand als kapitein Van Dam in zijn omgang met zijn ondergeschikten
kunnen waarnemen, dat de officiersstand het priesterschap nabij komt,
eigenlijk een priesterschap is. Mij dunkt dat die man op het
oorlogsterrein voor den vijand zeer geducht moet zijn; maar voor zijne
ondergeschikten een zorgvolle meerdere, die hunne behoeften meer zal
behartigen, en zich omtrent hunne ontberingen meer zal bekommeren dan
omtrent de zijne. Ziet ge, als ik zoo bij tijden de toekomst
vooruitsnel en mijn geest op toekomstige slagvelden waart, dan na
afgeloopen gevecht zie ik dien edelen chef zich over de gewonden
heenbuigen, hen laven en toespreken, en dan klinkt dat heerlijke vers
van Dechamps mij in de ooren, waarin mijn gemoed slechts een paar
woorden verandert:
„Il tenait dans ses mains sa tète défaillante,
Pour verser un peu d’eau sur sa lèvre brulante;
Il essuyait le sang fuyant avec la vie;
Et il disait tout bas des mots a son oreille,
Ces mots qui font revivre un peuple qui sommeille:
Divins mots de Drapeau, d’amour de la patrie!”
Geestdriftvol waren die verzen voorgedragen. Met den nimbus—die door de
dankbaarheid den kapitein Van Dam verleend werd,—was werkelijk het
karakter van dien officier de hulde gebracht, die het verdiende. Zeker,
die man zou op het gevechtsterrein na volbrachte taak zich ten einde
toe van zijnen plicht kwijten, en aan zorgen voor zijne ondergeschikten
zou het hem niet ontbreken.
„Maar....” vervolgde Herman, nadat beiden een oogenblik na die laatste
ontboezeming gezwegen hadden, „maar.....gij spraakt van ontnuchtering
door dat verblijf in dat arrestlokaal, van ontnuchtering door die
bejegening van den heer Endelbuis. Zijt gij ontnuchterd? ... Waarom dan
de voorstellen van den chef der telegrafie niet aangenomen?”
„Waarom?... waarom? Wel, omdat ik Adelien beloofd heb, als tweede
luitenant om hare hand te komen vragen; omdat ik die epauletten, die
mij zoo trotsch zullen maken, aan hare voeten wil leggen, om mij daarna
onder de leiding van haren vader, in het landbouwvak te bekwamen. Neen,
ik wil mijn doel bereiken, ik wil Adelien waardig worden!”
„Maar, zoudt gij dat ook niet kunnen, door telegrafist te worden? Gij
zoudt wellicht spoediger uw doel bereiken.”
„Laat af met die verleidelijke taal! Welk denkbeeld zou de heer
Groenewald, welk Adelien zelve zich bij zoo’n veranderlijkheid van mijn
karakter moeten maken? Mij dunkt geen groot. Ik had dan even goed het
voorstel van den vader kunnen aannemen en opzichter op een zijner
ondernemingen worden, dat zou mij het doel nog beter naderbij gebracht
hebben. Ik heb het er evenwel op gezet om als luitenant mijne
opwachting bij haar te maken, wie mijn hart onverdeeld toebehoort, bij
leven en gezondheid zal ik in dat voornemen niet falen.”
„Dan vooruit op de baan, die wij ons afgebakend hebben! En geen oor
geopend voor het aanlokkelijke der voorstellen, die ons wellicht nog
gedaan zullen worden!”
Ten gevolge van de muiterij aan boord van de Fernandina Maria Emma,
werden zij, die als getuigen in het geding voor den krijgsraad moesten
gehoord worden, bij de verschillende korpsen te Weltevreden geplaatst.
Zoo werd kapitein Van Dam en luitenant Leidermooi bij het 10e;
luitenant Denniston en sergeant Riethoven bij het 11e bataillon
infanterie ingedeeld, terwijl de apotheker Behren en dokter Hannius bij
het Groot Militair Hospitaal aldaar in dienst gesteld werden. Frank
evenwel, die, behalve bij het kortstondig gevecht met de muiters in de
kerk van het fregat, weinig of niet in aanraking met de belhamels
geweest was, en derhalve slechts omtrent dit punt te getuigen had, zou
in afwachting bij het depot blijven, maar werd ingedeeld bij het linker
8ste bataillon infanterie, dat te Ngawie in garnizoen lag. Aanvankelijk
was hem die plaatsing zeer onaangenaam en morde hij, omdat hij van
Herman, dien hij als een broeder lief had, zoude moeten scheiden.
Daarbij genoot Ngawie in die dagen eene slechte reputatie. Maar toen
hij vernam, dat zij in de residentie Madioen, en de garnizoensplaats
was, die het dichtste bij den Lawoe gelegen was, op wier hellingen
Wilatoong, het oord waar Adelien woonde, aangetroffen werd, toen
verzoende hij zich met het noodlot, dat hij eerst zoo verwenscht had;
ja hij kon eene gedachte niet van zich zetten dat kapitein Van Dam bij
die plaatsing de hand in het spel had. Intusschen zou hij nog een paar
maanden te Weltevreden doorbrengen in eene niet zeer aangename
dienstverhouding bij het depot, dat als een passantenhuis kon
aangemerkt worden, waarbij dus de doortrekkende militairen, die van
heinde en ver van en naar alle oorden van den Indischen archipel
geplaatst en overgeplaatst werden, in afwachting van scheepsgelegenheid
een tijdelijk onderkomen vonden; maar van die mindere of meerdere dagen
verblijf in de hoofdplaats van Nederlandsch Indië gebruik maakten om,
zoo als zij dat eigenaardig noemden, „de blommetjes eens buiten te
zetten.” De dienst bij dat depot was zwaar, omdat er steeds en altijd
toezicht noodig was om zoo veel mogelijk uitspattingen tegen te gaan,
of waar dat niet meer mogelijk was, de gevolgen daarvan door doelmatige
maatregelen te voorkomen of te temperen; maar hij was niet opleidend,
zoo als Frank dien gewenscht had om zoo tot de noodige som van
militaire kennis te geraken, ten einde zoo spoedig mogelijk het
luitenantsexamen af te leggen. Hartverheffend was die dienst ook niet,
het was meestal week doen, wacht betrekken, transporten naar de reede
begeleiden, in één woord, geestdoodende dienstverrichtingen, die
geschieden moesten, maar welke hem geen of zeer weinig tijd overlieten
om zijne boeken ter hand te nemen, terwijl het ongewone klimaat en de
ongezelligheid der onderofficierskamers ook het hunne er toe bij
brachten om Frank onvatbaar tot studie te maken. Daarbij het
gezelschap, waarmede hij gedwongen was in aanraking te komen, was ook
niet geschikt om hem naar een langer verblijf bij dat depot te doen
haken. Tooneelen van dronkenschap en andere uitspattingen waren bijna
dagelijks aan de orde, die door de ellendige grondbeginselen van de
Regeering op het gebied van vrijhandel niet waren tegen te gaan. Sterke
drank werd op Passar Senin, [63] eene marktplaats, die door een dicht
opeen gebouwd Chineesch kwartier omgeven is, op alle punten in allen
vorm als jenever, arak, brandy, tjoe, [64] als ajer kras, [65]
verkocht, en hadden daar in den regel tooneelen van uitspattingen en
brooddronkenheid plaats, waarvan de menschheid gruwde. Wel waren door
het militair bestuur preventieve maatregelen getroffen, zoo als het
verbieden van sommige huizen. Wie hunner, die met de militaire
toestanden destijds bekend zijn, herinneren zich „den arakchinees,” de
„pintoe meirah,” „nonna Betje” en zoo veel andere verboden huizen niet,
waar de bedwelmende dranken met vaten, met okshoofden gesleten werden?
Wel werden er menigvuldig patrouilles uitgezonden om het uitgevaardigde
verbod te doen nakomen. Maar.... die pogingen vonden zoo weinig
medewerking bij de burger-autoriteiten, dat zij niet alleen daardoor
totaal mislukten, maar ook aanleiding tot veelvuldige conflicten van de
civiele met de militaire gezaghebbenden gaven, die bijna altijd door
persoonlijkheden van het genus Endelbuis in het belang van handel en
nijverheid werden beëindigd. Werd door den hoofdofficier, plaatselijken
militairen kommandant te Weltevreden, den toegang tot eenig huis
verboden; fluks werd daarnaast of daarachter onder de hooge bescherming
van den assistent-resident van politie een bierhuis geopend—o het
Chineesche bier, een aftreksel van gemberwortel, was zoo lekker en het
gebruik daarvan volgens een attestum van den geneeskundigen dienst zoo
heilzaam—en werd daarin den potators de vervalschte jenever, de akelige
arak, de brandy, die als zwavelzuur brandde enz., met volle glazen,
wat... met volle kruiken aangereikt. En de militaire autoriteit kon
toekijken, kon ook den toegang tot dat zoogenaamde bierhuis weer
verbieden; maar zag dan de komedie van herrijzenis zich herhalen, en
dat tot in het oneindige toe; terwijl de mannen, die hunnen plicht
nauwgezet meenden te doen, nog de beschuldiging moesten hooren, dat
zij, aan de militaire traditiën getrouw, handel en nijverheid slechts
hinderpalen in den weg legden.
Frank en Herman bezochten wel eens samen na afgeloopen
dienstverrichting Passar Senin, niet omdat zij behagen vonden in de
tooneelen, die daar veelal plaats hadden; maar om in dat oord, waar het
Europeesche, het Chineesche en het Inlandsche element zich, vooral op
marktdagen, tot een ontzettend kluwen vermengde, kennis op te doen
omtrent het land en volk, te midden waarvan zij naar alle menschelijke
berekening vele jaren, waarschijnlijk een aanzienlijk deel van hun
leven zouden doorbrengen. Zij beaamden, dat het beschouwen van de
lagere standen van Java’s bevolking tot eenzijdige opvatting moest
leiden, maar bij de onoverkomelijke kloof, die den minderen militair
als een paria in onze koloniën omgeeft, waren zij thans niet in de
gelegenheid meer voorname maatschappelijke schakels tot onderwerp van
beschouwing te kiezen, en moesten zij zich vergenoegen met hetgeen hun
ten dienste stond, evenwel met het voornemen die leemte later aan te
vullen, wanneer de toekomst aan hunne wenschen zou voldoen.
Die bezoeken aan Passar Senin hadden aanvankelijk de beide jongelieden
eenigen afkeer ingeboezemd jegens de wezens; maar vooral jegens de
militairen, die zich daar aan allerlei uitspattingen overgaven. Maar,
toen zij eenige ondervinding opgedaan hadden; toen zij van nabij gezien
hadden, hoe niets gedaan werd om het kwaad tegen te gaan, hoe
integendeel de verleiding en verlokking in de hand gewerkt werd; toen
zij bedachten van welk gehalte de menschen waren, die men bij voorkeur
voor het leger trachtte aan te werven; toen zij vernamen dat daar
somtijds menschen ronddoolden, die twaalf, vijftien jaren, ja zelfs
meer op de buitenbezittingen doorgebracht hadden, daar van iederen
beschavingsvorm verstoken, geheel verwilderd waren, en nu bij hunnen
plotselingen overgang te midden van de schadelijke uitwassen der
beschaving, hunne zuinig overgelegde spaarpenningen in wilde
brasserijen deden opgaan, maakte die afkeer plaats voor diep medelijden
met de armen van geest, met de onontwikkelden, met de verdoolden; maar
tevens ontkiemde in hunne ziel voor het eerst de gedachte, dat de
bestuurders in Nederland en de bestuurders te Batavia hunnen plicht ten
opzichte van Nederlandsch Indië niet deden, en dat dit plichtverzuim
zijne oorzaken in de aanbidding van het Gouden Kalf vond.
Die gedachte deed pijn; zij trachtten haar te verbannen. In menig
gesprek traden zij over en weer vergoelijkend op en meenden, in
verkeerd geplaatste menschenmin enz. de drijfveer van sommige
handelingen te ontwaren; een enkele maal bepleitten zij vermeende
onmacht. Och!.... zij zouden op dat gebied in hunne loopbaan nog veel
ervaren. Zij zouden veel hunner droombeelden, geheel en al den goeden
waan, dien zij koesterden, in rook zien verdwijnen.
Bij een dier ethnologische tochten, zoo als Frank die noemde, waren zij
eerst den weg naar Meester Cornelis tot bij Struiswijk opgewandeld,
waren daarna omgekeerd tot bij de brug van Kramat [66], alwaar zij
rechtsom sloegen, om de Defensielijn van den Bosch eenigen tijd te
volgen. Maar, daar te dier tijde de weg langs die Defensielijn, welke
slechts uit een bespottelijk walletje van kinderachtige afmetingen met
nog kinderachtiger daarvoor gelegen grachtje of slootje bestond, slecht
onderhouden en derhalve in den regentijd uiterst morsig was, sloegen de
veldontdekkers den eersten den besten weg links in, die hen in meer
begaanbare dreven moest brengen. Die gekozen weg leidde hen door
kampong Djagal, waarin weinig te zien was, en waar de bezoekers door
een woedend gehuil van de daar aanwezige gladakhonden [67] ontvangen
werden, en kwamen zij zoo op Passar Senin terecht, maar thans langs de
achterzijde en bij gevolg op een gedeelte, dat zij nog niet bezocht
hadden. In dat gedeelte wemelde het van warongs-kraampjes, waarin
voornamelijk eetwaren te koop waren. Zij zagen daar ettelijke
militairen aanzitten, die zich een kop koffie lieten smaken. Het
voorbeeld was aanstekelijk en de aroma, die het aftreksel verspreidde,
verleidelijk. Daarenboven de wandeling had hen eenigszins vermoeid,
zoodat zij weldra plaats genomen hadden, en met een kop koffie voor
zich en een stukje gebak in de hand, daar zaten te genieten. Ja, te
genieten; want het gebak, van een soort tulband-deeg vervaardigd, was
uitmuntend en de koffie overheerlijk. Zij moesten zelfs erkennen, dat
zij nimmer, zelfs in de rijkste inrichtingen van Amsterdam, Brussel of
Parijs betere koffie geslurpt hadden, dan hier in dien eenvoudigen
warong. Het eenige wat hen aanvankelijk tegenviel, was dat geen melk
verstrekt werd; maar toen zij geproefd hadden, kwamen zij tot de
meening, dat zelfs de heerlijkste room het geurige aftreksel, dat zij
voor zich hadden, zoude bedorven hebben.
Die eerste proef had hen zoodanig verlekkerd, dat toen die verorberd
was, zij eene tweede editie aan de warongvrouw vroegen. Nu evenwel
slurpten zij meer bedachtzaam en namen den tijd eens rond te zien. Ja,
zij zaten daar in een van alle kanten open kraampje, waarin zij voor de
voorbijgangers, die talrijk waren en zich letterlijk verdrongen, ten
volle zichtbaar waren. Niemand lette evenwel op hen. Dat zij een kop
koffie dronken, scheen heel natuurlijk; daarenboven èn in de warong,
waarin zij aanzaten èn in de rechts en links staande, bevonden zich
meer militairen, waaronder onderofficieren, ja zelfs onderadjudanten.
„Wij doen er geen kwaad mee,” antwoordde Herman Riethoven op eene
deswege gemaakte opmerking door Frank.
„Dat is zoo,” antwoordde deze. „Toch zou ik hier ongaarne door kapitein
Van Dam of door den heer Groenewald gezien worden.”
„Wie die heer Groenewald is, weet ik niet,” sprak een onderofficier,
die in hunne nabijheid zat, met een zware basstem. Het scheen een oude
snorbaard, die behalve het kruis van de Militaire Willems-Orde, ook nog
de zilveren medaille voor trouwen dienst op de borst droeg.
„Wie die mijnheer Groenewald is, weet ik niet; maar wanneer hij met
Indische toestanden bekend is, dan kan hij ulieden, hier ziende zitten,
daarover evenmin als kapitein Van Dam, dien ik ken, met een vertoornd
oog aankijken. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Lieden van onzen stand
treffen hier in dit land geen koffiehuizen aan, waar zij...”
„Maar de kantine dan?” vroeg Frank....
„Ja, laat je daar maar eens een kop koffie aanreiken,” pruttelde de
snorbaard, „dan lus je gedurende zes weken geen koffie meer. Dat is
echt onvervalscht lobkousenwater!”
„Wij zitten hier wel te kijk,” zei Herman lachend.
„Gezellig, niet waar?” meende de oude. „Wij worden gezien en zien ook
op onze beurt. Het is hier wel aardig zitten. Kijk, daar die mooie
Javaansche meid!”
„Tabeh, hati maas!” (goeden dag, gouden hartje), wenkte de oude heel
galant.
De schoone stevende glimlachend voorbij, terwijl zij hare heupen in
zekere „cadence” bewoog en den bos sleutels, die middels een zilveren
ring aan haren rood zijden zakdoek geknoopt en over haren schouder
bengelde, liet rinkelen; zij antwoordde evenwel niet.
„Een aardig kruisbootje!” grinnikte de oude.
En zich naar de jonge vrouw keerende, riep hij:
„Marri sinie hati!” (Kom hier hartje).
Maar deze vervolgde glimlachend haren weg, door den ouden sergeant
nageoogd.
„Wat is dat daar voor een gebouw, daar voor ons?” vroeg Riethoven, den
snorbaard, om hem van zijn „hati” te verstrooien.
De oude keek hem wantrouwend aan.
„Meen je dat krot?” vroeg hij. „Ja?.... Och, je vraagt naar den
bekenden weg!”
„Neen, ik verzeker je. Wij komen heden voor het eerst op dit gedeelte
van den passar,” antwoordde Herman Riethoven.
„Enfin, ik wil jullie gelooven,” sprak de oude onderofficier. „Jullie
hebt er net melkmuilen naar. Zeker pas met de snertschuit aangekomen?”
Frank en Herman glimlachten, toen zij de Fernandina Maria Emma, het
fraaie fregat, waarop kapitein Butteling zoo trotsch was, met den naam
van snertschuit hoorden betitelen.
„Ja, wij zijn nog niet lang uit Nederland aangekomen,” antwoordde
Riethoven. „Maar ik herhaal mijne vraag: wat is dat voor een krot, zoo
als je het noemt?”
„Dat is de sp..... [68] En dat, hetwelk daar onmiddellijk aansluit, dat
is de opiumkit.”
„De opiumkit?” vroegen de beide jongelieden te gelijk, „wat is dat?”
„Een plaatsje waar lekkertjes opium geschoven wordt.”
„Geschoven?”
„Geschoven, of gerookt, dat is hetzelfde. Voor opiumrooken zegt men
schuiven, waarom? weet ik niet.”
„Is die opiumkit toegankelijk?”
„Ja, en het andere krot ook. Wilt gij ze bezichtigen? Kom, ik zal uw
„maliem” (gids) zijn. Maar, oogen en ooren open; maar neus en mond
dicht!” was de aanbeveling van den ouden.
Zij traden het eerst de opiumkit binnen. De aanbeveling om den neus
gesloten te houden, was hier niet overbodig. Eene zoet- en weeachtige
lucht doortrok hier den dampkring, en deed het reukorgaan uiterst
onaangenaam aan. De bezoekers waren een soort vestibule ingestapt, als
eene smerige vierkante ruimte in het bedoelde gebouw, waarop een paar
vertrekjes en een lange maar smalle gang uitkwamen, dien naam
verdiende. Er waren daar een paar loketopeningen zichtbaar, als bij
onze spoorwegstations om de kaartjes in ontvangst te nemen, waar
inlanders en zonen van het Hemelsche rijk roode papiertjes tegen gereed
geld verwisselden, en daarna in den vermelden gang verdwenen.
„Maoe apa?” (wat wilt ge) vroeg een der Chineezen achter zoo’n loketje
aan ons drietal.
„Maoe lihat sadja, babah.” (Wij willen slechts kijken babah) [69]
antwoordde de oud gediende en stapte met zijn makkers den gang in.
Daar werd die zoetachtige geur, dien zij bij het binnenkomen
waargenomen hadden, nog weeër. Die gang, die langs de achteromwanding
van het gebouw liep, strekte zich aan de andere zijde langs eene reeks
kleine vertrekjes uit, die daarvan slechts door eene omwanding en eene
deur van gespleten bamboe gescheiden waren, tusschen welker reten de
blik vrij in de binnenruimten dier vertrekjes kon dringen.
„Kijken!” sprak de snorrebaard.
In ieder dier vertrekjes was eene „baleh-baleh”, (rustbank), ook alweer
van gespleten bamboe vervaardigd, waarop eene vuile mat en een nog
vuiler hoofdkussen aanwezig waren. In de meeste dier hokjes bevonden
zich op dat uur menschelijke wezens, die voor het meerendeel met
opiumschuiven bezig waren. In de meest achtelooze en onkiesche houding,
niet altijd behoorlijk gedekt door den sarong of de onevenredig wijde
Chineesche broek, lagen zij daar uitgestrekt op die „baleh-baleh” en
hadden eene opiumpijp in de hand, of namen die aan van eene deern, van
het voorkomen als onze jongelieden het „hati maas” van straks hadden
zien voorbijstevenen. Zij brachten die pijp,—welke uit een dikken
bamboesteel bestond, met een pijpenkopje daarop, dat met het vereischte
amfioenballetje voorzien was,—bij het vlammetje van een klein
olielampje, dat op de rustbank stond, zogen den rook van den
verbrandenden opium met lange teugen in, behielden hem zoo lang
mogelijk in den mond, slikten hem dan door en lieten hem vervolgens in
uiterst fijne spiralen door de neusgaten ontsnappen. Zij zagen daar de
werking van het bedwelmende heulsap in zijne verschillende phasen. Hier
een, die pas begon, nog slechts de eerste trekken deed; daar een meer
verslaafde, die eene tweede pijp greep, omdat de eerste hare werking
miste; elders een, die door de opklimmende loomheid van het bedwelmend
middel bevangen werd; verder een, die reeds in verrukking de hem
dienende deern voor een hoeri uit Mohammed’s paradijs aanzag, haar den
arm om het middel sloeg en....
„Mijn God, mijn God,” kreet plotseling Herman, terwijl hij Frank bij
het polsgewricht greep en hem voortsleurde; „dat is te afschuwelijk!
Kom meê, kom!”
„Maar, wat is er dan toch?” vroeg Frank.
„Kom maar mee! Neen, niet kijken!” voer Riethoven opgewonden voort, en
trok zijn vriend naar buiten.
De oude snorrebaard volgde hem, maar wierp alvorens een blik in het
hol, waarin Herman gekeken had. Daarop spoedde hij ook naar buiten.
„Het is walgelijk, dat beken ik,” zei hij op den vragenden blik der
twee jongelieden, „maar dat is een gruwel, die bij dat ras niet
ongemeen is.”
„Maar, wat hebt gij dan toch gezien?” vroeg Frank.
„Och,” zei de oude, „twee vuile „kee’s,” [70] die.....”
„Stil!... niet verder!” gebood Riethoven.
„Maar ik wou toch weten,” sprak Frank Brinkman.
„Hebt gij ooit begrepen, waarom het vuur des hemels op de Cananitische
steden in Loth’s tijd neergedaald is?... Ja? Welnu, dat vuur had daar
zoo even ook moeten neerdalen!”
„Drommels!” pruttelde de oude, „ge speelt er niet meê. Maar wat zouden
de turf en de steenkolen opslaan, als er zoo te werk meê gegaan werd;
want dat Chineesch zoodje hier is een vuil volkje en... ik heb mij
laten vertellen, dat het in China er niet beter meê gesteld is.”
„Schrikkelijk, schrikkelijk!” sprak Frank.
„Ja!.... en zoo iets gebeurt onder hooge protectie van het
Nederlandsche Gouvernement!” sprak de snorrebaard met een soort
wijsgeerigen zucht. „En niet alleen dat; maar waar de Nederlandsche
vlag geplant wordt, daar verschijnt in de eerste plaats de opiumpachter
[71] met zijn viezen nasleep, en wordt de onnoozele bevolking verlokt
en verleid, ja veelal gedwongen om het gevaarlijke goedje te proeven,
en.... eens geproefd, ja, dan schijnt het onweerstaanbaar te wezen.”
„Dat zal wel overdreven zijn; want waarom zou zoo iets gedaan worden?”
sprak Frank ernstig.
„Je bent erg „bodokh””, (dom) antwoordde de oude. „Waarom?... Wel om de
dubbeltjes. In Holland hebben ze geld noodig en om dat te krijgen,
wordt hier zoo wat de rommel vergiftigd, en....”
„Afschuwelijk! afschuwelijk! Wij zitten in een vies schuitje!” prevelde
Herman. „Maar,” ging hij met meer luide stem voort. „Maar, wat ik met
genoegen ontwaard heb, is, dat ik geen inlandsche soldaten in die
opiumkit gezien heb.”
De oude onderofficier barstte in een schaterend gelach uit.
„Geen inlandsche soldaten!” riep hij uit. „Wel, zij maakten er de
meerderheid uit.”
„Maar, ik heb er geen een gezien,” zei Herman.
„Dat is mogelijk. Luister evenwel. Het is natuurlijk den militairen bij
garnizoensorder stipt verboden, om in de opiumkit te verschijnen. Vindt
eene patrouille een soldaat daarin, dan wordt hij onverbiddelijk
ingerekend. Maar.... laat mij uitpraten; ook daarop weet de pachter een
loopje. De inlandsche soldaten, die opium wenschen te schuiven, kruipen
een der omliggende huisjes van de kit binnen, trekken daar hun uniform
uit en een gereedliggende koelie-plunje aan, en betreden alsdan gerust
het opiumhol. Geen mensch, die een vinger naar hen zal uitsteken!”
„Maar als ik er een herkend had,” sprak Riethoven, „dan zou ik hem bij
zijn kraag gevat en hem naar de politie-wacht gebracht hebben.”
„Dat is mogelijk; maar.... dan zou het je even als mij vroeger gegaan
zijn.”
„En hoe was dat?” vroegen beide onderofficieren nieuwsgierig.
„Wel, ik deed eens, wat ge daar zeidet, en ik meende mijn plicht te
doen. De kerel, dien ik bij zijn nek had, spartelde geweldig tegen, wat
te begrijpen is, daar veertien dagen provoost in het vooruitzicht
stonden.—Maar ik had hem goed te pakken! In Gang Kenanga ontstond
evenwel een opstootje. Een paar brutale Chineezen vroegen mij, wat ik
met dien „prijman” (vrijman, burger) te maken had. Ik antwoordde, dat
het een soldaat was. Zij beweerden van neen, en zeiden hem te kennen.
Ja, ik gaf wat om de bewering van dat gespuis! Ik kende den vent, hij
stond bij mijn eigen bataillon. Maar daarop liepen de Chineezen
schreeuwend te hoop, haalden lange bamboestaken voor den dag, sloegen
dapper op mij los en raakten mij geducht. Wel had ik mijn sabel
getrokken; maar wat kon ik doen? Die ellendelingen met hunne lange
bamboes bleven op twee ellen afstand van mij en sloegen maar toe. Toch
hield ik mijn arrestant vast, en ik weet niet wat er gebeurd zou zijn;
maar daar verscheen de schout, en vergde van mij, dat ik den man aan
hem zou afstaan. Zoo deed ik en zag hem door dien Europeeschen
ambtenaar wegbrengen. Twee dagen later werd ik op het plaats-bureau
geroepen. Ik vond daar den schout en eene menigte Chineezen, die een
mij geheel onbekenden inlander omringden. Toen ik verscheen, vroeg de
militaire kommandant mij, waarom ik dien man gearresteerd had. Ik
antwoordde, dat ik den fuselier Soeromongolo van het 10e bataillon
infanterie gearresteerd had, dat deze man mij geheel onbekend was. De
schout betuigde dat deze de man was, dien hij uit mijne handen
overgenomen had. De Chineezen bezworen dat, en verklaarden daarbij dat
ik „mâbokh” (dronken) geweest was en op den passar ruzie gezocht had.
Ik dronken!... Ik heb nimmer sterken drank over de lippen gehad ... Het
einde van het liedje was, dat de Overste mij vier dagen provoost gaf
met de toevoeging er bij, dat ik zoo’n lichte straf kreeg, omdat ik
zoo’n bijzonder gunstig strafregister had. Ik heb later vernomen, dat
hij heeft moeten toegeven aan den Assistent-Resident van Politie, die
geëischt had, dat ik streng gestraft werd, omdat ik de Civiele
autoriteit noodeloos bemoeielijkt had. Of ik genezen was? dat kunt ge
begrijpen! En daarom, jeugdige melkmuilen,” zoo besloot de snorrebaard
zijn verhaal, „spiegelt je aan mijn voorbeeld. Voor den opiumpachter
buigt geheel Nederlandsch Indië. [72] Zoo’n Chinees oefent eigenlijk
meer macht uit dan de Gouverneur-Generaal zelf.”