Voor Riethoven en Brinkman was het nog te vroeg om naar het kampement
terug te keeren. Wat moesten zij trouwens daar ook uitrichten gedurende
den langen avond? De chambrée’s der manschappen en de
onderofficiers-kamers waren erbarmelijk verlicht, door middel van
geribde waterglazen van de eenvoudigste soort, waarin een pitje te
midden van een bruine kwalijk riekende olie [53] rookte, en door een
donkerrood vlammetje verteerd werd, dat zoo min mogelijk licht
verspreidde, en door den soldaat in zijne eigenaardige maar vaak zoo
juist uitdrukkende taal met den naam van „gloeienden spijker” begiftigd
was.
Onze beide baren besloten nog eene wandeling te maken, alvorens
huiswaarts te gaan. Zij hadden daartoe een paar uren beschikbaar,
alvorens dat het avondappel zoude geroffeld worden. Het geluk diende
hen. Toen zij de Sluisbrug betraden, die bij de Citadel Prins Frederik
den oostelijken tak der Tjiliwong overspant, ontmoetten zij de heeren
Slierendrecht en Van Diepbrugge, hunne reisgenooten van de Fernandina
Maria Emma, die in gezelschap van een hunner bekenden, welke zijn leven
te Batavia doorbracht, eene avondkuiering maakten. Na een handdruk
gewisseld te hebben, vernamen de beide ambtenaren ter beschikking dat
hunne reisgenooten even als zij een paar uren aan eene wandeling
wenschten te wijden en noodigden hen derhalve uit die gezamenlijk te
maken.
„Wij hebben hier in den heer Patimana een uitmuntenden gids,” zei Piet
Van Diepbrugge, na de twee onderofficieren aan dien heer voorgesteld te
hebben, „die ons beloofd heeft, ons een belangwekkend gedeelte van het
nieuwe Batavia te laten zien.”
De heer Patimana boog bij die woorden. Hij had evenwel bij de
voorstelling een vreemden blik op de beide sergeanten geslagen. Hij was
volgens zijn naam van Portugeeschen oorsprong; maar scheen door zijn
gelaatskleur en zijne wezenstrekken zoo nauw verwant aan den
Javaanschen volksaard, dat de gedachte niet kon verbannen worden, dat
zijn geslachtswapen, wanneer het een duizendkunstenaar mogelijk ware,
dat in volle glorie te voorschijn te roepen, verscheidene dwarsbalken
zoude vertoonen.
Van geslacht tot geslacht waren de leden van de familie Patimana als
ingezetenen van Batavia te beschouwen geweest. Overgrootvader,
grootvader, vader en zoon waren ambtenaren geweest, weleer van de Edele
Compagnie, thans van het gouvernement. De pen was bij hen allen in
eere, en was die dan ook in hunne handen tot een kunstvaardig werktuig
geworden, waarmede zij meesterstukken op het gebied van schoonschrijven
vervaardigden en vervaardigd hadden. Maar die familie-loopbaan van
penridder had hun eene armzalige meening doen opvatten ten opzichte van
een ieder, die tot de civiele ambtenaarswereld niet behoorde, die zijne
lafenis niet vond aan de zwarte bron van den officiëelen gouvernements
inktkoker, hij mocht dan koopman, industriëel, planter of soldaat zijn.
Maar vooral had deze vertegenwoordiger van dat doorluchtig geslacht een
zekeren afkeer van militairen beneden den rang van officier.
„Dat zijn lieden,” zei hij, wanneer hij zich daarover uitliet, „die
niet als „mijnheer” in het land waren gekomen.”
Van daar zijn vreemdsoortige blik op de twee onderofficieren, die dezen
bij het avondduister evenwel gelukkig niet opvingen. Toen de heeren Van
Diepbrugge en Slierendrecht de beide sergeanten de hand met warmte
drukten, maakte mijnheer Patimana van den nood eene deugd, stak hun
zijne hand ook toe en zette zijn gezicht in de meest mogelijke
vriendelijke plooi.
„Zeker oude schoolkameraden?” vroeg hij.
„Volstrekt niet,” antwoordde Piet Van Diepbrugge. „Wij maakten kennis
aan boord van het schip, dat ons herwaarts bracht. Is het zoo niet,
heeren?”
„Ik ben zonder schip in het land gekomen,” antwoordde Patimana
luidkeels lachende.
„Dat is jammer,” betuigde Slierendrecht. „Het leven aan boord is wel
geschikt om elkander grondig te leeren kennen en daardoor den hoeksteen
te leggen van menig trouw vriendschapsverbond.”
„Wij althans hebben daar de heeren Riethoven en Brinkman leeren kennen
en waardeeren,” voegde Van Diepbrugge er bij, „en wij hopen dat onze
kennismaking niet met het eindigen der reis afgebroken zal zijn.”
De Portugeesche afstammeling meesmuilde, maar zweeg zeer verstandig.
„Is er al iets omtrent uwe bestemming bekend?” vroeg Riethoven aan de
beide ambtenaren.
„Officiëel nog niets,” antwoordde Slierendrecht, „maar daarom weten wij
het toch.”
„Hoe dat zoo?”
„Hier, onze vriend Patimana is kommies ter secretarie, en die heeft
ons....”
„Sjt!....” sprak de Portugees. „Dat zijn zaken, die niet aan de groote
klok mogen gehangen worden. Wat zijn die „tottokhs” [54] toch
babbelkousen!”
„Maar, mijnheer Patimana,” sprak Riethoven met een glimlach, „wanneer
die heeren ons vertellen, waarheen hunne bestemming hen voeren zal, is
dat dat nieuws niet aan de groote klok hangen?”
„Het mocht wat,” pruttelde de verre afstammeling van een der
landgenooten van Vasco da Gama. „Jullie Europeanen zijt nog
praatzuchtiger dan een oude nenèh.”
Hij vergat bij die oordeelvelling, dat hij zich gehaast had van de
wetenschap, op zijn bureau opgedaan, aan zijne nieuwe vrienden
mededeeling te doen, en hij dus het meest aanspraak op die vergelijking
met eene oude nenèh had.
„Wij beloven stipte geheimhouding; maar gaat nu voort met uwe
mededeeling omtrent uwe bestemming,” sprak Riethoven.
„Ik ben ter beschikking gesteld van den Resident van Cheribon,” sprak
Piet Van Diepbrugge.
„En ik van den Resident van Madioen,” vulde Slierendrecht aan.
„Vergeeft mijne geringe aardrijkskundige kennis,” zei Brinkman, „maar
waar liggen die beide Residentiën? Nergens wordt minder de kennis van
onze Oost-Indische bezittingen aangekweekt dan in de inrichtingen, waar
wij beiden onze opleiding genoten hebben.”
„Cheribon ligt aan de Java-zee en behoort tot het zoogenaamde
Westjava,” antwoordde Van Diepbrugge.
„Is dat dicht bij den Lawoe?” vroeg Brinkman andermaal.
„O, olijkert!” lachte de andere, „ik begrijp die vraag. Ligt Wilatoong
niet op de helling van dien vulkaan?”
Frank knikte toestemmend.
„Daar komt mijnheer Slierendrecht dichter bij,” lichtte Patimana toe.
„Hij gaat naar Madioen, dat tusschen de vulkanen Lawoe en Willis
inligt. Het zou mij niets verwonderen of gij wordt te Magettan
geplaatst, dat op de oostelijke helling van eerstgenoemden berg ligt.
Er is eene vacature daar bij de koffiekultuur.”
„Gelukkige sterveling!” mompelde Frank binnensmonds. „En wanneer is uw
vertrek bepaald, mijnheer Slierendrecht?” vroeg hij dezen.
„Dat is nog niet bepaald. Ik heb mijne officiëele benoeming nog niet,
en hoor, dat die nog wel tien dagen kan uitblijven.”
„Nu, zoolang wel niet,” antwoordde Patimana glimlachend. „Maar is die
er eenmaal, dan vertrekt gij ook met de eerste gelegenheid. Denkt ge,
dat het gouvernement „por tjoema” (voor niemendal) traktement en
verblijfkosten uitbetaalt?”
„Voor dien tijd zie ik u nog wel, mijnheer Slierendrecht,” sprak
Brinkman.
„Dat hoop ik,” antwoordde deze. „Maar, is omtrent u beider bestemming
nog niets bekend?”
„Neen, wij zijn nog niet ingedeeld,” zegt Riethoven.
„Och, bij dien soldatenwinkel gaat alles zoo’n slakkengang,” pruttelde
Patimana. „Men moest het geheele militaire departement maar tot een
onderdeel maken van de secretarie, dan zoudt gij eens zien, hoe die
rommel meer voortvarend zou marcheeren!”
Onze onderofficieren keken elkander met een glimlach aan. Dat een
„buikje” [55] zich zoo’n oordeelvelling aanmatigde wekte hun spotlust
op. Zij waren evenwel te goed opgevoed om dien bot te vieren.
Daarenboven zij misten nog de noodige ondervinding om met vrucht op te
treden. Zij zwegen dus, maar zij zouden op dat gebied nog wel meer
beleven.
Ons vijftal was inmiddels voortgestapt. Zij hadden Noordwijk, dat
tegenover Rijswijk aan de andere zijde der rivier ligt, gedeeltelijk
afgewandeld en sloegen, geloodst door Patimana, Gang Petjanongan in,
die schuin tegenover het Java-hotel nagenoeg loodrecht eerstbedoelden
weg snijdt. Het was een eigenaardige buurt, die men thans binnentrad.
Was de verlichting reeds schraal te noemen op de hoofdwegen van de
hoofdplaats van Nederlandsch-Indië, hier schitterde zij nagenoeg door
geheele afwezigheid. Slechts hier en daar, maar op overgroote afstanden
van elkander, bevonden zich bij de ingangen van dwarslanen, die Gang
Petjanongan sneden, aangewitte palen, iets hooger dan eene mans lengte,
waarop ellendige wrakke kleine lantaarns prijkten, nu eens rood dan
weer groen of blauw geverfd, met smerige berookte glazen, waarin een
nachtlampje een walmend vlammetje liet zien, welks lichtkring uiterst
begrensd was. Toch was die gang eene flinke breede hartader, die door
eene dichtbevolkte buurt naar Sawah Bazar voerde, welke laatstgenoemde
heerbaan met Gang Ketapan, met Krokok, met Pinto Bessi, met de
zoogenaamde Defensie-lijnen van den Bosch, met Parapattan en met Kebong
Sirih de boulevards van Weltevreden vormden en die voorstad van Batavia
ook in een groot onregelmatig vierkant besloten.
Die buurt, die onze wandelaars thans betraden, werd de wijk der smalle
gemeente genoemd. Hierbij valt zich volstrekt geen tafereel voor den
geest te halen, zooals de achterbuurten onzer groote steden aanbieden.
Integendeel, alles wees hier op een zekere soort van welvaart, op
reinheid en netheid, die met de niet ver af liggende kampongs der
inlanders zoo’n kontrast maakten. Wel werden hier geen paleizen, geene
vorstelijke gebouwen aangetroffen, zooals langs het Koningsplein en te
Salemba, wel werden hier geene weelderige zuilenrijen en marmeren
vloeren ontwaard; maar toch maakten al die kleine huizen met hare
zindelijk witte muren, met hare voorgalerijen, waarin op dit uur
allerwege helder brandende hanglampen onder de schier onmerkbare
avondbries zacht heen en weder wiegelden, een uiterst prettigen indruk,
waartoe de smaakvolle en bloemrijke tuintjes, die de meeste dier huizen
omgaven, en de hooge schaduw- en vruchtboomen, die hare kruinen boven
de daken dier woningen welfden, en over dag de brandende stralen der
dagvorstin afweerden, en frischheid en afkoeling bevorderden; maar zich
thans dichterlijk geheimzinnig tegen den donkerblauwen keerkrings-hemel
met zijne myriaden sterren afteekenden, het meeste bijdroegen.
Onze wandelaars bekeken en bewonderden ook wel die woningen met hare
omgeving, die toch niet te versmaden waren; maar vooral trokken de
bewoners dier huizen, die zich thans schier allen in hunne
voorgalerijen bewogen, om de frischheid van de avondlucht met volle
teugen te genieten, hunne aandacht. Weinige paggers (heggen), die de
erven gewoonlijk van den openbaren weg afscheidden waren zoo dicht, en
de sierstruiken in de tuintjes waren nimmer zoo talrijk, om den
bespiedenden blik van buiten te kunnen afweren. En het was een aardig
volkje, wat daar waar te nemen viel. Verreweg het grootste gedeelte van
die bevolking behoorde tot het gemengde ras, hetgeen voornamelijk door
de kleur der huid verraden werd. Maar daaronder bevonden zich ook
blanken, creolen uit volbloed Europeesche ouders geboren, of Europeanen
met een schip in het land gekomen, zooals dat destijds heette. Het
waren in den regel ambtenaren en klerken op de Gouvernements-bureaux
beneden een traktement van ƒ 150 ’s maands.—Die daarboven ging, achtte
zich te groot om in Gang Petjanongan en aangrenzende te wonen, en zocht
eene meer aanzienlijke buurt.—Het waren geëmployeerden op de
koopmanskantoren of in de toko’s (winkels) in de stad. In één woord het
waren de beginnende in de Indische maatschappij. Vele van die mannen en
die jongelieden, die daar ontwaard werden, waren of zouden bestemd
worden om, tengevolge van minder grondig onderwijs en middelmatige
opvoeding, tengevolge van gebrek aan geestkracht en werkzaamheid,
tengevolge van wederwaardigheden en van het missen van de gunsten van
de blinde godin Fortuna, maar ook sommigen tengevolge van
lichtzinnigheid, van minder degelijk karakter, zich niet boven die
sfeer van die buurt te verheffen. Anderen daarentegen zouden na
korteren of langeren tijd de vleugelen uitslaan, het huisje, wat zij
thans betrokken, soms met een of meer lotgenooten deelden, tegen een
grooter en in voornamer kwartier verwisselen, de bendie, [56] die hen
thans naar kantoor of winkel bracht, tegen een smaakvollen milord, met
fraaie Makassaarsche, misschien wel met hooge lompe maar zooveel
deftiger Sydney-paarden bespannen, ruilen. Daar waren er onder, die
later in een bont geborduurden rok zouden prijken, den chapeau-claque
met bevallig gebaar onder den linkerarm zouden opvangen, alsof zij
nooit iets anders gedaan hadden; er waren er, die als rijkaards, als
millionnairs later door het leven zouden huppelen, om vroeg of spa in
het oude Nederland eene villa te gaan betrekken, die thans nog niet in
aanbouw was.
Maar van dit alles was in dit uur onder die voorgalerijen niets te
aanschouwen. Wel zaten daar stemmige huisvaders, die weleer ook droomen
van grootheid, van rijkdom gekoesterd hadden, op wier aangezicht de
teleurstelling haren onmiskenbaren stempel gegrift had. Eene soort van
tevredenheid, van kalme berusting evenwel was op die gelaatstrekken
niet te miskennen, hoe hoog gespannen de niet bereikte verwachtingen
ook geweest waren. Zij verbraken het genoegelijke waas niet, dat zich
rondom hen verspreidde. Wat er te ontwaren viel, was een tooneel van
hartelijkheid in omgang, van vriendschappelijkheid, van ongedwongenheid
en van gezelligheid, dat een ieder, die zoo iets voor den eersten keer
te aanschouwen kreeg, het hart goed deed. O! dat er bij die
ongedwongenheid, bij die hartelijkheid wel eens te kort gedaan werd aan
de fijnere beschaving der hoogere westersche kringen; dat er wel eens
een woord in goed Nederlandsch genoemd werd, waarvoor men in andere
gezelschappen hetzelfde woord, maar in eene vreemde taal zoude gebruikt
hebben; dat er ook wel eens gebroken, ja ergerlijk gebroken
Nederlandsch gehoord werd, was niet te loochenen, maar die leemten
werden vergoed door de gulheid en de hartelijkheid, die den boventoon
voerden, zoodanig vergoed, dat ieders hart, zoowel van hen, die met die
„smalle gemeente” in aanraking kwamen, als van hen, die zooals ons
vijftal haar van den openbaren weg door de tusschenruimten der paggers
waarnam, verrukt werd.
Onder de eene voorgalerij zaten eenige bedaagden gezellig om het
speeltafeltje een partijtje kaart te maken, en brachten zoo de
avonduren door. In eene andere zaten zij op wipstoelen in een kringetje
om de ronde tafel, die steeds in het midden der galerij prijkte, te
wiegelen, of op een rijtje langs de balustrade geschaard, om de beenen
gemakkelijk daarop te kunnen uitstrekken. Waar jeugd bij elkander was,
daar steeg de jool ten top, daar werd muziek gemaakt, daar werd
gezongen, voornamelijk door volbloed Europeesche jonge dames of
heeren,—het gemengde ras is slechts bij uitzondering goed bij stem—daar
werd viool en fluit gespeeld, het laatste instrument voornamelijk door
de „toean toean koeliet langsep” [57], die daarop ware virtuosen konden
genoemd worden. Zij wisten daaruit de meest sprekende, smachtende en
smeltende tonen te halen. Hier en daar werd ook pianogetokkel vernomen;
maar dat speeltuig scheen niet en vogue, niet omdat de artisten
ontbraken, maar eerder omdat in Indië zoo’n instrument nog al duur en
het stemmen niet goedkoop is. Die, welke onze waarnemers dan ook
hoorden, brachten tonen voort, die aan de klavecimbalen onzer
grootmoeders deden denken, of aan dat instrument, waarmede de
Savojaarden den dans hunner marmotten op onze kermissen weleer
begeleidden, en een geluid voortbrachten, hetwelk den middenweg hield
tusschen het getokkel eener lier en het gepiep van een vogelorgel. Maar
waar dat pianospel ook vernomen werd, daar heerschte vreugde en pret;
want daar werden geen sonates van Beethoven voorgedragen, ook geen
meesterstukken van Chopin. Neen, daar weerklonken smachtende walsen,
huppelende polka’s, verleidelijke redowa’s of mazurka’s. Daar vormden
zich paartjes, die op de vleugelen der muziek in de voorgalerijen en
binnengalerijen zweefden, en niet altijd rekening hielden met de
bekrompenheid der lokaliteit. Daar zagen onze baren niet alleen dansen
met eene lichtheid en bevalligheid, zoo als zij het nog niet aanschouwd
hadden—want het moet erkend worden dat de meeste Indische dames
volmaakte danseressen zijn—maar zij konden ook kopjes en bekjes
bewonderen, die ieder, die jong was en gevoel voor het schoone had, in
verrukking moesten brengen.
„Wat schoone kinderen!” zuchtte Piet Van Diepbrugge, als naijverig.
„Kijk, die blondine daar eens!” fluisterde Riethoven. „Juno zou geene
fraaiere gestalte hebben.”
„Iets stijfs in die gestalte; iets flets in die trekken, iets slaperigs
in die oogen!” meende Slierendrecht.
„Zoo als meest alle creolinnen zijn,” merkte Sienjo [58] Patimana op.
„Ziet eens daar dat lieve kind. Dat is nonna Leentjie, een ware engel,
heeren!”
Onze Portugees had gelijk, nonna Leentje was een engel! Met haar lief
gezichtje, dat den ronden vorm naderde; met haar zachtbruine gevulde
wangetjes, die evenwel met een frisch rozenrood overdekt waren, dat
uitermate aangenaam getint in de lichte bronskleur der huid overging;
met hare fraai gevormde zwarte oogen, die vurig en meeslepend konden
genoemd worden; met haar klein mondje, gevormd door een paar heerlijke
inkarnaat lipjes, die, wanneer zij zich tot een glimlach plooiden, het
fraaiste gebit ter wereld lieten ontwaren; met haar prachtig donker
hoofdhaar, dat heur gelaat met zware golven omlijstte, en aan het
achterhoofd in overvloedige krullen opgebonden was; met hare rozenroode
blouse die hare buste zedig bedekte—het was toen nog geen mode, dat de
dames hare bekoorlijkheden zichtbaar modelleerden,—maar in weerwil van
de menigvuldige plooien toch zooveel bekoorlijks liet gissen, dat
niemand onzer jongelieden er aan twijfelde, of hij had een van de
meesterstukken der Schepping voor oogen; met hare gestalte, die noch te
rijzig, noch te ineengedrongen, maar zich veerkrachtig en buigzaam
vertoonde, vooral wanneer zij danste en dan, lichtelijk achterover
gebogen met haar middel op den arm van haren „danseur” leunde; met al
die bekoorlijkheden gaf zij een bevallig beeld te aanschouwen, dat
moeilijk te evenaren was.
Waarlijk, nonna Leentje was een engel, een engel van bevalligheid.
„Waren die twee onderofficieren niet bij ons,” fluisterde Patimana de
beide ambtenaren in de ooren, „dan zou ik u hier presenteeren, en dan
zoudt gij een prettigen avond doorbrengen; want kijk, behalve nonna
Leentje, zijn daar nog meer mooie meisjes.”
Frank Brinkman, die deze woorden opgevangen had, en zich toch met dat
„nontongen” [59] niet amuseerde, omdat geen vrouwelijk beeld hem kon
boeien, en hij met de gedachte slechts in het Java-hotel verwijlde,
antwoordde:
„Laten wij u niet hinderen, heeren. Het wordt zoo zachtjes tijd om naar
ons kampement terug te keeren. Als de heer Patimana ons maar den weg
wil wijzen, dien wij te volgen hebben, dan kuieren wij voort.”
„Neen, volstrekt niet,” viel Piet Van Diepbrugge in. „Wij hebben u
overgehaald om gezamenlijk te wandelen; wij blijven bij elkander en wij
brengen u te huis, nietwaar Slierendrecht.”
„Wis en drie!” antwoordde deze. „Maar wij moeten voort. Wij hebben al
te lang naar nonna Leentje gekeken. Kom, vooruit!”
Onze jongelieden wandelden voort. Gang Petjanongan kwam op Sawah bezar
uit. Zij volgden den weg, die zoo heet, vervolgden hunne wandeling
langs Krokot; maar bij de schoutswoning, in die buurt gelegen,
aangekomen, liet Patimana hen eene laan rechts inslaan.
„Ik heb u nu op Passar Bahroe gebracht,” lichtte hij toe. „Ziet ge, gij
behoeft nu maar steeds recht toe, recht aan te loopen, dan komt gij van
zelf op het Waterlooplein te recht....”
Hij aarzelde een oogenblik; de andere jongelui keken hem vragend aan.
„Ik heb hier in de nabijheid in Gang Klientjie eene boodschap te doen,
die ik totaal vergeten had, maar mij nu gelukkig ingevallen is. De
heeren zullen mij excuseeren, niet waar?”
„Voorzeker, voorzeker,” betuigden de vier jongelui. „Vrijheid en
blijheid voor allen! Goeden avond, mijnheer Patimana. Wij danken u voor
uwe begeleiding.”
„Goeden avond, heeren!”
En weg was de vroolijke mosch.
„Ik wed dat hij naar Gang Petjanongan terugkeert,” sprak Jan
Slierendrecht.
„Naar nonna Leentje,” vulde Van Diepbrugge aan.
„Waarin hij trouwens geen ongelijk heeft,” merkte Herman Riethoven op.
„Als ik te kiezen had tusschen een dans met dat lieve wezentje of te
nontongen—zoo als hij dat noemde—met een gezelschap baren, zooals wij
zijn, dan was mijne keuze bliksemsnel geschied.”
„Maar, daar staan wij nu,” pruttelde Brinkman. „Waar nu heen? That is
the question.”
„Hij zei, altijd maar recht toe, recht aan,” antwoordde Slierendrecht.
„Kom, vooruit.”
„Maar, het is hier helsch donker.”
Dat was het. Hij, die deze laatste opmerking uitsprak, had volkomen
recht. Van straatverlichting was geen spoor. Daarbij, het was in het
hartje van den Westmoesson; langzamerhand was eene dikke wolkenbank uit
het noordwesten komen opdagen, die den hemel van zijne
doorschijnendheid en de sterren van haar licht beroofd had. De
duisternis werd nog vermeerderd door twee rijen loodsen, die zich langs
den weg uitstrekten, en overdag gebezigd werden om allerhande koopwaren
onder dak te brengen en tegen de verzengende stralen der tropische zon
te beschermen, maar nu verlaten en natuurlijk niet verlicht waren. Men
moest letterlijk op den tast voortstappen, waarbij onze wandelaars
herhaaldelijk struikelden, omdat aan den weg daar ter plaatse niet veel
zorg besteed was, en de karresporen diep uitgereden waren.
Maar eindelijk waren onze wandelaren die loodsen voorbij. Zij kwamen
toen in het chineesche kwartier, dat zich daar aan weerszijden van den
weg uitstrekte. Ook daar was de verlichting niet rijk te noemen. Van
straatverlichting ook daar geen spoor; maar hier en daar brandde een
lichtje in een winkeltje, terwijl boven de deur van het meerendeel der
chineesche woningen lantaarns [60] bengelden, die in stede van glazen,
roodgekleurd papier tot bescherming van het daarin brandende
olielichtje hadden, en die met hare chineesche letters op die roode
doorschijnende vlakken een fantastisch licht verspreidden. De meeste
huizen stonden open, en ontwaarde de blik daarbinnen tegen den muur,
die den achtergrond van het binnenvertrek vormde, het beeld van eenen
wanstaltigen dikken Chinees, dat boven een altaar prijkte, waarop
verscheidene roode waskaarsen stonden te branden. Langs de deurstijlen
waren breede strooken rood papier geplakt, waarop ook alweer zwarte of
ook wel vergulde chineesche karakters prijkten.
„Het is thans jammer, dat Patimana ons verlaten heeft,” zei Brinkman,
„hij zou ons veel kunnen uitleggen, wat ons nu onbegrijpelijk
voorkomt.”
„Och, laat dien lummel loopen; wij zijn nu in dit land en zullen later
wel vernemen, wat thans onze aandacht boeit,” antwoordde Van
Diepbrugge.
Onder de zeer smalle luifels, welke die chineesche woningen tegen de
zonnestralen overdag moesten beschutten, zaten de mannelijke bewoners
op de even smalle stoepen de avondlucht te genieten. Op de straat
speelden eenige kinderen, terwijl men geen vrouwen gewaar werd. De
meeste dier Chineezen zaten òf stilzwijgend te rooken uit pijpen met
zeer lange rieten roeren en kleine kopjes, òf kakelden met elkander met
eene luidruchtigheid, die het soms deed voorkomen, alsof zij met
elkander twistten. Maar niet zoodra naderden onze wandelaren of eene
plechtige stilte verving het vroegere gesnater. Soms hoorden zij, dat
elkander toegefluisterd werd:
„Diam! olang blanda, soldadoe! blangkali olang mabôh.” [61] Stilte!
daar komen blanken, militairen, misschien zijn zij dronken.
„Die menschen meenen dat wij dronken zijn,” zei Slierendrecht, die te
Delft zooveel Maleisch geleerd had, dat het woord „mabôh” hem op het
spoor bracht, wat die Chineezen bedoelden.
Hier en daar verhief zich een oorverscheurend geluid, niet ongelijk aan
dat, wat een verliefde kater in de maand Maart des nachts in het
vaderland op de daknokken pleegt aan te heffen. Hier was het geen dier,
dat zoo de gunsten eener weerbarstige schoone trachtte te verwerven,
maar wel een jeugdige Chinees, die de „trauwkoei” een eensnarig
instrument, wat wel eenige verre verwantschap met eene viool had,
bespeelde, en met een korten strijkstok daaraan tonen ontlokte of beter
daaruit zaagde, zoo erbarmelijk, dat zij iemands haren recht overeind
deden rijzen en alle Europeesche katers op de vlucht zouden gejaagd
hebben. Een paar fraaie chineesche winkels werden in dat kwartier van
Passar Bahroe aangetroffen, en moesten onze wandelaars erkennen, dat
die smaakvol ingericht en verlicht waren.
Toen ons viertal het chineesche kamp uittrad en de brug overstapte, die
daar ter plaatse de Tjiliwong overspande, en toegang tot de
Comediebuurt verleende, bespeurden zij dat het begon te droppelen.
„Kom, vooruit, vooruit!” sprak Van Diepbrugge. „Hier ben ik in bekende
wereldoorden. Daar ginds, waar gij die lantaarns ziet, is het
Waterlooplein! Vooruit! Kijk de lucht daar achter ons eens zwart zijn.”
De jongelieden stapten vooruit met al de veerkracht, die hunne jeugdige
beenen toelieten. Weldra waren zij op dat plein. Zij hadden reeds het
Groote Huis gepasseerd, toen eensklaps in de verte een geluid vernomen
werd, alsof een rollende wagen snel naderde. Er viel zich niet te
vergissen.
„Drommels, daar is de bui!” riep Piet Van Diepbrugge. „Kom, gauw
hierin, anders worden wij kletsnat!”
Hij stormde met zijne makkers een weg in, die naar een der groote
poorten voerde, die tot het Groote Huis, het paleis, dat Maarschalk
Daendels voor zich bestemde, toegang verleende. Die poort was evenwel
op dat uur van den avond gesloten, zoodat daaronder geen schuilplaats
te vinden was.
„Kom, voort! voort! naar de Concordia!” riep Van Diepbrugge. „Hoort de
bui eens naderen! over weinige minuten is zij hier.”
En het voorbeeld gevende liep hij naar een gebouw toe, dat zich naast
het Groote Huis verhief, en uit welks ruime voorgalerij bundels
lichtstralen het nachtelijke duister daarbuiten doorboorden, en van
eene onbekrompen verlichting daarbinnen getuigden. Juist toen onze vier
jongelieden den trap der voorgalerij bereikten, begon de regen met
groote zware droppels kletterend neer te vallen. Een seconde later, dan
waren allen druipnat geweest; want in een oogwenk gudste het water in
dikke stralen van de daken, en zweepte de noordwestenwind den
dichtvallenden regen over den weg, die weldra onder eene waterlaag
bedolven, aan eene vuilgeele drabbige beek gelijk was, die snel
stroomend de sloten allerwege vulde om zich rivierwaarts te spoeden.
Toen onze jongelieden de voorgalerij binnenstormden, zaten daar
ettelijke officieren en burgers om eene groote ronde tafel, die het
midden dier galerij besloeg. In het gebouw zelf zaten een aantal heeren
om eene langwerpig ronde tafel, couranten en tijdschriften te lezen,
terwijl enkelen zich vergenoegden de platen van verschillende
illustratie’s te bekijken, zonder een enkel woord van den tekst in te
zien. Verderop zaten ettelijke groepjes heeren om speeltafeltjes, en
maakten een gezellig partijtje. In de zijvleugels stonden eenige
biljardtafels, die druk omringd waren.
De „Concordia” was destijds en is nog altijd de officiers-sociëteit van
Weltevreden, waarvan evenwel een groot aantal burgers van Batavia,
zoowel civiele ambtenaren als handelaren, ook lid zijn.
De heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, die zich eenige dagen te
voren in die sociëteit hadden laten introduceeren, naderden de ronde
tafel in de voorgalerij, wisselden een groet met eenige bekenden,
grepen twee stoelen en noodigden Herman en Frank insgelijks te doen en
naast hen plaats te nemen. Deze laatsten, op het gezicht der
officieren, die daar zaten, hadden het militair salut gemaakt,
ontdekten zich daarna het hoofd, naderden bescheiden, evenwel met de
vrijmoedigheid van mannen, die zich in dergelijke kringen weten te
bewegen, maar verzochten toch hunne civiele vrienden hen eerst te
introduceeren.
„Mag ik u verzoeken, mijnheer Abbema, onze vrienden, de heeren
Riethoven en Brinkman, in het introductieboek in te vullen,” wendde
zich Slierendrecht tot een jeugdig ambtenaar, die in den kring zat, en
even als al de anderen de voeten gemakkelijk op een ijzeren stang
geplaatst had, die tot dat doel op een paar voet boven den grond aan de
tafelpooten bevestigd was, en derhalve eene hoepel daarom daarstelde,
„Sapada! kassi boekoe nama!” (aannemen! geef het introductieboek!) riep
de heer Abbema bereidwillig.
Hij werd evenwel in zijne goede voornemens gestuit door een gezet heer
van middelbaren leeftijd, die daar zwijgend tusschen de jongelieden
zat, en zich slechts onledig scheen te houden met kolossale rookwolken,
die hij uit zijn manilla-sigaar zoog, uit te blazen, en van tijd tot
tijd een wippertje aan zijn bitterglaasje te proeven, dat voor hem op
de tafel stond. De man was van top tot teen in het wit gekleed, witte
das, waaruit de punten van een paar staande vadermoorders te voorschijn
traden, die langs ’s mans ooren den weg naar zijn oogen schenen te
zoeken, wit jasje, wit vest met overdikke gouden horlogeketting, wel
geschikt om een dog aan vast te leggen, witte pantalon, natuurlijk
witte kousen, die bijna niet te onderscheiden waren van de lage witte
zeildoeksche schoenen, die almede op den ijzeren hoepel der
„kletstafel” rustten. Zijn gelaat was aschgrauw, bloed- en kleurloos,
alleen zijne oorboorden waren vuurrood. De man scheen zich tot type
gesteld te hebben in zijn gelaatstrekken eene onverstoorbare deftigheid
en voornaamheid te vertoonen.
„Mijnheer Abbema,” sprak hij met indrukwekkende stem en een gebaar,
alsof hij doceeren wilde, „mag ik u in herinnering brengen, dat het
hier geen militaire cantine is.”
De heer Abbema scheen verschrikt en verlegen bij die opmerking, vooral
toen een paar andere niet minder gezette heeren, ook in witte jasjes
gekleed, in de nabijheid gezeten door knikken hunnen bijval betuigden.
De beide onderofficieren traden een pas achteruit, alsof zij zich in
weerwil der stortbui wilden verwijderen, waarin zij evenwel door een
officier, die opgesprongen was en hen naderde, verhinderd werden.
„Maar, mijnheer,” bracht Slierendrecht in het midden, „een fatsoenlijk
man mag toch wel bij fatsoenlijke lieden geïntroduceerd worden, niet
waar?”
„Let wel op, wat ik zeg, mijnheer,” hernam de toegesprokene met de
meest mogelijke deftigheid. „Ik heb alleen den heer Abbema in
herinnering gebracht, dat het hier geene militaire cantine is.”
„Met wie hebben wij het genoegen te spreken?” vroeg Van Diepbrugge, die
zich noemde en de namen zijner vrienden Slierendrecht, Brinkman en
Riethoven noemde, en hen met een gebaar voorstelde.
„Ik ben de directeur Endelbuis, de directeur van binnenlandsch
bestuur!”
De toon, waarop die woorden gesproken werden, klonk zoo hooghartig, zoo
aanmatigend, dat zij niet anders zouden geklonken hebben, wanneer de
heer Endelbuis het „quos ego” van Neptunus had moeten uitspreken om de
verwoede golven tot bedaren te brengen, wanneer hij had moeten
verkondigen, dat hij de Heer van hemel en aarde in persoon was. De
beide jeugdige ambtenaren ter beschikking verbleekten gedurende een
ondeelbaar oogenblik. Zij bevonden zich daar voor een der machtigen van
Nederlandsch-Indië, voor hunnen hoogsten chef en, zóóveel hadden zij
reeds van het leven in dit land vernomen, dat het niet goed was, zoo
iemand te weerstreven. Hunne edele natuur hernam evenwel de bovenhand.
„Gij kunt toch niet willen, niet bedoelen, mijnheer de directeur,”
sprak Van Diepbrugge diepbuigend, „dat die beide onderofficieren in dit
hondenweer naar buiten moeten, terwijl wij hen uitnoodigden hier te
schuilen.”
„Ik wil en bedoel niets, mijnheer,” antwoordde de heer Endelbuis,
terwijl hij den duim en wijsvinger der rechterhand te zamen bracht, en
daarmede bewegingen volbracht, alsof hij spelden in de tafel wilde
tikken, terwijl de drie overige vingeren dier hand sierlijk trapsgewijs
omhoog gericht waren. „Ik wil en bedoel niets. Ik herhaal het, ik heb
den heer Abbema alleen willen herinneren, dat het hier geene militaire
cantine is. Voor u wil ik de opmerking er bijvoegen, dat ik niet
goedkeuren kan, dat de aanstaande ambtenaren van binnenlandsch bestuur
hun gezelschap bij onderofficieren zoeken!”
„Dat gaat te ver!” riep de officier, die de beide sergeanten genaderd
was, en hun intusschen de hand gedrukt had. „Dat gaat te ver! Ik neem
die beide mannen onder mijne hoede, en ik raad een ieder, al is het ook
een directeur van binnenlandsch bestuur, ernstig aan, zich te onthouden
van hen nog een woord toe te voegen dat kwetsend mocht luiden!”
Het was luitenant Leidermooi, onze oude kennis van de Fernandina Maria
Emma, die trillend van verontwaardiging opgevlogen was, bij de
bejegening, die de beide onderofficieren ondergingen.
Frank en Herman stonden doodsbleek daar, hunne lippen trilden, hunne
oogen schoten vuur, toch was er een onbeschrijfelijk weemoedige trek op
hun gelaat waarneembaar. Kalm antwoordde Herman, met dankbare warmte in
zijne stem:
„Wij danken u, luitenant Leidermooi, voor uwe tusschenkomst en voor uwe
toegezegde bescherming bij verder kwetsende woorden. Wij hebben in dit
oogenblik een onzer meerderen leeren kennen, omkransd met den nimbus,
zooals ik mij hen allen steeds omstraald voorstel, namelijk gereed om
steeds voor hunne minderen in de bres te springen. Nogmaals wij danken
u! Maar....” liet hij er vervolgens ijskoud op volgen, „gij spraakt van
kwetsen. „Les humiliations sont en général ce qu’on les fait soi-même
par la manière de les prendre. Si l’on se montre blessé elles blessent,
si l’on les accepte comme une simple condition des choses, elles
relèvent au lieu d’abaisser.” De heer Endelbuis zal ons veroorloven ons
naar die uitspraak te gedragen. Zij werd verkondigd door den heer A.
Thiers [62] een man van meer gewicht in de wereld dan ooit een
ambtenaar in Nederlandsch-Indië zal verkrijgen.”
„Braaf gesproken!” liet eene stem zich achter de jongelieden hooren,
terwijl een hand op Hermans schouder terecht kwam.
Het was kapitein Van Dam, die, aan een speeltafeltje gezeten, door de
discussie, welke in de voorgalerij gevoerd werd, naar buiten gelokt
was, en juist het antwoord van sergeant Riethoven opving.
„Braaf gesproken!” herhaalde hij. „Toen de heer Endelbuis hem geheel
onbekende lieden, die door fatsoenlijke mannen hier binnengeleid
werden, zoo bejegende als hij gedaan heeft, welke handeling slechts aan
zijn almachtswaanzin toe te schrijven is, kon hij de betrokken personen
niet kwetsen, en was hij geen ander antwoord waard dan hij ontvangen
heeft. Kom, jongelui, ik ben een oud lid van Concordia; ik zal de eer
hebben u te introduceeren. Sapada! Kassie boekoe nama!”
„Anders, zal ik het wel doen!” riepen verscheidene stemmen, waaronder
die van een paar hoofdofficieren.
„Dank u heeren! het is reeds geschied,” sprak Van Dam dankbaar.
De directeur Endelbuis stond op en stapte in zijn rijtuig, pruttelende:
„ik zal mij veroorloven de directie der sociëteit opmerkzaam te maken,
dat de Concordia geen militaire cantine is.”
Hij werd door de andere heeren, die hunne goedkeuring aan zijn
ongepasten uitval verleenden, bij zijn terugtocht op den voet gevolgd.
Menige schampere glimlach vervolgde hem; de tegenwoordigheid der
onderofficieren hield evenwel de jongeren in bedwang om hunne gevoelens
op andere wijze lucht te geven.
Onze beide sergeanten brachten nu een zeer genoegelijk uurtje te midden
van dat gezelschap aan die „kletstafel” door. Toen het evenwel tijd
werd, om heen te gaan, ten einde op het avondappel present te zijn,
riep kapitein Van Dam,—daar het nog steeds regende,—den koetsier van
het huurrijtuig, dat hem naar de sociëteit gebracht had, en beval hem
de jongelieden naar hun kampement te rijden.
Terwijl het rijtuig den korten weg aflegde tusschen de kazerne en de
Concordia, mompelde Riethoven in zich zelven:
„De kapitein had gelijk dezen morgen, toen hij zeide: l’abnégation du
guerrier est une croix plus lourde, que celle du martyr. Welk eene
bejegening! en dat van een regeeringslid! ten opzichte van militairen,
die toch in eene kolonie onmogelijk te ontbeeren zijn! Hier zit ook al
de wijsheid niet ten troon.”