MISKENNING.—AFSCHEIDSVISITE.

In weinige minuten was de kazerne op Passar Senin bereikt. Maar daar

zouden onze jongelieden de grootst mogelijke ontnuchtering op dien

genotvollen avond ondervinden. Toen de beide onderofficieren het hek

wilden passeeren, hetwelk het kampement afsloot, stond de kommandant

van de politiewacht, een oude grijze snorrebaard met de Militaire

Willemsorde en de medaille van den Java-oorlog op de borst, onder de

kleine voorgalerij van het gebouwtje, dat tot wachthuis diende, en riep

hun toe:

„Hebben de collega’s avondpermissie?”

„Ja, zeker,” antwoordde Riethoven.

„En zijn ze niet dronketjes?”

Geen van beiden verwaardigden zich anders dan door een gegrom op die

vraag te antwoorden.

„Kom eens hier!” sprak de kommandant van de politiewacht.

„Wij gaan gauw onze krib opzoeken,” antwoordde Frank. „Wees gerust, wij

zijn niet dronken.”

„Dat’s mooi van jullie! Maar, ik moet het permissiebriefje hebben.”

„Ons permissie-briefje?” vroeg Herman beteuterd.

„Hoor je het ook soms te Keulen donderen? Of heeft de jonker soms ook

in de rechten gestudeerd, dat hij niet weet wat een permissie-briefje

is?” vroeg de oude snorrebaard schamper.

„Een permissie-briefje werd ons niet uitgereikt; maar wij kregen heden

ochtend permissie van den kommandant van het depot om met kapitein Van

Dam het kampement te verlaten!”

„Dat kan mij geen lor schelen! Het permissie-briefje als je blieft!”

„Maar ik zeg u,” hernam Herman, „dat wij geen briefje hebben, maar van

den kommandant in persoon permissie kregen.”

„Traberdoeli” (om het even), gromde de oude. „Dat kan m’n zuster mij

ook komen vertellen, dat ze mondeling permissie heeft.”

„Maar, ik ben niet gewoon te liegen!” hernam Herman hooghartig.

„Dat doet mij pleizier voor jou. Treedt intusschen hier maar in.”

De kommandant der politie-wacht had een paar verbazend groote sleutels

gegrepen en trad op een gebouwtje toe, hetwelk aan de overzijde van den

weg vlak tegenover het wachthuis gelegen was, opende eene deur, die

zwaar beslagen was, en wees op de zwarte holte, die zich voor het oog

opende.

„Daarin?” vroeg Frank driftig. „Wij hebben niets misdaan, wij zijn niet

dronken en hebben behoorlijk permissie. Gij kunt immers morgen op uw

morgenrapport onze binnenkomst melden....”

„En... ik voor jullie in de norrr gaan, jawel, dat ken ik; ik dank je

hartelijk! ’k Heb mijn consigne, daar stap ik niet van af!... Kom,

leuter nou niet.... Er in!.... Moet ik de manschappen van de wacht

roepen?”

Ja, die stonden al nagenoeg klaar!... Frank en Herman het nuttelooze

van tegenstand inziende, en ook te veel eerbied voor het tooverwoord

„consigne” hebbende, maakten van de nood eene deugd en stapten naar

binnen; waarna de deur onmiddellijk achter hen dicht viel.

Het was donker als de nacht in dat hol. Op den tast zochten zij de

brits op, die hen tot slaapsteê zoude verstrekken. Gelukkig dat dit

arrestlokaal overigens leeg was; anders in die dikke duisternis had een

conflict met half aangeschotenen of geheel bedronkenen niet hebben

kunnen uitblijven. Nu schoven onze twee sergeanten op de vrij

onzindelijke brits, en poogden den slaap te vatten, waarbij zij het

hoofd op den balk neervlijden, die tot hoofdkussen in zoo’n goedkoop

logement strekt.

Maar, was de eerste nacht, dien zij in Nederlandsch Indië doorbrachten,

een slapelooze geweest; de tweede zou hem in niets toegeven. Vooreerst

heerschte er eene lucht in dat arrestlokaal, die het tot een waar

pesthol maakte. Het was alsof de kwade eigenschappen van het

Liernurstelsel, van het overstortingstelsel en van ieder ander stelsel

in dat hol te zamen gekomen waren. Dan wemelde het van muskieten, van

kakkerlakken en van ander onrein gedierte, waarvan die brits niet vrij

was, zoodat in weinige oogenblikken het aangezicht, de hals en de

handen onzer rampzaligen met jeukende builen overdekt waren.

„Drommels,” pruttelde Frank, „had ik nu maar wat sirihkalk! Dat was een

uitmuntend middel!”

„En zoo’n lief dotje om dat middel op je oogdeksels te smeren, niet

waar?” vroeg Herman schaterlachend.

Brinkman zuchtte eens.

„O! welk einde van zoo’n mooien dag!” mompelde hij.

Maar wellicht had de behoefte aan slaap bij onze jongelieden over

iedere kwelling gezegevierd. Reeds hadden zij de oogen geloken, en

verkeerden zij in dien staat, die nog geen slaap mag heeten, maar

waarin toch de wilskracht haren scepter begint te verliezen, waarin de

gedachten, zoowel de herinneringen aan het verleden, als de nasporingen

van de toekomst, tot een onuitwarbaren klomp samenvloeiden; toen

plotseling een helsch kabaal beiden deed opschrikken. In de

arrestantenkamer naast hen waren eenige soldaten opgesloten, die na den

eersten Januari ook nog eens den tweeden Januari gevierd hadden, en

dronken van Passar Senin te huis gekomen waren.

Niets gesticht, dat zij door den kommandant der politiewacht ingerekend

waren, omdat zij bij het doorstappen van het hek hun roer niet recht

hadden weten te houden, trachtten zij nu den tijd te verdrijven met

hevig te schreeuwen, te schelden en te razen, en daarbij nog heviger op

de brits te stampen of daarop te slaan met een deksel van een meubel,

tot het tonnenstelsel behoorende. Het was een leven, alsof de wereld

vergaan moest. In weerwil van de waarschuwingen en bedreigingen van den

kommandant der politiewacht hield dat spektakel niet op, zelfs niet,

toen die onderofficier er toe overging de woestelingen in de boeien te

sluiten; want toen scholden en raasden zij nog te erger, en klopten met

de manchetten der boeien op de brits en rammelden met hunne ketenen,

alsof zij een der meest woeste tooneelen uit Dante’s Inferno

repeteerden. Eerst bij het gloren van den dageraad vielen de geboeide

woestaards in slaap.

Toen de arrestantenkamers tegen zes uren geopend werden om te luchten,

verzochten onze twee slachtoffers van het „consigne” den

sergeant-majoor te spreken. Dat verzoek werd overgebracht; maar toen

die vetgelokte gegradueerde verscheen, maakte hij hen bekend, dat de

kommandant van het depot den vorigen namiddag naar een landgoed bij den

kampong Tandjong Oost, op ongeveer 14 palen van Batavia aan den grooten

weg naar Buitenzorg gelegen, vertrokken was; zoodat zij tot den

volgenden morgen in arrest moesten blijven.

„Ik kan er niets aan doen,” antwoordde die dubbel gestreepte. „Van uwe

permissie weet ik niets, en de kommandant der wacht heeft stipt zijne

consigne opgevolgd. Maar, het is morgenochtend wegens de inspectie voor

den legerbevelhebber zeer vroeg rapport, dan kunt gij den kommandant

spreken.”

„Een mooi vooruitzicht,” bromden die twee, „onzen eersten zondag in

zoo’n arrestkamer door te brengen!”

Er was evenwel niets aan te doen. Dat vooruitzicht werd in allen deele

tot werkelijkheid. Zij brachten dien eersten zondag in dat donkere hol

door.

Toen den volgenden morgen het morgenschot gedreund had, dat aangeven

moest, dat het uurwerk van den sergeant der artillerie, die met het

afschieten van het kanonstuk op de citadel Prins Frederik belast was,

vijf uur wees, en de reveille allerwege weerklonken had, ging de deur

der arrestantenkamer open en mochten onze beide onderofficieren zich

klaar gaan maken om èn op het rapport bij den kommandant van het depot

èn op de inspectie van den legerkommandant te verschijnen. Het tenue

was spoedig genoeg in orde gebracht, en om zes uur waren zij reeds

onder geleide van den sergeant-majoor op weg om naar het rapport te

gaan. Zij waren nauwelijks voor de woning van den kommandant

aangekomen, of deze verscheen reeds. Maar, of die officier nog niet

uitgeslapen was, of dat er andere redenen bestonden, die zijn kwade

luim gaande maakten, kan buiten bespreking blijven; genoeg zij het,

dat, toen hij onze twee onderofficieren, die op den rechtervleugel van

een twintigtal militairen stonden, in het oog kreeg, hij vroeg:

„Wat is er met die twee sergeanten?”

„Die zijn heden nacht door den kommandant der politiewacht

gearresteerd,” antwoordde de sergeant-majoor.

„Dus dronken geweest....!” schreeuwde de officier.

„Maar, kapitein....” meende Riethoven tusschenbeide te moeten brengen.

„Zwijg sergeant!” was het barsche bevel. „Dus dronken geweest! Dat zal

ik jullie afleeren. Denk er om, dat die mooie sergeantstreep maar met

een haakje op den mouw zit. Die is er nog gauwer af, dan zij er

opgekomen is. Sergeant-majoor schrijf op.... acht dagen....”

„Maar, kapitein....” viel Riethoven andermaal in.

„Zwijg, sergeant!.... Hoe heet die sergeant?”

„Riethoven, kapitein,” antwoordde de drager van dien naam, in de hoop

dat de herinnering aan de permissie, daags te voren aan kapitein Van

Dam gegeven, verlevendigd zoude worden.

„Zult ge zwijgen, sergeant!.... vier dagen politiekamer voor den

sergeant Riethoven, omdat hij tegen het bevel in van zijn superieur

zijn mond niet gehouden heeft!”

De beide onderofficieren stonden nu als standbeelden daar en deden

natuurlijk geen mond meer open.

„En voor beiden,” ging de kapitein voort, „acht dagen provoost!”....

„De redenen?” vroeg de sergeant-majoor.

„Dronkenschap.”

Beiden verroerden geen vin en hielden de oogen op vijftien passen voor

zich op den grond gevestigd.

Toen evenwel na een vrij langen tijd het rapport verder afgeloopen was;

vroeg Riethoven, terwijl hij eerbiedig de hand aan de klep zijner

politiemuts bracht:

„Is het mij vergund een woord te spreken, kapitein?”

„Over de opgelegde straf niet, sergeant.”

„Ik heb u een verzoek te doen!”

„Wat is er?”

„Ik wensch straks den legerkommandant te spreken.”

„Waarover?”

Herman aarzelde een kort oogenblik.

„Dat moet ik weten,” gelastte de kapitein. „Waarover?”

„Over de straf daar zoo even aan ons opgelegd.”

„Sergeant!” schreeuwde de kapitein buiten zichzelven van woede. „Als je

je mond durft open te doen, dan degradeer ik je, dan laat ik je in de

boeien sluiten, dan laat ik je afranselen! Je weet nu waar het op

staat!”

Het gelaat van Herman was ernstig en toonde de grootste beradenheid.

Hij wachtte zich evenwel een enkel woord te antwoorden.

Een uur later stond het geheele detachement, door de Fernandina Maria

Emma aangebracht, met zijne officieren aan het hoofd in de Hertogslaan

op een gelid gerangschikt. Sergeant Riethoven deed al het mogelijke om

den blik van kapitein Van Dam te ontmoeten ten einde hem met de oogen

een wenk te geven. Eindelijk gelukte dat; maar het scheen te laat. Daar

ginds trad de legerkommandant, van zijn adjudant vergezeld, buiten

zijne woning, en begaf zich naar het detachement. Toch trad de brave

chef nog op Riethoven toe en vroeg:

„Wat is er, sergeant?”

„Brinkman en ik zijn met provoost gestraft, omdat wij zonder

permissiebriefje te huis gekomen zijn. Ik wenschte thans mijn bezwaren

daarover bij den legerbevelhebber in te brengen.”

„Bij den legerbevelhebber?....”

„De kommandant van het depot laat ons niet aan het woord komen, en

blijft ons....”

„Geen woord meer.... daar is de Generaal!.... Geene reklame.... hoort

ge! Ik zal die zaak in orde brengen.”

Eene seconde later stond Generaal de Stuers [49] voor het front van den

troep, en werd omringd door den Kolonel-Chef in de 1e militaire

afdeeling op Java, door den Plaatselijken militairen Kommandant, door

de adjudanten van die autoriteiten, door de officieren van het

detachement suppletie-troepen en door den kommandant van het

depot—allen in groot tenu gekleed.

Wanneer ooit, dan heeft toen het Nederlandsch-Indisch leger een chef

bezeten, die aan veel wilskracht eene groote mate van goedhartigheid en

menschenmin paarde. Uitstekend voor de taak berekend, om den

opperbevelhebberstaf te voeren, wist hij zich innemend voor te doen en

aller harten te winnen, niet het minst door naijverig, voor zooveel hem

zulks mogelijk was, voor aller belangen te waken. Hij was toegankelijk

voor een ieder, voor den geringsten zoowel als voor den

hoogstgeplaatsten. Voor allen, die hem naderden was hij uitermate

minzaam, had hij een goed woord, en niemand verliet ongetroost zijne

nabijheid.

De monstering der troepen was spoedig afgeloopen. Zichtbaar was de

waardige chef voldaan, dat zijne vragen, betreffende voeding en

behandeling aan boord, bevredigende antwoorden ontvangen hadden.

Alvorens het detachement te laten inrukken, heette hij de nieuw

aangekomenen welkom in Indië, spoorde een ieder aan stipt zijn’ plicht

te doen, wees er op, hoe bij goed gedrag en stipte plichtsbetrachting

Indië het land was, alwaar tot de hoogste sport op te klimmen was, en

drukte er vooral op, dat alsdan ieder mindere in zijn meerderen een

vaderlijken vriend zoude vinden.

Bij die woorden van den edelen bevelhebber ontmoetten de oogen van

Herman Riethoven en van den kommandant van het depot elkander. De blik

van eerstbedoelde was rustig en kalm, hoewel een zekere mate van

twijfel daarin niet te miskennen viel. Het gelaat van den anderen

verried spotziekte bij die edele woorden; terwijl zijn blik uitdagend

op dien van den sergeant rustte.

Toen de Generaal met spreken ophield, had hij ieder dier mannen een

riem onder het hart gestoken, die met opgeruimde gezichten naar de

kazerne terugmarcheerden.

Ternauwernood waren de sergeanten Brinkman en Riethoven in het kwartier

terug, of de vetlokkige sergeant-majoor van het depot stond gereed om

hen naar het provoosthuis over te brengen. Hij raasde al, dat zij voort

moesten maken, daar hij weinig tijd had; toen de Javaansche bediende

van den kommandant van het depot een briefje overbracht, waarin hem

gelast werd met de twee bedoelde onderofficieren als ook met den

sergeant der politiewacht bij hem te verschijnen.

Toen de opgeroepenen daar aankwamen, wandelde de kommandant met den

kapitein Van Dam in de voorgalerij zijner woning op en neer, en schenen

beide officieren in eene vrij opgewonden woordenwisseling gewikkeld,

die evenwel dadelijk in eene andere stemming overging, toen zij hunne

ondergeschikten gewaar werden.

„Zijn die twee onderofficieren in den nacht van zaterdag op zondag

dronken geweest?” vroeg de kommandant van het depot aan den sergeant

der politie-wacht.

„Neen, kommandant!” was het antwoord van den ouden snorrebaard.

„Waarom hebt ge ze dan gearresteerd?”

„Omdat ze na bezetten tijd zonder permissiebriefje zijn binnengekomen.”

De kommandant keek den sergeant-majoor vragend aan.

„Dat is geschied volgens art. 5 der consignes voor den kommandant der

politiewacht, door uzelven voorgeschreven en onderteekend, kommandant,”

antwoordde deze.

„Waarom heb jij mij niet op de hoogte gebracht?” vroeg de officier

barsch.

De sergeant-majoor pruttelde zoo iets van „niet aan het woord kunnen

komen.”

„Wij zullen die zaak later afdoen,” sprak de kommandant en zich tot den

sergeant der politiewacht wendende:

„Dus, niet dronken geweest?” vroeg hij.

„Neen, kommandant!”

„Maar, waarom geen permissie-briefje gevraagd? Gij weet toch, dat zoo

iets behoort.”

„Daarin ligt ons eenig verzuim, kapitein,” antwoordde Brinkman. „Wij

zijn dadelijk met kapitein Van Dam medegereden.”

„Zooo!... Voor het vervolg zal dat eene les zijn!... Sergeant-majoor,

de straf van die twee onderofficieren rojeeren!.... Verstaan?.... En,

nu heb ik niets meer voor u. Dankje.”

En de beide officieren bleven alleen.

Toen kapitein Van Dam de beide jongelieden later ontmoette, kwam die

treurige episode natuurlijk ter sprake. Herman Riethoven betuigde, dat

wat hem nog het meeste gegriefd had, ja pijn had gedaan, was dat hij

met het grootste recht aan zijne zijde nog had moeten zwijgen tegenover

het grootste onverstand en bij de meest onbillijke bejegening.

„Jongmensch,” antwoordde kapitein Van Dam goedig, maar met nadruk: „De

zelfverloochening is de meest verheven deugd vooral in de militaire

maatschappij. Zonder die deugd is geen leger denkbaar, en hij slechts,

die haar zonder nevengedachten en zonder omzien betracht, kan aanspraak

maken op den naam van degelijk soldaat. Kent gijlieden het werk

getiteld: Grandeurs et Servitudes Militaires?”

De jongelieden betuigden van neen. Zij waren nog zoo kort geleden die

militaire maatschappij ingetreden.

„Komt dan eens aan, ik zal dat boekje gereed leggen. Ik beveel u vooral

bladzijde 28 [50] aandachtig te lezen.”

„U schijnt den inhoud zoo goed te kennen, kapitein, dat u de bladzijde

weet op te geven, waar de grondstellingen staan, die in uw betoog

passen,” merkte Frank glimlachend op.

„Wanneer gij mijn rang zult bereikt hebben, jongelui,” antwoordde

kapitein Van Dam hoogst ernstig, „dan zal ook onuitwischbaar in uwe

zielen gegrift staan de gulden regel, de schoone woorden, welke op die

bladzijde te lezen zijn: „L’abnégation du guerrier est une croix plus

lourde que celle du martyr. Il faut l’avoir portée longtemps pour en

savoir la grandeur et le poids.” Maar.... wanneer uwe zelfverloochening

slechts vereischt zal worden bij onbillijke behandelingen als de

onderwerpelijke, die u getroffen heeft, och, gelooft mij, dan zult ge u

niet te beklagen hebben.”

Na de inspectie van den legerbevelhebber moest het detachement

vernieuwing ontvangen, en afrekenen omtrent de scheepssoldij gedurende

de reis. De kleeding viel al dadelijk niet meê. Was die te Harderwijk

niet als doelmatig en aanlokkelijk te roemen geweest; wat thans in

Indië ontvangen werd, kon gerust afzichtelijk genoemd worden. Het

schooljongens-buisje met pantalon, daar ginds ontvangen en van licht

laken—met den weidschen titel van Circassienne mouwvest betiteld—werd

hier al dadelijk tot groot tenue gepromoveerd, terwijl den nieuwelingen

thans een paar bamboezen buisjes, een bamboezen pantalon, twee paren

bamboezen schoenen, een wit linnen pantalon, een paar hemden,

onderbroeken enz. toegeworpen werden. Wat de soldaat in zijne

eigenaardige taal bamboes noemde, duidde bij de schoenen er op, dat zij

lomp van fatsoen, van inlandsch leder, hetwelk van uiterst geringe

kwaliteit was, slecht genaaid en ondoelmatig vervaardigd waren, en bij

de overige kleedingstukken, dat zij bestonden uit een grove dikke

blauwe stof, dat geen linnen en geen katoen genoemd kon worden, zoo

onbuigzaam als een plank en zoo slecht geverfd was, dat ieder die zoo’n

kleedingstuk maar aanvatte, dadelijk de handen gekleurd had, alsof hij

een indigoverver was. Streek zich nu zoo’n arme drommel met de handen

over het gelaat, dat bij absentie van zakdoeken en bij het overvloedig

zweeten in dat warme klimaat, veelvuldig geschiedde, dan is er geen

buitengewone verbeeldingskracht noodig om zich voor den geest te halen,

hoe de lands-dienaren soms toegetakeld waren, en hoe hunne geblauwde

gezichten afstaken bij de koffiekleurige troniën hunner Javaansche

wapenbroeders.

Onze beide onderofficieren keken elkander beteuterd aan bij het

ontvangen van die kleeding. Vooral beschouwden zij de nieuw ontvangen

politiemuts met verbazing; want die zag er zoo wanstaltig uit, dat het

pronkstuk, hetwelk zij te Harderwijk ontvangen hadden, nog als een

voorwerp van smaak zou kunnen beschouwd worden. Hier was het niets

anders dan een lompe afgeknotte kegel, onevenredig hoog en van eene

horizontale zeer breede klep voorzien, die men niet onbillijk behandeld

zou hebben met haar luifel te noemen.

Met de afrekening zag het er nog maller uit, hoewel de teleurstelling

deswege onze jongelieden niet behoefde ter neder te slaan, daar zij bij

het verlaten van Europa niet geheel zonder middelen waren, en zij beide

het sommetje, hetwelk zij bezaten, en aan Frank van de nalatenschap

zijns vaders overgebleven was, en aan Herman door zijn vader bij het

verlaten van het ouderlijk huis was ter hand gesteld, zuinig en gepast

beheerden. Maar voor de overigen viel die afrekening danig tegen.

Alles, alles was op rekening gesteld. Niet alleen hunne pijpen, hun

rook- en pruimtabak, hun komaliewant, als: lepels, vorken, messen,

hunne zeep, maar ook de agurken, de wijn, die hun aan boord verstrekt

waren, de kien-, domino- en andere spelen, die niet alleen tot vermaak

aan boord moesten zijn, maar ook zoo nuttig gerekend konden worden om

de manschappen voor verveling te bewaren, dat alles, alles moesten die

arme drommels betalen en niet goedkoop ook. Gelukkig nog, dat de

kwaliteit van wijn en tabak goed geweest was, hetgeen niet kon gezegd

worden van het verstrekte bij andere detachementen. Maar, dat was

uitsluitend te wijten geweest aan de goede zorgen van kapitein Van Dam,

die wel verre van te vertrouwen op de aanbevelingen en keuringen te

Harderwijk, alles zelf had willen zien, de aanvankelijk verstrekte wijn

en tabak afgekeurd en door andere soorten had doen vervangen [51].

Neen, de som, die ieder in hand kreeg, viel niet mede. De reis had zeer

kort geduurd, en de bedragsom van al het ingekochte was zeer groot,

zoodat...... En toch was het nog te veel, wat die mannen daar in eens

ontvingen. Al was het maar een luttel tiental guldens dat overschot,

het was nog te veel voor velen, die de weelde niet dragen konden en bij

de verleiding, die straks de armen zoude uitstrekken, noodwendig zouden

bezwijken.

Het was laat geworden met die uitdeeling van kleeding, met die

afrekening; zoodat toen die dienstverrichting afgeloopen was, de zon

vrij hoog stond en .... de kazernes gesloten waren. [52] Onze beide

onderofficieren beklaagden zich deswege niet. Zij hadden de vorige

nachten bijna niet gerust. Wie weet of de muskieten hun den volgenden

nacht den slaap zouden gedoogen? Toen dan ook de onderofficiers-tafel

afgeloopen was, haastten zij zich naar hun kamertje, en lagen weldra te

ronken en als gelukzaligen te droomen, de eene: dat hij met zijne

Adelien op reis naar Wilatoong was: de andere ... dat hij zieleherder

was in een nonnenklooster, waarvan zijne Lydia priores was. De god der

droomen maakte het waarachtig te bont; het was waarlijk tijd, dat de

tamboer van de wacht voor het middagappel sloeg.

Toen de jongelieden een uur later de voorgalerij van het Java-hotel

binnentraden om de familie Groenewald hun afscheidsbezoek te brengen,

vonden zij de dames alleen te huis.

„Papa is den geheelen dag voor zaken uit geweest,” vertelde Emma, „en

heden avond moest hij eenige noodzakelijke bezoeken afleggen.”

„Maar, hij komt toch straks te huis om te dineeren,” zei Adelien. „Gij

hebt immers zoo lang tijd? Neemt toch plaats.”

Mevrouw Groenewald presenteerde de jongelieden een glas port, en weldra

zat dat vijftal daar zoo gezellig mogelijk bij elkander te kouten. Het

uurtje, dat onzen gelukkigen geschonken werd, vloog om. Het luidde

reeds voor het diner. Adelien meende dat het te vroeg was; maar een

blik op de klok bewees haar dat het bij zeven uur was. Daar kwam Papa

binnen. Nu was het oogenblik van scheiden daar. De hartelijkste

heilwenschen werden gewisseld, men drukte elkander innig de hand, en

betreurde iemand van het gezelschap, dat daar zoo veel gasten in de

voorgalerij van het Java-hotel zaten, dan waren dat voorzeker Adelien

en Frank, die bij het bittere ook het zoete van het afscheidnemen

hadden willen genieten; maar zich nu met een eenvoudigen handdruk, die

evenwel een poosje aanhield, moesten vergenoegen.

„Het ga u wel, jongelieden!” sprak de heer Groenewald met aandoening.

„Het ga u wel!” herhaalde mevrouw Groenewald. „Onze beste zegenwenschen

vergezellen u!”

„Dag dames, dag mijnheer Groenewald,” sprak Herman Riethoven kalm.

„Dag Frank!” zeide Adelien. En zich tot den jonkman voorover buigende,

prevelde zij zacht, zeer zacht: „Tot weerziens mijn Frank!”

„Tot weerziens, mijne Adelien!” antwoordde Frank even zacht. „Vertrouw

op mij!”

„En gij op mij!”

„Tot weerziens, dames!”

„Tot weerziens, jongelui!”

Een oogenblik later bevonden zich de beide onderofficieren op den

Rijswijkschen weg. Frank wischte zich een traan uit het oog, terwijl

Adelien niet minder ontroerd, zich na het vertrek der jongelieden naar

hare kamer begaf en, toen weinige minuten voor de laatste maal voor het

diner gebeld werd, niet aan tafel verscheen. Hare aandoening was te

groot.

In het land der zon · 第 10 / 46 题