WELTEVREDEN—BIJ HET SUPPLETIE-DEPOT.

Het detachement stapte kort daarop eene brug over, welke het kanaal of

den rivierarm, die tot nu toe gevolgd was, overspande, schreed de

Citadel Prins Frederik voorbij en ongeveer 150 M. verder de Sluisbrug

over, die over een anderen tak van de Tjiliwong voerde, en was au

binnen de palen van Weltevreden, die fraaie voorstad van Batavia,

aangekomen. De weg voerde thans langs het Waterlooplein, op welks

midden de nieuwelingen een onstichtelijk leelijke witgepleisterde zuil

ontwaarden, waarop een nog leelijker leeuw lag, die er uitzag als een

afschuwelijke geteerde kater, die lag te slapen en zoo den Leeuw van

Waterloo moest verbeelden. Het detachement marcheerde langs de

zuidwestzijde van het plein en passeerde daarbij een smaakvol

gietijzeren monument van Gothischen vorm, dat zich op het kruispunt

verhief, door de Willemslaan met den weg, die gevolgd werd, gevormd.

„Wat een fraai monument!” riep Dr. Hannius uit. „Zeker een mausoleum?”

„Dat is het Michiels-monument,” antwoordde kapitein Van Dam.

„Wie was Michiels?” vroeg de officier van gezondheid.

„Weet ge dat niet?” vroeg de kapitein verbaasd. „Maar.... het is waar,

ge zijt zoo pas uit Moffrika herwaarts gekomen. Ge zult nog een cursus

in Indische geschiedenis te doorloopen hebben, en dan zult ge wel

vernemen wie Michiels was. Laat het u thans genoeg zijn te weten, dat

hij een generaal was, die het leven voor zijn vaderland liet.”

„En wat is dat voor een groot gebouw daar ginds aan de overzijde van

het plein?” vroeg de dokter.

„Dat is het zoogenaamde Groote Huis. Daarin zijn de

Gouvernements-bureaux en gedeeltelijk die van het Militaire

Departement.”

„Donnerwetter, die bureaux zijn niet slecht gelogeerd en niet uit eene

karige beurs daargesteld!”

„Ja, maar, oorspronkelijk werd dat gebouw, hetwelk door Maarschalk

Daendels ontworpen werd, tot paleis bestemd voor den

Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië. Toen het klaar was, had de

Groote Heer geen trek om dien massieven steenklomp, die schromelijk

veel geld gekost heeft, te betrekken, zoodat toen zijne bestemming

gewijzigd werd. Te Rijswijk werd toen een ander paleis gebouwd. Zoo

iets ziet men meer hier in Indië.”

Het Waterloo-plein was langs de drie andere zijden door

officiers-woningen omgeven. Alleen aan het benedengedeelte der

noordwestzijde, waar die aan de zuidwestzijde aansloot, bevond zich de

Roomsche Kerk, die nederig en bescheiden met haar kinderachtig torentje

niet veel meer dan eene kapel kan genoemd worden.

Het detachement vervolgde zijn weg langs de zuid-oostzijde van het

plein tot nagenoeg vier vijfde van die zijde, alwaar de baan zich

kruiste met die, welke van Passar Bahroe (nieuwe markt) kwam. Toen werd

rechtsom gezwenkt en de zoogenaamde Groote Militaire postweg

ingeslagen, die langs Meester Cornelis naar Buitenzorg voert.

Men marcheerde thans tusschen houten barakken door, die rechts tot

huisvesting van twee veldbataillons infanterie strekten, en links van

den weg tot magazijnen dienden; vervolgens voerde de weg over eene

brug, die een spruitje, Kali Lio geheeten, overspande, waarna links

zich eene lange rij Chineesche winkeltjes uitstrekte en zich rechts

weer officiers-woningen verhieven. Het detachement was nu den eindpaal

van dien marsch nabij. Het was tijd ook, want iedereen was doodmoe;

niemand ontveinsde zich dat.

Plotseling opende zich tusschen twee officiers-woningen eene breede

tamarinden-laan. Die werd ingeslagen en na een vijftig passen was men

aangekomen.

Het waren fraaie steenen kazernes, met twee verdiepingen en zoowel

boven als onder met bogen-galerijen omgeven, die ter ontvangst van de

nieuw aangekomenen gereed stonden. Nauwelijks had het kommando:

„ingerukt-marsch” weerklonken, of het signaal: „eten-halen” werd

vernomen, en weldra deden de manschappen hunne intrede in de voor hen

bestemde chambrées met het etensblik in de hand.

Het maal was schraal. In het onderblik was een geel, vuilachtig vocht

met een dun bruin laagje bedekt. In dat vocht dreven eenige boontjes,

ook eenige groenten, die op boontjes geleken, [30] eenige stokjes, die

veel van geel vezelachtig touw hadden [31] en eindelijk eenige vezels

en zenuwbundels, die uit het soepvleesch, dat dienzelfden dag aan de

troepen van het algemeen depot verstrekt was, gesneden waren. Die

geheele poespas werd betiteld met den naam van „sajor”. Het bovenblik

was gevuld met gekookte rijst, die er onsmakelijk en grauw van kleur

uitzag en aan gewicht ongeveer twee dekagram bedroeg. Op die rijst

lagen twee balletjes gehakt, zwart gebrand en ter dikte van een dikken

knikker. Naast die balletjes vertoonde zich eene groene roodachtige

vlek op de rijst van zeer verdacht en zeer onsmakelijk uitzicht.

„En waar is de „sambal” naar genoegen,” vroeg een der manschappen,

„waarvan te Harderwijk zoo hoog opgegeven werd en waaromtrent de

kolonel-kommandant van het werfdepot bij zijn afscheidspreek nog met

zooveel ophef sprak, toen hij over al het voortreffelijke gewaagde wat

Java oplevert? Waar is de sambal naar genoegen?”

„En wat is dat dan?” vroeg de korporaal-planton-keuken, terwijl hij op

die vieze vlek wees.

„Zoo, is dat sambal naar genoegen?”

„Loop naar je zuster met je sambal naar genoegen. Dat daar, wat je daar

ziet is sambal.” [32]

„Maar, ik moet sambal naar genoegen hebben. Het staat zelfs in den

Inwendigen dienst. Kom, geef mij nog wat?”

„Loop heen! De kok heeft alles, wat er was, verdeeld. Ga nu maar... je

zult dat kostje toch niet lusten.”

„Niet lusten, korporaal? En de kolonel te Harderwijk heeft gezegd, dat

het zoo lekker was! Niet lusten? Kijk....”

En dit zeggende schraapte de beluste de vieze groen roodachtige vlek op

zijn lepel en liet dat kostje in zijn mond glijden. Een oogenblik stond

hij daar, omringd door zijne makkers, die hem aangaapten. Hij nam den

tijd om het genotene te proeven, maar plotseling liet hij een schreeuw

hooren, spoog alles uit en gilde:

„Water! water!!.... o, mijn mond staat in vuur!”

Er was er een, die hem een klapperdop met water aanreikte; maar de

korporaal sloeg hem die uit de hand.

„Neen, geen water!” sprak deze. „Dat vermeerdert den brand in de keel.

Hier heb je een prop drooge rijst. Stop die nu maar achter je kiezen,

dan zal het wel overgaan.”

En dit zeggende stak hij hem die rijst in den mond, die als de snuit

van een karper gaapte om maar frissche lucht in aanraking met het

gepijnigde verhemelte te brengen. Gelukkig, die drooge rijst bracht

leniging aan. Maar nog lang daarna betuigde de onvoorzichtige, dat de

zachte deelen van zijn mond uiterst pijnlijk waren.

Waar waren de heerlijke snert, de lekkere bruine boonen, de zoo malsche

grauwe erwten, in een woord, waar was de heerlijke voeding van aan

boord?

De rampzaligen zouden zich nog wel eens de schaftlijst van de

Fernandina Maria Emma herinneren.

Het eten was zoo slecht, dat kapitein Van Dam, die met zijne officieren

bij dat eerste maal van het door hem overgebrachte detachement

tegenwoordig was, deswege klachten inbracht bij den kommandant van het

depot. Veel gaf dat evenwel niet. De menage was en bleef ook de

volgende dagen slecht.

Weinige manschappen aten, en zij die aan hun hongerige maag gehoor

gaven, zetten nog gezichten, alsof zij door een kat achter in de keel

gekrabt werden.

De tafel der onderofficieren, die tegen zeven uur plaats had, was iets

beter. Toch betreurden ook deze de vetpotten van Egypte.

Dat er na zoo’n vermoeienden marsch en na de gemoedsaandoeningen, dien

dag ondervonden, niet lang tabernakelen gebouwd werden, is wel na te

gaan. Voor en na hadden de vermoeiden hunne slaapplaatsen opgezocht,

die voor de manschappen bestond in een stroozak met dito kussen op

slaaptafels [33] naast elkander uitgespreid. De onderofficieren

bewoonden met hun tweeën kleine kamertjes, waarin twee houten kribben,

die geen ander beddengoed bevatten dan de voormelde stroozak en

hoofdkussen. Dekens waren overbodig en lakens werden als te weelderig

eenvoudig niet verstrekt.

„Sakkerloot,” zei Frank, die zoo’n kamertje met Herman deelde, „hoe zal

het mogelijk zijn op dien rondgevulden zak en kussen te slapen? Wij

kunnen even goed probeeren op een cilinder te gaan liggen, wij zullen

er zeker van afrollen.”

„Dat ding zal wel wat meegeven,” antwoordde Riethoven, terwijl hij met

de hand op den hoog gebombeerden zak sloeg. „Drommels die zak is hard

ook!”

En werkelijk, die slaap-fournituren—zooals zij in het officiëele

heeten—waren niet met ons zacht tarwe- of rogge-, maar met rijst-stroo

gevuld, dat zoowat de voeling weergaf, alsof die zak en dat kussen met

spaanders, gemengd met takkebossen, opgestopt waren. Daarbij waren zij

stijfrond en was de vergelijking met een cilinder niet overdreven.

Maar.... die dingen zouden onze helden niet beletten te slapen. Hoe

weinig aanlokkelijk hunne intrede in de militaire wereld in Indië ook

ware, bij hen werden bewaarheid de woorden van Beranger:

„Sur un grenier qu’on est heureux à vingt ans!”

Met de vlakke hand werden die slaapfournituren gebeukt, en toen de

spaanders en takkenbossen zich niet naar eisch schikten, sprongen en

dansten onze jongelieden, in weerwil van hunne vermoeidheid, er een

poos op en bekwamen zoo eene ligging, die niet te zeer naar een liggend

gangspil geleek. Die uitkomst eenmaal verkregen, waren zij gaan liggen

en weldra had een weldadige slaap hunne oogen geloken.

Maar die staat van zaken duurde niet lang. Eerst begonnen zij onrustig

te woelen, heen en weer te draaien, zich nu eens in den hals, dan weer

in het gelaat, dan op de handen en ook op de voeten te krabben. In den

half wakenden en half slapenden toestand, die hunne geestkracht geboeid

hield, sloegen zij om zich heen, alsof zij een onzichtbaren vijand

bestreden, deelden zich op wang of op voorhoofd klappen uit, die luid

weerklonken. Eindelijk vloog Frank overeind:

„Dat is niet uit te houden,” kreet hij wanhopig. „Dat gonst, dat

steekt, dat jeukt, om iemand tot vertwijfeling te brengen! Wat mag dat

toch zijn? Daar heb je het weer.... tuuuut! tuuut! Wacht!” ....

Klets! klonk een slag.

„Mis! Die duivelsche dingen zijn slim ook. Wat kan dat toch zijn?”

„Dat zullen wel muskieten [34] zijn,” antwoordde Herman. „Die plaag,

waarover wij toch nog al eens hebben hooren spreken.”

En inderdaad. Men was in het hartje van den westmoesson, en in dat

jaargetij is niet alleen Batavia, maar zijn ook vele der

noorderstrandplaatsen van Java, door zwermen muskieten geplaagd. La

Fontaine heeft in een zijner meest geestige fabelen de overdrijving van

betrekkelijk kleine wederwaardigheden kostelijk gegeeseld, toen hij een

man aan Jupiter zijn bliksem ter leen liet vragen

„Jupin, prête moi ta foudre!”

om de.... zwarte kavalerie, waardoor hij bezocht werd, te kunnen

vernietigen. En toch wanneer de geestige fabeldichter doodvermoeid,

gedurende een geheelen langen tropischen nacht, ware blootgesteld

geweest aan het zenuwachtigmakend gegons en geprik, waaraan onze baren

blootstonden, dan wellicht had hij met zijn Fransch karakter niet

alleen Jupyn’s bliksem te hulp gevraagd, maar het verzoek er bij

gevoegd: in zijne almacht diegene dier kleine kwelduivels, welke aan

zijne bliksemschichten mochten ontkomen, te willen vangen om hen de

tong uit te trekken, of hen onder zijnen toorn te verpletteren.

Er was aan geen slapen meer te denken. Onze jongelieden sprongen dan

ook op, kleedden zich, besloten als zij waren het restant van den nacht

buiten in de galerij der kazerne op een stoel door te brengen. Dat

restant viel niet mede. Even nadat zij gezeten waren, liet de diepe

toon eener metalen klok in de verte zich hooren, waarna slagen op een

houten blok vernomen werden. Dat geluid plantte zich voort, naderde,

herhaald als het werd door al de tongtong’s [35] in den omtrek.

Eindelijk klonk ook de metalen bel der politiewacht van het depot,

terwijl al de schildwachten in den omtrek een luid maar geeuwerig: da!

hooren lieten. Hadden de tonen der klok daar ginds, en de

vreemdsoortige tongtongslagen rondom, onze jongelieden verrast; thans

telden zij de slagen, die nu trilden. Zij ontstelden evenwel, toen zij

bemerkten, dat het nog slechts elf uur was en er derhalve nog zes en

een half uur verstrijken moesten, alvorens de dag aan den hemel zou

gloren.

Half moedeloos zaten zij daar op hunne zoogenaamde Amerikaansche

stoelen,—die met een ruw houten tafel en de vorenbesproken krib het

eenige meubilair van de onderofficierskamers uitmaakten, en door hunne

lage leuningen het lichaam al weinig steun, en met hunne harde lederen

kussens het zitvlak nog minder gemak aanboden,—en keken naar den

helderen sterrenhemel op. Ja, maar dát sterrenheir hadden zij reeds zoo

menigmaal op zee bewonderd, ieder daarvan was schier een oude bekende

voor hen. Dat kon hen niet boeien. Daarbij zij waren in geen

gemoedsstemming om zulke heerlijkheden te waardeeren. Zij waren

vermoeid, slaperig, voelden aangezicht, hals, handen en voeten met

jeukerige builen overdekt, is het wonder dat hunne gesprekken niet

opgewekt klonken, en dat die meer de weerspiegeling waren van de

teleurstelling, die zich van hunne zielen meester maakte.

Het was stil in die nachtelijke uren. Geen zuchtje liet zich voelen,

geen blaadje van de nabijstaande tamarindeboomen [36] ritselde. Alleen

achter hen liet zich in de chambrées het zware gesnurk van de onrustig

slapenden vernemen, van hen, die met eene karbouwen-huid begaafd, door

al het geprik en gegons der honderde en duizende muskieten heen

sliepen. In hunne nabijheid kwaakte of beter trilde eene pad haar

eentonig geluid in de sloot, boven hunne hoofden lieten hagedissen hun

tjek-tjek-tjek in versnellend tempo hooren, of ook wel hier en daar het

klagelijk geluid van den gekko [37]. Maar dat alles stemde meer tot

weemoed en boog hun hoofd nog dieper onder het zware gewicht der

herinneringen aan het ver verwijderde vaderland. Zoo zaten ze uren

lang, spraken weinig, zuchtten zooveel te meer, en sloegen om zich

heen, wanneer het gegons der muskieten het hen te lastig maakten.

Eindelijk—het had reeds drie uren geslagen,—sprong Herman op:

„Het is om krankzinnig te worden, dat wanhopig gemijmer,” zei hij.

„Onze eerste nacht in het nieuwe vaderland is niet bemoedigend. Kom, ik

ga trachten een paar uren te slapen.”

Goddank! het gelukte. De slaap ontfermde zich over die beiden en schonk

hen rust. Toen zij evenwel des morgens ontwaakten, zagen zij er

zoodanig door de muskieten toegetakeld uit, dat zij elkander schier

niet herkenden. Zij konden de oogdeksels ter nauwernood openen, zoo

gezwollen waren die van de vele builen, die hen overdekten.

Maar het detachement stond in weerwil van dat alles toen de klok zeven

uur sloeg, in de tamarindelaan klaar om aan den kommandant van het

depot gepresenteerd en overgegeven te worden. Het zou de laatste maal

zijn, dat kapitein Van Dam, en zijne ondergeschikte medegeleiders, de

luitenants Denniston en Leidermooi, alsook de dokter Hannius en de

apotheker Behren als bevelvoerders van de nieuw aangekomenen zouden

optreden. Toen het detachement op eene rei geschaard stond, liep de

kommandant van het depot met de monsterlijst in de hand er langs, om

zich te overtuigen, dat hem het bepaalde aantal menschen werd

afgeleverd. Die monstering was de tegenhanger van die, welke te

Nieuwediep door den plaatselijken kommandant van Helder verricht was.

Daar werden de kolli’s geteld, die ingescheept, en hier die afgeleverd

werden. Toen die comptabiliteits-formaliteit afgeloopen was, werd de

troep op twee gelederen geformeerd en weerklonk het kommando:

„Rechts en links zwenkt ... formeert den kring!”

In dien kring namen de bedoelde officieren plaats, maar ook de

sergeant-majoor van het depot, een kleine magere fatterige Duitscher,

blond zooals zijne landslieden zijn kunnen, eer stroogeel dan blond,

met een gezicht zoo deemoedig schmeichlend voor die gnädige Herren

Offizieren, met polka-haar, dat in den gom-adragant scheen gezet te

zijn, zoo glom dat stroo, met een buiten-model kepi op die glimmende

glijbaan, zoo bespottelijk klein, dat het geheel voor een pop gemaakt

scheen, en het klepje ter nauwernood plaats aan eene meikever-molenaar

zoude opgeleverd hebben om zich fatsoenlijk te bewegen, met een

buiten-model sergeant-majoorsstreep op den mouw van het blauw-katoenen

baadje, dat hij aan had, die hem met een vervaarlijken punt tot aan den

elleboog reikte, met een buiten-model pantalon-collant aan, die een

paar Germaansche spillebeentjes allerzotst modelleerde, en waaronder

een paar plompe schoenen uitstaken, die aan een Oldenburgschen

boerenvoet deden denken. Zooveel was zeker, dat de man op een

verwonderlijke breede basis stond.

Toen dat wichtige persoontje in den kring naast zijn kapitein plaats

had genomen, wachtte hij niet eens een teeken van dien officier af,

maar begon met een vreeselijk onaangenamen Duitschen tongval een

uittreksel uit de Nederlandsche krijgswetten voor het krijgsvolk te

lande voor te lezen. Hij brouwde met verbazend radde tong den inhoud

van ieder artikel, zoodat het in het geheel niet verstaan werd, maar

zette een bijzonderen klemtoon op het slot van het artikel, waarbij de

straffen bepaald werden. De man scheen daarin een bijzonder genoegen te

vinden. Die slotwoorden scandeerde hij dan ook, zooals een dichter een

hexameter de gehoorproef zou doen ondergaan. Had de man zijn

onaangenaam Duitsche sch kunnen verbergen, dan werkelijk had er in de

voorlezing van die artikelen eenige verdiensten van welluidendheid

kunnen ontwaard worden, en niet onaardig zou o.a. geklonken hebben.

„Hīȷ̄ dīē tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ tŭ vĕrlāāt, zāl mĕt dĕ schtrōp

gĕschtrāft wŏrdĕn.”

Zoo als het nu klonk, rijgden zich de woorden: dood, kogel, strop,

afneming der kokarde, klingslagen, rottingslagen, wegjagen als eerlooze

schelm, detentie, gevangenis na grootere of kleinere tusschenpoozen aan

elkander. Herman Riethoven verklaarde later, dat bij die voorlezing

zijne gedachten onverzettelijk bij Dante’s hel verwijld hadden.

Na de voorlezing van de krijgsartikelen volgden nog ettelijke

bepalingen van lokalen aard, waarbij het b.v. verboden werd eenige

Chineesche huizen, waaronder de zoogenaamde Roode Deur op Passar Senin,

te bezoeken.

Het alles had veel van een droom weg, van een akeligen droom. En

stonden die mannen daar niet in de open lucht, onder de veruitgespreide

takken der tamarindeboomen met hare fijne en liefelijk zachtgroene

bladeren; verguldde de zon de boventakken en de oostelijke zijde dier

fraaie boomen niet met hare vurige stralen, lispelde het zachte

morgenwindje niet door die takken, door die blaadjes, dan hadden de

baren, wien daar zoo onder het oog gebracht werd, wat hen te wachten

stond, wanneer zij zich misdroegen, kunnen meenen, dat zij ten prooi

waren aan eene onbarmhartig akelige nachtmerrie. Maar het zou nog

mooier worden.

Toen de sergeant-majoor zweeg en zijn onaangenaam stemgeluid de ooren

niet meer pijnigde, trad de kommandant van het depot meer op den

voorgrond, en sprak de volgende kernachtige woorden:

„Gij hebt gehoord, waar het op staat! Ieder doe zijn plicht! Die dat

niet wil doen, die hier heen gekomen is om den rommel in de war te

schoppen, of om dronkenmannetje te spelen, dat die zijn..... pantalon

[38] maar klaar houdt. Het rietje zal die wel weten te raken. Voor hen

die, zooals aan boord gebeurd is, oproer willen kraaien, hebben wij

galgen in overvloed. Knoop dat in jullie ooren!”

Het was alsof ieder man van dien troep, die daar stond, een emmer

ijswater over het lijf kreeg bij die vriendelijke toespraak. Was dat de

welkomst van den nieuwen chef in het nieuwe land? Neen, dan had de

Kolonel te Harderwijk toch nog anders gesproken. Die had de

vertrekkenden nog een riem onder het hart gestoken, toen hij sprak van

de geneuchten die Java bood. Hier ontving men de nieuwelingen met

uitzicht op galg, kogel; hier opende men hun eene toekomst, waarvan

doodranselen, detentie en kruiwagen schering en inslag waren; hier liet

men hen ter verwelkoming schrikkelijke woorden hooren, schrikkelijk van

meening, schrikkelijk in beteekenis; in één woord, die eerste

aanraking, die eerste voeling liet doorschemeren, dat die mannen eene

onverbiddelijke maatschappij ingetreden waren.

Frank en Herman keken elkander met ontstelde gezichten aan. Zoo’n

ontvangst hadden ze niet kunnen droomen. Laatstgenoemde siste tusschen

de tanden:

„Te drommel: ik begin mijne moeder gelijk te geven, toen zij beweerde,

dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den

Oost te gaan.”

Het was of kapitein Van Dam raadde wat in de harten zijner gewezen

ondergeschikten omging. Toen de kommandant van het depot zweeg, nam hij

het woord.

„Onderofficieren en manschappen!” sprak hij, „wij hebben te zamen twee

en een halve maand aan boord van het fregat Fernandina Maria Emma

doorgebracht. Ja, gedurende dien tijd hebben eenige verdoolden gepoogd

eene slechte daad te bedrijven. De rechter zal over hunne handelingen

uitspraak doen. Ik kan niet anders dan hunne afdwaling betreuren, en

hen in de clementie der militaire rechtbank aanbevelen. Maar de meesten

uwer toonden, toen het gevaar daar was, kloeke en trouwe harten te

bezitten, die er niet tegen opzagen, handelend op te treden, toen dat

van hen gevorderd werd; die weerstand wisten te bieden aan de

verlokkingen, welke toch eene naaste toekomst na de bemachtiging van

het schip voor onnadenkenden moest aanbieden. Gijlieden hebt uwen

plicht gedaan. Er zijn er onder u, die zelfs meer dan dat gedaan, die

zich zeer verdienstelijk gedragen hebben. Zij kunnen zeker zijn, dat

hun gedrag niet in het vergeetboek zal blijven. Is het een treurige

noodzakelijkheid, overeenkomstig ’s menschen zwakheid, den wrekenden

arm der gerechtigheid in het verschiet te toonen om misdadig gedrag en

plichtverzuim tegen te gaan, van een anderen kant staan naast de

bedreigingen in onze militaire maatschappij de belooningen. Laat ik

slechts in uitzicht stellen het ridderkruis van de Militaire

Willemsorde, dat ieder uwer bij manhaftig gedrag op het terrein des

oorlogs kan verwerven. Laat ik u slechts wijzen op de snelle

bevordering, die bij goed gedrag en bij degelijke plichtsbetrachting uw

aller deel kan zijn. Waar ook, dan is in Nederlandsch Indië het gezegde

van den Grooten Napoleon ten volle waarheid: dat ieder soldaat den

veldmaarschalkstaf in zijn randsel draagt. Gaat op het ingeslagen spoor

voort, gij zult er de vruchten van plukken. En gij...” ging de waardige

chef voort, „en gij, die uit zwakheid of lauwheid u liet medeslepen in

het heillooze komplot, of gij die met misdadige bedoelingen daaraan

deel naamt, zijt overtuigd dat de belhamels hunne gerechte straf niet

ontgaan zullen. Laat u dat tot voorbeeld strekken! Vangt van nu af een

nieuw leven aan, zoekt in stipte plichtsbetrachting uw heil. Gelooft

mij, gij zult daardoor uwe toekomst verzekeren, en daarin eene innige

tevredenheid over u zelven, eene ware gemoedsrust vinden.

„Het oogenblik van scheiden is daar. Ik heb u heden overgegeven aan den

kommandant van het depot. Over ettelijke dagen zult gij ingedeeld en op

weg naar uwe definitieve bestemmingen zijn.

„Onderofficieren en manschappen, het ga u wel! Ik hoop, dat gij in deze

gewesten moogt vinden wat gij er in komt zoeken. Maar, waar gij mij

ergens aantreffen moogt, gij zult steeds in mij een vaderlijken vriend

ontmoeten, die u zoo noodig zijn raad niet onthouden zal....

„Nogmaals, het ga u wel!”

Bij die laatste woorden van den hartelijken krijgsman was er geen

houden meer aan. Of ook al de kommandant van het depot een paar

vervaarlijke oogen opzette, of zijn sergeant-majoor zijn beste

Nederlandsche kommando’s doorspekte met ettelijke Schockschwere Noth’s

of met eenige Kreuzdonnerwetter’s, het hielp niets. In een oogenblik

was de kring verbroken en onder het gejuich van: „leve onze gewezen

kommandant!” omringden die mannen kapitein Van Dam, dankten hem voor

die hartelijke woorden, grepen zijne hand, drukten die, ja, er waren er

die haar met kussen overdekten en er een traan op lieten vallen.

De kommandant van het depot stond dat tooneel met een vreemden glimlach

om de lippen aan te staren, terwijl hij met minachtend gebaar de

schouders tegen zijn sergeant-majoor optrok. Eindelijk om een einde aan

dat tooneel te maken, gelastte hij dezen den troep te laten inrukken.

„Iengerückt—marsch!” kommandeerde de vetlokkige Germaan.

Maar jawel, hij kon dat nog wel zes maal brullen, eer daaraan voldaan

werd; want na kapitein Van Dam kregen de luitenants Leidermooi en

Denniston en de apotheker Behren en dokter Hannius een beurt, die den

kerels van harte allen voorspoed in hunne loopbaan toewenschten.

Eindelijk ging de troep uit elkaar. Het was gelukkig ook; want de

sergeant-majoor van het depot was eene onmacht nabij, zoo herhaaldelijk

en zoo forsch had hij: „iengerückt—marsch” gekommandeerd. Het

detachement had nu vrijaf tot half tien, en kon de kazerne verlaten.

„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven!” riep kapitein Van Dam, toen

de troep uiteenstoof.

De beide onderofficieren stonden in een oogwenk in onberispelijk

militaire houding voor hem. Hij kon evenwel een glimlach niet

weerhouden, toen hij die gezwollen gezichten zag.

„Drommels,” zei hij, „de muskieten hebben u ter dege toegetakeld.”

En zich tot den kommandant van het depot wendende, zei hij:

„Ik verzoek permissie voor die twee onderofficieren tot middernacht.”

„Toegestaan, waarde collega,” was diens antwoord, „als zij maar zorgen,

dat zij morgen ochtend op het appèl van tien uur tegenwoordig zijn.”

„Ik dank u voor die vergunning,” was het antwoord van kapitein Van Dam.

„Zij zullen tegen middernacht weer te huis zijn. Kom, jongelieden, mijn

rijtuig staat klaar.”

In een ommezien hadden alle drie daarin plaats genomen en reden de

kazerne uit.

„Wel, hoe is de eerste indruk, van het land van belofte?” vroeg de

kapitein aan de onderofficieren.

Beiden keken elkander een oogenblik aan. Zij aarzelden te antwoorden.

„Kom, beken het maar: beroerd, niet waar? Maar.... dat u dat niet

afschrikke. Zoo is het een ieder gegaan. Het vreemde, het ongewone, de

warmte over dag, de matheid des nachts, de muskieten, en ik weet al

niet wat meer, dat alles brengt het zijne er toe bij om de eerste dagen

niet prettig te maken. Maar die indruk gaat voorbij en, vergis ik mij

niet in ulieden, gauw ook. De mensch moet steeds de omstandigheden

aanvaarden, zooals zij zich voordoen, zich er niet door laten

neerdrukken, integendeel ze door geestkracht trachten te beheerschen.

En... geestkracht zult gijlieden niet derven, is ’t niet?”

„Toch zat mij straks het hart in de keel,” antwoordde Herman, „bij de

toespraak van onzen nieuwen kommandant. God! wat een ontvangst!”

„Denkt ge daar nog aan?” vroeg kapitein Van Dam. „Gij zult moeten

erkennen dat voor sommige naturen dergelijke toespraken haar nut kunnen

hebben. Gaat maar na, uit welke bestanddeelen dat detachement

samengesteld is. Daar zijn menschen bij, die geen andere taal verdienen

en waarop ook geen andere taal invloed heeft.”

„Dat ontken ik ten stelligste, kapitein, vergeef mij dat ik in meening

met u verschil,” antwoordde Herman met vuur. „U moet opgemerkt hebben,

welken anderen invloed uwe hartelijke woorden op allen gemaakt hebben.

Zelfs de ruwste gemoederen naderden u met tranen in de oogen, zelfs de

meest verstokten trachtten uwe hand te drukken. Bij intuïtie beseften

zij, dat de aanraking van een edel braaf man iets mededeelt van den

stralenkrans, die dezen omgeeft.”

„Tu, tu, tu, sergeant Riethoven, het is of gij bij het betreden van den

Indischen bodem, de vleierij aangeleerd hebt,” antwoordde kapitein Van

Dam, toch innig gestreeld door de gesproken woorden.

„U kunt niet ontkennen, kapitein,” viel Frank zijn makker bij, „dat een

goed gesproken woord meer invloed heeft, dan zulke krenkende

toespraken. Waarom ter wille van eenigen den geheelen troep met

voorbarige bedreigingen verbitterd? Ik kan u niet zeggen, hoeveel pijn

ons die eerste welkomstgroet gedaan heeft.”

„En toch is de man, welke die woorden zoo bar sprak, zoo boos niet als

hij zich wel aanstelt. Hij doet zich gestrenger voor dan hij is.

Maar.... laten wij dat gesprek afbreken. Weet gij wel waarheen ik u

voer? Neen?.... natuurlijk niet. Wij gaan eerst in het hotel Willem II

bij mij dejeuneeren, dan breng ik u naar het Java hotel, waar gij den

dag bij de familie Groenewald zult doorbrengen.”

In het land der zon · 第 6 / 46 题