Het was omstreeks vier uur in den namiddag van den 1sten Januari 185*,
toen zich het groote hek van ’s landswerf te Batavia, welke aan de Kali
Besar (groote rivier) gelegen was, opende, om doorgang te verleenen aan
een detachement suppletie-troepen, dat dienzelfden morgen met het
fregatschip Fernandina Maria Emma uit Nederland op de reede was
aangekomen.
Vier tienkojangs-prauwen [1] hadden dat detachement van het zeekasteel
afgehaald en waren het lange havenkanaal opgestevend, hetwelk de eenige
toegang van uit zee tot de hoofdplaats van Nederlandsch-Indië
verleende, waarbij zij evenwel ongeveer een paar honderd meter
benoorden van de Welkomst-batterij [2] ten gevolge van de ingetreden eb
in den modder waren blijven steken. [3]
Dat oponthoud was niet alles voor de betrokken reizigers. De
manschappen moesten, blootgesteld aan de brandende zonnestralen, die in
dit jaargetijde niet malsch waren, geduld oefenen, totdat de vloed [4]
doorkwam, hetgeen zoo omstreeks tegen het middaguur zou plaats hebben.
Daarenboven, er was op zoo eene wederwaardigheid niet gerekend, zoodat
er geen ander drinkwater aan boord dier vaartuigen was, dan een smerig
brak vocht, dat de kiel bedekte, en door zijne bruine kleur en weinige
vloeibaarheid aan dik tabaksap deed denken en eene onverwinlijke
walging deed ontstaan. Enkelen der dorstigen keken dat water aan; maar
het was of hier en daar een pruim tabak er in ronddreef, die tot
onthouding aanmaande. Enkelen schepten water met hunne kwartiermutsen
uit het kanaal; maar dat zag er ook zoo vies en smerig uit, was
daarenboven ook zoo brak, dat zij, die er zich aan gewaagd hadden, het
akelige vocht nog sneller uitspogen, dan zij het ingezwolgen hadden.
Dat was het eerste lijden in het nieuwe vaderland, hetwelk die mannen
zich gekozen hadden.
Zonder die wederwaardigheid evenwel zoude die tocht langs dat kanaal
niet geheel van bekoorlijkheid ontbloot zijn geweest. Of beter: de
wederwaardigheid van dat vastzitten temperde eenigermate de genoegens
van dien tocht. Het was toch Nieuwjaarsdag, dat wil zeggen een
feestdag, een dag, waarop niet gewerkt werd. Wel stevende menige
tambangan (inlandsch vaartuig) natuurlijk met Maleiers bemand, naar
buiten om vertrekkenden naar de reede of aangekomen reizigers van de
schepen te halen; de echte bedrijvigheid, die op andere dagen
heerschte, ontbrak evenwel. De koophandel stond dien dag stil.
Daarentegen wemelde het van inlanders op de lange kaaimuren van het
kanaal, die ver in zee uitgebouwd waren. [5] Dat volkje had ten gevolge
van den feestdag vrijaf, en besteedde de morgenuren om te visschen. Zij
zouden later op den dag hun beste kleeren aantrekken om bij hunne
verschillende patroons hun „slamat tahoen baroe!” (nieuwjaarswensch) af
te steken. Nu evenwel zag men ze buiten de beide kaaimuren ter
weerszijden van het kanaal, in zee met hunne werpnetten, hunne
kruisnetten, hunne treknetten [6] bedrijvig om den begeerden buit te
bemachtigen. Hier en daar werd zelfs eene vrouw ontwaard, die den
sarong [7] tot boven de knie opgebonden dapper in zee stond, en daar
den vischhaak [8], bevestigd aan een zeer lang snoer, met nog langere
hengelroede, wijd in zee slingerde, om zoo te pogen een argeloozen
waterbewoner te verschalken.
„Kijk, kijk!” riep een soldaat, in de voorste prauw gezeten, terwijl
hij naar eene vrouw wees, die met een grooten visch werkelijk worstelde
om hem machtig te worden. „Kijk, die kerel heeft een fameusen te
pakken!”
Allen keken aandachtig toe, ook kapitein Van Dam, onze oude bekende,
die met dokter Hannius onder een afdakje van palmbladeren [9] voor de
zonnestralen eenigszins beschut zaten. De kapitein glimlachte op de
bemerking van den soldaat.
„Dat is geen kerel, dat is eene vrouw, die daar aan het worstelen is,”
zeide hij.
„Te drommel!” mompelde sergeant Brinkman, die met Riethoven in
hetzelfde vaartuig zat en het antwoord van den kapitein gehoord had:
„Je kunt aan de kleeding niet ontwaren, of het man of vrouw is. Dat
moet toch lastig zijn!”
„Eene vrouw heeft meestal geen hoofddoek op,” antwoordde een
oudgediende, die in de nabijheid zat. „Zij heeft ook in den regel een
langer badjoe of jak, zooals jullie baren dat noemt, dan de man.”
Intusschen had die vrouw haren buit bemachtigd, en hief dien omhoog om
hem aan een harer makkers te laten zien. Of haar sarong ten gevolge van
de worsteling hoog boven de knie gefrommeld zat, scheen haar weinig te
deeren.
„Sakkerloot,” bromde Frank Brinkman tusschen de tanden, „hier schijnt
nog eene paradijsachtige onnoozelheid te heerschen!”
„Kijk eens wat een mooie visch!” merkte kapitein Van Dam den dokter op.
„Dat.... dat.... voorzeker is dat een mooie visch,” antwoordde Hannius.
„Die hoort tot de Clupea. Maar wat is die groot!”
„Wat noemt gijlieden geleerden: clupea?”
„Clupea zijn haringen, kapitein.”
De oude krijgsman keek den esculaap met een doordringend oog aan, of
die ook den draak met hem stak; maar er was op het gelaat van den
Germaan zooveel argeloosheid te lezen, dat aan een koopje niet gedacht
kon worden.
„Zoo! zijn Clupea haringen? Nu dan is dit een zilverharing; maar de
inlanders noemen hem „bandeng.” [10] Die is drommels lekker, hoor.”
„Maar kijk eens, kapitein, wat die visscher daar gevangen heeft! O,
daarbij is zich niet te vergissen. Dat is eene Serranus-soort!”
„Ik vraag al weer: wat noemt gij geleerden een Serranus?”
„Dat is eene baars-soort, kapitein.”
„Drommels, dat zou ik er niet uit gemaakt hebben. Die poespas is mij te
geleerd. Het is eenvoudig een kakap [11], die hier in Indië door de
niet geleerden de Indische schelvisch genoemd wordt. Ook zeer lekker,
hoor! De vergelijking is met verstand gekozen!”
Als de tocht nog wat langer geduurd had, dan zou dr. Hannius voorzeker
een geheelen cursus van inlandsche ichtyologie doorloopen hebben.
Kapitein Van Dam scheen een kenner te zijn, vooral uit een oogpunt van
lekkerbekkerij.
Toen de prauwen, door een viertal opvarenden, die daartoe over de
kaaimuren liepen, getrokken, het waterkasteel—een ouden
bouwval—genaderd waren, verdween de zee voor het oog en werd die
vervangen door een moerassig strand, dat met poelen, biezen, lange
grassoorten en kreupelhout vrij ruig overdekt was, en daardoor geen
bekoorlijk uitzicht opleverde.
Eenige oogenblikken later raakten de prauwen in den modder vast, en
hadden de opvarenden volop tijd den blik op die kanaaloevers te laten
waren. De vergelijking met de Rijn-oevers te Arnhem of met de
Maas-oevers te Maastricht viel al heel ten nadeele van Batavia uit. Er
begon zich zoo’n gevoel bij de meesten dier baren [12] op te dringen,
dat de naam van „parel van het oosten” aan de hoofdplaats van
Nederlandsch-Indië gegeven, veel op humbug geleek. Enkelen wierpen een
weemoedigen blik achterwaarts naar de Fernandina Maria Emma, die
evenwel, te midden van de zeer vele schepen, die op de kalme reede
bewegingloos lagen, niet te onderscheiden was.
Wat evenwel eenige afleiding bezorgde en onze gestranden nog al
belangstelling inboezemde, waren niet zoozeer een paar korporaals der
artillerie—waarschijnlijk de bewakers van de Welkomst-batterij,—die
terwille van de beteekenis van den dag in groot tenu gekleed over den
kaaimuur zeewaarts wandelden, dan wel hunne Javaansche ega’s, die
achter die landsverdedigers aandrentelden. Ja, dat schouwspel was wel
in staat de aandacht te boeien. Het waren twee jonge vrouwen, die haren
fraaisten rooden sarong om de heupen en beenen, een blauw zijden baadje
of jakje om het lichaam geslagen hadden, en een rood zijden zakdoek,
waaraan een bos sleutels, door een zilveren ring verbonden, bengelde,
over den schouder droegen. Het zeer slanke middel was door een breeden
zilveren buikband van geleedde platen omsloten, die de heupen zeer
voordeelig deden uitkomen. Aan de voeten klepperden slofjes van rood
fluweel of rood katoen, dat was op dien afstand niet uit te maken;
terwijl het overvloedige haar der schoonen à la Chinoise was opgemaakt,
en middels een paar gouden of vergulde spelden in een dikken kondeh
[13] tegen het achterhoofd bevestigd was. Aangezicht en hoofd werden
door een grooten veelkleurigen papieren pajoeng (zonnescherm) tegen de
blakende stralen der dagvorstin beschut.
Bij het verschijnen van die twee voorbeelden van het Indische schoone
geslacht, barstte in de prauwen een kruisvuur van opmerkingen los, die,
tegen elkander indruischende, van bewondering en van teleurstelling
getuigden.
„Wat zijn dat voor leelijkerds, die daar achter die korporaals
aandrentelen?” vroeg de een aan den oudgedienden van straks.
„Dat zijn hunne njahi’s, of hunne huishoudsters,” was het antwoord.
„Zoo, zijn dat nu huishoudsters? verduiveld leelijk, hoor!”
„Hoe kun je zoo iets zeggen?” riep een ander, „kijk die vormen, die
heupen eens!”
„Het is wat moois. Ze draaien met die heupen of ze koffie malen, en
zwaaien met de hand naar achteren, alsof ze daar door vliegen geplaagd
worden!”
„Kijk dat slanke middel eens. Hoe veerkrachtig, hoe bewegelijk!”
„Het heeft wel iets van eene slang!”
„Eene slang!... En die lieve afgeronde wangen!...”
„Die met koffiedik opgeschilderd zijn!”
„Nou, die kleur geeft niet af.”
„Ik vind die bruine wangen mooi!”
„Vooral naast dat stompje neus, dat zoo plat als eene koekenpan is!”
„Maar kijk dan toch die oogen, het zijn net diamanten!”
„Kijk dan toch die dikke lippen, die gelijken veel op gemeniede
braadworstjes!”
„Ja, die zijn waarlijk niet fraai. Maar wat hebben ze op die
onderlippen? Het lijkent wel een bloederig stuk vleesch.”
„Dat is haar sirihpruimpje,” lachte de oudgediende. „Kijk eens hoe
sierlijk die eene het roode speeksel, dat in de mondhoeken parelt, met
dat groene blad afveegt, dat blad oprolt en weer in den mond steekt.”
„Poeah! Poeah!” riepen verscheidene stemmen.
„Nu, aan dat pruimpje went men. Ik vind die Javaansche vrouwen zoo
onaardig niet!”
„Ieder zijn meug!”
„Hoe spreek je zoo’n vrouw aan?”
„Wel, als ieder ander mensch, meen ik.”
„Ik meen, welke teedere benamingen geeft men haar?”
„O, bedoel je dat. Wel, je kunt haar aanspreken met „hati maas”...”
„Dat beteekent?”
„Gouden hartje. Je kunt ook zeggen, „hati intan” dat juweelen hartje
beteekent.”
„En wat verder nog?”
„Je kunt ook zeggen, „kembang maas” of „kembang mawar,” dat gouden
bloem of welriekende bloem beteekent. Je kunt ook zeggen: perampoean
djelek kai andjing....”
„En dat laatste beteekent?”
„Wonderlijk lief wezen!”
„Zie je, dat lijkt mij beter als die hati’s en die welriekende
bloemen.”
En de stem verheffende en de schoonen een kushandje toewerpende, riep
de opgetogen baar uit: „perampoean djelek kai andjing!” [14]
„Wil jij daar wel eens zwijgen!” gebood kapitein Van Dam, met de meest
mogelijke strengheid in zijne stem.
Maar het was te laat. Een oogenblik keken de twee Javaansche als
verstomd over het kompliment op; maar toen kwam er een stortvloed van
scheldwoorden los, die aan eene tropische donderbui deed denken. Zoo’n
woordenrijkheid had nog geen der nieuwelingen gehoord. Gelukkig, dat
geen hunner het realism verstond, dat daar uitgekraamd werd; want het
zou menigen blos op hunne wangen te voorschijn getooverd hebben, hoewel
daar mannen bij waren, die om een klein gerucht niet vervaard waren. De
gebaren evenwel vulden de taal aan, waar die niet begrepen werd.
Kapitein Van Dam had die wezens een tijd laten razen en tieren, zonder
zich met haar te bemoeien. Eindelijk bij een nog duidelijker gebaar,
door de schoonen gemaakt, hetwelk een uitbundig gejuich onder de
opvarenden der prauwen ontlokte, verloor hij het geduld, en zich tot de
twee artilleristen wendende:
„Korporaals, wilt gij wel eens maken, dat dit spektakel een einde
neemt!” riep hij hen toe.
Die twee volgelingen van de Heilige Barbara hadden zich reeds alle
moeite gegeven om hunne wederhelften het zwijgen op te leggen, doch te
vergeefs. Thans op die aanmaning van den kapitein poogden zij andermaal
dien stortvloed te stuiten, maar met evenveel gevolg. Integendeel,
hunne interventie vuurde de woede der verbitterde schoonen nog meer
aan, zoodat eene nog sterker uitbarsting van scheldwoorden als het kon
volgde. Toen haalde een der korporaals, wiens geduld ten einde scheen,
zijn zakmes voor den dag, trad het kreupelhout in, sneed zich daar een
knuppel, die wel iets van een dorschvlegel had, en trad daarmede op de
twee vrouwmenschen toe.
„Maouw diam skarang?” (wil je thans stil zijn?) vroeg hij met dreigend
gebaar.
„Mô!” „Ik wil niet,” was het kortaf gegeven antwoord, waarop het
schelden zijn gang ging.
Daarop greep hij eene der beide schreeuwers bij den haarwrong, en begon
met zijn knuppel haar de schouders, heupen en kuiten te streelen op
eene wijze, die deed vermoeden, dat hij dat middel meer te baat genomen
had.
Bij den eersten slag stiet het vrouwmensch een akeligen gil uit; maar
zweeg nog niet. Toen evenwel het slagen regende en die knuppel
onbarmhartig raakte, waar hij neerkwam, toen liet zij zich op den grond
vallen en begon hartverscheurend te weenen. Op dit gezicht koos de
tweede het hazenpad en zocht al scheldende en tierende eene toevlucht
binnen de omheining van de Welkomstbatterij, waar zij haar gegil nog
voortzette.
Gelukkig, dat het water eindelijk genoegzaam gerezen was, om met eenige
inspanning uit den modder los te geraken. De tocht werd nu voortgezet
en een groot half uur later waren de troepen aan ’s lands werf
ontscheept.
„Wel, Jan,” vroeg de een aan den anderen, „hoe voel je den vasten wal
onder de voeten?”
„Ik waggel nog zoo wat, alsof ik het wankelende dek nog betreed,” was
het antwoord.
In ’s lands werf stond wijn en brood klaar, om de nieuw aangekomenen in
Nederlandsch Indië te verwelkomen. Voor ieder onderofficier werd eene
halve en voor ieder korporaal en soldaat eene kwartflesch wijn
verstrekt. De wijn was goed en het brood uitstekend. Dit laatste was
eene ware versnapering, na daarvan gedurende zeventig dagen nagenoeg
verstoken te zijn geweest. Het was jammer, dat het stuk, nagenoeg vier
ons, hetwelk verstrekt werd, in veler oogen zoo klein was.
„Net om in een holle kies te stoppen,” pruttelde er een.
Men moest het er evenwel mee doen. Voor dat de troep in de kazernes van
het depot zou zijn aangekomen, zou hun geen voedsel meer verstrekt
worden. Dat baarde niet al te veel teleurstelling, want eene menigte
„toekan-auer” [15] verscheen weldra met rijst, met rijstbroodjes, met
gekookte „obies” [16], met vruchten. Verreweg de meesten onzer
militairen hadden nog wel een paar dubbeltjes in den zak, en met zoo’n
som kon de meest gulzige bij deze gelegenheid zich eene indigestie
verschaffen. Gebrek werd dan ook niet geleden.
De ananassen, de pompelmoezen, de oranje-appels [17] en zooveel andere
vruchten meer, genoten de voorkeur, als verfrisschings-middelen bij de
hitte, die er heerschte; maar ook de rijstbroodjes, de katoepat, [18]
de obie’s werden door de hongerigen niet versmaad. De verschillende
toekan-auer maakten goede zaken en moesten tot de overtuiging komen,
dat de troep aan boord van de Fernandina Maria Emma gebrek geleden had,
wat toch niet waar was.
Toen de zon zoo ver gedaald was, dat zij niet meer zoo hinderlijk was,
werd de marsch naar Weltevreden aanvaard. Alvorens evenwel werden de
arrestanten—de muiters van aan boord—door eene gewapende militaire
patrouille afgehaald, om tusschen de bajonetten naar de arrest-lokalen
overgebracht te worden. Helaas! geen schitterende intocht in het nieuwe
vaderland. Een poos later verliet de troep, in vier pelotons afgedeeld,
de werf en sloeg den breeden maar overigens geheel onbeschaduwden weg
in, die langs de uitgestrekte gebouwen van den Grooten Boom [19]
voerde, marcheerde vervolgens langs de Kali-Besar (Groote rivier), een
tak van de Tjiliwoeng, de rivier van Batavia, tot bij het zoogenaamde
beursplein, waar zij langs eene plompe ophaalbrug overgetrokken werd.
Vervolgens voerde de marsch langs de kantoren van de Java-bank en sloeg
het detachement, na de stadsbuitengracht over een ellendig bruggetje
gepasseerd te zijn, de Buiten-Nieuwpoortstraat in, om bij Passar [20]
Glodok de zoogenaamde oude stad te verlaten.
Maar, waren de hoog gespannen verwachtingen omtrent het Beloofde Land
bij die prauwenvaart op het havenkanaal reeds getaand; bij dien marsch
kregen zij een geweldigen schok. De werf, waar onze baren eenige uren
doorgebracht hadden, was een vierkant grasplein door oude gebouwen
omgeven, die met hare enge en lage tralievensters het geheel het
aanzien eener klepkooi verleenden. Verder deed zich voor hun blik niets
anders voor dan: oude vervallen huizen, die geen gevoegelijk woonoord
konden heeten, ouderwetsche pakhuizen, waaraan zelden of nooit iets ten
koste was gelegd voor kalk en verf, en die nu bij hunne voorwereldlijke
plompheid en vuilheid, ter gelegenheid van den nieuwjaarsfeestdag, ook
nog eene akelige verlatenheid vertoonden, daarbij ook alweer getralied
en zwaar gegrendeld waren, als waren het boevenhuizen, en alzoo tot
sombere gedachten moesten stemmen. In de Buiten-Nieuwpoortstraat kwam
de troep in het zoogenaamde Chineesche kwartier, waar het, als het kon,
nog erger gesteld was. Kleine lage bedompte woningen, die er zoo
onzindelijk uitzagen en ook waren—getuige de geur, die in die buurt de
reukorganen onaangenaam aandeed—dat ze eerder voor stallen konden
doorgaan dan voor menschenverblijven. De gestaarte Zonen des hemels,
die ook feestdag hielden, zaten evenwel bij groepjes op de stoepen
hunner woningen hunne langgesteelde pijpen te rooken, kakelden daarbij
op luidruchtige wijze en sloegen nu en dan een sluwen blik op den
voorbijmarcheerenden troep, waarbij hunne eenigszins scheef
binnenwaarts staande oogen een zonderling effect maakten.
Was dat dat hooggeroemde Batavia?
Was dat de Koningin van het Oosten?
„Wij zijn van den regen in den drop gekomen!” pruttelde er een vrij
luid in het gelid.
„Harderwijk, wat een pesthol dat ook moge wezen, is er een paradijs
bij!” bromde een ander.
„Ik geloof geen enkel verhaal meer omtrent Oost-Indië,” zei Frank
Brinkman tot Herman Riethoven, naast wien hij in het opsluitend gelid
van het eerste peloton marcheerde. „Is dat opsnijën!”
„Zijt gij niet wat haastig in uw oordeel? Wij hebben eigenlijk nog
niets gezien. Batavia zal even als iedere groote stad hare
achterbuurten hebben,” meende Riethoven.
„Poeah! wat een lucht!!”
De troep trok in dit oogenblik Passar Glodok voorbij. Dat smerige
driehoekige plein, waar overdag en somtijds ook des avonds markt
gehouden wordt, was een waar pesthol, waar de bodem door allerhanden
vuilen afval doorsijpeld was, en waar de geuren van bedorven visch, van
bedorven oesters, van bedorven krabben en garnalen zich met die van
trassie [21], van bedorven kaas, van doerians, van kwennie’s [22], van
nangka blanda’s [23] enz. enz. mengden, en een onverdragelijken
pestwalm verspreidden, die de Chineezen evenwel niet belette hunne
woningen, in dichte drommen rondom dat plein opgetrokken, te bezitten.
„Poeah! Dat is eene verpesting!”
„O! wat overdrijving! wat overdrijving!” pruttelde Frank. „Als geheel
Indië er zoo uitziet, en zoo’n lucht verspreidt, dan....”
„Dan?” vroeg Herman nieuwsgierig.
„Dan wilde ik wel weer gauw weggaan!”
„En Adelien dan?....” vroeg Riethoven niet zonder schalksheid.
„Ja, Adelien!”.... antwoordde Frank met een zucht. „Lief dierbaar
wezen! voor haar trotseer ik alle Passar Glodoks van geheel Indië!”
„Zoo hoor ik u liever spreken. Geheel Indië kan onmogelijk naar dezen
smeerboel afgemeten worden.”
Intusschen was het detachement Passar Glodok voorbij gemarcheerd. Nog
was het tafereel, hetwelk zich ontwikkelde, niet aanlokkelijk te
noemen. Aan de rechterhand toch strekte zich nog steeds eene reeks
kleine en bedompte Chineesche huizen uit, maar daaronder begonnen
enkele voorname zich voor te doen. Ja, een paar konden met haren
zonderlingen bouwtrant zeer fraai genoemd worden. Die waren ook zeer
zindelijk en staken daardoor bij hare omgeving aangenaam af. Hier en
daar werd eene Europeesche woning tusschen die Chineesche hutten
aangetroffen, waar het oog gestreeld werd, dewijl die huizen gewoonlijk
een kleinen tuin als voorerf bezaten, waarin de liefelijkste bloemen
prijkten.
Aan den linkerkant werd thans de weg omzoomd door een kanaal, dat zich
zoo ver de blik reikte, zoo recht als langs eene liniaal getrokken
uitstrekte. Op dat kanaal wemelde het op gewone dagen van vaartuigen,
die allerlei goed vervoerden en waarlangs de gemeenschap met de hooger
op gelegen streken scheen plaats te hebben. Thans was het verlaten.
Maar aan de overzijde van dat kanaal werd het oog geboeid door
liefelijke grasvelden, alwaar hier en daar buffels en runderen graasden
en die beschaduwd werden door klapperpalmen, [24] die met hare slanke
stammen en hare wuivende bladtakken wel den blik dier nieuwelingen tot
zich trokken.
„Wunderschön!” zei Dr. Hannius tot kapitein Van Dam, naast wien hij
voortstapte, en wees daarbij op een groep van die sierlijke palmen, die
zich in kampong Tangkeh, dicht bij de Prinsenlaan, verhieven en slechts
in schoonheid overtroffen werden door ettelijke katapangboomen, [25]
die in de nabijheid stonden en hare breed-bladerige laagsgewijs
gevormde piramidale kruinen als een monster-zonnescherm vijf-en-twintig
voet boven een groot grondvlak uitspreidden en dat, wanneer de zon in
het zenith stond, beschaduwden.
„Gij zult wel meer te zien krijgen!” antwoordde kapitein Van Dam.
„Leelijk of fraai, men moet zich niet door een eersten indruk laten
vervoeren.”
Die laatste volzin was meer aan het adres van onze sergeanten gericht,
welks gepruttel den waardigen officier niet ontsnapt was, dan wel tot
den Officier van Gezondheid.
Inmiddels kreeg ook de rechterkant van den weg, dien het detachement
volgde, langzamerhand een ander aanzien. Die Chineesche woningen
verdwenen en maakten plaats voor huizen van Europeanen, wel geen
grooten der aarde, wel geen bemiddelden, integendeel, van nederige
opzichters bij verschillende departementen, van geëmployeerden bij
handelsfirma’s, maar voornamelijk van oude gepensionneerden, die bij
een schraal pensioentje door de nabijheid der handelsstad nog wel wat
verdienen wilden. Dat die woningen geene paleizen waren, laat zich
begrijpen; maar zij waren reeds meer doelmatig opgetrokken en waren
vooral netter en zindelijker. Het deed daarenboven goed weer
Europeesche gezichten te ontwaren—men had tot hier toch schier niets
dan bruine en geele troniën ontwaard;—hoewel zich niet te ontveinzen
viel, dat de gezichten, die men nu ontwaarde, of vaal grauw waren als
verouderd perkament, of hoogrood gekleurd, hetgeen wel aan de
feestelijkheid van den dag kon liggen, die de verorbering van het A V
H. [26] vocht zeer had begunstigd. Ook krioelde in deze buurt eene
menigte jeugdig grut van allerlei leeftijd en allerlei kunne, die niet
het bleeke gelaat van den Europeaan, ook niet het bruine van den Javaan
vertoonde, maar die eigenaardige kleur, die ter plaatse met „koeliet
langsep,” [27] aangeduid wordt, en die niet zonder bekoorlijkheid is.
Toen evenwel het detachement ter hoogte van Gang Kantjil aangekomen
was, veranderde het tooneel geheel en al.
„Dat wordt bekoorlijk!” sprak Dr. Hannius.
„Niet waar?” vroeg kapitein Van Dam.
„Ik trek mijn woorden van straks in,” zei Frank Brinkman met niet zoo
zachte stem, dat zijne uiting den kapitein ontging.
En werkelijk men was thans zoo langzamerhand als in eene tooverwereld
geraakt. Allerwegen verrezen thans te midden van liefelijke grasperken
en te midden van bevallige boschjes van vruchtboomen en sierheesters,
fraaie woonhuizen, aan aangenaam gelegen buitenplaatsen, en villa’s
gelijk, die zich in het lachend groen verscholen. Die huizen hadden
allen een eigenaardigen bouwtrant. Schier allen bestaande uit slechts
ééne verdieping, waarbij het dak der voorgalerij op een stelsel van
smaakvolle zuilen rustte, waartusschen een sierlijke trap toegang
verleende, zoodat het geheel de Grieksche bouworde met hare kolommen in
herinnering bracht. Aan weerszijden van het kanaal, waarover straks
gesproken werd, strekte zich thans een breede rijweg uit, terwijl die
wegen, met de bedoelde villa’s omzoomd waren. Men was in het hartje van
den westmoesson. [28] Het had de vorige weken flink geregend, zoodat
grasperken, heesters en boomen zich in hun helderst groen gestoken
hadden, en overal, waar het oog zich slechts wendde, de fraaiste
bloemen als boeketten, als trossen, als loovers te midden van het
groen, soms als slingerkransen ontwaard werden; terwijl daar hoog boven
de gevinde bladeren der kokospalmen wuifden en de goudgele noten in die
bevallige kruinen schuilden, als verborgen zij zich.
Ook de weg bood zijne eigenaardigheden aan, en bracht het zijne bij om
onze baren als in eene tooverwereld over te brengen. Ter gelegenheid
van het nieuwjaar-feest waren de Inlanders en Chineezen die men
ontmoette in hun beste kleeren gestoken, en prijkten de eerstbedoelden
in baadjes van donker laken of ook wel van schel gekleurd katoen,
hadden lakensche pantalons aan met zeer nauwe pijpen, waaronder de
naakte voeten schril uitstaken, droegen om het midden een korte sarong,
die slechts tot boven de knie reikte en door een band van goud galon of
ook wel van zwart verlakt leder, waarin de kris van achteren stak, om
het midden bevestigd was. Een gebloemde hoofddoek, die de lange haren
in een wrong te samen hield, voltooide het toilet van die fatten, die
hunne blanke heerschappen heden ochtend hunne hulde hadden gebracht. De
Chineezen waren meer stemmig gekleed met hunne donkere maar overmatig
wijde pantalons, waaronder de voeten in eene soort van omgekrulde
kothurn staken, met hunne kraakzindelijk witte baadjes, die in fatsoen
met een nachthemd of beter met eene kabaia overeenkwamen, met hunne
kaal geschoren glanzende schedels, op welker kruin eene lange haarlok
gebleven was, die regelmatig gevlochten en met roode, zwarte of witte
zijden koord verlengd was, naarmate de drager jonggezel, gehuwd of in
den rouw was. Wat iets fantastisch, iets alsof het geheel in de
„Duizend en een nacht” te huis behoorde, verleende, was de verschijning
van ettelijke Arabieren met hunne scherp geteekende gelaatstrekken, met
hunne vurige oogen en zwarten baard, die daar met den tulband op het
hoofd en de chlamyde om de lendenen deftig heen stapten.
„Het is of je eene tooneeldecoratie, b.v. uit „Nathan de wijze” ziet,”
mompelde Herman Riethoven.
Intusschen hoe verder het detachement op den weg langs Molenvliet
vorderde, hoe meer levendigheid ook onder de Europeesche bevolking
ontwaard werd. In de voorgalerijen werden lieve kopjes ontwaard,
mamaatjes, die zich met hare kindertjes een oogenblik bezighielden,
jonge dames, die vlijtig hare handjes ganteerden en gereed waren òf op
hare voetjes eene wandeling te ondernemen, òf in het rijtuig te
stappen, dat onder aan den trap der galerij gereed stond om den lieven
last te ontvangen, en een verkwikkenden rijtoer te maken. Op den weg
wemelde het reeds van rijtuigen. Fraaie landauers met vurige
Makassaarsche of Bimaneesche paarden bespannen, smaakvolle coupés,
waarvoor een paar flinke Preanger of Kedoe paarden draafden. Eindelooze
rijen van huurrijtuigen met aemechtige paarden er voor, hier en daar
eene bendy—eene chais noemden haar de baren—waarin een dandy koeliet
langsep gezeten was, en met keurig geganteerde hand de teugels hield en
de zweep zwaaide. Dat alles wemelde door elkaar, draafde, galoppeerde,
wendde, draaide en maakte het geheele tooneel tot eene werkelijke
tooververtooning. Wat in volle mate de aandacht trok, waren de
koetsiers, die op den bok hunner rijtuigen gezeten, wel het
potsierlijkste gezicht opleverden, dat te genieten was. De automedons
der huurrijtuigen, waren eenvoudig als Javaan gekleed, maar hadden een
„bakhol,” een hoofddeksel dat in vorm veel overeenkomst had met een
omgekeerden slabak, maar met rood, blauw, groen of goudkleur verlakt
was. Bij de eigen equipages droegen de koetsiers op den hoofddoek
livreihoeden met buitensporig breede galons om den leelijken cilinder,
die met nog grootere cocardes getooid waren. Zij droegen daarbij
„badjoe toro’s” (lange jakken) van schelle kleuren en vertoonden
daaronder een hagelwitte pantalon. Maar allen waren gewapend met eene
uiterst lange zweep, zoo lang, dat zij wel eenige overeenkomst met een
hengeltuig had, welker roede met bonte kleuren beschilderd was. Bij
vele rijtuigen stonden twee bedienden op het achterplankje, ook in
badjoe toro’s gedoscht, maar gewapend met een dikken witharigen
paardenstaart, om de edele rossen, wanneer zij stil stonden, de vliegen
van het lijf te houden.
„Het schemert mij waarlijk voor de oogen!” zei Herman tot Frank.
„Mij ook!” hernam deze. „Wat een verschil met straks!”
„Wat is dat voor een groot gebouw, daar vlak voor uit?” vroeg Dr.
Hannius aan kapitein Van Dam.
„Dat is de Harmonie, een sociëteitsgebouw. Daar kunt ge heden avond een
partij biljard gaan spelen.”
„Dat zal ik wel laten,” pruttelde de Esculaap, „ik gevoel mij of ik
gekookt ben, na dien marsch.”
Bij de Harmonie sloeg het detachement den weg, die zich daar in drieën
vertakte, [29] links in, en bleef het kanaal volgen, hetwelk daar
nagenoeg rechthoekig omboog. Men bevond zich thans te Rijswijk, en een
drie honderd meter verder werd het paleis van den Gouverneur-Generaal
gepasseerd, waarboven Neerlands driekleur wapperde, ten teeken dat de
Groote Heer, die zich gewoonlijk te Buitenzorg ophoudt, thans hier
vertoefde. De marsch werd steeds voortgezet.
„Moeten wij nog heel ver?” vroeg dokter Hannius. „Ik begin erg vermoeid
te worden.”
„Ja, wij hebben nog eene aardige wandeling te maken. Maar.... wat zie
ik. Daar komt een kavalerist spoorslags aanrijden....”
En werkelijk, het was een ordonnans, die kapitein Van Dam namens den
plaatselijken militairen kommandant kwam, uitnoodigen het detachement
een poos halt te laten maken; omdat.... omdat de stafmuziekanten
nieuwjaar hadden gevierd en nog niet gereed waren. Het was toch „adat”
(gewoonte) de baren met een vroolijk deuntje naar binnen te halen.
Dadelijk klonk het kommando:
„Divisie, rechts uit de flank. Met rotten links, Marsch!”
De beweging werd uitgevoerd, en toen de troep eenige tientallen meters
doorgemarcheerd en een goed beschaduwd plekje bereikt had, kommandeerde
kapitein Van Dam.
„Divisie, halt! Front! Rechts-richt-u! Staat!.... Op de plaats-rust!”
Het detachement stond thans ter hoogte van het Javahotel, dat op een
halven kilometer afstand van het paleis van den Gouverneur-Generaal
gelegen was.
„Ook dat nog!” zuchtte Dr. Hannius, die zich nu in den kring, door de
officieren van het detachement ter zijde van den troep gevormd, bevond.
„Ik ben zoo moe en heb zoo’n dorst!”
„Ik ook! ik ook! ik ook!” bevestigden de luitenants Denniston,
Leidermooi en de apotheker Behren als om strijd. „Het is niet alles, om
in zoo’n warm land zoo’n marsch af te leggen.”
Het was evenwel, alsof een toovergodin de verzuchting van de
smachtenden verhoorde. Twee Javaansche bedienden, ook al weer met een
badjoe toro aan, traden op dat kringetje toe. De een had eene „gendi”
(fijne waterkruik) in de hand. De andere een mandje, waarin eenige
flesschen en glazen.
„Toean toean soeka minoem?” (Verlangen de heeren te drinken?) vroeg een
hunner met eene zeer beleefde buiging.
„Jongens, een glas bier zal zich uitstekend laten smaken,” zei kapitein
Van Dam. „Boeka bier!” (maak bier open). En terwijl hij het schuimend
vocht met gulzigheid naar binnen sloeg, vroeg hij den bediende:
„Siapa njang kirim?” (wie zendt u).
„Njonja Kroenoeald!” (mevrouw Groenewald).
De kapitein keek achter het gelid naar het hotel en wisselde een groet
met genoemde dame, terwijl de andere officieren zich ook een glas bier
lieten smaken.
„Drommels,” prevelde Herman, „het is hier net als overal elders, beter
officier te zijn dan minder militair. Welk liefelijk hemelsch wezen zal
ons een koelen dronk aanbieden om onzen dorst te lesschen?”
Die vraag was nog niet ten einde, toen het liefelijk hemelsch wezen
zich in de gedaante van een anderen Javaanschen bediende, met eene
enorme sirih-pruim op de benedenlip en een drankenmandje in de hand,
bij de beide onderofficieren vervoegde, voor hen boog en op zijne beurt
prevelde:
„Toean toean soeka minoem?”
„Wat zegt die man?” vroeg Herman.
„Of ge drinken wilt?” lichtte een der oud gedienden toe.
„Drommels, ja!” riep Frank. „Ik stik bijna van dorst!”
De Javaan greep eene flesch, ontdeed haar van de metalen capsule,
boorde den kurkentrekker door de kurk, die met een edelen zwaai
uitgetrokken werd, schonk twee glazen vol van het parelende
Haantjes-bier en bood die den beiden jongelieden aan.
„Sakkerloot...... dat smaakt!” riep Herman met den smekkenden wellust
van een geboren Maastrichtenaar, die na lange ontbering weer een
drinkbaar glas Cambrinus-vocht aan de lippen zette.
„Waarlijk..... dat smaakt!” bevestigde Frank, toen hij na den teug weer
bij adem kwam. „Wie zendt dat?”
Die laatste vraag was tot den bediende gericht.
„Trada menggartie,” (ik versta u niet) bromde deze.
„Och, vraag hem eens, wie dat bier ons zendt?” wendde zich Frank tot
den oud gediende, terwijl hij dezen ook een glas aanreikte.
Deze herhaalde de vraag.
„S’tau namanja,” antwoordde de Javaan, „tapeh itoe nonna nonna njang
kirim.” (Ik weet den naam niet, maar die jonge dames hebben mij
gezonden.)
Bij die woorden wees hij naar de voorgalerij van het hotel, waar de
dames en mijnheer Groenewald stonden, gereed het rijtuig in te stappen
om te gaan toeren. Frank uitte een lichten kreet van verrassing. Hij
wilde naar de familie toeijlen om haar zijnen dank te zeggen. Maar,
daar klonk het kommando:
„Geeft acht!... Met pelotons, rechts afmarcheeren!... Marsch!... Guide
links!”
Frank liet zijn voorgenomen kompliment in den steek. Hij wisselde nog
een dankbaren blik met Adelien; maar volgde gedwee het kalfsvel, dat
zich bij het kommando: marsch! dadelijk hooren liet en onmiddellijk
afgewisseld werd met een opwekkenden marsch, door de stafmuziek, die
zich aan het hoofd der kolonne geplaatst had, ten gehoore gebracht.