DE PASAR MALEM

Toen onze vrienden wakker werden, was de grootste hitte voorbij. „Wat

zullen we doen?” vroeg Gerretje, zich uitrekkend en luidruchtig

geeuwend. „Voor de pasar is het nog te vroeg.”

„Nou, dat is niks”, zei Harmen. „Dan gaan we eerst inkoopen doen. We

moeten broeken, hemden, sokken, een kist hebben, afijn: alle rommel,

die je noodig hebt.”

„Dan gaan we naar toko Bombay!” zei Gerretje.

„Wat is dat: tokobombee?” vroeg Harmen. „Zou ik daar ook een fiool

kunnen krijgen?”

„Krijgen: nee. Koopen: ja”, meende Gerretje. „Ze hebben er van alles.”

„Vooruit dan maar!” Harmen sprong overeind.

Daar verscheen, beminnelijk glimlachend, de handen op zijn vetten buik,

Loa-Hok-Sen weer. „Tabeh, toewan bázál! Toewan bázál tidol bai?”

„Hij komt om z’n duiten”, zei Gerretje. En tot den Chinees: „Brapa?

Hoeveel?”

„Oa.....ah, toewan bázál.....!” stamelde de Chinees op dankbaren toon.

En tellend op de vingers, half zingend, begon hij een ellenlange

berekening, tot hij tenslotte een som van twee gulden bijeengezongen

had en vriendelijk de hand ophield.

„Wat een afzetter!” raasde Gerretje.

Maar Harmen tastte in zijn broekzak als een toovenaar in zijn schatkist

en wierp Loa-Hok-Sen vol zwier de guldens toe. Deze scheen, naar de

mate van zijn vreugde te oordeelen, nog niet op de helft gerekend te

hebben en begroef Harmen nu onder zegenwenschen.

„Vooruit, lekas, patjakker!” beval Gerretje. „Haal de wagen en de

koedah’s hier!”

Loa-Hok-Sen riep iets naar achteren, en even later kwam krakend de

wagen voor. De Chineesche gastheer boog zoo diep als zijn buik het maar

veroorloofde en was een en al glimlach; zelfs de plooien in zijn buik

schenen te glimlachen. Toen Joppie aan zijn nekvel binnen boord

geheschen was, ging de reis weer verder. Gerretje stuurde; Harmen

klapte met de zweep en weerde de aanvallende straathonden af; Joppie

was nauwelijks in bedwang te houden en kefte tot hij heesch was. Zijn

haren stonden overeind.

Toko Bombay bleek een onoogelijk winkeltje te zijn, niet ver van de

haven. Met gebukt hoofd stapten de jongens het donker in.—„Jij mag je

wel dubbel vouwen, Hilke!” meende Harmen.

In den winkel hing een bedwelmende geur van wierook, bloemen,

reukwaters. Zoo grauw het zaakje er van buiten uitzag, zoo kleurvol was

het er binnen: het leek wel een schatkamer. Schitterende, glanzende,

fonkelende dingen lagen op en naast elkaar gestapeld, en bij al dat

bonte, zonderlinge gedoe dook daar uit het halfduister een al even bont

en zonderling wezen op: de koopman uit toko Bombay. Hij droeg een

goudbestikt kalotje, een lang, grijswit hemd en daaroverheen een open

vestje vol figuren in gouddraad. Onder het hemd kwam een wijde broek

uit van dezelfde kleur, en de naakte voeten staken in zwart fluweelen

sandalen, die ook al glommen van het gouddraad. Met een lichte buiging

van het hoofd en een deftige armbeweging heette hij zijn gasten welkom

en wachtte zwijgend, hen schrander aanziend met zijn glinsterend-zwarte

kraal-oogen, hun wenschen af.

„Tabeh, bang!” zei Gerretje. „Ja, jongens, wat willen jullie nou

koopen?”

Ietwat bevangen keken de jongens rond. Wat een prachtige dingen!

Harmen kreeg een waterpijp te pakken. „Wat is dat voor een ding?” vroeg

hij.

„Dat is een pijp!” lichtte Gerretje in. „Zoo een heeft m’n vrind, die

ik les geef, ook thuis!”

„En wat moeten ze dan met die slang er aan?”

„Weet ik het?” vroeg Gerretje. „Misschien wel om die pijp op hun nek te

nemen, als ze verhuizen.”

Padde begon zachtjes te grinniken.

„Hij is gekocht!” riep Harmen.

„Als je daaruit rookt, vallen ze dubbel!” meende Hilke vroolijk.

„Als ze maar niet op mijn pijp vallen, vind ik het best”, zei Harmen,

de pijp voor zich terzijde zettend. „Kijk er eens een mooie kwasten

aanzitten! Nou moet ik nog een fiool hebben!” En hij duidde den koopman

zijn wensch door het hoofd schuin te leggen en met zijn armen door de

lucht te fiedelen.

De man knikte, wendde zich om en riep iets in een scherp klinkende

taal. Een klein jongetje met matgele huidkleur en hetzelfde Oostersche

pakje aan dook uit het halfduister op en zette op de toonbank een

zwarte vioolkist neer. Toen verdween hij weer.

De man opende de kist, lichtte het doekje op en.....

Harmen rolden dikke tranen over de wangen. Zwijgend, zonder de handen

uit te steken, staarde hij naar het wonder daar voor hem. Toen lichtte

hij de viool met bevende handen uit de kist, haakte den strijkstok los.

„Nou, jongens.....” Harmen haalde diep adem, „wat zal ik spelen?”

„Van die begrafenis.....” zei Hajo.

„Wacht! ik weet al een mooi moppie!” riep Harmen uit. Harmen begon te

fiedelen, aanvankelijk nog aarzelend en beverig, maar allengs weer met

den ouden zwier, vol trillers en loopjes, of akelig droefgeestig

slepend van den eenen toon naar den anderen.

„Verduiveld mooi!” prees Hilke. Rits! daar gleed de stok krassend uit.

„Dat is nog ongewoonte!” verontschuldigde Harmen zich.

„Mag ik ook eens even?” vroeg Hajo, zich verslikkend van opwinding.

„Jawel”, zei Harmen genadig. „Straks mag je! Je moet eerst luisteren!

En geef Joppie eens een trap, dat ie ophoudt met z’n gegil!”—Joppie

werd tot kalmte gebracht, en nu wendde Harmen zijn krachten op de

„Begraffenis” aan. Voor den winkel bleef allengs een schare

belangstellenden staan. Harmen gloeide van trots en ondernam met

vingers en strijkstok de meest gedurfde toeren,—waarbij hij wel eens

den hals brak.

Intusschen sloegen de anderen aan het inkoopen. Geen van hen ontkwam

aan de bekoring, die van al die wondere dingen uitging. Gerretje, die

zelf geen centen te verteren had, hielp den koopman door uit hoeken en

gaten glinsterende dingen op te diepen, het eene al mooier dan het

andere, en dit den in kooproes zwelgenden jongens voor den neus te

leggen, zoodat ze zich, nog voor ze aan den aankoop van een stevige

broek dachten, zich bijna al arm gekocht hadden aan bestikte muilen,

verzilverde reukdoosjes met mooie figuren er op, waaiers, ringen,

ivoren olifantjes, aardige poppetjes, zijden doeken, ponjaards,

armbanden..... Padde was juist aan het onderhandelen over een

beschilderd zonnescherm met fraai gesneden stok, toen Rolf eindelijk op

de goede gedachte kwam om eens te vragen wat een paar sterke

scheepskisten kostten.

De man noemde den prijs en zei, dat ze in twee dagen gereed konden

zijn.

„Wanneer zeilt de Nieuw-Zeeland uit?” vroeg Rolf den anderen.

„Volgende week, als de wind goed is!” zei Harmen, zijn viool afleggend.

„’k Mag lijden, dat we lekker in de winter aankomen, ’t is mij nou lang

genoeg zomer geweest, hè, Joppie? En jou, Hilke? Hè? Wat zal ze blij

zijn, zeg!”

„Schei d’r maar over uit!” zuchtte Hilke, eensklaps vuurrood wordend.

„Met Kerstmis zijn we wel thuis”, meende Harmen. „Wat zullen we ’t

gezellig hebben, jongens! ’s Avonds bij het vuur een bakkie heete slemp

en vertellen van je reis.....!”

Gerretje was stil geworden, en Harmen merkte het. „Ja, stommerik, daar

grijp jij naast! Laat jij je maar gaarstoven in dit nikkerland!—Z’n

kameraden in de steek laten—wat een vent!”

„Hou je gezicht!” schold Gerretje.

„Sssst!” suste Rolf. En tot den koopman: „Maak de kisten maar voor ons.

Vier stuks.”

„Zeg hem, dat ie plaatjes over de hoeken slaat!” raadde Padde aan.

Het was een zonderling groepje, dat zich een half uur later in het

rijtuig heesch. Harmen, onder een arm zijn viool, onder den anderen

zijn waterpijp, had een roode fez op met een zwarten kwast er aan,

droeg een pronkerige kris achter in den gordel en slofte voort op

goudbestikte sandalen. De anderen waren al even bepakt en bezakt met

kleur- en vormrijke voorwerpen.

„Alles maar onder het bankje!” raadde Gerretje aan.

„Goeie morrege!” zei Harmen. „Daar kan net m’n pijpie staan! En meer

niet.”

„Nou”, meende Hilke, „dan nemen we de boel op schoot en brengen eerst

alles aan boord.”

Zoo werd besloten. Harmen wipte op den bok, naast Gerretje; de anderen

gingen met de gekochte spullen binnen in den wagen zitten. En toen

alles goed was ondergebracht, nam Harmen z’n fiedel op en begon zoo

vurig te spelen, dat de paardjes er een gestrekten draf inzetten.

„Kijk ze eens loopen!” zei Gerretje. „Ze zijn bang voor de muziek.”

Achter in den wagen deelde Hajo zijn vriend Padde mee hoe hij zijn

schatten verdeelen zou. „De pop krijgt Antje; Maartje de waaier, en de

olifant is voor Doris. En die muilen geef ik aan m’n moeder! Zou het

echt goud zijn wat er op zit?”

„Wat dacht jij dan?” vroeg Padde. En met een zucht liet hij er op

volgen: „Ik ben thuis met z’n tienen! En m’n ooms en tantes willen óók

wel wat hebben! Er eens kijken: voor Louwtje en Nelis en Heintje heb ik

wat; Margje krijgt dat poppetje. Vind je die doek niet mooi? Die is

voor m’n moeder voor ’s Zondags naar de kerk. En als ’t regent kan ze

er die paraplu nog bij opzetten,—wat zullen de lui kijken! Annetje

krijgt samen met Margje die pop, dan kunnen ze er om de beurt mee

spelen. Nou zit ik nog met Jan en Gijs! Als ik ze die dolk geef,

gebeuren er ongelukken.”

Rolf had zwijgend, met afgewenden blik gezeten. Nu, keerde hij zich

bruusk om, duwde Padde een paar ivoren olifantjes in de hand. „Hier,

neem die maar, die..... die zullen ze wel leuk vinden!”

Padde keek Rolf verbluft aan. „Dat meen je toch niet?”

„Hier!” zei Rolf korzelig. „Neem dit poppetje maar mee voor..... voor

Annetje, dan hebben je zusjes er allebei een.”

En hij trachtte den bevreemden blik der anderen te ontwijken.

„Nou!!” riep Padde verblijd uit. „Daar boffen ze bij! Zeg, als je nou

toch aan het geven bent, heb je dan soms ook nog wat voor m’n ooms en

tantes?”

„Padde!” berispte Hajo.

„Nou, ’k maak immers maar een lolletje!” zei Padde. „Of denk je, dat ik

hem de spullen wil afhalen, die hij zelf gekocht heeft voor z’n.....

eh.” Padde zweeg opeens.

De kar ratelde over de steenen, en de jongens werden dooreengeschud op

de houten banken. Harmen fiedelde onverdroten voort.

Rolf was vuurrood geworden.

„Ziezoo, jongens, we zijn er!” riep Gerretje.

„Hoe komen we nou aan boord?” vroeg Hilke, z’n hoofd naar buiten

stekend.

„Met een prauw! Daar ligt er al een met een zeil!”

„En als de baas van het spul nou komt?”

„Die komt niet”, zei Gerretje. „Laten Harmen en ik het zoodje maar even

aan boord brengen, want we kunnen niet met z’n allen in die smerige

prauw.—Leg die fiedel nou eindelijk eens af, Harmen!”

Harmen staakte zijn spel, sprong de prauw in.

Even later zeilden de beide janmaats weg naar de Nieuw-Zeeland. Harmen

fiedelde alweer.

De anderen gingen een der warongs binnen, die aan de kade stonden, en

aten wat zoetigheden in pisangblad gevouwen. De zon gleed juist in zee

weg; de korte Indische schemering viel in.

Het duurde wel een uur voor Gerretje en Harmen terugkeerden. Reeds van

verre klonk Harmen’s vioolspel weer over het water. De anderen

betaalden hun vertering en gingen naar buiten.

De reede bood nu een aardigen aanblik. Overal werden prauwtjes

losgegooid; een paar inlanders sprongen er in, staken een flambouw op

de voorplecht en togen ter vischvangst. De weerschijn der lichten

hotsebotste over de golven.

„Jongens, ik heb een nieuwtje!” riep Harmen al van uit de prauw.

„Gerretje heeft aangemonsterd bij de Bruinvisch!”

„Dàt is nog eens verstandig!” prees Hilke. En de anderen lachten.

„Vooruit, lig niet te zaniken!” gromde Gerretje, aan wal springend. „We

gaan naar de pasar malem!”

„En m’n fiool gaat mee, jongens!” schreeuwde Harmen. „Bij kerremis

hoort muziek!”

Opgewonden werkten allen zich weer in den wagen. Op naar de pasar

malem!

Het was duister geworden; wel fonkelden al wat sterren, maar de maan

was nog in geen velden of wegen te bespeuren. De jongens reden de brug

weer over en toen de laan in van daarstraks. Hier, onder de hooge,

zware loofboomen was het zoo pikkedonker, dat je geen berm kon

onderscheiden. Maar verder op dansten de flambouwen van wandelende

winkeltjes, en op die licht-boeien stelde Gerretje zijn koers. Hij was

bij Harmen’s gefiedel gaan zingen, klapte met de zweep en gilde zijn

vreugde over zijn aanmonstering uit. „Hoei-oei-oei.....!”

„Leve Gerretje!” brulde Harmen.

„Hiep-hiep-hiep, hoera!!” riepen de anderen, en Gerretje zelf

schreeuwde het hardst.

Zoo belandden ze bij de pasar malem. Ze staakten hun gezang toen het

marktgeroezemoes tot hen doordrong, en gluurden uit het rijtuig naar al

dat lichtgeflonker.

„Zoo! Hier zullen we de kast meren!” stelde Gerretje voor. En toen de

kast gemeerd was, stapten allen uit en gingen de marktplaats op. Overal

tentjes, stalletjes met walmende oliepitjes en flambouwen, voorbij

schuivende gestalten in bonte baadjes en sarongs, grillige schaduwen

afwerpend naar drie, vier zijden tegelijk. Merkwaardig was, dat nergens

geschreeuwd of gezongen werd, of ruziegemaakt. De marktventers zaten

zwijgend, een strootje rookend, bij hun waren en spraken slechts eenige

woorden, wanneer een kooplustige bij hun stalletje bleef staan. „Wat

een dooie boel!” zuchtte Harmen. „’k Hoor nog geen draaimolen, ’k zie

geen paardespul,—niks.”

Wacht, daar in de verte klonk lallend, brullend gezang. Janmaats! „Die

kant maar uit, jongens!” beval Harmen. Deze laatste had nog al bekijks,

met zijn roode fez, zijn kris en zijn viool.

De jongens liepen door, vonden op het midden der marktplaats onder een

reusachtigen waringin het gezelschap zangers. Een kring Inlanders keek

meesmuilend toe.

De maats brulden en tierden en klapten in de handen, en in hun midden

waren er twee aan het dansen met zonderlinge lichaamswendingen.

„Schip ahoy!” schreeuwde Gerretje. „Wat halen jullie daar voor lol

uit?”

„We zijn aan het dansen! Op z’n Javaansch! Heila, speel jij er eens wat

bij, zeg?”

Harmen werd in hun midden geduwd, bij de „dansers”, en sloeg aan het

fiedelen.

„Jongens!” schreeuwde Gerretje boven het gebrul en geloei der janmaats

uit, „Gerretje heeft weer aangemonsterd en centen zat!” En hij rammelde

met de pas ontvangen zilverstukken in zijn broekzak.

„Leve Gerretje! Hoera!” brulde de schare. Een kreeg het met een

Inlander te kwaad, dien hij tegen het lijf viel. „Blauwe nikker!”

schold hij. „Ik zal je.....!”

Hilke trok Rolf, Hajo en Padde met zich mee. „Laat ze schieten,

jongens, het wordt hier een bende. Ga met mij mee: daarginds kunnen we

ècht Javaansch zien dansen.” En Hilke ging voorop, wandelde als een

Goliath tusschen de klein gebouwde Inlanders en de lage tentjes door.

De jongens verbaasden er zich over hoeveel verschillende rassen

Oosterlingen ze zagen. Bij een stalletje kochten ze een paar manggah’s

en dronken er groene limonade bij, vol glibbertjes.

De inlanders waren in hun beste kleedij. Kinderen droegen zilveren

enkelbanden, en om de bruine vingertjes glansden ringen. De vrouwen

hadden heur zwart glanzend, geolied haar nog onberispelijker naar

achteren gekamd dan anders; de wrong lag nog sierlijker, bevalliger, en

er prijkten sneeuwwitte melati-bloempjes in, die een heerlijken,

sterken reuk verspreidden. De strak gevouwen hoofddoeken der mannen

stonden deftig op het bruine gelaat. Alom hing een zoete geur van

bloemen, lekkernijen, vruchten, vermengd met de lucht van kokerij,

visch, doerian en den walm der oliepitjes, die het geheel een

feestelijk, sprookjesachtig aanzien gaven. Boven al het gebabbel en

geroezemoes zegevierden daarginds Harmen’s vioolkunst en de zang der

janmaats.

Zoo vonden de knapen de plaats waar gedanst werd, en wel een uur lang

staarden ze verwonderd, bevangen en droomend naar de wonderlijke

bewegingen der „ronggengs” (Javaansche danseressen). Zoo zouden ze hun

heele leven wel willen zien dansen. Wat een mooi, gouden helmpje droeg

die eene,—dat was zeker een koningin.....! Langzaam-aan wenden de

jongens ook aan het schijnbaar zoo eentonig tokkelen der gamelang; ze

voelden, dat de muziek één was met den dans, en dat de danseressen bij

elk nieuw wijsje weer andere wondermooie figuren tooverden.....

Ze zagen dien avond ook nog een tooneelvoorstelling met poppen, die

grappige gezichten hadden en wonderlijk dunne armen, en er zat iemand

bij, die alles vertelde. Hu! dat was de duivel zeker! En dat daar de

koning! Jammer, dat ze haast niets verstonden!

En van de „wajang-wong” dwaalden de jongens naar een plaats waar een

hanen-gevecht gehouden werd. Driftig, de borstveeren opgezet tot gouden

kurassen, vlogen de dieren tegen elkaar op en brachten elkaar bloedige

wonden toe met de stalen sporen, die men hun had aangebonden. Zwijgend

zaten de Inlanders toe te zien; er lagen hoopjes zilver bij, die er op

duidden, dat op de hanen werd gewed.

De jongens voelden zich door het wreede spel afgestooten en gingen weer

verder. Wat was dit toch voor een eigenaardig volk, dat zooveel

beschaving te paren wist aan zoo laaghartige neigingen.

Het was laat geworden, en onze vrienden besloten huiswaarts te keeren.

Bij tweeën, Hilke en Padde voorop, en achteraan Hajo en Rolf,

slenterden ze door de breede laan met de boomen. Nu en dan wandelde hun

in soepelen, snellen gang een lastdrager voorbij met een flambouw aan

zijn mand, schuw nog even naar hen omziend.

„Nu, Hajo”, zei Rolf plotseling, „over een paar dagen is het

afgeloopen.....”

Hajo haalde diep adem en keek naar boven, waar tusschen de boomtoppen

door de sterren fonkelden. Toen zei hij: „Rolf, ik weet niet, of ik je

ooit nog terugzie, maar vergeten zal ik je nooit! Jij bent..... jij

bent.....” Hajo kon niet meer uit z’n woorden komen. „Jij bent.....”

„Een pennelikker”, zei Rolf met een half ondeugenden, half droevigen

glimlach.

Hajo begon te snikken en omklemde Rolf’s arm.

„Stil maar”, zei Rolf. „Als jij hier over een paar jaar weer terugbent

in Indië, monsteren we nog op hetzelfde schip aan en zeilen samen weer

naar Holland terug. Dat zal leuk zijn, hè?”

„Nou.....!”

„En dan ga ik op een scheepstimmerwerf werken; dat heb ik altijd al

gewild.”

„Ja”, zei Hajo, „dat weet ik nog van toen, op de Italiaansche

Zeedijk.....! Had je toen wel gedacht, dat we nog eens zulke dikke

vrienden zouden worden?”

Rolf knikte. „Ik zag je en meteen mocht ik je al lijden. Als ik je een

lamme vent gevonden had, zou ik je met vechten toen heel anders hebben

aangepakt. En Padde vond ik ook al dadelijk zoo’n gezellige sukkel.

Toen wij nog zouden gaan vechten, droeg hij m’n emmertje met bot al!”

„Zeg, Rolf”, zei Hajo en kneep Rolf’s arm. „Misschien..... misschien

word ik nog wel eens stuurman” (Hajo sprak het woord haastig uit) „op

een schip, waarop jij schipper bent!”

„Of jij wordt nog eens schipper op een schuit, die ik gebouwd heb! Ik

zal vast eens een model voor je uitzoeken. En als ik geen model vind,

dat me bevalt, ontwerp ik er zelf een.”

Hajo was blijven staan. „Méén je dat, Rolf.....?” stamelde hij. „Zou ik

nog wel eens..... nog wel eens schipper kunnen worden?”

„Waarom niet?” vroeg Rolf. „Als je maar aanpakt! Kijk zoo’n Bruinvisch

nou eens aan. Zou jij niet kunnen leeren wat hij geleerd heeft?”

„Rolf.....?!”

De jongens zwegen; Hajo moest nog eens rijpelijk overdenken wat Rolf

gezegd had. Hij, Peter Hajo, zou nog eens schipper kunnen worden?!

Schipper met een opper- en een onderstuurman, een bootsman onder zich?

Een eigen schip hebben, een eigen schip met een bemanning?!

Schipper Hajo..... hoe zoet klonk het.—Daarvoor moest gewerkt worden.

Hard gewerkt, jaren lang. Welnu! Hajo zou werken, de tanden opeen. Hij

zou lezen en schrijven leeren, hij zou het eene boek na het andere

verslinden, regel na regel, tot hij het van buiten kende. Hij zou over

sterrenkaarten gebogen zitten, avond aan avond, tot er geen olie meer

in de lamp was; ’s nachts in bed zou hij berekeningen maken; hij zou

naar Zaandam loopen en naar Amsterdam, waar de groote scheepswerven

waren; hij zou wachten tot hij een man was en dan zijn baard laten

staan, net als schipper Bontekoe; nu, op deze reis al, zou hij op een

prik trachten uit te visschen wat de Bruinvisch zoo dagelijks deed,—of

het erg moeilijk was, schipper zijn.....

Daar klonk in de verte Harmen’s fiedel weer. De jongens keken om en

zagen den wagen aankomen, die geducht zwaaide, naar het licht op den

bok te oordeelen. En toen de oomes weer bij Harmen’s gefiedel

instemden, hoorden de jongens, dat de arak het gewonnen had.

„Zoometeen kantelen ze nog!” zei Rolf.—Daar leek het werkelijk veel op:

de wagen slingerde van den eenen wegberm tegen den anderen.

„En m’n centen zijn op,—dat is me een strop! En m’n centen ben ik

kwijt,—wat een narigheid!” zong Gerretje boven allen uit.

De jongens gingen eerbiedig een weinig terzijde. Gerretje klapte met de

zweep; Harmen zat naast hem te fiedelen. Binnenin lag de een bij den

ander op schoot; het was een wonder, dat de bodem het uithield. En een

der maats had zich achterste voren op een rossinant geslingerd, steunde

zich op den anderen paardenrug om niet te vallen en schreeuwde: „Hou

op! Ik val er af!”

Maar Gerretje luisterde niet naar de smeekbeden van den onervaren

ruiter en zong onverdroten voort, dat zijn aanmonsteringscenten op

waren en dat hij dat zoo’n strop vond. En daarbij klapte hij lustig met

de zweep.

Harmen merkte de jongens aan den wegkant op. „Oh, mannen, daar hebben

jullie de twee stuurlui ook!” De anderen letten niet zoo op de jongens,

maar, Hilke ontdekkend, riepen ze: „Kom er ook in, Hilke! Plaats zat!”

Hilke wees het aanbod af. „Ik loop liever. Wachten jullie bij de

sloep?”

„Ja, we zullen wachten!” schreeuwde Harmen en fiedelde weer voort. Zoo

zwaaide de wagen den weg af, tot ze bij een bocht uit het oog verdween.

Hajo was uit zijn droom wakker geschud. „Wat heeft Harmen opeens?”

„Harmen is jaloersch op die brief, die m’n oom je heeft meegegeven”,

zei Rolf. „Gisterenavond kwam hij bij me en vroeg, of lezen en

schrijven moeilijker dan vioolspelen was. Als het niet moeilijker was,

wou hij het leeren.”

„En wat heb je gezegd?”

„Dat, als hij net zoo goed kon lezen en schrijven, als hij nu viool

speelt,—hij er nog geen laars van kon. Toen was hij boos.”

„Vind jij dan niet, dat hij erg mooi speelt?” vroeg Hajo verbaasd.

Rolf glimlachte. „Gaat nog al. In de buitenlucht is het niet zoo

hinderlijk als binnen.”

„Van die begrafenis is toch wel mooi.....” aarzelde Hajo.

„’t Is er ten minste treurig genoeg voor”, zei Rolf.

De jongens belandden bij de kade, waar de anderen reeds in de sloep

zaten en den tijd verdreven door in het bootje zoo heen en weer te

schommelen, dat het telkens water schepte. Boven stond de verlaten

wagen; de paardjes leunden droevig en slaperig tegen elkaar. Toewan

Gerretje had geen lust meer om ze thuis te brengen.....

„Span ze dan ten minste uit!” gromde Rolf en bevrijdde de dieren van

het tuig. De paardjes maakten er een dankbaar gebruik van door terstond

weg te sukkelen, vermoedelijk naar hun stal.....

„Wel verduiveld!” schold Gerretje met dubbele tong. „Daar lóópen ze, de

knollen! En als ik nou m-morgenochtend aan wal ga, zijn ze w-weg!”

Meteen plofte Gerretje weer om door het geschommel der anderen. Allen

gierden van de pret.

„Hou nou op met dat schommelen!” mopperde Hilke. „Zoometeen kantelen we

nog.”

„Juist lollig!” schreeuwden de maats. „D-dan zwemmen... hik! zwemmen we

wat!”

„Je weet zeker niet, dat het hier vol haaien zit?” vroeg Rolf.

„Jij bent zelf een haai!” schreeuwde Gerretje. „Wat doe je met je

vingers aan die k-knollen? Zijn die van jou, of zijn ze van..... hik!

van toewan Gerretje?”

Rolf gooide samen met Hilke de sloep los. „Ziezoo, ga jij daar eens

weg: ik zal het roer wel nemen.”

„Neen!” protesteerde de maat. „Ik hou het roer vast! Ik wil het roer

vasthouden!” En hij nam den roerstok als een zuigeling in zijn handen.

„Laat los!” beval Rolf.

„Waarom? Waarom zou ik het roer niet houden?”

„Omdat je stomdronken bent.”

„Wat?! Ik dronken? Ben ik dronken, jongens? Ik b-ben heelemaal niet

d-dronken!”

„Laat maar los, Piet!” zei Harmen sarrend en schommelde heen en weer.

„We hebben nou twee stuurlui aan boord!”

„Schei uit met dat schommelen!” riep Rolf driftig. „Of ik sla er op,

begrepen?”

„Ja, schei uit, jongens! De stuurman vindt het ommers niet goed!”

treiterde Harmen.

„Hou op met dat sarren, Harmen!” gromde Hilke. Hajo kookte van binnen.

„Wat: stuurman?” vroeg een schommelende maat. „Wáár is een stuurman?”

Harmen wees op Rolf. „Hij daar, de boekenwurm! Die is te fijn om met

gewone jongens in een sloep te zitten!”

Rolf keek Harmen met verbeten drift aan. Harmen trok een leelijk

gezicht tegen hem.

„Kom, gooi het zeil nou eens uit!” zei Hilke, geërgerd.

„Dat mag je niet doen! Dat moet je eerst aan de stuurman vragen!” riep

Harmen.

Rolf stond op. „Ik heb jullie niet noodig”, zei hij met trillende

lippen. „Ik zal zoo wel aan boord komen!” En meteen sprong hij het

water in, kwam weer boven en zwom van de kade weg, in de richting van

de lichtjes, daar ver in zee.

Verbluft waren de maats. Zoo verbluft, dat ze nog niet begrepen wat er

gebeurd was, toen het boord van de sloep voor de tweede maal

neergedrukt werd en nog een jongenslichaam het water inplonsde.

„Hajo.....!” schreeuwde Padde ontzet.

Toen kregen Harmen en Hilke hun bezinning terug. De eerste legde zijn

viool neer, nam een roeispaan op, die in de sloep lag, en duwde van den

kant af. Hilke gooide het zeil los.—En vijf minuten later waren de

drenkelingen aan boord geheschen.

Padde jammerde in één toon voort. „Zijn jullie nou razend? Rolf zei

immers zoo net nog, dat het water hier vol haaien zit.....!”

Harmen keek met afgewend gelaat voor zich uit naar de Nieuw-Zeeland,

wier lichten steeds grooter werden. In fiedelen had hij geen lust meer.

Rolf zat met druipende kleeren op een bankje, zwijgend, het hoofd diep

gebukt.

Hajo schreide. En Hilke hield het stuur.

Na eenig zwijgen herinnerde Gerretje zich weer, dat zijn centen op

waren en dat dit zoo’n strop was, en hij deelde het zingend iedereen

mee, die het maar hooren wilde.

Zoo legde de sloep zich langszij van de Nieuw-Zeeland, en de maats

klauterden aan boord. Geen van hen viel den valreep af. Want zooveel

arak kan een Hollandsche janmaat niet door zijn keelgat gieten, dat hij

een touw loslaat, als hij het eenmaal in z’n handen heeft. Harmen

werkte zich op een onbegrijpelijke manier met Joppie èn z’n fiool naar

boven.

Zwijgend trokken Hajo en Rolf dien avond hun natte kleeren uit en

gingen ter kooie. De meeste maats sliepen al.

Harmen was dien avond gaan slapen zonder een mensch goeden nacht te

wenschen. Hij woelde geducht, en onverwachts stond hij in zijn

onderbroek voor Rolf’s kooi.

„Ik kom je zeggen.....” zei hij, moeilijk ademhalend, „dat het me

spijt. ’k Heb het niet zoo kwaad gemeend, als jullie dacht, hoor. ’k

Ben ook niet nijdig op je, dat jij zoo knap bent, neen, ik was nijdig

op je, omdat ik zoo stom ben. Snap je?”

„Waarom zou jij dom zijn?” vroeg Rolf.

„Ik??” zei Harmen verbaasd. „Ik ben zoo stom als een kokosnoot! Waarom

geeft de schipper Hajo wèl een brief mee en mij niet? Omdat de schipper

denkt: Laat Harremen maar wat krassen voor de maats, daar.....” Harmen

snikte eensklaps, „..... daar is ie goed voor.—Afijn”, Harmen veegde

zijn tranen weg, „zoolang ik m’n fiool maar heb, is er met Harremen

niks aan ’t handje. Maar dan moet je niet zeggen, dat ik óók geen fiool

kan spelen!”

Rolf glimlachte weer. „Als ik het maar eerst zoo kon als jij, zou ik al

blij zijn, hoor!”

„’t Is niet gemakkelijk!” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Hajo? Dat van

die begraffenis is verduiveld moeilijk!”

Zoo was de vrede weer gesloten. Harmen ging nog niet dadelijk weer zijn

kooi in; hij sleepte de schatten, die hij vandaag had ingekocht,

bijeen, liet zijn viool nog eens bewonderen, toonde, dat er nog nergens

een barst in zat.

En Padde toonde zijn schatten, verdeelde ze nog eens opnieuw. En Rolf

voelde zich blij, dat Padde’s broertjes en zusjes zoo blij zouden zijn

met wat Rolf Padde voor hen gegeven had. Al die mooie dingen waren zoo

mal in hun grove knuisten; het was net, of het sprookjesachtige er nu

af was, dat hun zoo bekoord had, toen ze ze in het halfduister van dat

eigenaardig geurende winkeltje hadden zien liggen te midden van duizend

andere vreemde dingen. In de matgele handen van dien Oosterling hoorden

ze thuis.....

Nu, in Holland zouden ze alles wel mooi vinden. Als het maar uit Indië

kwam!

„Ruik dat hout eens?” vroeg Padde, zijn vrienden den waaier reikend.

„Lekker!” zeiden de anderen.

En Harmen vulde zijn waterpijp, stopte er tabak in en rookte als een

echte Arabier: met gekruiste beenen! Alle jongens deden een trekje, en

de slapende maats gromden, dat ze niet zoo ginnegappen moesten, als een

ander mensch mafte.

Maar de jongens waren traag in het scheiden.

Een lange, lange scheiding stond hun nog te wachten. Nietwaar.....?

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 64 / 67 题