Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over
twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge
ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het
zaakje afloopt”, zei Harmen. „Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n
falie niet houdt!”
Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is
zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over
de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt
Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het
dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het
oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets
tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En
Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het
bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek.
En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”,
dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige
zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar
tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n
voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes
te grinniken.
Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant
kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte
hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij
dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn
druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was,
uit het water op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!”
Het leek Folkert Berentsz. wel!
Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven
naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den
anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.
En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer
zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.
En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in
de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in
hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den
satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste
vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl
terug naar den wal.
Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over
den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe
ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd
zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek.
Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook,
stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar
Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts. „Als ik die bocht om
ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn
schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje
aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd
kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij
levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging
zitten.
„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen
maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En,
verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de
bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen
luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk
tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo
ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben
uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te
visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere
groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van
veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht
uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn
oogen dicht en droomde. ’t Was hier op Sumatra nu en dan toch ook wel
lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels
vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.
Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond
in zijn armen.
Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde
het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van
waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij
strekte zich languit op het dek neer en sliep.
Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking,
die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen
wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te
sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!
Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend
door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen
bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben
afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort,
op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den
oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen
kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo
was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast
Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst.
Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de
boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.
Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar
aan de overzijde.....?!
Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s
zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar
het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot
struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een
karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt
kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren
gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een
„katjong”.
„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste
ruiter.
„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat
zegt hij?”
„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”
„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah
wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”
„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft
gisteren de huid van een oelar belang gevonden. Met zoo’n djimat durft
hij alles—zei hij.”
„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water
opdook?”
De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes
verdoften.
Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh
zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar
moeten we een stokje voor zien te steken!”
Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag
hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig
was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een
Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht
Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog
sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden.
Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden
onzen vriend op.
„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf,
toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten te drogen hingen.
Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk
het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den
oever banen.....!
Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het
vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.
„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.
De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem
ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos
den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een
loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep
hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had.
„Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geen
djimat helpt, al is het ook een oelar belang!”
„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.
„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”
„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.
„Nu, dan.....” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh,
en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft
een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”
Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.
„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en
goed bewapend is. Zul je het doen?”
„Saja, toean.....”
„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”
„Niet ver, heer.....”
„Hoe ver?”
„Van zonsopgang tot duister, heer.....”
„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”
„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”
Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens.
En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem
een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem
mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft,
zijn we er bij!”
„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende
benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te
doen dan ons na te zetten.”
Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”
Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde
heengaan.
„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord?
En van Bantem?”
Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”
Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantem kan
niet ver meer zijn!”
„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in
zijn stem.
En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af.
Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op
de hielen zitten.
De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar
Bantem! Bantem was niet ver meer!
Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht
voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in
m’n maag.”
„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.
„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.
„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf
hem gerust.
Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en
een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden,
herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de
heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.
Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het
donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich
ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen
als een vijver, plots te stroomen begon.
Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een
zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was.
Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig
Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel
voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit
het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand
rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de
kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen
kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den
dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere,
statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden
sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene
steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken
lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine,
teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes
opspatten.
Ineens..... uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar
hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een
donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens
zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan
stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft,
voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader..... de
krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt
een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.
De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu even niet te
zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De
knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst
hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is
het beest?!
Onder het vlot?! Ze willen opspringen..... Maar daar schuift aan het
andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle
zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee
voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich
naar boven te werken.
Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen.
Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar
de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met
een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu
verdwijnt hij achter de poort.
„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het
niet veilig.”
De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend,
laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind
van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het
inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op
den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun
hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen.
Hoor.....! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.....
Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien
te komen!
De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom,
Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij
al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten
terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond,
tolt dan om..... en snurkt alweer.
„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.
Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het
midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn
tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.
Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga
jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het
smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de
plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie
sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich
tegen Padde’s dijen.
„Gooi er nou alles niet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het
heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één
stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”
Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.
De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk te
plonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water
buitelen ze van plezier over elkaar.
Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.....
„M’n fiool.....” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een
fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de
kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike,
nietwaar, Hajo?”
„Sssst!”
„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren.
„En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd
bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”
„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.....?” vroeg Padde.
Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van
beiden hun lachen bedwingen.
„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen!
Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.....” Padde
zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel
op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die de
Nieuw-Hoorn geteisterd hadden.
Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord
gevallen?” vroeg hij.
„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend
(het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de
vork in den steel zat.
Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht
had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal
het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was
aangesprongen.”
„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”
„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.
Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat
had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen,
naast Joppie liggen.
„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water;
als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”
Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een
beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen
woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam
tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”
„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.
„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me
aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht
maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je:
dankje, Harmen! zeggen.”
„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe,
bij het vuur zitten.
„Welles!” zei Harmen giftig.
„Nietes!”
„Welles!”
Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij.
Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in
den maneschijn.
Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en
in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou
mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte
voort.
En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer
te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever
een handje blazen!”
Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed, richtte
zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen
heen.
„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n
gezicht!”
„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.
„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer
dartel speelden.
„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in
brand steken?”
Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat
verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van
zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt:
Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks
doen.”
„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg
nu de anderen lachten.
„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”
„Nietes.”
„Wèlles!”
„Ssst!” suste Rolf.
Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn
armen, en even later snurkten ze om het hardst.
Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever,
geheel tusschen de waterplanten.
„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”
Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.
„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”
Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige
pooten. „Waar?!” stamelde Padde.
„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”
En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.
De muskieten vierden feest.