„Zie je wel, dat ie een blinde klip was!” jammerde Harmen.
„We moeten ons bevrijden”, zei Rolf.
„Goeie morgen! ’k Lig als een oester zoo vast! En jij, Padde?”
„O, God, Harmen!”
„Ik kan me wel wat draaien”, zei Hajo.
„Ah!” zei Rolf. „Draai hier eens naar toe, dan zal ik zien, of ik met
m’n tanden.....”
„Dan kun je lang knabbelen”, meende Harmen. „’t Is een rotanknoop! Ik
wou, dat ik m’n mes maar uit m’n broek kon halen, dan sneed ik jullie
in drie tellen los.”
„Dan waren we nog het dorp niet uit!” klaagde Padde.
„Heb je mij wel eens zien knokken?” was Harmen’s schampere vraag. „Ik
neem vijftig van die Arabieren voor mijn rekening, en als ik woest ben
dubbel zooveel.”
„Wat zouden ze met ons willen?” vroeg Hajo.
„Levend opeten”, troostte Harmen. „Gepeperd bij de rijst.”
Padde begon te schreien. De anderen zwegen. Doffe woede maakte zich van
hen meester. „Als ze bij de jol wisten hoe het met ons staat, zouden ze
ons wel bevrijden!” zei Hajo.
„Loop er effe heen”, raadde Harmen.
Buiten gonsden stemmen. Rolf spitste de ooren. „Brapa?” ving hij op.
„Toedjoe poeloeh!”
„Zeventig!” Dat was ongeveer het getal schipbreukelingen! Tegen hun
makkers werd stellig ook iets in het schild gevoerd! En wat zou er met
den schipper zijn gebeurd?!
„Die is goed bij de jol aangekomen”, meende Rolf. „Al die
vriendelijkheid diende alleen maar om ons wantrouwen in slaap te sussen
en vannacht ongemerkt het kamp te kunnen besluipen. Ze zouden ons ook
wel vrij hebben laten gaan, maar toen we hier toch wilden slapen,
hebben ze ons maar meteen opgesloten.”
„Die smerige buffel!” schold Harmen. „Had ik ’m maar dadelijk een
lussie om z’n pooten geslagen!”
„Konden we in het kamp maar waarschuwen!” verzuchtte Rolf.
Hajo beet van drift de tanden opeen. „Opgesloten en gebonden!!”
Stil werd het buiten, merkwaardig stil. Nu en dan ritselde iets in het
dak van bladeren, waarschijnlijk een hagedisje. Een paar muskieten
zoemden door het vertrek. Iemand neuriede een zacht, zangerig
deuntje.....—Plotseling doordringend kindergeschrei met het gillen van
drie, vier honden, in een eindeloozen klaagtoon hun hondeleed
uitjammerend. Dan een paar hooge vrouwenstemmen. Door een spleetje in
het dak dwarrelde een streep maanlicht, schoof geleidelijk het vertrek
door.
Hoe laat zou het al zijn? Middernacht? Werd het al morgen? Een gekko
begon in langen, geheimzinnigen toon te ratelen: Krrrrrr! Krrrrrr! En
dan helder en luid: „Tòkeh.....! Tòkeh.....!”
Harmen trachtte het na te bootsen, bracht het spoedig een heel eind.
„Tòkeh.....!”
Padde snikte er doorheen.
Toen..... kraakte er iets op het laddertje. Lichte, vlugge schreden. De
deur piepte, de dunne vloer boog een weinig door. „Toean.....!” zei een
zachte meisjesstem.
De knapen voelden hun harten bonzen. „Apa?” vroeg Rolf.
De binnengekomene knielde, zocht naar den strik, die Rolfs hand
omsloot, wrong hem met veel moeite los. „Nu kunt u de anderen ook
bevrijden”, fluisterde ze gejaagd. „Er zijn geen mannen in het dorp. Ga
de poort uit, dan linksom, het kleine weggetje in,—daar zal men niet
zoeken.” Ze sloop weer weg, het laddertje af.
De knapen hadden geen aansporing tot vlug handelen noodig. Rolf knoopte
in driftige haast Hajo’s handen los; samen bevrijdden ze daarop Harmen
en Padde.
„Wat een schat!” zuchtte Padde. „Groote griebus, da’s vast die eene
geweest, met dat fijne koppie!”
Toen de handen vrij waren, kon elk zichzelf van den rotan verlossen,
die de voeten snoerde. Met hun nog stijve beenen, bibberend van
opwinding, lieten ze zich van het laddertje glijden, beraadslaagden
welken kant ze uit moesten. Spoedig hadden ze de richting naar de poort
vastgesteld, en nu ging het sluipende van huis tot huis. De lichte
erven werden zoo snel mogelijk overgestoken, gebruik makende van elke
schaduwvlek, die de bananen-, papaja- en djamboeboomen boden. De
prauwen, die onder de huizen hadden gehangen, waren alle verdwenen. Zou
het nog mogelijk zijn, in het kamp te waarschuwen?
Ze kwamen bij het voorplein en wilden dit juist in alle haast
oversteken, toen Harmen op een slapende kip trapte. Kakelend vloog het
beest weg en deed een paar andere kippen, die op de nok van een dak
sliepen, met veel misbaar omlaagfladderen. Tot overmaat van ramp begon
een dozijn kamponghonden in koor te jammeren. Als de weerlicht sprong
Harmen in het struikgewas, dat het pleintje begrensde. De anderen
volgden hem op de hielen, drukten zich zoover mogelijk in het
gebladerte weg en wachtten klappertandend. De deur van het huisje,
waarbij zij zich bevonden, werd geopend, en een vrouw keek naar buiten,
het haar loshangend, een doek haastig over de borst geslagen. „Si-apa?”
klonk het een beetje angstig uit haar mond. „Wie is daar?”
Geen antwoord. Ook aan den overkant werd een deur geopend. „Eh, Niti?
Apalah?”
„Tiada taoe! Ajam-ajam! Ik weet het niet! Het waren kippen!” De deur
werd weer gesloten, en ook aan den overkant verdween de gedaante.
Toen alles rustig was, gaf Rolf het teeken van verder gaan.
Vliegensvlug staken ze alle vier tegelijk het voorplein over en doken
weg tegen den aarden buitenwal. Harmen sloop vooruit om te zien of de
poort bewaakt werd. De anderen zouden wachten tot hij een teeken gaf.
Hij gleed geruischloos onder de bananen- en papajaboomen door, waar het
rijstblok nog stond, en gluurde om een hoekje van de poort. Den rug
naar hem toe, zat een inlander gehurkt te neuriën,—een eentonig, nasaal
wijsje. Harmen dacht na, of hij de anderen zou wenken, ten einde
gezamelijk den man te overvallen. Maar nu was de kans goed: Harmen zou
het zaakje alleen wel even opknappen! Voorzichtig dus een pasje nader,
den adem ingehouden! Nog een pasje, volkomen geluidloos..... De
inlander richtte het hoofd op, staakte zijn neuriën; het was, alsof ook
hij den adem inhield. Wat zijn dat toch voor eigenaardige oogenblikken,
waarin men niets ziet of hoort, maar toch voelt, dat zich in de
buurt.....! Langzaam wendde de man het hoofd.
Dat was voor Harmen het teeken. Als een kat sprong hij toe, greep met
beide knuisten den poortwachter bij den strot, drukte hem uit alle
macht neer en werkte zijn bottige knieën op de van schrik uitgespreide
armen van den overvallene.
Een gesmoorde kreet,—dat was alles geweest. De inlander, razend van
angst en benauwdheid, trapte met de beenen en trachtte vergeefs zijn
armen onder Harmen’s knieën weg te trekken en zijn kapmes te grijpen,
dat hem in den gordel stak. Maar met woeste kracht drukte Harmen de
knieën omlaag: er viel geen ontkomen aan. De spartelingen van den
poortwachter werden zwakker; ten slotte vielen de beenen slap neer.
Toen liet Harmen onmiddellijk los, huiverde, legde zijn hoofd op ’s
mans borst en luisterde of het hart nog klopte. „Goddank.....” kwam het
zacht over zijn lippen. Daarop wilde hij de anderen wenken. Maar dezen
waren al toegesneld. „Dood.....?!” vroeg Rolf, terwijl Hajo en Padde
met verschrikte oogen naar het lichaam van den poortwachter staarden.
„Van z’n stokkie gevallen”, lichtte Harmen in. „Neem z’n kapmes! En die
spies kunnen we ook gebruiken!”
De jongens namen kapmes en speer en snelden het pad af naar de rivier.
Ze waren overtuigd, dat ze te laat zouden komen om hun vrienden te
waarschuwen. Maar niemand wilde het erkennen. Loopen, jongens,
loopen.....! In eens stonden ze voor de rivier. Alle booten weg!—Dan
maar het pad langs het water gevolgd! Harmen voorop. Loopen!
Nu en dan boog het pad van de rivier af, maar spoedig zagen de knapen
tot hun geruststelling den zilverglans van het water weer tusschen het
geboomte. Loopen! Loopen!
Ze kwamen langs een huisje. Nu gold het: voorzichtig zijn! Goddank!
geen hond blafte. Verder maar weer! Wat was dat? Stemmen? Jawel, daar
kwamen prauwen van het strand terug! Drie, vier, zes.....! Zouden de
inlanders zijn gevlucht? Of zou de schipper met de jol..... o, Hemel,
mèt de jol!? in zee gestoken zijn? Van onder de dichte schaduw der
oeverboomen loerden de jongens, of in een der prauwen ook een bekend
gezicht was. Van Bolle, den Schele, Hilke, Floorke, Gerretje, den Neus,
of een der zeventig anderen.....
Op de voorste prauw was een matten tent geplaatst,—de prauw van het
dorpshoofd natuurlijk, dien sluwen verrader, die het eerst niet aan
vriendelijkheid had laten ontbreken, om later des te veiliger zijn slag
te slaan! Andere prauwen volgden. De roeiers schenen in hooge mate
opgewonden: spraken allen zoo dooreen, dat Rolf er geen woord van kon
opvangen. In geen der prauwen zat een kameraad! Wat drommel, Bontekoe
en zijn mannen zouden wel van zich hebben afgebeten!
De jongens holden voort. Zouden ze straks weer bij hun vrienden zijn?
In het voorbijsluipen zagen ze onder een huisje een kleine prauw
hangen. Een hond was nergens te bespeuren en dus.... In alle
omzichtigheid werd de gevaarlijke roof volbracht, de prauw uit de
rotankoorden gelicht, naar den oever gedragen, te water gelaten, en de
jongens zetten er zich in. Met rappe vingers grepen ze de spanen, die
op den bodem lagen, en stuurden naar het midden.
Nu ging de tocht vlugger. Ze hoefden weinig meer te doen dan de boot
recht te houden, zoo sterk was de stroom. De boomen aan den oever
gleden als beelden uit een kijkspel voorbij.
Nu, stilzittende, voelden de jongens, dat een nacht op het water ook in
Indië vrij kil kon zijn. Of deed de opwinding hen rillen? Elke minuut
leefde de hoop, hun makkers weer te zien, meer op. Zoometeen zouden ze
alles vernemen wat er gebeurd was, en ook zij zouden hun avonturen
vertellen: van den buffel, waarmee Harmen zoo fiksch haasje-over had
gespeeld, van dat lieve meisje, dat bij hen gekomen was. En samen
zouden ze lachen om dat sluwe dorpshoofd, dat nu het nakijken had! En
dan zouden ze weer in zee steken, vol goeden moed. Java was immers niet
ver meer!
De prauw gleed de bocht om, die de knapen den vorigen nacht uit hun
boom bespied hadden,—Hajo herkende haar aan de steenen, die ze slechts
door handig zwenken omgaan konden. Tot zee toe overzagen ze nu de
rivier.....
De jol was verdwenen.
Met bonzend hart meerden de jongens de prauw op de plaats, waar nog een
der twee dreggetjes, met een doorgekapt touw er aan, in het zand lag.
En daar..... op het strand..... Wie lag daar? Floorke! Doorstoken van
alle kanten, in krampachtige houding, star blikkend in den nachtelijken
sterrenhemel. Het bloed was hem in het roode, stoppelige haar geloopen,
zijn mond stond half open, zoodat zijn witte tanden glinsterden in het
maanlicht. Vol afgrijzen sloegen de jongens de handen voor het gelaat.
„Dood!” stamelde Harmen. En Padde schreide: „Daar.... nog een! En
dáár.....!!”
De tweede doode, al even afschuwelijk verminkt als de arme Floorke, lag
voorover in het zand, dat in een grooten kring was roodgeverfd. Harmen
en Rolf beurden hem huiverend op; het was de Neus.—En de derde, die met
gespreide beenen in het zand zat, zoodat men nog een oogenblik zou
kunnen denken, dat hij leefde, als niet het slap naar voren gevallen
bovenlichaam het vreeselijke tegendeel had doen vermoeden, bleek
niemand anders te zijn dan de pechvogel, die voor Ilje del Foege door
de Spanjaarden gewond was. Rillend, met stomheid geslagen, stonden onze
vrienden bij de dooden.
„Ontzettend!” kermde Hajo.
„En wij?!” schreeuwde Harmen met schorre stem. „Wat moet er van ons
worden?!”
Hij kreeg geen antwoord. Padde was schreiend ineengezakt; Rolf stond
stroef, ontstellend bleek, naar den dooden Floorke te staren; Hajo,
radeloos, keek afwisselend zijn makkers aan.
„Dáár!” schreeuwde Harmen en hij wees met de hand naar het Zuiden, waar
tegen den donkeren water-horizon een klein, grijs vlekje
wegschemerde..... de jol! Hij rukte zich den broek van de beenen,
zwaaide er wild mee en trachtte met heesche stem de branding te
overschreeuwen. „Kameraaje! Kamerááje!!” Hij balde de vuist, en de
smart, zich uitend in snijdenden hoon, trilde door zijn roep:
„Kameraaje!!” Toen braken de tranen door zijn stem, en hij plofte in
het zand neer, snikkend en vloekend.
Padde kroop op zijn knieën naar Hajo en steunde zich tegen zijn vrind.
„O, God, Hajo.....”
Ook Hajo rolden dikke tranen over de wangen. Maar hij liet het hoofd
nog niet hangen. „Wij volgen!” riep hij uit. „Wij volgen met de prauw!”
Harmen vloog overeind. „De prauw!”—Maar met groote oogen staarde hij
naar de plaats waar de prauw..... gelegen hàd! Ze was er niet meer.
„Had ’m dan vastgebonden!” viel Harmen woedend uit. „Kijk, daar, daar
gaat ie! Wacht....!” En Harmen wilde in zee loopen.
Rolf hield hem tegen. „Je komt te laat, Harmen. Zie maar.....” En
Harmen, die zich met alle geweld, trappend en schreeuwend trachtte los
te maken uit Rolfs stevigen greep, wendde den blik en zag, hoe de prauw
in de branding raakte, hoog werd opgetild, onder een overslaande golf
schoot en zonk. „’t Zou ons niets geholpen hebben”, zei Rolf.
„Wat dàn!” huilde Harmen. „Ons laten slachten? Krimmeneele, dat moest
m’n meisje weten!” En Harmen begon hartstochtelijk te huilen, zonder
het gelaat in de handen weg te bergen.
„We loopen naar Straat Soenda”, zei Rolf. „We hebben onze beenen toch?
Van daar steken we over naar Bantem.”
„Straat Soenda legt naast de deur!” schreeuwde Harmen, zich in het zand
werpend.
„Ik ga met je mee, Rolf”, zei Hajo, met moeite zijn tranen bedwingend.
„Ik geef het niet op!”
Rolf knikte. „Goed. Maar we moeten voortmaken. Ze zullen ons al
zoeken.”
„Ik blijf hier liggen!” schreide Harmen. „Ik wil hier doodgaan!” En hij
woelde zijn gelaat in het zand, kromde van wanhoop het lichaam.
„Geef me het kapmes”, beval Rolf. „We zullen..... we zullen ze
begraven.”
Toen sprong Harmen overeind en begon, terwijl de tranen hem van de
wangen drupten, het zand uit te steken. Rolf en Hajo hielpen met de
handen. Zoo groeven ze een breeden kuil.
„Leg Floorke in het midden”, zei Harmen met gesmoorde stem. „En de Neus
aan z’n rechterzij. En kijk eerst, of ie z’n mes nog in z’n broek heeft
zitten. Dat heeft ie..... dat heeft ie nou niet meer noodig, en wij
kunnen het gebruiken. Hier is het; pak-aan. En nou de beenen recht. Hè,
Floor? Moest je zóó aan je end komen?” En toen Rolf en Hajo het zware
lichaam van den derden maat links van Floorke in den kuil gelegd
hadden, nam Harmen de armen vol zand en ging hardop grienend aan
Floorke’s voeten staan. „Nou smijten we zand op je! Had jij gisteren
nog niet gedacht, hè, dat Harmen zand op jou zou smijten!” Hij liet met
gesloten oogen het zand op Floorke’s doode lichaam vallen. En van nu
aan hielp hij in koortsigen ijver het graf dichtwerpen.
„Dat is gebeurd”, zei Rolf met matte stem. „Nu moeten we hier weg.”
„Waarheen?” „vroeg Harmen.
„Naar Bantem”, antwoordde Rolf. „Ik zal het vinden.”
Harmen haalde met bitteren spot de schouders op.
„Ik ga niet mee!” dreinde Padde. „Wij blijven hier, waar, Harmen?”
Rolf lette er nauwelijks op. „Klaar, Hajo?”
„Jij gaat mee, Padde!”
„Ik ga niet mee!” siste Padde.
Hajo werd wit van drift. „Wil jij je moeder niet weer terugzien?!”
Padde krabbelde zacht snikkend overeind. „M’n moeder, Hajo.....!”
„En jij gaat ook mee, Harmen!” beval Hajo. „Rolf kent de weg.”
„Wat je zeg!” dichtte Harmen.
„Laat hem, Hajo”, zei Rolf achteloos. „Met lammelingen begin je toch
niets.”
Harmen sprong met een verwensching op de been, snoof z’n tranen weg,
trok z’n broek op en zei: „Meegaan zal ik! Maar voor dat woord:
lammelingen krijg je op je ziel, zoodra je ons in Bantem hebt
gebracht!”
Rolf hoorde het niet. „Kom!” zei hij. „We zullen voorloopig het strand
volgen.”
Zwijgend trok het trieste groepje het strand langs in Zuid-Oostelijke
richting. Dag, Floorke, beste Floorke! Dag Neus! Je kameraden zullen
je, sapperloot! niet vergeten, hoor! En jij, Steven, arme
ongeluksvogel, rust zacht, alle drie.....
Slenterend liepen de jongens voort, Harmen en Padde achteraan. Naar
Bantem gingen ze. Naar Bantem.....! Hoever was het hier vandaan? Er lag
nog een zee tusschen.....
Maar Rolfs wil en overtuiging werkten langzamerhand ook op de anderen.
Wat drommel, ze waren toch met z’n vieren,—als je Padde niet meetelde:
drie fiksche Hollandsche jongens, allen met een zakmes gewapend en
bovendien in het bezit van een kapmes en een speer, waarmee ze als het
er op aankwam..... nou! Bovendien bestond nog de kans, dat ze verderop
de jol weer vonden, die misschien opnieuw aan land zou gaan. En als dat
niet het geval was, nou, dan zouden ze de Compagnie eens laten zien,
wat voor scheepsjongens zij in haar dienst had!
Achter hen klonk een scherp geblaf. Doodelijk verschrikt wendden allen
zich om. Daar kwam een hond aanhollen, niets dan een hond, de tong als
een lap uit den bek.
„Joppie!”
Zoo was het. Dol van vreugde, sprong het dier tegen de jongens op.
„Dat is de vijfde van ons verbond!” zei Rolf. „Ga je mee naar Bantem,
Joppie?”
„Wouw! Waf! Wouw!” blafte Joppie. Dat is hondentaal. Het wil zeggen:
Nou en of!
En zoo togen ze ge-vijven de onbekende toekomst tegemoet. Ze volgden
het strand, tot achter de bergen de morgen gloorde.
Toen strekten ze hun doodelijk vermoeide ledematen in het zand uit—en
sliepen!