Nauwelijks had Bolle den volgenden morgen vroeg-kost geschaft, of Diede
Doedes kwam vertellen, dat hij achter in de lij twee zeilen zag. De
maats brandden zich de lippen in hun haast om hun kommetje gloeiende
koffie leeg te slurpen.
De marszeilen werden bijgezet en de koers gesteld op de beide schepen.
Bij nadering bleken het de Nieuw-Zeeland en de Enkhuizen te zijn. Dat
was een verrassing! Men groette drie maal met de vlag, en ook aan boord
van de andere schepen scheen men opgetogen over het weerzien.
Bontekoe beval de jol te water te laten. De opperstuurman en hij
daalden de ladder af; de maats wierpen de riemen uit en roeiden naar de
Nieuw-Zeeland.
„Zijn jullie ook aan land geweest?” schreeuwden ze naar boven, toen „de
heeren” in de kajuit waren.
„Ja! We wouden op Ilje del May water innemen. Maar de Spekken hebben
geschoten! Twee van ons zijn er an gegaan. Lange Harm en IJsbrants
Dircksz. met de sproeten.....!”
De schepen koersten gezamelijk weer Zuidwaarts. Maar op een kwaden
morgen vielen de zeilen slap neer; stillekes dobberden ze op het
rimpellooze water; de hitte deed het pek in de dekspleten smelten.
De maats wisten van verveling geen raad. Overal was het even broeierig;
het hout brandde onder je voeten. In de kombuis liepen de koksmaats met
gloeiende koppen heen en weer. Geen pijp smaakte je meer. Drinken,—dat
was het eenige, wat nog een oogenblik verkwikking gaf.
De schipper liet allerlei spelen houden; de prijzen bestonden uit
appels en peren, die nog in het ruim lagen opgestapeld. Verjoppie,
daarvoor wilden de kerels nog wel een paar keer het dek op en neer
rennen, of turfrapen, of den kruiwagen duwen! Een oome laadde onder
groot gejuich den Schele op zijn wagen.....
Den halven dag lagen ze in den Atlantischen Oceaan te spartelen, de
oomes; ze sprongen van de boegspriet het water in, doken onder het
schip door, plasten en ploeterden en klommen dan langs de touwladder
weer omhoog. Maar vijf minuten later waren ze weer even verhit als te
voren. Ze vervelden om het hardst. Den oome, die bij Ilje del Foege een
teen had verloren, werd door een of ander geheimzinnig zeemonster een
tweede teen afgebeten. Er werd lang over geredekaveld, of het een haai,
of iets anders zou zijn geweest. De gebeten oome zei, dat de duvel er
achter stak: twee teenen achter mekaar!
Om verdere ongelukken te voorkomen, liet Bontekoe het grootzeil
tusschen de onderste ra van de fok en den grooten mast binden. Het werd
met water gevuld en leverde een gezellig zwembad. Nu was het zeil ten
minste ergens goed voor. Natuurlijk waren er weer van die grapjassen,
die, als je rustig in ’t bad je pijpje lag te rooken, van onderen met
spelden door het zeil prikten.....!
De jongens werden beziggehouden. Terwijl de oomes geen hand uitstaken,
moesten zij poetsen; poetsen en poetsen. Zwabberen en schrobben hoorde
er ook bij. Als de zon al niet zoo beroerd glom, had Berentsz. ze ook
die vast nog laten oppoetsen.
„’k Mag lijen, dat de zon niet valt”, verzuchtte Floorke.
„En waarom niet?” was het loome antwoord.
„’k Leg er pal onder”, zei Floorke. De oomes waren te lui om te
grinniken.
Op een morgen ving Harmen aan een lijntje met spek een grooten
kabeljauw. Toen werden allen door hengel-koorts aangetast. Achter elke
geschutspoort lagen een paar oomes te koekeloeren. Voor den pechvogel,
die geen lijntje had weten machtig te worden, bleef niets over dan
langs de ijverige hengelaars te loopen en te vragen: „Al beetgehad?”
„Neen”, was dan het grimmige antwoord.
„En jij?”
„Wat?”
„Al beetgehad?”
„Neen.”
„En jij, Smirtjens? Al beetgehad?”
„Bijna.”
„Ga eens wat dieper liggen.”
„Heb ik al gedaan.”
„Wat hooger dan.”
„Heb ik ook al gedaan.”
„Wat doe je daar de heele dag te zitten, als je toch niks vangt?”
„Jij zou ook wel een lijntje willen hebben, hè?”
„Ik? Ik zal wel oppassen!”
„Ja. Opkrassen. Doe dat maar.”
Toen de bootsman het moe werd om den heelen dag achter de poetsende
jongens aan te zitten, brak ook voor deze arme verschoppelingen een
tijd van onbeperkte vrijheid aan.
Rolf maakte er een dankbaar gebruik van door bij Vader Langjas, die
goed Maleisch sprak, voort te bouwen op de fundamenten, door Bolle
gelegd. De barbier kreeg steeds meer schik aan zijn ijverigen leerling;
hij stond versteld over de kennis, die Rolf in zoo korten tijd uit de
boeken over heelkunde had geput, bracht hem wat op de hoogte met den
stand en het wezen van sterren en planeten; leerde hem een gradenboog
maken. Rolf nam op als een spons, ja, bracht den deftigen barbier soms
leelijk in het nauw door meer te willen weten dan Vader Langjas hem
vertellen kon.
„Ja, jongen”, zei deze dan, „voorloopig kan ik nog niet dieper met je
op de zaak ingaan!” Maar terwijl hij de logische, eenvoudig gestelde
vragen trachtte te omzeilen, voelde hij drommels goed, dat de heldere
oogen van zijn leerling doordrongen tot in de engste hoekjes van zijn
weten. Dan voelde Vader Langjas zich overwonnen. Hij zuchtte en zei met
een zalvend gezicht: „Het gebied der wetenschap is oneindig, Rolf. Wij,
menschen”—de nadruk op het woordje: wij—„zijn maar stofjes in het
heelal. Wij kunnen de goddelijke wonderen der natuur aanschouwen, doch
bevatten kunnen wij ze niet, Rolf.” Maar tegelijkertijd moest hij
zichzelf bekennen, dat hij dat alles weleens graag vergat: Vader
Langjas was gewend voor een alwetend man door te gaan!
Hajo speelde viool, en het ging Harmen als Vader Langjas: zijn leerling
groeide hem boven het hoofd. „Kun je er de wind niet mee lokken, Hajo?”
vroeg Rolf in het voorbijgaan. „Je leert het al uitstekend, hoor!”
Hajo hield op met fiedelen. „Vind je?” Een goedkeuring uit Rolfs mond
was hem meer waard dan de overdreven loftuitingen van tien volwassen
oomes.
Padde was het ditmaal bij uitzondering met Rolf eens. Vooral als Hajo
erg langzaam en met trillers speelde, knikte hij ontroerd. „Ja-ja”, zei
hij dan. Verder verklaarde hij onomwonden, dat een schip een nutteloos
ding is, wanneer er geen wind staat.
Niemand sprak hem tegen.
„Foeiiiiit.....!” Een windstoot! Heerlijk verfrisschend. De oomes
liepen joelend heen en weer, gooiden het water uit het grootzeil,
spanden het op en hoopten twintig knoopen in het uur te maken. Floep!
weg was de wind weer.
De oomes gaven den moed nog niet op! „Wacht maar!” troostten ze elkaar.
„Dat was het begin! Straks komt er wel meer.”
Maar er kwam niet meer. Een enkele maal, na uren van volkomen
windstilte, deed een enkel tochtje het water rimpelen. Na zoo’n korte
verfrissching drukte de hitte nog meer dan te voren. Het grootzeil werd
weer zwembad. Oef.....!
Drie dagen later kwam uit het Oosten een groote, donkere wolk
aandrijven. Ze wierp een zwarte schaduw voor zich uit over het water,
verduisterde binnen een uur den ganschen hemel. Doodsche stilte.
Spanning bij de schepelingen. „Een windhoos!” werd er gefluisterd.
Ondanks het halfduister broeide er een hitte, die den adem benam.
In eens..... een windstoot.....! Nog een! Nog een! De zeilen rukten aan
de touwen, vielen klapperend weer neer, rukten opnieuw, dat de ra’s er
van piepten, vielen luimig weer neer.....—Daar kletterde een regen, zoo
hevig, dat allen doornat waren, vóór ze het wisten. De waterstralen
daverden op het hout, dat ’t hooren je verging; er waren honderd
trommelaars in de weer.
De maats gierden van de pret. In bakken, zeilen en pannen werd het
water opgevangen. Je hadt maar iets op te houden en ’t was al vol. De
oomes trokken hun broeken uit en liepen als Adams rond, stoeiend,
gillend. „Fijn is-t-ie, hè?”
Rrrrrt! Met een krachtigen roffel besloot de regen. Ineens. Geen
druppeltje viel er meer. De zon drong weer te voorschijn. Wat even te
voren gedropen had van het water, was in enkele oogenblikken kurkdroog.
Stilte. Volslagen stilte. Brandende zonnestralen vielen loodrecht op
het schip.
In den namiddag herhaalde zich de grap.
Den volgenden dag driemaal. Maar bij dat al schoot men geen vadem op.
Eindelijk begon het weliswaar gestadig te waaien, maar de wind tolde in
het rond, of hij dronken was. Men was zonder ophouden in de weer met
het omgooien van de zeilen.
Wonderlijk waren de nachten. Dan scheen de wereld een tot berstens toe
gevulde schatkist. Het goud der sterren droop in het water, dat zelf
als vloeiend goud was. Het schuim, dat opspatte voor den boeg, was
louter zilver; milliarden edelsteenen stoven alle zijden uit. Sterren
werden van links naar rechts gekegeld,—lieten een gloeiend spoor na.
De maan scheen het wonderlijk geheim van dit alles doorgrond te hebben:
rustig glansde zij tusschen al het bont gedwarrel.
Hajo kon er ’s avonds niet toe komen om naar bed te gaan; het spel der
sterren nam hem geheel in beslag; hij voelde zich in een
sprookjeswereld verplaatst, in een doolhof van wonderlijke
gebeurtenissen, waaruit geen ontkomen meer mogelijk was. Daar, in het
Noorden, moest Holland liggen en Hoorn en de Bagijnesteeg..... Was het
mogelijk?
Drie, zes, acht sterren tuimelden dooreen. Weer een! En daarginds.....
vier tegelijk!
Rolf en Padde stonden mijmerend naast hem.
„Hajo.....” vroeg Padde, „hoe zou de evennachtslijn er uitzien?”
„Misschien wel een lijn van vuur..... of zoo iets”, zei Hajo.
„’t Is hier allemaal vuur!”
Hajo keek peinzend voor zich uit. „Zeg, Rolf, hoe komt dat..... kijk
eens! wat een sterren daar vallen!..... hoe komt dat..... met die
vallende sterren?”
„Die vallen eigenlijk niet. Die veranderen alleen maar van plaats
en.....”
„Dat kun je ook zeggen, als je een dakpan op je kop krijgt, dat ie van
plaats veranderd is!”, meende Padde. „Kijk daar eens! Daar vallen er
zes tegelijk!”
De knapen zwegen en tuurden voor zich uit.
Na een uur verbrak Padde het zwijgen. „Dat alles moest m’n moeder nou
eens kunnen zien! En m’n zusjes en broertjes!”
Hajo voelde een prop in z’n keel.
En Rolf stelde voor, om te gaan slapen.