MANESCHIJN

„Land! Land in ’t zicht!!”

Uit alle hoeken en gaten kwamen de oomes naar buiten. Speelkaarten,

dominosteenen en pijpen in de hand, leunden ze over de verschansing en

tuurden naar den blauwgrijzen omtrek aan stuurboordzij.

Bontekoe stond met Rol en den opperstuurman op het middendek. „’t Zal

Ilje del Foege zijn”, meende de laatste.

„Dunkt mij ook”, zei Bontekoe. „We zullen een ankerplaats zoeken en

morgen ververschingen opdoen. De zee moet op deze hoogte ook nogal

vischrijk zijn. Daar zullen we gebruik van maken!”

Er werd gepeild. Het lood raakte, na geheel gevierd te zijn, nog geen

grond. Van het anker uitwerpen kon geen sprake zijn. Bontekoe besloot

de kust af te zeilen, tot er een baai gevonden werd.

Geleidelijk waren de vochtige plooien van den grijzen mistsluier

teruggeweken; de zon brak door, begon de naakte ruggen der oomes weer

te schroeien. Het was de laatste week nog heeter geworden.

Bij het spinnen der schemering vond men een baai. Twee zware

steenruggen schoven een mijl in zee, beloofden beschutting. Het water

was diepblauw en haast rimpelloos. Maar men wierp opnieuw tevergeefs

het dieplood uit,—het raakte geen grond. Bontekoe besloot het er op te

wagen, den nacht drijvende door te brengen. Men borg alle zeilen.

Er kwam een avond om niet weer te vergeten. De mist was nu geheel

gevlucht; de maan, koningin van den nacht, troonde te midden van haar

ganschen hofstoet van veelkleurige sterren en zond haar vorstelijk

licht in milden overvloed uit over de grillig gevormde rotsen. Hoog

boven de rotsen uit, die nietig werden bij zijn Grootheid, stond, als

een eenzaam priester, verstard in eeuwig gebed, één enkele berg.

Meeuwen wierpen zich krijschend van de rotsen op en cirkelden in wijde

kringen om de Nieuw-Hoorn. Doch allengs verdwenen ze weer uit de lucht,

en op het eentonig geruisch der golven na, die nimmer slapen, werd het

stil.

Dien avond kwam Harmen er toe, z’n fiedel weer eens voor den dag te

halen. En de oomes zongen:

„Dat meissie vroom, waarvan ik droom,

Dat meissie van Enkhuizen,

Dat lacht zoo lief, dat kent geen grief,

Dat meissie van Enkhuizen!”

En Bolle sloeg van louter leut z’n witte knuisten op z’n witten broek,

dat het meel er af stoof. En de Neus klopte z’n pijpje in de vlakke

hand uit, en Hilke Jopkins keek naar de sterren.

Hajo leunde zwijgend over de verschansing.

Rolf zat in de barbiershut, gebogen over een kaart van de Kaapverdische

eilanden.

Padde had een lijntje met spek door een geschutpoort gegooid en

wachtte, of er een visch in wou bijten.

Als een groote wieg deinde de Nieuw-Hoorn op het water. Je kon er een

slaapliedje bij zingen.

In de baai dobberde een groote, gouden vlek.

De spiegeling der maan.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 19 / 67 题