Er mochten onder de bemanning van de Nieuw-Hoorn lamme kerels
rondloopen, in doorsnee waren het ronde, gezellige lui, die, als het
noodig was, werkten als paarden, voor den duivel niet bang waren en
lachen konden, dat de wanden van het vooronder daverden.
Dien eersten middag bij het eten maakten de drie „groentjes” al een
stuk of wat vrinden. Daar had je—behalve de brave, deftige Vader
Langjas, die den maaltijd met een gebed opende en sloot—Zwarte Gijs en
Diede Doedes en Floorke en Gerretje en Steven Duffel en de Neus en.....
en Harmen! De koksmaat Harmen van Kniphuyzen, een paar jaar ouder dan
Hajo en Rolf, was eigenlijk een dichter.
Als je tegen Harmen zei: „Goeie morgen!” antwoordde hij: „’k Zal d’r
voor zorgen.” Als je hem vroeg: „Maak je ’t goed?” kon je er staat op
maken, dat hij zijn gezicht tot een grijns vertrok en antwoordde: „Kijk
maar naar m’n snoet!” Hij klom als een aap, zwom als een rat, liep als
een hert, had de spieren van een vol-matroos en sneed op als....!
Die laatste eigenschap kwam ’s avonds al aan het licht, toen het volk
in het vooronder ging zitten gezelsen. Mannetje naast mannetje zaten ze
aan de lange tafels, tegen elkaar gedrukt als haringen in een ton. Er
waren er ook, die dadelijk na het eten in hun kooi neervielen; enkelen
snurkten, dat het een aard had. Hier en daar werden de speelkaarten
voor den dag gehaald, of een potje bier gedronken. Rooken, dat ze
deden! Een half uur na het eten kon je je overbuur nauwelijks meer in
den nevel onderkennen. En de tabak was niet altijd van de beste, lang
niet! Er moest er wel eens eentje de pijp uit den mond worden
getrokken, omdat de „geur” voor de anderen onverdragelijk werd. De
janmaat voelde zich beleedigd, smeet groote woorden in het rond, sloeg
met de vuist op tafel, dat de potten bier er van rinkelden, en..... en
lachte dan weer met de anderen mee.
„Speel eens wat?” riep er een uit z’n kooi. „Kniphuyzen, speel ’ns
wat!”
„Ja! Spelen!” bulderden tien anderen.
En de koksmaat Harmen van Kniphuyzen haalde z’n fiedel, wipte op tafel
en streek er op los. Het was er wel eens flink naast; de viool was ook
geen echte Stradivarius, maar dat deed tot de gezelligheid geen
afbreuk. De „oomes” (zoo noemden de scheepsjongens de boven hen
gestelde matrozen) stampten met de voeten en zongen:
„Oranje boven en blauw onder!
Wie ’t anders meent
Dien haalt de donder!”
Gerrit dribbelde onrustig op zijn stokje heen en weer, knipte zijn
oogen dicht tegen de rook.
„Ik zal jullie wat vertellen, waarvan je, sapperloot, zult opkijken!”
schreeuwde „de Neus”,—een dik manneke met een fraai gekrulde snor en
een neus als een bevroren aardappel.
„Als je liegt, hap ik je neus af!” dreigde Zwarte Gijs, de smid.
„Die zou, sapperloot, smaken!” verzekerde de Neus.
„Vooruit, vertellen! Vertellen!!”
„Luister!” zei de Neus. „Op m’n vorige reis hadden we een
ziekentrooster aan boord: Vader Jonas! Hij was vroom, sapperloot! en
als we voor anker lagen, had hij geen rust, voor hij de wilden had
bekeerd.
Zoo lagen we dan weer eens met averij voor een eilandje. De zwartjes
kwamen al gauw opdagen, en Vader Jonas aan ’t bekeeren! Als ’t ’m bij
een gelukt was, hing hij de vent een nummer om de hals. De anderen
werden zeker jaloersch op dat nummer, want in een ommezientje gaven ze
zich allemaal voor de bekeering op.
Eentje was Vader Jonas’ lieveling, een botmagere wilde, die was niet
van hem af te slaan. Vader Jonas had ’m Paulus gedoopt. Goed. De
barbier gaat kruiden zoeken en vraagt Vader Jonas om hem een
betrouwbare wilde mee te geven.
—Dan moet je Paulus nemen, zegt Vader Jonas.
Goed, Paulus en de barbier gaan aan wal. Effen later komt Paulus
aanrennen en zeit met veel grimassen, dat de barbier door een krokodil
is opgebikt. Groote herrie! Vader Jonas zweert bij hoog en laag, dat
Paulus onschuldig als een lammetje is. Nou, bij de lijkdienst bad
Paulus voor twee!”
„Wat een schurk!”
„Stil! Je weet immers nog niks!”
„Goed! De volgende dag is er een vrind van me verdwenen. We zoeken elk
muizenholletje af. Niks te vinden.
—Sapperloot, wat wordt me die Paulus dik! zeg ik zoo tegen Vader Jonas.
—Neus, zegt Vader Jonas,—Paulus is ’n Christenmensch!—Over Paulus kon
ie niks hooren!
Een uurtje later gaan ze samen weg.—Waar ga je naar toe, Vader Jonas?
vraag ik.
—Paulus heeft me gevraagd zijn ouwe vader te willen bekeeren. De arme
man kan niet meer loopen.
—Wil ik even met je meegaan? ’t Is hier zoo’n raar land!
—Paulus is bij me, Neus!
—Juist daarom,—zeg ik.
Vader Jonas werd nijdig en liep met Paulus door. Ik zag ’m nog tusschen
de boomen verdwijnen. Wil je wel gelooven, dat ik die middag niks om
m’n gemak was?
En jawel, hoor! Daar komt me Paulus anzeilen, zwaait met armen en
beenen en maakt dezelfde grimassen als de vorige keer!
—Smeerlap! schreeuw ik en ik grijp ’m bij z’n nummer,—jij hebt Vader
Jonas opgebikt!—En ik schud ’m door mekaar, dat ie overgeeft. En wat
spuwt ie ’t eerst uit? Hè? De trouwring van Vader Jonas! Die had ie in
de haast mee ingeslikt!”
„Ja....., gevaarlijk goed, die menscheneters!” verzekerde Harmen van
Kniphuyzen. „M’n broer en ik zijn op de vorige reis ook zoowat
opgepeuzeld.”
„Vertel op!”
„M’n broer is ’n kemiekeling, zie je, die kan nou van alles. Hij kan
een knoop in z’n oor leggen, z’n oogen als knikkers laten ronddraaien
en twee kanten tegelijk uitspuwen. Zakkenrollen kan ie! Nee maar! En
van een rattenvanger heeft ie buikspreken geleerd.
Nou, we waren aan land gegaan, om de scheurbuik!—Kom er eens mee,
Harmen, zegt m’n broer—dan gaan we een maatje honing halen. Die koers
uit moet ergens een nest zitten, want ik zie er al maar bijen heen
vliegen.
Hij was verzot op honing, m’n broer. En ik dacht: laat ’k ’m z’n zin
maar geven. Maar ik was niks op m’n gemak, daar zoo met z’n beidjes
alleen in de wildernis. En wel ja, in een ommezientje waren we door de
menscheneters omsingeld.
Schreeuwen, dat ze deden! Ze trokken ons de kleeren uit, en m’n broer
zei nog tegen me:—Harm, jij hadt eerst je enkels weleens mogen
wasschen!
—Klaas, zei ik,—hoe kun je nou nog lolletjes staan verkoopen!
Nou, we werden in een bootje gezet, en toen maar de rivier op, jongens!
Klaas en ik moesten ook roeien! Met zoo’n stok met platte schijven aan
’t eind!”
„Pagaaien!” werd er geroepen.
„Zal ik niet weten! ’k Was nijdig als een spin, want een van die
houtskoolkoppen had m’n rooie das, die m’n vorige meisje voor me
gebreid had, om z’n luizebos gebonden!—Klaas! zei ik,—als we de
roeistokken er eens opnamen en ze er de kiezen mee uitsloegen?
—Ben je stapel? vroeg Klaas.—Dan zouden we er ieder acht op ons boekje
moeten nemen!
Tegen donker kwamen we aan het menschenetersdorp. Nou, we werden met
gejuich ontvangen! En weet je wat Klaas deed? Die lachte maar en
zwaaide met z’n armen.—’k Zal je vinden, schavuitenbende! riep hij.
Nou, dat verstonden ze natuurlijk niet, maar ze keken d’r wel raar van
op, dat Klaas zoo in z’n nopjes was.
We werden voor de radjah gebracht! Hij had een stuk been door z’n neus,
en op z’n kop een Zuid-Wester,—die had ie opgetuigd met kraaltjes en in
het midden een spiegeltje. Achter ’m zaten zijn vrouwen; de jongste
leek sprekend op m’n meisje van twee..... van drie jaar geleden. Nou
ja, alleen d’r oogen!
Moet je hooren wat Klaas deed! Hij maakte eerst een fijne buiging voor
de radjah; toen legde hij zijn ooren in de knoop en liet z’n oogen
rollen. Meteen zie ik, dat ie de radjah het spiegeltje van z’n
Zuid-Wester grist. Maar de radjah zelf merkte niks. Die schreeuwde wat
in het Polopoeloesch of zoo, en toen kwam er een kerel met zóó’n mes
aanzetten, zeker een toovenaar! En toen sjorden ze mij aan een paal!
Maar meteen viel Klaas op z’n knieën, kuste de voeten van die
menscheneterkoning, en toen klonk het als uit den grond:—Peper en
notenmuskaat!—Klaas was aan ’t buikspreken!
Nou, dat had je moeten zien! De kerels keken mekaar aan, of ze van
lotje waren getikt. Klaas stond op, drukte op z’n buik en spuwde de
radjah pardoes z’n spiegeltje in het gezicht. Toen maakte hij een
geluid als van rommelende donder, trok een kromme lijn door de lucht;
dat was de bliksem; en drukte zijn vinger op de mopneus van die
radjah.—Ziezoo! zei Klaas,—nou zul je ’t wel gesnopen hebben!
Nou, òf ze ’t gesnapt hadden! De toovenaar sneed de touwen los, waarmee
ik vast gesjord stond, en de radjah wilde er van tusschen gaan. Maar
Klaas greep ’m bij z’n Zuid-Wester, pakte met de andere hand de
toovenaar bij z’n kladden en duwde ze voor zich uit naar dat bootje,
die..... die.....”
„Kano!” werd er geroepen.
„Natuurlijk de kano! Het heele dorp stond ons aan te gapen. De
toovenaar wees op Klaas en schreeuwde wat in ’t Polopoeloesch, en toen
stoven ze allemaal achteruit. De radjah stapte in de kano, de toovenaar
ook, en ik en Klaas gingen keurig achterin zitten.—Ziezoo, heeren, zei
Klaas,—leg maar eens in! Nou, de koning en de toovenaar pagaaiden, dat
we om het half uur zweet moesten baliën! Toen we thuis waren, stak
Klaas die radjah zijn voeten toe en liet ze hem kussen.—O, zoo!
zei-d-ie.—En nou kunnen jullie wel weer ophoepelen. Besjoer!
En temet draait ie zich om en zegt:—Harm, zegt ie,—weet je wat we nou
nog vergeten hebben?”
„De honing!” riep Padde uit.
„Krek”, zei Harmen. „We zijn omgekeerd en met de heele muts vol honing
teruggekomen.”
„En de wilden hadden jullie de kleeren afgenomen?” merkte Rolf op.
„Zoo nauw moet je niet kijken!” zei Harmen beleedigd. „Anders zou je
nooit er eens iets kunnen vertellen!”
„Ja, en je hebt je gezicht te houwen, als Kniphuyzen vertelt!”
„Mannen, ik heb nog wat beters!” riep een heel lange janmaat met
vlasblond haar, helderblauwe oogen, groote, uitstaande ooren, en met
handen..... nee maar! Hajo kon er niet naar kijken zonder aan de
handschoenen van Sijtje te denken. Ze boden een ruime gelegenheid tot
tatoeëring, en dat had de eigenaar ook ingezien: het eene anker prijkte
naast het andere; op de polsen waren harten met een pijl aaneengesmeed,
en hoogerop zeilden driemasters over wild bewogen baren. Hajo had er
een drommelsch ontzag voor. Dàt was nog er eens ’n zeeman! Stil! Hij
wou goed luisteren naar de wijsheid, die dit beankerde wonder zou
verkondigen!
„Twee reizen geleden, ik was op De Gouden Leeuw,” begon de verteller,
„waren we geland bij een rivier, die zoo vol krokodillen zat, dat je de
een naast de ander kon zien liggen. Nou, ik was net als hier de eenige
Fries aan boord, hè, en de maats lagen daar nog wel ereis over te
mieren.—Worden in jouw koeienland de kinderen altijd zoo aan de ooren
getrokken? vroegen ze dan wel, of:—Wat hebben jullie Friezen een kleine
handjes! en meer van dat kinderachtige geleuter.—Vooruit dan! zei ik
zoo, toen ’t me weer eens de keel uithing.—Als jullie Hollanders dan
zulke kerels bent, steek dan ereis zonder boot die rivier over!
—Doe jij het eerst! zeiden de maats.
—Ik durf wel, zei ik.—Ik steek er op z’n Friesch over!—Nou, ik nam een
flinke aanloop en.....”
„En??”
„Jullie weet: ik spring als de beste.—Nou, ik ben dan van de eene
krokodil op de andere gesprongen! En voordat de beestjes wisten wat er
aan ’t handje was, stond ik aan de overkant!”
„Verduiveld sterk!” verklaarden de maats.
„’t Is gelogen,” stelde Padde ronduit vast.
„Spuit nommer elf geeft ook water,” zei Harmen. „Luister, mannen, ik
heb nog heel wat anders beleefd, en als ik je dat vertel, mag je je
muts wel vastsjorren, want je haren zullen te bergen rijzen! We waren
eens met z’n vijven in het oerwoud en terwijl we zoo onder een boom
lagen uit te blazen, zei een van m’n vrinden:—Harm, zei-d-ie,—speel er
eens ’n deuntje!
Goed, ik haal m’n viool voor den dag en speel.
—Nog ’n moppie! zei m’n vrind.
Best, ik streek er al weer op los. Maar wat zag ik me daar?! Een stuk
of vijf koningstijgers, een handvol leeuwen en een slordige twintig
reuzenslangen zaten me in een kringetje aan te gapen. De muziek had ze
aangetrokken! M’n vrinden lagen half te maffen en merkten niks.
—Doorspelen, dacht ik.—Doorspelen, da’s het eenige!—En ik speelde en
speelde....
—Komt er nooit een eind aan dat moppie? vroegen m’n vrinden.
—Hebben jullie er last van? vroeg ik nijdig.
—Daar niet van, zeiden ze. En ze draaiden zich nog eens lekker om.
Na een uur of vier spelens begon ik moe te worden en..... ja..... als
een mensch moe is! Toen kwam er ook wel eens ’n valsch toontje, hè?
Maar ik kon merken, dat beesten verstand van muziek hebben, hoor, want
ze trokken een gezicht of ze een zeere kies hadden. Toen schoot er een
lichtstraal in m’n kersepit! Dat was de uitkomst! Weet je wat ik deed?
Ik begon me daar eventjes valsch te spelen, valsch.....!!
En ja hoor! Met de staart tusschen de pooten gingen de monsters er van
door!
Ik was nat van ’t zweet, en m’n armen leken wel lood. Maar..... we
waren gered!”
„En je vrinden, zeiden die niets toen je zoo valsch speelde?” vroeg
Hajo, die na de wonderbaarlijke redding een diepen zucht had geloosd.
„Och..... ze hadden er niet zoo opgelet”, zei Harmen.
„Nou heb ik nog een verhaal!” riep Rolf. „Er was eens een schip vol
matrozen! Toen kwam er een groote walvisch, die sperde zijn bek open en
slikte.....”
„Een walvisch kan geen schip inslikken!”
„Nou, hij spuwde het ook gauw weer uit.”
„Omdat ’t ’m te hard was?”
„Neen. Omdat hij misselijk werd van de leugens, die z’n keel
binnenspoelden.”
„Sapperloot.....!” stamelde de Neus.
En de anderen sloegen met de vuist op tafel. „Daar zul je voor boeten,
mannetje!”
Maar ze meenden het niet. In hun hart hadden ze schik aan Rolfs
vrijmoedigheid: van bloode jongetjes moesten ze niets hebben.
Buiten galmden vier glazen. Tien uur! De oomes stonden op, kropen in
hun kooien. De olie in de lamp scheen opgebrand; de vlam werd schraal;
de walm sloeg dik tegen de zoldering.
Hajo zocht den langen Fries op. „Heet jij soms Jopkins?” vroeg hij na
een aarzeling. „Hilke Jopkins?”
„Dat ben ik, ja.”
„Dan moet ik je wat geven van.....”
„Van.....?” Hilke sperde zijn oogen open en greep Hajo bij den arm.
„Ja!” fluisterde Hajo. „Van Sijtje.”
„Laat kijken!” zei Hilke, diep ademhalend.
„Ga je even mee naar buiten?” vroeg Hajo. „Daar zien de anderen het
niet!”
Zwijgend stond de janmaat op. En Hilke Jopkins, die als „oome” duizend
mijlen boven den nieuwbakken scheepsjongen stond, volgde Hajo gedwee
het trapje op naar het dek. Eerbiedig betastte hij de handschoenen, die
Hajo hem daar gaf. „Verdorie,” mompelde hij. „Verdorie.....!”
„Ze zei, dat je haar eens schrijven moest, en dat je voorzichtig moest
zijn, en ze wou nog wat zeggen, maar toen begon ze te huilen.”
„Verdorie.....!” Hilke schudde het hoofd. „Die handschoenen zitten me
gegoten, zie je wel?”
„Ik heb ’n das van haar gekregen,” zei Hajo.
„Laat kijken?”
Hajo overreikte hem Sijtjes kleurvol geschenk.
„Verdorie.....!” prees Hilke.
„Alleen voor Zondagen!!” zei Hajo.
„Dat begrijp ik!—Zeg, Hajo.....? Wat moet je hebben voor die das?”
Hajo voelde een trilling in Hilke’s stem. „Die das is niet te koop,”
zei Hajo.
„Dat snap ik! Voor een ander is ie niet te koop! Maar voor mij toch
wel?”
„Daar,” zei Hajo, „daar heb je ’m voor niks.”
„Verdorie.....!” was al wat Hilke antwoordde. Hij liefkoosde de das
tusschen de vingers en greep Hajo’s hand. „Kerel, als je me nog eens
noodig hebt.....!”
„Zeg, Hilke?” vroeg Hajo. „Zou je..... zou je misschien.....?”
„Waarachtig! zeg op: wat is er?”
Hajo wees op Hilke’s handen. „Zou je mij soms ook een anker of een
schip, of wat je maar het makkelijkst is.....?”
Hilke stroopte zijn mouw op. „Zoek maar uit! Een driemaster? Of zoo
een, met die kanonnen? Ik kan alles, en je voelt er niets van. Heb je
een meisje?”
„Neen,” bekende Hajo, verlegen. „Moet dat?”
„Welnee. Maar dan had ik je een paar harten geprikt. Zooals op m’n
hand.”
„Dat is ook wel mooi”, weifelde Hajo.
„Ja, maar dan moet je een meisje hebben!” zei Hilke. „D’r zijn lui, die
haar naam er inzetten: Geertruida of Katherina of zoo. Maar..... eh, ’t
gaat er nooit meer uit, zie je? Zooals ik ’t heb, zonder naam, is
het..... is het altijd goed, hè?”
Hajo begreep het maar half. „Zeg, Hilke,” vroeg hij, „wanneer kun je
het doen?”
„Over een dag of wat,” beloofde Hilke. „Als de eerste drukte voorbij
is.”
„Fijn!” zei Hajo. „Zeg, weet je, dat ik ook nog Friesch bloed in me
heb?”
Hilke sloeg de handjes ineen. „Een Fries?! Jij?”
„Moeder is van Friesland.”
„Als ik het niet dacht! Een kerel als jij.....! ’k Zal je de knoopen
ook leeren! Een boeren- en een Turksche knoop, een visscher-, trompet-,
muil- en ankersteek, een ouwe wijvenknoop..... Nooit van gehoord?”
Hajo sloeg van eerbied bijna tegen den grond,—schudde ontkennend het
hoofd.
„Nog nooit van een ouwe wijvenknoop gehoord??! Wacht dan!”—En Hilke
haalde de das van Sijtje uit zijn broekzak, greep de beide einden.....
„Dat is zonde!” meende Hajo. „Dan leer je ’t me morgen maar.”
„Je hebt gelijk,” bekende Hilke. „Ja, dat komt: jij bent een Fries, hè,
en dan.....!” Zorgvuldig streek hij de das weer glad en liefkoosde ze
met de oogen. „Brave meid!” mompelde Hilke met schorre stem. Toen zei
hij haastig: „Nou, ajuus, hoor! ’t Is al laat.”
„Wel te rusten!” was Hajo’s antwoord. En terwijl de scheepsjongen van
de Nieuw-Hoorn nog even bleef staan, in gelukkige overpeinzingen over
de naaste toekomst, spoedde de lange Fries zich met zijn schat voort.
Hajo zag, hoe hij zich diep bukken moest, om het hoofd niet te stooten
tegen de lage deur van het vooronder.....
Daar kwam Rolf aan. „Zullen we gaan slapen, Hajo?”
„Die..... die over die krokodillen is gesprongen, zal een anker op m’n
arm prikken!” fluisterde Hajo zijn makker opgewonden toe.
„Zoo?” vroeg Rolf. „Laat het hem dan een beetje hoog doen. Op je
bovenarm, of zoo.”
„Maar dan zie je er niets van!”
„Juist daarom.”
Hajo keek zijn vriend verwonderd aan. „Vind je een anker niet mooi? Wil
ik liever ’n schip nemen? Hilke kan alles. Kijk maar eens naar z’n
handen.”
Rolf glimlachte. „Ik heb ze gezien. Maar weet je, dat die rommel er
nooit uitgaat?”
„En is dat dan erg?”
„Het kan wel eens lastig zijn. Je weet van te voren niet wat er nog uit
je groeit!”
„Uit mij??”
„Ja, uit jou.”
Hajo pruttelde wat. „Nou, vooruit dan maar....,” zuchtte hij, onwillig.
„Heel verstandig,” prees Rolf. „Ga je mee?”
Hajo liet zich gezeggen. En hij riep Padde, die nog bij tafel zat, toe:
„Padde! Sta op! We gaan naar kooi!”
Hé, dat klonk nog er eens: kooi inplaats van bed!
Maar Padde hoorde het niet. Met het hoofd in de handen was hij,
zittend, in slaap gevallen.