Buiten heerschte December.
Onze jeugdige held trok de muts over de ooren, stak zijn handen en
polsen in den zak, klemde de armen tegen het lijf en draafde zoo’n
beetje, om warm te worden. In de zeventiende eeuw was een winter nog
een winter!
Spoedig had hij de zingende jongens in het oog. Daar had je „Lange
Leen”, die natuurlijk weer de leider van den troep zou zijn. Peter Hajo
zou hem, zoodra de gelegenheid zich voordeed, eens ongezouten
aframmelen, want Leen keek altijd zoo minachtend op je neer en zou zich
op den duur wat te veel gaan verbeelden.
En dan was Padde er ook bij, die goeiige dikzak, die altijd met z’n
oogjes knipte en nu natuurlijk weer de netten en den emmer dragen
moest.
Padde was Hajo’s schaduw; volgde hem bij al zijn schelmenstreken op den
voet. Hij was het, die Hajo’s heldendaden ruchtbaar maakte en hem
tegenover iedereen verdedigde, wanneer Hajo er zelf niet was om dat te
doen. Honderdmaal was het gebeurd, dat Padde, die niet zoo hard kon
loopen als de omstandigheden soms vereischten, in de vingers van een
nijdigen boer of nachtwacht was terechtgekomen en Hajo dan den
volgenden dag met bitter verwijt op zijn builen, schrammen en blauwe
plekken wees.
Maar als Hajo weer appelen ging „rapen” in den tuin van het Sinte
Clarensklooster, was Padde bij hem en kroop hijgend en blazend over
muurtjes en heggen, tot groot ongenoegen van zijn moeder, die hem
daarna met haar groote, harde handen bont en blauw sloeg,—wanneer ze er
niet te moe voor was. Want Padde had zeven jongere broertjes en
zusjes.....
„Hajo!” riep Padde verheugd, toen hij zijn held zag aankomen. „Ik
dacht, dat je in De IJzeren Man stond!”
„’t Werd me er te warm!” zei Hajo. „En Wouter was zoo aan het hameren,
dat ik al maar door aan botkloppen moest denken. Waar gaan jullie het
doen?”
„In de Karperkuil”, was het antwoord.
„Zou je ’t niet liever eens in moeders waschtobbe probeeren? Weet je,
wáár bot zit? Tegen de Italiaansche Zeedijk aan!”
„Juist!” bevestigde Padde.
„Wel”, zei Lange Leen, „gaan jullie dan naar de Italiaansche Zeedijk.
Geef die bijl hier, Padde. Wij gaan naar de Karperkuil.”
Peter Hajo bleef rustig. „Van wie is die emmer?” vroeg hij.
„Van mij”, zei Padde. „En dit eene net is ook van mij.”
„Top. Leg de rest neer. Een bijl hebben we niet noodig, want ik heb er
nog een bijt.”
Padde ontdeed zich van twee netten, die hem nog over den schouder
hingen, en gaf den bijl aan Langen Leen.
„Laat ze maar loopen, jongens!” zei deze.
„Wedden, dat er in de heele Karperkuil geen onnoozel botje zwemt?”
vroeg Padde, terwijl hij met Hajo heenging.
„Wacht even!” riepen toen Schouwen Doedes en nog een paar jongens. „Wij
gaan ook mee!”
„Als je ’t maar laat”, dreigde Hajo. „Nou heb ik jullie niet meer
noodig.”
Hajo en Padde liepen de Korenmarkt over en daarna de Veermanskade langs
met haar hooge pakhuizen en deftige patricierswoningen. Juist wilden ze
bij den Hoofdtoren rechts afslaan, den Italiaanschen Zeedijk op, toen
een Friesche tjalk de haven kwam binnenzeilen. Haastig snelden ze toe
om haar te helpen vastleggen. Het scheelde maar een haartje, of Padde
werd door het touw in het water getrokken, wat hij nog slechts kon
voorkomen door aan boord te springen, waar hij voor de voeten van een
gezelschap deftige heeren terechtkwam. Verlegen krabbelde hij overeind.
De heeren lachten en begaven zich aan wal. Hajo groette hen vol ontzag.
„Wie waren dat?” vroeg hij aan schipper Blok, den eigenaar van de
tjalk.
„Wel”, zei Blok, „die met die baard, da’s schipper Bontekoe.”
„Natuurlijk. Maar de anderen?”
„Die bennen alle vijf van de Oost-Indische Compagnie. Die magere is uit
Enkhuizen, en die dikke met z’n wijde handschoenen komt uit Zeeland. Ik
heb ze met de Hoornsche Zon”, Blok wees op z’n tjalk, „naar Texel
motten brengen en weer halen ook. Daar leit de Nieuw-Hoorn, weet je?”
„De Nieuw-Hoorn?”
„De schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat. Je zou ’m es
moeten zien! Tweehonderd koppen aan boord!”
Hajo keek peinzend de deftig gekleede heeren na, die juist een
oogenblik stilstonden voor Bontekoe’s woonhuis op de Veermanskade.
„Zeg, Blok”, vroeg hij, „wijs me nou eens, hoe groot de Nieuw-Hoorn
is.”
Blok trok een ernstig gezicht, spoog zoo er eens voor zich heen en mat
met zijn oogen den grond af. „Zie je dat paaltje?”
„Dat daar?”
„Krek d’r naast. Zoo lang is-t-ie vast wel van ’t galjoen tot de
spiegel.”
„En ligt-ie goed, Blok?”
„Zoo vast as ’n kanonnier!” En de schipper ging met zijn beide zoons de
zeilen inrollen.
Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer
op, en de beide jongens vervolgden hun weg. „Die sprong in de tjalk
viel niet mee!” verzekerde Padde. „’t Was wel drie el!”
Maar Hajo gaf geen antwoord.
Zoo kwamen de jongens op den Italiaanschen Zeedijk. Er lag een breede
strook ijs.
Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een
eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo’s
oogen duidde op onweer.
„Kijk eens, Padde”, zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. „Wat zie
je daar op het ijs?”
„Hemeltje!” zei Padde, „daar is er een aan het botkloppen.”
„Juist!” bevestigde Hajo. „Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen.
Ken jij hem? Ik niet.”
Padde begon opgewonden te blazen. „In onze bijt! Nee, wie het is, kan
ik niet zien. Ik zie niet zoo goed als jij.” En Padde’s oogengeknip
onderstreepte deze verklaring.
„Kom mee”, beval Hajo.
Padde stelde voor zichzelf vast, dat het weer een spannende middag kon
worden.
Samen stevenden ze op den roekeloozen botklopper af.
Het was een netgekleede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek
met een bijl op het ijs klopte, ten einde de door de koude verdoofde
bot te wekken en naar de bijt te lokken, waarin het verraderlijke net
hing. De jongen was zoo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat
hem boven het hoofd hing.
Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze den
dijk afgingen, rende hij op den ijverigen klopper toe. Maar vlak bij
hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover
op het ijs—dat weinig meegaf!—en richtte zich verbouwereerd overeind.
De jongen keek op. Zijn ernstig gelaat nam een meewarige uitdrukking
aan. „Ja, het ijs is hier glad”, zei hij.
„Wat doe jij hier!” voer Padde uit, terwijl hij weer op zijn korte
beentjes krabbelde.
„Botkloppen”, antwoordde de jongen. „Heb je je bezeerd?”
„Botkloppen?” schreeuwde Padde. „Ik zal je helpen!”
De jongen keek Padde bevreemd aan. Toen zei hij: „Waar je nu staat is
het niet meer noodig! De bot zal daar al wel erg geschrokken zijn.”
Padde hapte naar adem. Daar hij de rechte woorden niet vond om zijn
gemoed te luchten, trapte hij het emmertje om, dat bij den vreemden
knaap stond. De bot sprong overal op het ijs rond.
Toen tintelde er iets in de oogen van den onbekenden jongen. Hij sprong
uit zijn knielende houding overeind met een snelheid, die door Padde
half met jaloezie, half met schrik werd waargenomen, stelde zich
vierkant voor zijn aanrander en zei kalm en vriendelijk: „Doe die bot
weer in de emmer alsjeblieft.”
„Ik zal jou in de emmer doen en in de bijt gooien!” beloofde Padde.
„Dat is goed”, antwoordde de jongen. „Maar zoek eerst de bot bij
mekaar. Een—twee.....”
Toen kwam Hajo. „Halt! Laat m’n vrind met rust!”
De jongen mat zijn nieuwen tegenstander van het hoofd tot de voeten,
iets wat Hajo nooit goed zetten kon, vooral niet, wanneer hij, die het
deed, er zoo keurig uitzag als deze onbekende jongen.
„Goeie middag”, zei de vreemdeling vriendelijk.
„Waar woon je?” klonk het grimmig uit Hajo’s mond.
„Ik kom uit Alkmaar.”
„Zoo, dus je wist niet, dat dit mijn bijt is.”
„Jouw bijt??” vroeg de jongen. En onschuldig liet hij er op volgen: „En
als het ijs nou weer smelt...., blijft de bijt dan van jou?”
Dat was te veel. „Kom mee naar de dijk”, zei Hajo kortaf. „Ik wil met
je vechten.”
Padde glom van blijde verwachting. „Nou zul je eens wat beleven,
mannetje!”
De jongen luisterde er niet naar. „Ik ga met je mee”, zei hij tot Hajo.
„Maar eerst moet die dikzak.....” En langzaam kwam hij op Padde af, die
druk met z’n oogjes knipte. „Een—twee —dr.....!”
„Zoek ze maar even bij mekaar, Padde”, zei Hajo.
Toen bukte Padde zich. „Ik doe het, omdat ik gauw wil zien hoe jij ’m
aframmelt, Hajo!” verklaarde hij.
Peter Hajo en de nette, onbekende jongen begaven zich naar den dijk. En
twintig passen achter hen aan volgde hijgend en blazend Padde, met aan
een arm zijn eigen emmer en aan den anderen den emmer met bot.
Zoo belandden ze op den verlaten dijk. Padde zette zijn leegen emmer
omgekeerd neer en ging zitten.
„Begin maar”, zei Padde.
De twee doodsvijanden hadden zich tegenover elkaar gesteld. Hajo’s
oogen fonkelden; zijn lenig lichaam kromde zich voor den sprong. De
ander wachtte rechtop, met de rust van een beer, den aanval af.
„Pak hem, Hajo!” riep Padde. „Met één douw leg je ’m.”
Maar Hajo had Padde’s raad niet afgewacht: was toegesprongen.
De onbekende jongen bleek even stevig als kalm te zijn: hij ving Hajo
op, en deze had het alleen aan zijn weergalooze vlugheid te danken, dat
hij niet werd neergedrukt.
Padde was van opwinding van zijn emmertje gesprongen.
„Je wint het, Hajo! Hij is zoo stijf als een stokvisch!”
Maar „wilde” Hajo, de schrik van het vredige plaatsje Hoorn, had zijn
man gevonden! Na een bangen, minutenlangen strijd stonden ze nog juist
zoo als ze waren begonnen. Dat wil zeggen: Hajo nu rood als een
gekookte kreeft, de onbekende jongen in het minst niet opgewonden.
„Zoo schieten we niet op”, hijgde Hajo. „Laten we even rusten en dan
weer beginnen.”
De ander liet onmiddellijk zijn armen zinken. En terwijl Hajo zich
amechtig op het emmertje zette, dat Padde hem eerbiedig afstond, liet
de vreemde jongen een onderzoekenden blik over zijn kleeren gaan,
klopte zich het zand van de broek.
„Verduiveld jammer, dat je hem hebt losgelaten, Hajo”, meende Padde.
„Binnen twee tellen had-ie op z’n rug gelegen!”
„Hou je gezicht!” gromde Hajo.
De jongen uit Alkmaar keek welwillend naar zijn tegenstander. „Ben je
smid?” vroeg hij.
Hajo veegde onwillekeurig met de mouw over zijn zwart gezicht. „Jij
bent zeker pennelikker, hè, dat je je zoo opdirkt.”
„Ik ben scheepsjongen”, was het antwoord.
Dat werkte. Hajo sprong overeind. „Scheepsjongen?!”
„Is het zoo gek, als iemand scheepsjongen is?” vroeg de ander verbaasd.
Hajo maakte een onwillige beweging. „Ik zou het niet willen wezen!”
schimpte hij, met iets weeks in zijn stem.
„Waarom niet?”
„Daarom niet!”
„We hebben het hier best”, verklaarde Padde. „Hij wordt smid, en ik kom
bij m’n oom in de bierbrouwerij, dan weet je wat je hebt. Speel jij
maar voor aap op die smerige schuit van jou.”
Hajo maakte zijn gezicht erg onverschillig. „Je bent zeker bij de
walvischvaart, hè?”
„Nee”, was het antwoord. „Ik ga met de Nieuw-Hoorn naar Oostinje.”
„Dacht ik niet, dat je zoo’n peperdief was?” riep Padde.
„Hoe..... hoe oud ben je?” vroeg Hajo.
„Ik ben veertien.”
„Veertien?! Wie..... wie heeft je aangenomen?”
„Schipper Bontekoe zelf.”
„Zoo”, schimpte Hajo. „Dan is je vader zeker zelf naar de schipper
gegaan om voor zoontjelief een plaatsje te vragen?”
De vreemde jongen keek even voor zich uit, den zeedijk af. „Ik heb mijn
vader nooit gekend”, zei hij toen.
Hajo werd vuurrood, wilde zich zelf wel een klap om de ooren geven.
De jongen uit Alkmaar keek Hajo onderzoekend aan. Toen merkte hij op:
„Jij zegt, dat je niet varen wilt. Maar je meent het niet.”
„Welles”, gromde Hajo.
„Maar waarom dan toch niet? Je ziet en hoort toch duizend dingen waar
je anders nooit achter zou komen! En moeten we ons daarginds door de
Spanjaarden en Portugeezen alles voor de neus laten wegkapen? Later
word ik reeder en bouw schepen voor de groote vaart; ik wil.....!”
Hajo sprong met een ruk overeind. Het hoofd afgewend, sloeg hij, zonder
een woord te spreken, de richting van den Westerdijk in.....
De toekomstige reeder keek hem stomverbaasd na.
En Padde voer uit: „Hij heeft je toch gezegd, dat hij niet varen wil?
Wat doe jij er dan aan een stuk over door te wauwelen? Of denk je, dat
’t zoo lollig is die kletspraat aan te hooren, als je zelf in de
smederij moet staan?” Hij pakte zijn emmer op en zei dreigend: „Wee je
gebeente, als ik je wéér eens tegenkom!” En grommend en brommend
sukkelde Padde achter Hajo aan.
De onbekende jongen keek het tweetal even na. Een glimlach speelde om
zijn lippen, toen hij zijn emmer beetpakte en den dijk opging, in de
richting van de Veermanskade.....
Hajo en Padde liepen den Westerdijk af, de poort door, daarna weer
verder. Hajo voorop, Padde een halve schrede achter hem aan.
Het was dien dag stil weer geweest, maar nu, tegen den avond stak de
wind op.
In Hajo’s binnenste stormde het. Padde wilde olie op de golven doen en
begon te schelden op den onbekenden jongen. „Hij met z’n reederij! Met
die schepen bedoelt hij zeker klompen met een mast er in!”
Hajo antwoordde niet. Zijn grijze oogen tuurden ver voor zich uit, de
zee over. Hij hoorde niet, wat Padde zei; hij zag de blanke, krijschend
opvliegende meeuwen en ook de grijze kraaien niet, die krassend
vluchtten op forschen wiekslag.
Wat Hajo hoorde,—dat was de taal der zee! De zee sprak met Peter
Hajo....., de zee, die lokte en bedwelmde, de zee, die zijn ziel
verteren deed van onbevredigd verlangen. „Peter .....”, fluisterde de
zee hem in het oor, „Peter....., Peter....., kom, Peter....., kom dan
toch! Ik ben oneindig, Peter....., niemand kent me, Peter....., als je
wist, Peter, wat voor verre, vreemde landen....., als je het geheim van
den storm kende....., als je wist wat er schuilt in mijn peillooze
diepten.....! Peter.....! Peter.....?!”
Padde hijgde en blies en begon langzamer te loopen.
Hajo merkte het, keerde zwijgend om. Nu ging het tegen den wind in;
Hajo trok zich de muts van het hoofd, liet den zouten wind door zijn
blonde haren vliegen.
Padde waagde een nieuwe poging. „Laat die vent maar naar zee gaan! Wij
hebben ’t hier best, hè, Hajo?” Maar toen hij geen antwoord kreeg, gaf
hij het op.
Zoo kwamen de jongens bij het vallen der duisternis weer de poort
binnen. Hajo stevende in de richting van den Hoofdtoren.
„Gaan we nog niet naar huis?” vroeg Padde.
„Ga jij maar.”
„Ik blijf bij je.”
Bij den Hoofdtoren sloeg Hajo links om, de Veermanskade op, hield stil
voor het woonhuis van schipper Bontekoe, stapte de stoep op, liet den
zwaren klopper vallen.
Sprakeloos bleef Padde staan.
De dienstbode deed open, keek wantrouwend naar den wel onverwachten,
maar haar lang niet onbekenden gast.
„Is de schipper thuis?” vroeg Hajo. „Ik wil hem spreken.”
„Jij??” vroeg de dienstbode.
Padde vond zijn spraak terug. „Laat hem binnen!” schreeuwde hij. „Als
je niet wil, dat ik morgen je emmers wéér omtrap!”
„Stil, Padde!” zei Hajo. En tegen de dienstbode: „Zeg den schipper, dat
ik mee naar den Oost wil. Toe, alsjeblieft.....”
De dienstbode bleek een week hart te hebben. Ze was zoojuist van plan
geweest de deur voor Hajo’s neus dicht te gooien, maar nu weifelde ze
een oogenblik. „Mee naar den Oost?? Jij mee naar den Oost??”
Toen riep van boven uit het huis een jongensstem: „Laat hem binnen,
Aagje!”
Hajo voer een rilling door het lichaam. Die stem..... was dat
niet.....?!
Hij werd binnengelaten. Maar toen hij zijn klompen buiten had neergezet
en op zijn kousen op den dikken vloermat stond van het deftige portaal
met z’n koperen luchter, was het tot Hajo’s begrip doorgedrongen, dat
zijn laatste kans verkeken was. De jongen, met wien hij had gevochten,
woonde hier in huis!
Ook Padde, daarbuiten, had de stem herkend. Hij schold en tierde, dat
het een aard had, en wachtte op het oogenblik, dat Hajo de deur zou
worden uitgegooid. Toen dat niet gebeurde, ging Padde verbaasd op de
stoep zitten en mijmerde wat voor zich heen.
Het was stil op straat en volslagen donker geworden. Het licht van de
huizen aan de overzijde der kade spiegelde zich zacht glanzend in het
ijs; Padde kon aan den ganschen hemel geen enkel sterretje ontdekken.
In de verte jankte ergens een hond; een schaatser kwam,
kritsch-kratsch, de gracht af en..... Hé, was dat daarbinnen de stem
van schipper Bontekoe niet?
Weg was de stem weer. „Arme Hajo”, dacht Padde. „Arme vriend Hajo!”
Maar die jongen uit Alkmaar kreeg van Padde op z’n ziel, papperlepap,
dat stond vast!—Wat woei hier een tocht! Weer huilde de hond, nu veel
dichterbij. Het lang aangehouden gejammer scheen eindeloos in den
stillen, donkeren winteravond. Padde huiverde.
Hoe laat zou het eigenlijk al zijn? Hij kon op z’n vingers natellen,
dat hij laat genoeg zou thuiskomen om een pak slaag van zijn moeder op
te loopen. „Ik heb het verdiend”, bekende hij zichzelf met een zucht.
„Ze slaat hard, maar ze heeft groot gelijk, dat ze me slaat. Laten
andere jongens hun moeder ook met eten wachten? Zou Harmen Lijsjens het
doen? Of Thijs Veermanszoon, of Klaas van de Lage Dijk? Neen, nietwaar?
En Hein van het Hazenpad? Zou Hein van het Hazenpad ooit wel eens een
broek hebben gescheurd, behalve dan die keer, dat hij van Hajo een pak
rammel heeft gekregen? Ik durf wedden, dat zijn moeder niets dan
plezier van hem beleeft.—Zou ik naar huis gaan?”
Padde richtte zich vastbesloten op. Maar mismoedig plofte hij weer
neer. „’t Gaat niet”, zuchtte hij. „Zie je, zoo ben ik nou. Ik kan zoo
moeilijk naar huis, als ik een vrind heb. Dat is bij vader net zoo, en
daarom loopt hij van de eene kroeg naar de andere, en moeder zal wel
denken: Padde? Padde gaat dezelfde kant op.”
Een magere keeshond kwam de kade afdrentelen. Padde riep hem bij zich
en streelde hem den kop. „Ben jij die muzikant van daareven? Je hebt
heel mooi gezongen, hoor! Als ik wat voor je had, zou ik je ’t geven.”
De hond likte zijn hand en besnuffelde zijn broekzak.
„Drommels”, zeide Padde. „Dat is waar ook; jij hebt toch een echte
hondenneus, beestje!” En hij diepte uit zijn zak een stuk brood op.
„Kun je mooi zitten?”
Zenuwachtig blaffend sprong het dier om Padde’s hooggeheven hand.
„Luister dan tenminste even, Keesje! Kijk, voor dit stuk brood heeft
m’n moeder moeten werken, weet je? Dat kan jou niet schelen, hè? Jij
denkt: brood is brood en..... hap!—Laat me uitspreken, Keesje. Als ik
groot ben, zie je, als ik in de bierbrouwerij ben van m’n oom,—nog even
geduld!—dan wil ik—stil!—dan wil ik hard werken, om m’n moeder zooveel
brood te kunnen geven..... als ze maar hebben wil! Ziezoo, daar is je
brood!” En Padde zag toe hoe de keeshond het brood in een ommezien
verwerkte. „Je hebt het eten nog niet verleerd”, zei hij, „al lijkt het
me, dat je het niet vaak doet.”
Padde richtte het hoofd op, toen hij in de richting van de herberg: De
Drij Coninghen het lallend gezang van een paar dronken mannen vernam.
Een traan welde in zijn oogen op. „Dag, Hajo”, zei hij zachtjens, „Dag,
beste vriend, Hajo!” En tegen den hond, die zich bibberend tegen zijn
dijen had gevleid: „Ik moet weg, Keesje. Vader komt thuis. Maar als hij
m’n moeder of m’n zusjes en broertjes wil slaan, krijgt hij met mij te
doen. Dat..... dat verzeker ik je.”
Padde stond op, liet zich door den keeshond een pootje geven en spoedde
zich langs de donkere straten naar huis.....