»Hier!" antwoordde Iras met kalmte, en reikte haar een kleine naald toe.
»Een lichte prik, en het moet gedaan zijn.... Zie maar! Doch neen! Eens
hebt gij mij het grootste leed aangedaan. Gij weet--de speelnoot van
mijn kindsche jaren, Dion... Ik heb het u vergeven. Maar nu moet gij
mij ook deze weldaad bewijzen!--Spaar het mij, mijzelve met de naald te
prikken.--Wilt gij? Ik zal het u vergelden! Als gij het wenscht, zal
deze hand u denzelfden dienst bewijzen."
Charmion drukte haar nicht aan haar hart, kuste haar, prikte haar even
in den arm, gaf haar toen de andere naald, en zeide:
»Nu is de beurt aan u.--Ons hart was vol groote liefde voor eene die
zelve liefhad als geen ander, en onze liefde werd beantwoord. Wat is
daarbij vergeleken die andere liefde, die wij hebben opgeofferd? Hij,
voor wien de zon schijnt, behoeft geen licht te ontsteken. »Liefde is
smart," zeide zij bij het scheiden; doch deze smart--in de eerste plaats
die van het zich onthouden uit liefde--draagt in haar schoot een genot,
een heerlijk genot, dat het sterven licht maakt. Het is mij alsof het
alleen te doen is om de Koningin te volgen, om haar.... O, dat deed
pijn!"
De naald van Iras had haar getroffen. Het vergift werkte snel. Iras werd
door een duizeling overvallen en kon zich nog slechts met moeite staande
houden.
Juist was Charmion neergevallen, toen er buiten luid werd geklopt op de
gesloten deur, en de stemmen van Epaphroditus en Proculejus geboden met
drift die te openen.
Daar er geen antwoord kwam, liet men het slot van de deur met
onstuimigen spoed openbreken. Men vond Charmion, bleek en ontdaan aan de
voeten harer gebiedster, doch Iras was, ofschoon wankelend en reeds half
bedwelmd door het vergift, bezig haar diadeem recht te zetten, die
verschoven was. Haar laatste zorg was haar geliefde meesteres te sparen
voor alles wat zou kunnen afbreuk doen aan de schoonheid van haar
uiterlijk.
Ontzet, en buiten zichzelven van toorn, ijlden de Romeinen op de vrouwen
toe. Epaphroditus had Iras nog bezig gezien met den tooi van Cleopatra.
Hij trachtte nu hare gezellin op te richten, en riep haar verwijtend
toe: »Dat is wat schoons, Charmion!" Doch zij raapte hare laatste kracht
bijeen en antwoordde met brekende stem: »Ja, iets zeer schoons, zooals
het voor de afstammeling van zoovele heerschers past."[23]
[23] De uitroep van den Romein en het antwoord der stervende trouwe
Charmion, zijn woordelijk volgens het verhaal van Plutarchus.
Toen sloot zij de oogen, doch Proculejus, de dichter, die lang met
ontroering had gestaard in het trotsche, schoone gelaat der vrouw
tegen wie hij zoo zwaar had misdreven, zeide: »Zij werd gevierd door de
grootsten, bemind door de hoogstgeplaatsten, zooals geen andere vrouw op
aarde. Haar roem weergalmde van volk tot volk over de geheele wereld.
Hij zal voortklinken van geslacht tot geslacht; doch hoe luide hij haar
betooverende bevalligheid prijst, den gloed harer liefde, die den dood
overleeft, haar geest, kennis, heldenmoed, waarmede zij, de vrouw, den
dood verkoos boven de schande--toch zal hij ook niet vergeten den lof
te verkondigen van deze twee.--Hare trouw heeft dat verdiend. Onbewust
hebben zij door haar wonderbaar einde voor haar gebiedster het schoonste
gedenkteeken opgericht; want hoe waarlijk goed en beminnenswaardig moet
de vrouw zijn geweest, die na den diepsten val het voor degenen, die
haar het naaste stonden, zoeter deed schijnen te sterven, dan zonder
haar te leven."
De tijding van den dood der geliefde, gevierde Vorstin veranderde
Alexandrië in een huis van rouw. Een uitvaart van ongeëvenaarde pracht
en plechtigheid, waarbij veel oprechte tranen werden gestort, eerde hare
nagedachtenis.
Voor Octavianus was een zijner schitterendste plannen door haar dood
verijdeld, en vol woede had hij den brief gelezen, waarin Cleopatra
hem met eigen hand meedeelde, dat zij van plan was te sterven. Toch
was hij het verschuldigd aan den roem zijner grootmoedigheid, haar een
begrafenis toe te staan, die haar rang waardig zou zijn. Aan dooden,
die niet langer gevaarlijk voor hem waren, kon hij licht ruimschoots
genade bewijzen.
Ook door de behandeling die hij haar kinderen liet ondervinden, deed
hij de wereld de zachtmoedigheid zijner gezindheid bewonderen. Octavia,
zijn zuster, nam hen in haar eigen huis, en liet hunne opvoeding aan
Archibius over.
Toen het bevel was gegeven, dat alle standbeelden van Antonius en
Cleopatra moesten worden omvergeworpen, gaf Octavianus nogmaals aan
zijne tijdgenooten een bewijs zijner vergevensgezindheid, door te
gebieden dat de standbeelden der Koningin, die talrijk waren te
Alexandrië en in geheel Aegypte, moesten blijven staan en onderhouden
worden. Trouwens, hij was daartoe gebracht door de aanzienlijke som van
tweeduizend talenten, die een Alexandrijn in zijn schatkist had doen
vloeien om deze grootmoedige daad te bewerken. De voortreffelijke
vriend, die zich tot een arm man had gemaakt om aan de nagedachtenis
der dierbare overledene dezen dienst te bewijzen, heette Archibius.
Dus bleven de standbeelden der ongelukkige vorstin ook nog in later tijd
onaangeroerd de plaats versieren, waar zij waren opgericht.
De sarcophagen van Cleopatra en Marcus Antonius, waarnaast ook Iras en
Charmion rustten, waren steeds overladen met bloemen en geschenken aan
de dooden. Het grafteeken der veelgeliefde Koningin trok als een plaats
der bedevaart vooral de vrouwen van Alexandrië aan; maar ook uit ver
verwijderde streken, en nog in later tijd, kwamen trouwe harten die haar
betreurden, het bezoeken, en onder die ook de kinderen van het beroemde
paar, dat hier in den dood vereenigd was: Cleopatra Selene, die later de
gemalin werd van den geleerden Numidischen koningszoon Juba; Antonius
Helios, en de tot man gerijpte Alexander. Archibius, hun leeraar en
vriend, vergezelde hen. Hij had er voor gezorgd, dat het aandenken
hunner moeder bij hen in eere werd gehouden, en hen opgevoed tot
menschen, die hij met opgerichten hoofde leiden mocht naar de sarcophaag
zijner vriendin, die hen aan hem had toevertrouwd.