TWEEDE HOOFDSTUK.

Dion wilde zich bescheiden verwijderen, toen Cæsarions metgezel op hen

toetrad en hen groette. Hij kende beiden goed, en verzocht daarom ook

Dion, te blijven. Er was iets rustigs en afgemetens in de stem en de

bedaarde bewegingen van dezen forschen man met de breede schouders en de

hooge gestalte. Wel was hij nog niet eens diep in de veertig, maar zijn

grijze haren en zijn geheele wijze van optreden die achting afdwong,

schenen een hoogeren leeftijd aan te duiden.

»De jonge koning daar," begon hij, met een vriendelijke klankrijke stem,

terwijl hij op den wagen wees, »wenscht u, Gorgias, hier persoonlijk

te spreken, doch op mijn raad wil hij zich liever niet onder de

volksmenigte vertoonen. Daarom komen wij ook in een gesloten

rijtuig.--Als ge er niet tegen hebt, stap dan een oogenblik bij hem

in, en luister naar hem, terwijl ik hier eens rondzie. Er schijnen

belangrijke dingen te gebeuren, en daar--of vergis ik mij? Is het

gevaarte, dat zij hierheen sleepen, misschien het standbeeld van de

koningin en haar vriend? Waart gij het zelf Gorgias, die deze plek

daarvoor uitgekozen hebt?"

»Neen," antwoordde de bouwmeester beslist. »Deze overbrenging geschiedt

zelfs zonder mijn medeweten, en tegen mijn zin."

»Dat dacht ik al," was het antwoord. »Cæsarion wenscht u juist te

spreken omtrent dit beeld. Indien gij de oprichting daarvan op het stuk

grond van Didymus verhinderen kunt,--des te beter. Ik zal gaarne doen

wat ik kan om u bij te staan, maar in de afwezigheid der koningin vermag

ik slechts weinig."

»Wat zal ik u van mijn eigen invloed zeggen?" vroeg de bouwmeester. »Wie

van ons weet in dezen tijd of de hemel morgen blauw zal zijn of grijs?

Eén ding staat bij mij vast: voor zoover het van mij afhangt, zal alles

geschieden om deze onrechtmatige bejegening van een achtbaar burger

dezer stad, deze inbreuk op de wet en beleediging van den goeden smaak

te voorkomen."

»Zeg dat aan den jongen koning, maar vooral voorzichtig," verzocht

Archibius, terwijl de bouwmeester zich omkeerde om naar den wagen te

gaan.

Zoodra Dion en de andere man alleen waren, trachtte de eerste iets

naders te hooren omtrent de reden van het toenemend rumoer, en daar hij,

evenals ieder welgezind Alexandrijn Archibius hoogachtte, en wist dat

hij den eigenaar van den veelbesproken tuin en ook diens kleindochter

Barine kende, deelde hij hem zonder voorbehoud alles mede, waarover hij

zich ongerust maakte.

»Iras," zeide hij op zijn vertrouwelijke wijze, »is immers uwe nicht,

en ik weet dat gij haar kent. Zij schept er thans behagen in om op

den weg eener vrouw, die zij geen goed hart toedraagt, en die zij voor

onvoorzichtig aanziet, een gouden appel neer te leggen, in de hoop dat

zij dien zal oprapen, en daardoor aanleiding geven dat zij van diefstal

wordt beschuldigd."

Archibius zag hem bij deze beeldspraak vragend aan, en daarom ging hij

op een anderen toon ernstiger voort: »Zeus is groot, maar het noodlot

is machtiger dan hij. Mijn oom Zeno vermag veel, maar als Iras en

uwe zuster Charmion, die nu helaas bij de koningin is, iets willen

doorzetten, dan moet hij en de Regent Mardion de zeilen strijken. Hoe

beminnelijker Cleopatra is, des te zekerder stelt ieder een plaats in

hare nabijheid op den allerhoogsten prijs, en vooral hooger dan zulke

kleinigheden als recht en wet."

»Dat zijn harde woorden," antwoordde de ander, »en zij schijnen mij te

bitterder, omdat zij een kern van waarheid bevatten. Ons hof deelt het

lot van alle andere in het Oosten, en hij, wien Rome vroeger het

voorbeeld gaf van recht en wet heilig te houden....."

»Die," viel Dion in, »mag nu dáárheen gaan, om te zien hoe ruw men beide

met voeten treedt. De machthebbenden hier en ginds mogen elkander

uitlachen zooals de waarzeggers doen, zij zijn toch broeders van ééne

soort...."

»Slechts met dat onderscheid," merkte Archibius op, »dat bij ons aan het

hoofd van den Staat de beminnelijkheid en gratie in eigen persoon staan,

terwijl het in Rome het tegenovergestelde is: ruwe hardvochtigheid en

wreede overmoed of verachtelijk gekruip voeren dáár de teugels."

Hier hield Archibius plotseling op, en wees op een troep schreeuwende

lieden, die op hen afkwamen. Dion zeide: »Gij hebt gelijk. Laten wij

dit gesprek liever voortzetten in het huis van de schoone Barine. Doch

ik vind u daar slechts zelden, en toch hebt gij haar vader zoo goed

gekend, en is er bij haar altijd iets belangwekkends te hooren. Ik ben

haar vriend. Dat kan op mijn leeftijd ook beteekenen: haar geliefde,

maar in ons geval is dit niet zoo. Misschien gelooft gij mij, want gij

hebt immers zelf het recht u de vriend van de bevalligste aller vrouwen

te noemen."

Een weemoedige glimlach gleed bij deze woorden over het ernstige,

fijnbesneden gelaat van den veertiger, en met een afwerend gebaar

antwoordde hij luchtig:

»Ik ben met Cleopatra opgegroeid, maar de geringe man bemint een

koningin niet anders dan als een godheid. Ik geloof gaarne aan uwe

vriendschap voor Barine, maar ik houd die toch voor gevaarlijk."

»Wanneer gij daarmede bedoelt dat zij haar schaden kan," hernam Dion,

en hief het hoofd op, als om te kennen te geven dat hij van hem geene

waarschuwing noodig had, »dan hebt gij misschien gelijk. Maar ik verzoek

u mij niet verkeerd te begrijpen. Ik ben niet ijdel genoeg om te denken,

dat ik indruk kan maken op haar hart, maar er zijn helaas velen, die

het de jonge vrouw niet vergeven dat zij op mij aantrekkingskracht

uitoefent, evenals zij dat op allen doet. Zoovele mannen als het huis

van Barine gaarne bezoeken, zoovele vrouwen moeten er noodzakelijk zijn,

die het gaarne gesloten zouden zien. Tot haar behoort natuurlijk ook

Iras. Zij heeft een wrok tegen mijn vriendin, ja ik vrees zelfs, dat wat

gij daar ginds ziet, de appel is, dien zij daar geworpen heeft om haar

daarmede, zoo niet in het verderf te storten, dan toch uit de stad te

verwijderen, eer de koningin--de goden verleenen haar de overwinning!

terugkeert. Gij kent Iras, want zij is uwe nicht. Evenals uw zuster

Charmion vreest zij voor niets, wanneer het er op aan komt voor de

koningin eenig leed of verdriet uit den weg te ruimen, en het zal

Cleopatra allerminst verheugen, als zij verneemt, dat de beide knapen,

wier welzijn haar ter harte gaat, Antyllus en Cæsarion, hun weg naar

eene Barine gevonden hebben--hoe onbesproken overigens haar naam ook

is."

»Dat heb ik ook reeds gehoord," antwoordde Archibius, »en ik maak er

mij ook ongerust over. Antonius' zoon heeft veel van de onverzadelijke

genotzucht zijns vaders. Maar Cæsarion! Die waagde zich nog niet uit

het droomleven dat hij leidt, in de wereld. Wat een ander nauwelijks

opmerkt, is genoeg om hem te kwetsen. Ik vrees dat Eros voor hem

fijngepunte pijlen gereed maakt, die diep in het hart doordringen. Toen

hij onlangs bij mij kwam, vond ik hem zeer veranderd. Zijn droomerige

oogen schitterden alsof hij in een roes van opgewondenheid was, terwijl

hij van Barine vertelde. Ik vrees, ik vrees."

»Dat zou iets zijn!" riep Dion verrast, ja bijna verschrikt uit.

»Als de zaken zóó staan, dan heeft Iras niet geheel ongelijk, en dan

moeten wij het anders aanvatten. Vóór alle dingen moet het een geheim

blijven, dat Cæsarion zich mengt in de onderhandelingen met den ouden

grondbezitter daar ginds. Het spreekt vanzelf dat men beproeft voor

den grijsaard het zijne te behouden, en ik neem het op mij om den

improvisator, die daar juist in den dienst van Iras zoo prachtig met

zijn armen zwaait, zijn taak te doen opgeven. Wat Barine betreft, het

beste zal zijn haar te overreden vrijwillig de stad te verlaten, waar

men het haar zoo moeielijk maakt. Gij, waardige man, zoek haar daartoe

te brengen. Indien ik zelf met zulk een voorstel kwam, ik, die nog

gisteren... Neen, neen! Zij hoorde toch reeds dat Iras en ik.... Zij kan

licht allerlei dwaasheden vermoeden. Gij weet wat jaloerschheid is. Naar

u, die zij hoogacht, luistert zij echter zeker, dat weet ik, en zij

behoeft ook zoo ver niet te gaan. Als het hart van dezen dweepzieken

knaap, die het toch ook wel eens in zijn hoofd kan krijgen, om met enkel

in naam »Koning der koningen" te zijn, in ernst voor Barine ontvlamd is,

wat zou daardoor dan een groot onheil kunnen ontstaan! Wij moeten haar

voor hem in veiligheid brengen. Naar mijn landgoed bij de papyrusvelden

nabij Sebennytus mag zij niet gaan. Dat zou aan de booze tongen te veel

voedsel geven. Maar gij... uwe villa te Kanopus is te dicht in de

nabijheid--maar gij hebt immers, als ik mij niet vergis--"

»Mijn landgoed aan de kust is ver genoeg verwijderd, en dat staat tot

hare beschikking," hernam de ander. »Het huis staat altijd voor mijn

bewoning gereed; ik zal doen wat ik kan om haar te overreden, want uw

raad is verstandig. Zij moet dien knaap niet meer onder de oogen komen!"

»En ik," ging Dion voort, »zal morgen naar den afloop van uwe zending

laten hooren, misschien van avond nog. Als zij er in toestemt, dan

vertel ik aan Iras, geheel toevallig, dat zij naar Opper-Aegypte gaat om

daar versche melk te drinken. Iras is verstandig en zij zal blij zijn,

dat zij, in een tijd, die over het lot van Cleopatra en de geheele

wereld beslissen moet, zich nu met dergelijke kleinigheden niet meer

behoeft in te laten."

»Zoo zijn mijne gedachten," zeide Archibius, »ook telkens weder bij het

leger. Hoe nietig wordt alles in vergelijking met de beslissing, die

ons in deze dagen te wachten staat! Doch het leven bestaat uit kleine

dingen. Die voeden en sterken en steunen ons! Al keert de koningin

zegevierend terug, doch vindt zij Caesarion op verkeerde wegen...."

»Die moeten wij voor hem afsluiten!" riep Dion uit.

»Opdat de knaap Barine niet nareist bedoelt gij?" vroeg Archibius, en

schudde het hoofd. »Daarvoor behoeven wij, geloof ik, niet te vreezen.

Hij zou dat misschien wel vurig wenschen, maar tusschen verlangen en

volbrengen vloeit bij hem een breede stroom. Antyllus is van een gansch

anderen aard. Hij zou in staat zijn, dadelijk een paard te laten zadelen

of op een boot de zeilen te doen hijschen om haar na te ijlen, desnoods

tot over den waterval. Daarom moeten wij streng verzwijgen waar Barine

in vrijwillige ballingschap heengaat."

»Ik zie haar nog niet gaan," voegde Dion er met een zucht bij. »Zij is

aan deze stad als met ketenen gebonden."

»Ik weet het," bevestigde Archibius, maar de andere wees op den wagen en

zeide snel en met nadruk:

»Gorgias wenkt. Nog eens, vóór wij scheiden: doe alles om Barine van

hier te verwijderen. Zij wordt ernstig bedreigd. Verzwijg haar niets en

zeg haar, dat de vrienden haar niet al te lang in de eenzaamheid zullen

laten."

Archibius wierp den jongeling nog een veelbeteekenden blik toe, en

daarop traden beiden den gesloten wagen tegemoet.

Het welbesneden doch bleeke gelaat van Caesarion, dat trek voor trek op

dat van zijn vader, den grooten Caesar geleek, zag reeds door de opening

boven het portier naar hen uit, en hij begroette hen met een afgemeten

hoofdbuiging en een beschermenden blik uit dezelfde oogen, die nog

zooeven, bij het wederzien van zijn ouden vriend, zoo vroolijk hadden

gestraald. Nu wilde hij zich echter tegenover den vreemde als koning

toonen. Hij wilde hem doen gevoelen hoe hoog hij boven hem stond,

want hij was hem niet genegen. Hij had hem immers boven zich zelven

bevoorrecht gezien door de vrouw, die hij meende lief te hebben, en wier

bezit hem door de geheime wetenschap der Aegyptenaren die, naar hij vast

geloofde, de toekomst ontsluieren kon, verzekerd was.

Antyllus, de zoon van Antonius, had hem bij Barine binnengeleid, en zij

had hem ontvangen met al de onderscheiding, die aan zijn hoogen rang

toekwam. Toch had zijn jongensachtige verlegenheid hem verboden om de

jonge bevallige vrouw, die zich door vele oudere en voortreffelijke

mannen omringd zag, van liefde te spreken. Alleen zijn vochtige,

sprekende oogen hadden haar moeten zeggen wat hij voor haar voelde. Dat

was dan ook niet onopgemerkt gebleven, want vóór enkele uren was hij

aangehouden door een Aegyptische vrouw, terwijl hij zich naar den tempel

van Caesar, zijn vader begaf. Bij zijn geregelde levenswijs deed hij dit

iederen dag op hetzelfde uur, om daar te bidden, te offeren, den steen

van het altaar te zalven of een krans te hangen om het beeld van den

overledene. Hij had in die vrouw dadelijk de slavin herkend, die hij in

het atrium[3] van Barine had gezien, en aan zijn gevolg bevolen achter

te blijven.

[3] Voorzaal.

Gelukkig voor hem, had zijn gouverneur Rhodon zijn plicht om hem overal

te vergezellen, verzuimd, en zoo had hij het durven wagen haar te

volgen. Hij had in de schaduw der mimosa's in het kleine boschje naast

den tempel Barine's draagstoel gevonden. Met kloppend hart en vol bange

vrees had hij aan haar wenk om bij haar te komen gehoor gegeven. Doch

zij had hem geen andere gunst bewezen dan dat hij een wensch van haar

vervullen mocht. Zijn hart was tot barstens toe vol geweest, toen zij,

met haar blanken arm op het portier van den draagstoel geleund, hem had

medegedeeld dat men zoo onrechtmatig haar grootvader Didymus zijn tuin

wilde ontnemen, en dat zij van hem, die immers de »Koning der koningen"

heette, verwachtte, dat hij alles zou doen om daaraan paal en perk te

stellen.

Terwijl zij sprak had het hem moeite gekost den zin harer rede te

vatten, want het had in zijne ooren gesuisd alsof hij in plaats van in

het stilste boschje dat den tempel omgaf, op een stormachtigen dag te

midden der branding aan het uiteinde van de Lochias stond. Hij had de

oogen niet durven opslaan om haar in het gelaat te zien. Doch toen zij

hem rechtstreeks vroeg of zij op zijn bijstand mocht hopen, had zij hem

met haar blik gedwongen tot haar op te zien, en wat had hij toen niet

gelezen in die blauwe smeekende oogen, en hoe onbeschrijfelijk schoon

was zij hem voorgekomen! Hij had bijna als een zinnelooze tegenover haar

gestaan, en wist alleen nog dat hij haar, met de hand op het hart had

beloofd alles te doen om haar dat verdriet te besparen. Daarop had zij

hem de kleine hand met de schitterende ringen toegestoken, en hij had

die willen kussen, maar op hetzelfde oogenblik had zij hare slaven

gewenkt, en de draagstoel was opgenomen en weggedragen.

Toen had hij daar gestaan als de man die afgebeeld was op een oude vaas

van zijn moeder, die verbijsterd de voorbijvliegende Fortuin naoogt, die

hij zoo gemakkelijk bij het lange golvende haar had kunnen vasthouden.

Hij ergerde zich aan die ongelukkige wankelmoedigheid, die hem reeds

zooveel goeds had doen ontgaan. Maar er was toch nog niets verloren.

Wanneer het hem gelukte haar wensch te vervullen, dan moest zij hem

dankbaar zijn en dan... Hij dacht nu na, tot wien hij zich wenden kon.

Tot Mardion, den Regent, of tot den zegelbewaarder? Neen, die hadden

immers juist de oprichting van het beeld in den tuin van den philosoof

bevolen. Tot Iras, de vertrouweling zijner moeder? Dat het allerlaatst!

Die listige vrouw had hem doorzien en aan den Regent hare opmerkingen

medegedeeld. Ja, als Charmion, de andere kamervrouw zijner moeder hier

geweest was, maar deze was immers mede op de vloot, die misschien reeds

heden tegen die van den vijand slag leverde.

De herinnering daaraan deed hem de oogen neerslaan, want hem was het

niet vergund geweest de plaats in het leger die hem toekwam in te nemen,

terwijl zijn moeder en Charmion... maar hij wilde deze pijnlijke

gedachte van zich afzetten, want een ernstig verwijt drong zich daarbij

aan hem op, en joeg hem het bloed naar de wangen. Hij wilde een man

zijn, en in dezen gewichtigen tijd, in deze dagen die over het lot van

zijn moeder, van zijne vaderstad, van Aegypte moesten beslissen, en

tegelijk van dat Rome, dat men hem, den eenigen zoon van Caesar, als

zijn erfdeel leerde beschouwen--sloop hij naar een schoone vrouw en

dacht aan haar, en verder aan niets anders. Met allerlei dwaze plannen

om haar tot de zijne te maken, bracht hij de dagen en halve nachten

door, en vergat daarbij wat hem het naast aan het hart had moeten

liggen.

Iras had hem nog gisteren in scherpe bewoordingen voorgehouden dat het

in deze dagen plicht was voor iederen vriend van Cleopatra en iederen

vijand van hare vijanden, om ten minste in gedachte bij het leger te

zijn. Dat had hij zich nu herinnerd, maar in plaats van op de vermaning

van het geestkrachtige meisje acht te slaan, was hij daardoor alleen

op haren oom Archibius gebracht geworden, die niet alleen door zijn

rijkdom, doch ook omdat iedereen wist, hoe hoog hij bij de koningin

stond aangeschreven, grooten invloed bezat. Ook had de verstandige,

welwillende man hem, van kind af, veel vriendelijkheid bewezen, en als

een lichtstraal was het denkbeeld bij hem opgekomen, dat hij zich tot

hem, en tegelijkertijd tot den architect moest wenden, die in deze zaak

ook wat te zeggen had. Bovendien had Gorgias hem, toen hij den vleugel

van het paleis op de Lochias voor hem verbouwde, zeer voor zich

ingenomen.

Zoo had hij dan een dienaar uit zijn gevolg dadelijk met een wastafeltje

uitgezonden, om Gorgias uit te noodigen tot een bijeenkomst bij den

Isistempel. Na den middag had Cæsarion zich in het geheim met een boot

naar Kanopus aan de zeekust begeven, waar het paleis van Archibius lag,

en nu deze met zijn vriend aan zijn wagen stond, legde hij hen uit, dat

hij met den architect naar den ouden Didymus wilde gaan, om hem van zijn

hulp te verzekeren.

Dat was in geen enkel opzicht geraden, en al de welsprekendheid van

Archibius was noodig, om er hem van af te brengen. De gevolgen die het

hebben kon, wanneer hij partij koos tegen den Regent, en het volk zijne

macht erkende, waren niet te voorzien. Maar ditmaal had de jonge »Koning

der koningen" weinig lust zich te voegen en toe te geven. Hij zou zich

tegenover Dion zoo gaarne als man getoond hebben, en nu dit niet ging,

trachtte hij toch den schijn daarvan aan te nemen, en verzekerde daarom,

dat hij zijn voornemen alleen opgaf om den ouden geleerde en zijne

kleindochter niet in ongelegenheid te brengen. Daarop verzocht hij den

bouwmeester nog eens om Didymus toch in het bezit van zijn eigendom te

laten. Toen hij eindelijk met Archibius wegreed, was de avond reeds

gevallen. Voor den tempel en het kleine mausoleum dat naast de cella

gelegen was, werden de fakkels, en op het plein de pekpannen

aangestoken.

Cleopatra: historische roman van George Ebers · 第 10 / 46 题