Dion wilde zich bescheiden verwijderen, toen Cæsarions metgezel op hen
toetrad en hen groette. Hij kende beiden goed, en verzocht daarom ook
Dion, te blijven. Er was iets rustigs en afgemetens in de stem en de
bedaarde bewegingen van dezen forschen man met de breede schouders en de
hooge gestalte. Wel was hij nog niet eens diep in de veertig, maar zijn
grijze haren en zijn geheele wijze van optreden die achting afdwong,
schenen een hoogeren leeftijd aan te duiden.
»De jonge koning daar," begon hij, met een vriendelijke klankrijke stem,
terwijl hij op den wagen wees, »wenscht u, Gorgias, hier persoonlijk
te spreken, doch op mijn raad wil hij zich liever niet onder de
volksmenigte vertoonen. Daarom komen wij ook in een gesloten
rijtuig.--Als ge er niet tegen hebt, stap dan een oogenblik bij hem
in, en luister naar hem, terwijl ik hier eens rondzie. Er schijnen
belangrijke dingen te gebeuren, en daar--of vergis ik mij? Is het
gevaarte, dat zij hierheen sleepen, misschien het standbeeld van de
koningin en haar vriend? Waart gij het zelf Gorgias, die deze plek
daarvoor uitgekozen hebt?"
»Neen," antwoordde de bouwmeester beslist. »Deze overbrenging geschiedt
zelfs zonder mijn medeweten, en tegen mijn zin."
»Dat dacht ik al," was het antwoord. »Cæsarion wenscht u juist te
spreken omtrent dit beeld. Indien gij de oprichting daarvan op het stuk
grond van Didymus verhinderen kunt,--des te beter. Ik zal gaarne doen
wat ik kan om u bij te staan, maar in de afwezigheid der koningin vermag
ik slechts weinig."
»Wat zal ik u van mijn eigen invloed zeggen?" vroeg de bouwmeester. »Wie
van ons weet in dezen tijd of de hemel morgen blauw zal zijn of grijs?
Eén ding staat bij mij vast: voor zoover het van mij afhangt, zal alles
geschieden om deze onrechtmatige bejegening van een achtbaar burger
dezer stad, deze inbreuk op de wet en beleediging van den goeden smaak
te voorkomen."
»Zeg dat aan den jongen koning, maar vooral voorzichtig," verzocht
Archibius, terwijl de bouwmeester zich omkeerde om naar den wagen te
gaan.
Zoodra Dion en de andere man alleen waren, trachtte de eerste iets
naders te hooren omtrent de reden van het toenemend rumoer, en daar hij,
evenals ieder welgezind Alexandrijn Archibius hoogachtte, en wist dat
hij den eigenaar van den veelbesproken tuin en ook diens kleindochter
Barine kende, deelde hij hem zonder voorbehoud alles mede, waarover hij
zich ongerust maakte.
»Iras," zeide hij op zijn vertrouwelijke wijze, »is immers uwe nicht,
en ik weet dat gij haar kent. Zij schept er thans behagen in om op
den weg eener vrouw, die zij geen goed hart toedraagt, en die zij voor
onvoorzichtig aanziet, een gouden appel neer te leggen, in de hoop dat
zij dien zal oprapen, en daardoor aanleiding geven dat zij van diefstal
wordt beschuldigd."
Archibius zag hem bij deze beeldspraak vragend aan, en daarom ging hij
op een anderen toon ernstiger voort: »Zeus is groot, maar het noodlot
is machtiger dan hij. Mijn oom Zeno vermag veel, maar als Iras en
uwe zuster Charmion, die nu helaas bij de koningin is, iets willen
doorzetten, dan moet hij en de Regent Mardion de zeilen strijken. Hoe
beminnelijker Cleopatra is, des te zekerder stelt ieder een plaats in
hare nabijheid op den allerhoogsten prijs, en vooral hooger dan zulke
kleinigheden als recht en wet."
»Dat zijn harde woorden," antwoordde de ander, »en zij schijnen mij te
bitterder, omdat zij een kern van waarheid bevatten. Ons hof deelt het
lot van alle andere in het Oosten, en hij, wien Rome vroeger het
voorbeeld gaf van recht en wet heilig te houden....."
»Die," viel Dion in, »mag nu dáárheen gaan, om te zien hoe ruw men beide
met voeten treedt. De machthebbenden hier en ginds mogen elkander
uitlachen zooals de waarzeggers doen, zij zijn toch broeders van ééne
soort...."
»Slechts met dat onderscheid," merkte Archibius op, »dat bij ons aan het
hoofd van den Staat de beminnelijkheid en gratie in eigen persoon staan,
terwijl het in Rome het tegenovergestelde is: ruwe hardvochtigheid en
wreede overmoed of verachtelijk gekruip voeren dáár de teugels."
Hier hield Archibius plotseling op, en wees op een troep schreeuwende
lieden, die op hen afkwamen. Dion zeide: »Gij hebt gelijk. Laten wij
dit gesprek liever voortzetten in het huis van de schoone Barine. Doch
ik vind u daar slechts zelden, en toch hebt gij haar vader zoo goed
gekend, en is er bij haar altijd iets belangwekkends te hooren. Ik ben
haar vriend. Dat kan op mijn leeftijd ook beteekenen: haar geliefde,
maar in ons geval is dit niet zoo. Misschien gelooft gij mij, want gij
hebt immers zelf het recht u de vriend van de bevalligste aller vrouwen
te noemen."
Een weemoedige glimlach gleed bij deze woorden over het ernstige,
fijnbesneden gelaat van den veertiger, en met een afwerend gebaar
antwoordde hij luchtig:
»Ik ben met Cleopatra opgegroeid, maar de geringe man bemint een
koningin niet anders dan als een godheid. Ik geloof gaarne aan uwe
vriendschap voor Barine, maar ik houd die toch voor gevaarlijk."
»Wanneer gij daarmede bedoelt dat zij haar schaden kan," hernam Dion,
en hief het hoofd op, als om te kennen te geven dat hij van hem geene
waarschuwing noodig had, »dan hebt gij misschien gelijk. Maar ik verzoek
u mij niet verkeerd te begrijpen. Ik ben niet ijdel genoeg om te denken,
dat ik indruk kan maken op haar hart, maar er zijn helaas velen, die
het de jonge vrouw niet vergeven dat zij op mij aantrekkingskracht
uitoefent, evenals zij dat op allen doet. Zoovele mannen als het huis
van Barine gaarne bezoeken, zoovele vrouwen moeten er noodzakelijk zijn,
die het gaarne gesloten zouden zien. Tot haar behoort natuurlijk ook
Iras. Zij heeft een wrok tegen mijn vriendin, ja ik vrees zelfs, dat wat
gij daar ginds ziet, de appel is, dien zij daar geworpen heeft om haar
daarmede, zoo niet in het verderf te storten, dan toch uit de stad te
verwijderen, eer de koningin--de goden verleenen haar de overwinning!
terugkeert. Gij kent Iras, want zij is uwe nicht. Evenals uw zuster
Charmion vreest zij voor niets, wanneer het er op aan komt voor de
koningin eenig leed of verdriet uit den weg te ruimen, en het zal
Cleopatra allerminst verheugen, als zij verneemt, dat de beide knapen,
wier welzijn haar ter harte gaat, Antyllus en Cæsarion, hun weg naar
eene Barine gevonden hebben--hoe onbesproken overigens haar naam ook
is."
»Dat heb ik ook reeds gehoord," antwoordde Archibius, »en ik maak er
mij ook ongerust over. Antonius' zoon heeft veel van de onverzadelijke
genotzucht zijns vaders. Maar Cæsarion! Die waagde zich nog niet uit
het droomleven dat hij leidt, in de wereld. Wat een ander nauwelijks
opmerkt, is genoeg om hem te kwetsen. Ik vrees dat Eros voor hem
fijngepunte pijlen gereed maakt, die diep in het hart doordringen. Toen
hij onlangs bij mij kwam, vond ik hem zeer veranderd. Zijn droomerige
oogen schitterden alsof hij in een roes van opgewondenheid was, terwijl
hij van Barine vertelde. Ik vrees, ik vrees."
»Dat zou iets zijn!" riep Dion verrast, ja bijna verschrikt uit.
»Als de zaken zóó staan, dan heeft Iras niet geheel ongelijk, en dan
moeten wij het anders aanvatten. Vóór alle dingen moet het een geheim
blijven, dat Cæsarion zich mengt in de onderhandelingen met den ouden
grondbezitter daar ginds. Het spreekt vanzelf dat men beproeft voor
den grijsaard het zijne te behouden, en ik neem het op mij om den
improvisator, die daar juist in den dienst van Iras zoo prachtig met
zijn armen zwaait, zijn taak te doen opgeven. Wat Barine betreft, het
beste zal zijn haar te overreden vrijwillig de stad te verlaten, waar
men het haar zoo moeielijk maakt. Gij, waardige man, zoek haar daartoe
te brengen. Indien ik zelf met zulk een voorstel kwam, ik, die nog
gisteren... Neen, neen! Zij hoorde toch reeds dat Iras en ik.... Zij kan
licht allerlei dwaasheden vermoeden. Gij weet wat jaloerschheid is. Naar
u, die zij hoogacht, luistert zij echter zeker, dat weet ik, en zij
behoeft ook zoo ver niet te gaan. Als het hart van dezen dweepzieken
knaap, die het toch ook wel eens in zijn hoofd kan krijgen, om met enkel
in naam »Koning der koningen" te zijn, in ernst voor Barine ontvlamd is,
wat zou daardoor dan een groot onheil kunnen ontstaan! Wij moeten haar
voor hem in veiligheid brengen. Naar mijn landgoed bij de papyrusvelden
nabij Sebennytus mag zij niet gaan. Dat zou aan de booze tongen te veel
voedsel geven. Maar gij... uwe villa te Kanopus is te dicht in de
nabijheid--maar gij hebt immers, als ik mij niet vergis--"
»Mijn landgoed aan de kust is ver genoeg verwijderd, en dat staat tot
hare beschikking," hernam de ander. »Het huis staat altijd voor mijn
bewoning gereed; ik zal doen wat ik kan om haar te overreden, want uw
raad is verstandig. Zij moet dien knaap niet meer onder de oogen komen!"
»En ik," ging Dion voort, »zal morgen naar den afloop van uwe zending
laten hooren, misschien van avond nog. Als zij er in toestemt, dan
vertel ik aan Iras, geheel toevallig, dat zij naar Opper-Aegypte gaat om
daar versche melk te drinken. Iras is verstandig en zij zal blij zijn,
dat zij, in een tijd, die over het lot van Cleopatra en de geheele
wereld beslissen moet, zich nu met dergelijke kleinigheden niet meer
behoeft in te laten."
»Zoo zijn mijne gedachten," zeide Archibius, »ook telkens weder bij het
leger. Hoe nietig wordt alles in vergelijking met de beslissing, die
ons in deze dagen te wachten staat! Doch het leven bestaat uit kleine
dingen. Die voeden en sterken en steunen ons! Al keert de koningin
zegevierend terug, doch vindt zij Caesarion op verkeerde wegen...."
»Die moeten wij voor hem afsluiten!" riep Dion uit.
»Opdat de knaap Barine niet nareist bedoelt gij?" vroeg Archibius, en
schudde het hoofd. »Daarvoor behoeven wij, geloof ik, niet te vreezen.
Hij zou dat misschien wel vurig wenschen, maar tusschen verlangen en
volbrengen vloeit bij hem een breede stroom. Antyllus is van een gansch
anderen aard. Hij zou in staat zijn, dadelijk een paard te laten zadelen
of op een boot de zeilen te doen hijschen om haar na te ijlen, desnoods
tot over den waterval. Daarom moeten wij streng verzwijgen waar Barine
in vrijwillige ballingschap heengaat."
»Ik zie haar nog niet gaan," voegde Dion er met een zucht bij. »Zij is
aan deze stad als met ketenen gebonden."
»Ik weet het," bevestigde Archibius, maar de andere wees op den wagen en
zeide snel en met nadruk:
»Gorgias wenkt. Nog eens, vóór wij scheiden: doe alles om Barine van
hier te verwijderen. Zij wordt ernstig bedreigd. Verzwijg haar niets en
zeg haar, dat de vrienden haar niet al te lang in de eenzaamheid zullen
laten."
Archibius wierp den jongeling nog een veelbeteekenden blik toe, en
daarop traden beiden den gesloten wagen tegemoet.
Het welbesneden doch bleeke gelaat van Caesarion, dat trek voor trek op
dat van zijn vader, den grooten Caesar geleek, zag reeds door de opening
boven het portier naar hen uit, en hij begroette hen met een afgemeten
hoofdbuiging en een beschermenden blik uit dezelfde oogen, die nog
zooeven, bij het wederzien van zijn ouden vriend, zoo vroolijk hadden
gestraald. Nu wilde hij zich echter tegenover den vreemde als koning
toonen. Hij wilde hem doen gevoelen hoe hoog hij boven hem stond,
want hij was hem niet genegen. Hij had hem immers boven zich zelven
bevoorrecht gezien door de vrouw, die hij meende lief te hebben, en wier
bezit hem door de geheime wetenschap der Aegyptenaren die, naar hij vast
geloofde, de toekomst ontsluieren kon, verzekerd was.
Antyllus, de zoon van Antonius, had hem bij Barine binnengeleid, en zij
had hem ontvangen met al de onderscheiding, die aan zijn hoogen rang
toekwam. Toch had zijn jongensachtige verlegenheid hem verboden om de
jonge bevallige vrouw, die zich door vele oudere en voortreffelijke
mannen omringd zag, van liefde te spreken. Alleen zijn vochtige,
sprekende oogen hadden haar moeten zeggen wat hij voor haar voelde. Dat
was dan ook niet onopgemerkt gebleven, want vóór enkele uren was hij
aangehouden door een Aegyptische vrouw, terwijl hij zich naar den tempel
van Caesar, zijn vader begaf. Bij zijn geregelde levenswijs deed hij dit
iederen dag op hetzelfde uur, om daar te bidden, te offeren, den steen
van het altaar te zalven of een krans te hangen om het beeld van den
overledene. Hij had in die vrouw dadelijk de slavin herkend, die hij in
het atrium[3] van Barine had gezien, en aan zijn gevolg bevolen achter
te blijven.
[3] Voorzaal.
Gelukkig voor hem, had zijn gouverneur Rhodon zijn plicht om hem overal
te vergezellen, verzuimd, en zoo had hij het durven wagen haar te
volgen. Hij had in de schaduw der mimosa's in het kleine boschje naast
den tempel Barine's draagstoel gevonden. Met kloppend hart en vol bange
vrees had hij aan haar wenk om bij haar te komen gehoor gegeven. Doch
zij had hem geen andere gunst bewezen dan dat hij een wensch van haar
vervullen mocht. Zijn hart was tot barstens toe vol geweest, toen zij,
met haar blanken arm op het portier van den draagstoel geleund, hem had
medegedeeld dat men zoo onrechtmatig haar grootvader Didymus zijn tuin
wilde ontnemen, en dat zij van hem, die immers de »Koning der koningen"
heette, verwachtte, dat hij alles zou doen om daaraan paal en perk te
stellen.
Terwijl zij sprak had het hem moeite gekost den zin harer rede te
vatten, want het had in zijne ooren gesuisd alsof hij in plaats van in
het stilste boschje dat den tempel omgaf, op een stormachtigen dag te
midden der branding aan het uiteinde van de Lochias stond. Hij had de
oogen niet durven opslaan om haar in het gelaat te zien. Doch toen zij
hem rechtstreeks vroeg of zij op zijn bijstand mocht hopen, had zij hem
met haar blik gedwongen tot haar op te zien, en wat had hij toen niet
gelezen in die blauwe smeekende oogen, en hoe onbeschrijfelijk schoon
was zij hem voorgekomen! Hij had bijna als een zinnelooze tegenover haar
gestaan, en wist alleen nog dat hij haar, met de hand op het hart had
beloofd alles te doen om haar dat verdriet te besparen. Daarop had zij
hem de kleine hand met de schitterende ringen toegestoken, en hij had
die willen kussen, maar op hetzelfde oogenblik had zij hare slaven
gewenkt, en de draagstoel was opgenomen en weggedragen.
Toen had hij daar gestaan als de man die afgebeeld was op een oude vaas
van zijn moeder, die verbijsterd de voorbijvliegende Fortuin naoogt, die
hij zoo gemakkelijk bij het lange golvende haar had kunnen vasthouden.
Hij ergerde zich aan die ongelukkige wankelmoedigheid, die hem reeds
zooveel goeds had doen ontgaan. Maar er was toch nog niets verloren.
Wanneer het hem gelukte haar wensch te vervullen, dan moest zij hem
dankbaar zijn en dan... Hij dacht nu na, tot wien hij zich wenden kon.
Tot Mardion, den Regent, of tot den zegelbewaarder? Neen, die hadden
immers juist de oprichting van het beeld in den tuin van den philosoof
bevolen. Tot Iras, de vertrouweling zijner moeder? Dat het allerlaatst!
Die listige vrouw had hem doorzien en aan den Regent hare opmerkingen
medegedeeld. Ja, als Charmion, de andere kamervrouw zijner moeder hier
geweest was, maar deze was immers mede op de vloot, die misschien reeds
heden tegen die van den vijand slag leverde.
De herinnering daaraan deed hem de oogen neerslaan, want hem was het
niet vergund geweest de plaats in het leger die hem toekwam in te nemen,
terwijl zijn moeder en Charmion... maar hij wilde deze pijnlijke
gedachte van zich afzetten, want een ernstig verwijt drong zich daarbij
aan hem op, en joeg hem het bloed naar de wangen. Hij wilde een man
zijn, en in dezen gewichtigen tijd, in deze dagen die over het lot van
zijn moeder, van zijne vaderstad, van Aegypte moesten beslissen, en
tegelijk van dat Rome, dat men hem, den eenigen zoon van Caesar, als
zijn erfdeel leerde beschouwen--sloop hij naar een schoone vrouw en
dacht aan haar, en verder aan niets anders. Met allerlei dwaze plannen
om haar tot de zijne te maken, bracht hij de dagen en halve nachten
door, en vergat daarbij wat hem het naast aan het hart had moeten
liggen.
Iras had hem nog gisteren in scherpe bewoordingen voorgehouden dat het
in deze dagen plicht was voor iederen vriend van Cleopatra en iederen
vijand van hare vijanden, om ten minste in gedachte bij het leger te
zijn. Dat had hij zich nu herinnerd, maar in plaats van op de vermaning
van het geestkrachtige meisje acht te slaan, was hij daardoor alleen
op haren oom Archibius gebracht geworden, die niet alleen door zijn
rijkdom, doch ook omdat iedereen wist, hoe hoog hij bij de koningin
stond aangeschreven, grooten invloed bezat. Ook had de verstandige,
welwillende man hem, van kind af, veel vriendelijkheid bewezen, en als
een lichtstraal was het denkbeeld bij hem opgekomen, dat hij zich tot
hem, en tegelijkertijd tot den architect moest wenden, die in deze zaak
ook wat te zeggen had. Bovendien had Gorgias hem, toen hij den vleugel
van het paleis op de Lochias voor hem verbouwde, zeer voor zich
ingenomen.
Zoo had hij dan een dienaar uit zijn gevolg dadelijk met een wastafeltje
uitgezonden, om Gorgias uit te noodigen tot een bijeenkomst bij den
Isistempel. Na den middag had Cæsarion zich in het geheim met een boot
naar Kanopus aan de zeekust begeven, waar het paleis van Archibius lag,
en nu deze met zijn vriend aan zijn wagen stond, legde hij hen uit, dat
hij met den architect naar den ouden Didymus wilde gaan, om hem van zijn
hulp te verzekeren.
Dat was in geen enkel opzicht geraden, en al de welsprekendheid van
Archibius was noodig, om er hem van af te brengen. De gevolgen die het
hebben kon, wanneer hij partij koos tegen den Regent, en het volk zijne
macht erkende, waren niet te voorzien. Maar ditmaal had de jonge »Koning
der koningen" weinig lust zich te voegen en toe te geven. Hij zou zich
tegenover Dion zoo gaarne als man getoond hebben, en nu dit niet ging,
trachtte hij toch den schijn daarvan aan te nemen, en verzekerde daarom,
dat hij zijn voornemen alleen opgaf om den ouden geleerde en zijne
kleindochter niet in ongelegenheid te brengen. Daarop verzocht hij den
bouwmeester nog eens om Didymus toch in het bezit van zijn eigendom te
laten. Toen hij eindelijk met Archibius wegreed, was de avond reeds
gevallen. Voor den tempel en het kleine mausoleum dat naast de cella
gelegen was, werden de fakkels, en op het plein de pekpannen
aangestoken.