Wij wilden de transylvanische Alpen niet verlaten, zonder althans een
van de voornaamste toppen beklommen te hebben. De hoogste van allen,
en waarschijnlijk ook de schoonste, de Negoï, ligt op een grooten
afstand ten oosten van Petroseny, aan gene zijde van den bergpas
van den Rooden Toren, en de tijd ontbrak ons om zoo verren tocht
te ondernemen. De Paring, veel dichter bij, scheen ons te bekend en
te gemakkelijk te beklimmen. Wij bepaalden daarom onze keus tot den
Retyezat (tweeduizend-vierhonderd-zes-en-negentig el), den koning van
de westelijke berggroep, door een driedubbelen gordel van zeldzaam
bezochte wouden en rotsen omgeven.
Na Livadzel in zuidelijke richting verlaten te hebben, komen wij in
een der bekoorlijkste vlakten van geheel Zevenbergen. Deze streek
was vroeger het laagste gedeelte van het groote meer, waarin de twee
Sils, de Hongaarsche en de Walachijsche, uitliepen, voor zij zich
een doortocht hadden gebaand door de hoofdketen der Karpathen. Zonder
eigenlijk moerassig te zijn, is de grond nog vochtig; de vlakte is met
het weelderigste, rijkste gras bedekt; de boomen zijn recht, krachtvol,
glad van stam; de akkers, hoewel op barbaarsche wijze bearbeid,
brengen prachtige oogsten voort. Overal murmelen en kabbelen heldere
beekjes. Een kleine schilderachtige hermitage kroont den heuvel,
die zich aan de samenvloeiing der beide rivieren verheft. Tegenover
ons, zagen wij, tusschen twee steile bergen, de zwarte spleet van
den Szurduk, of engte, waardoor de wateren van de Sil met snellen
stroom wegvloeien.
Het dorp Vulkan, waar de rijweg ophoudt, is slechts eene enkele
lange straat, op de onderste helling van den gelijknamigen berg
gebouwd. Omstreeks de helft der bevolking van het dorp bestaat
uit ambtenaren, met de bewaking der walachijsche grenzen belast,
kommiezen, gendarmen, ambtenaren der belasting, oppassers bij de
quarantaine. Uit alle streken van Oostenrijk en Hongarije afkomstig,
schijnen deze ballingen hier geen zeer aangenaam leven te leiden, maar
zij troosten zich met het kegelspel. Hoe armoedig ook, ziet Vulkan
in zijn slijkerige straat een vrij druk handelsverkeer. De Rumeenen
van Walachije brengen, langs de slechte bergpaden, voortreffelijke
vruchten, maïs en andere granen, benevens versch vleesch, naar
Petroseny; op marktdagen kan men hen den berg zien afdalen, in lange
karavanen, kudden ossen en varkens voor zich uit drijvende. Volgens de
ontvangen rechten aan het grenskantoor, is hier in 1872 voor ongeveer
vier millioen francs doorgevoerd en omgezet. Deze geheele handel,
waarbij nog de sluikhandel gevoegd moet worden, is bijna uitsluitend
in handen der Walachen; met uitzondering van eene kleine hoeveelheid
ijzer, die zij van Vayda-Hunyad ontvangen, danken zij niets aan de
industrie der Hongaren en Saksers van Zevenbergen. Terwijl hunne
trotsche buren meermalen den schijn aannemen van hen te verachten
wegens hunne traagheid en hun gemis, aan ondernemingsgeest,
ontvangen de bewoners van Petroseny juist van hen wat zij voor hun
levensonderhoud en dagelijksche behoeften noodig hebben. De Walachen
voeren alle verbruiksartikelen aan, en nemen niets mede dan geld,
waarvan natuurlijk de joodsche makelaars en woekeraars wel zorgen
dat zij het leeuwendeel in den zak steken. Jammer slechts dat een
zoo belangrijke handelsweg nog heden voor wagens en rijtuigen even
ontoegankelijk is, als toen de Turken er de vestingwerken bouwden,
waarvan nog de overblijfselen zichtbaar zijn.
Het dorp Vulkan verlatende, nemen wij afscheid van wat men
overeengekomen is de beschaafde wereld te noemen: maar onze joodsche
herbergier had ons, naar gewoonte, behoorlijk bedrogen en bestolen,
waarschijnlijk om ons den overgang minder smartelijk te maken. Wij
zijn nu in het hart van het dacische land, en moeten, zoo lang
wij den Retyezat niet beklommen hebben, afstand doen van alle
comfort. Trouwens, dit hinderde ons niet te zeer. Wij waren vroolijk
en opgewekt; onze paarden liepen in een vluggen draf, en de vallei,
die wij doortrokken, bood ons, bij elke kromming, eene opeenvolging
der liefelijkste landschappen.
Al de bergen zijn met bosch bedekt, uitgezonderd alleen de uitstekende
kalk- of granietrotsen, die te steil zijn dan dat de wortels er kunnen
vatten. De beeken, die in watervallen uit de donkere valleien te
voorschijn treden, breiden in de vlakte hare bedding uit en vloeien
murmelend voort over gladde steentjes. Enkele hutten staan verspreid
onder de groote wilgen, die nimmer door de bijl worden aangeraakt,
en die in niets gelijken op de ellendige dwergachtige stronken, welke
men langs onze weilanden ziet. Landlieden, in schilderachtig kostuum,
groeten ons met vrijmoedige beleefdheid. Van afstand tot afstand staan,
langs den weg emmers met water gevuld, op een soort van steenen palen,
opzettelijk daarvoor opgericht. Getuigt deze oplettendheid voor den
onbekenden reiziger niet ten gunste van het karakter der Walachijers?
De vorm van die steenen banken of palen trok mijne aandacht. Een
archeoloog, die zulke steenen op eene heide van Bretagne vond, zou
zonder aarzelen daarin een dolmen zien, zoo als onze keltische of
vóór-keltische voorvaderen die plachten op te richten; en het zou
hem niet in de gedachte komen, dat die steenen niet moesten dienen
om daarop den goden te offeren, maar enkel om een watervat te dragen,
bestemd om den dorst te lesschen van den vermoeiden wandelaar. Even zoo
zouden de met een rieten afdakje gedekte massieve zuilen of palen van
ruw graniet, aan de kruispunten der wegen, overal elders voor menhirs
worden aangezien; maar een kleine steen, dwars aan den top bevestigd,
herinnert u dat deze pilaren een kruis moeten verbeelden; bij gebreke
van zulk een steen, is zelfs eene horizontale groeve voldoende om het
granietblok te wijden. Men vindt hier exemplaren van alle mogelijke
overgangsvormen tusschen den ruwen menhir der heidensche tijden,
en het fraai bewerkte, met opschriften en beeldwerken bedekte
christelijke kruis.
Onze reis, onder de gunstigste voorteekenen begonnen, zou dien dag
niet zoo gelukkig afloopen. Onze gids wist den weg niet, en wij
waren meer dan eenmaal genoodzaakt, hem in het rechte spoor terug
te brengen. Daarmede ging echter een kostbare tijd verloren, en
wij waren nog op aanmerkelijken afstand van het dorp Kampuluinyag,
toen een geweldig onweer boven onze hoofden losbarstte, gepaard met
sterken wind en plassenden stortregen. Wij waren er zeer ongelukkig
aan toe. Onze verschrikte en beangste paarden klauterden, als met
wanhopige drift, tegen de in stroomen veranderde paden op, lieten
zich langs de doorweekte hellingen afglijden, wierpen zich te midden
van de dennentakken, die ons in het gezicht sloegen, en toen de weg
geheel onkenbaar werd, waadden zij blindelings voort door de steeds
klimmende wateren der beek. Eindelijk zagen wij aan de andere zijde
van het dal eene half voltooide hut, waarop het dak reeds gelegd was;
en in rechte lijn voorthollende, dwars door het plassende water,
door slooten en weilanden, bergden wij ons, menschen en paarden te
zamen, in de woning. Gelukkig lagen er blokken hout in menigte op den
grond. Wij haastten ons, een groot vuur te ontsteken om ons zelven
en onze kleederen te drogen, en weldra zagen wij er weder als gewone
menschen uit.
Het onweer had uitgeraasd, en de verdeelde wolken trokken naar
het oosten af, toen een jonge Walachijer de hut binnentrad. Dat
was de eigenaar, die, rook uit zijn dak ziende opstijgen, haastig
kwam aangeloopen, meenende dat zijn hut in brand stond. Weldra door
ons gerustgesteld, was hij dadelijk bereid om ons te helpen bij de
inrichting van ons voorloopig domicilie, en bood zich zelfs aan om
ons naar den Retyezat te brengen, waarmede hij, volgens zijn zeggen,
zeer goed bekend was. Wij namen dit aanbod gretig aan, en lieten
onzen gids met de paarden vertrekken.
Verheugd, dat er nog kans bestond om voor het vallen van den
avond den voet van den Retyezat te bereiken, maakten wij zoo veel
mogelijk voortgang. De lucht, door het onweer gezuiverd, was heerlijk
frisch; enkele nevelwolken zweefden nog om de donkere toppen der
met dennen begroeide bergen; van alle kanten stroomde het water, in
schilderachtige valletjes, naar de hoog gezwollen beek. De weg volgde
beurtelings den eenen en den anderen oever, en telkens moesten wij
het rivierke oversteken, nu eens over zware boomstammen tot een brug
saamgevoegd, dan over losse planken, half in het water gedompeld en
met schuim omzoomd. Wij hadden in de transylvanische Alpen reeds menig
bekoorlijk landschap gezien: maar dit scheen ons wel het schoonste,
door de wondere harmonie van weilanden en bosschages, stroomende
wateren en met mos begroeide rotsen: het geheel geleek een prachtig
park. De hooge top van den Plesa, die zijn regelmatige pyramide aan
het einde van het dal ten hemel beurt; de donkere bergkloof, die
ten noordwesten gaapt en waaruit u de verre donder der watervallen
tegengromt, verhoogen nog, door de tegenstelling, den indruk van rust
en vrede, dien de liefelijke vallei op u maakt. Terwijl wij onder dien
prachtigen lommer wandelden of ons neervleiden op het malsche gras,
konden wij niet zonder weemoed en schrik aan de misschien nabijzijnde
toekomst denken, wanneer ook dit stille dal der Karpathen de aandacht
van leegloopers en spekulanten zal trekken, de reis daarheen mode
zal worden, en deze heerlijke natuur bedorven zal worden als in zoo
menig dal der Alpen en der Pyreneën.
De schaapskooi, waarheen onze gids ons bracht, en die ook het eenige
gebouw was, waar wij, mijlen in den omtrek, een schuilplaats konden
vinden, was een dier vormelooze hutten, die in de fransche Pyreneën
"coueylas" of "jasses" worden genoemd; het eenige verschil was, dat
zich hier rondom de steenen loods een poel bevond van slijk en mest,
een zee van vuiligheid, waarin door elkander menschen, koeien en
varkens ploeterden. De koemest wordt hier niet gebruikt voor bemesting
van het land of als brandstof: alles blijft liggen en vormt, met
het vuile water, een afschuwelijken poel. Mijne makkers en ik, wij
kijken elkander in stomme wanhoop aan; maar wat te doen? Zeker ware
het beter geweest, ons bivouak op te slaan in de open lucht, onder een
boom; maar de grond was doorweekt van den regen; de avondlucht was,
op deze hoogte, reeds zeer koud, en wij vreesden onbeleefd te zijn
jegens de herders, die ons zoo gastvrij ontvingen. Wij verzamelden
dus onzen moed, en van steen tot steen springende, trachtten wij
zonder ongeval den ingang der "jasse" te bereiken.
Al de bewoners der woning stonden verbaasd bij het zien van
vreemdelingen, die bij hen zouden overnachten. Zij betastten onze
kleederen en verschillende voorwerpen, die wij bij ons hadden en die
voor hen stellig geheel nieuw waren, en konden hunne nieuwsgierigheid
niet bevredigen. Aanvankelijk ging het vrij goed: de jonge mannen
zongen voor ons eenige liederen en antwoordden, zoo goed zij konden,
op onze vragen naar het land en de plaatselijke gebruiken; maar toen
het later werd, en de gansche bevolking, mannen, vrouwen, grijsaards,
kinderen, zich naar een hoek terugtrok om te gaan slapen, toen begon
de foltering. De nachtwandelende insekten, waarvan alle walachijsche
huizen wemelen, kwamen uit alle hoeken en gaten te voorschijn, en
wierpen zich op de versche prooi. Mijn twee metgezellen, minder dan
ik tegen dergelijke kwellingen gehard, konden het niet uithouden,
stonden op, gingen weer liggen en stieten allerlei gesmoorde kreten
uit. Gaarne zouden wij naar buiten zijn gegaan, maar er viel niet
aan te denken, om in den donker den modderpoel over te steken. Met
hoeveel vreugde werd eindelijk, na den korten zomernacht, de dageraad
door ons begroet! Wij gunden ons zelfs geen tijd, om het prachtige
panorama te genieten en haasten ons, zoo spoedig mogelijk weg te komen.
De Retyezat verheft zich hoog bezijden de bergketen, die zijn naam
draagt, als een herder die zijn kudde bewaakt. De weg derwaarts,
die over twee bergreeksen voert, is lang en vermoeiend, maar zeer
schoon. De hooge weilanden in dit gedeelte der Karpathen gelijken
sprekend op sommige streken in de Pyreneën: dezelfde waterkommen,
meertjes en watervallen; dezelfde beeken en bronnen, ontspringende
tusschen het dichte gras en de bloemen, om tusschen het mos en de
steenen te verdwijnen; dezelfde krachtige, knoestige dennen, de
vooruitgeschoven wachters van het woud. Boven deze streek zijn de
toppen en plateaux, die ten noorden door de steile hellingen van den
Retyezat begrensd worden, geheel bedekt met een oceaan van steenen,
zooals men waarschijnlijk noch in de Alpen, noch in de Pyreneën vinden
kan. Somwijlen vormen deze steenen allerlei zonderlinge figuren,
maar doorgaans zijn zij in chaotische wanorde door elkander geworpen.
Het uitzicht van den top van Retyezat is zeer schoon en omvat een
wijden horizon, met name aan de noordzijde, waar men de gansche vallei
van Hatszeg, en verder de heuvels en bergen van centraal Zevenbergen
overziet. Maar vooral wordt de aandacht getrokken naar den eenige
honderden ellen diepen afgrond, aan den noordelijken voet van den
berg: daar is geen chaos van steenen, maar een loodrechte diepte,
waarin beneden kleine meertjes en beeken schitteren, die ge ziet, maar
wier geluid ge niet hoort; slechts enkele grijze mossen verlevendigen
de akelige doodschheid van deze kloof. Het was reeds laat, toen wij
van den Retyezat afdaalden; wij hadden nog juist den tijd, voor
zonsondergang een weiland te bereiken, waar wel geen woningen te
vinden waren, maar waar wij toch, in een kamp van herders, onder de
overhangende takken van dennen, rustig den nacht doorbrachten.
Wij hadden nu slechts den loop van de beek te volgen om de vallei van
Hatszeg te bereiken. De weg is vrij goed onderhouden, maar in deze
gansche uitgestrekte vallei, die wij niet dan in acht uren konden
doorrijden, vonden wij geen enkele vaste woning, niettegenstaande de
grond overal de sporen van de weelderigste vruchtbaarheid vertoont.
Aan den uitgang der vallei, ligt het dorp Rua de Mora, waar we
gelegenheid hadden de schilderachtige kleederdrachten der rumeensche
landlieden te bewonderen, want het gansche dorp was, ik weet niet
waarom, in feestgewaad gehuld.
Onze tocht naar de mijnen was afgeloopen, en wij keerden over
Vayda-Hunyad naar het station Deva terug. Tijdens mijn bezoek,
verkeerde het land in geen gunstigen toestand. Reeds sedert twee
jaren heerschte er gebrek, dat in hongersnood dreigde over te gaan;
de cholera, een gevolg mede van armoede en dronkenschap, woedde met
groote hevigheid. Zoo kwam het, dat de landen, tijdens de omwenteling
aan de boeren afgestaan, ziender oog in andere handen overgingen en de
Joden overal eigenaars van den grond werden. Deze inbezitneming van
den grond door vreemdelingen, die zich geen ander doel stellen dan
het volk, waaronder zij wonen, zooveel mogelijk te onderdrukken en uit
te zuigen, is een zeer bedenkelijk verschijnsel, vooral in een land,
waar de verschillende rassen zoo scherp tegenover elkander staan. Daar
komt nog bij, dat de zoogenoemde Saksers van Zevenbergen, wier aantal
voortdurend afneemt, en die vroeger er niet aan dachten den Magyaren
den voorrang te betwisten, tegenwoordig, sterk door de ondersteuning
hunner duitsche broeders, den strijd op nieuw hebben aangebonden. Het
is te vreezen, dat de onderlinge haat der verschillende nationaliteiten
aan Zevenbergen nog bange dagen zal bezorgen.
Drie Toskaansche steden.
Empoli.--San-Gimignano.--Volterra.