IX.

Wij wilden de transylvanische Alpen niet verlaten, zonder althans een

van de voornaamste toppen beklommen te hebben. De hoogste van allen,

en waarschijnlijk ook de schoonste, de Negoï, ligt op een grooten

afstand ten oosten van Petroseny, aan gene zijde van den bergpas

van den Rooden Toren, en de tijd ontbrak ons om zoo verren tocht

te ondernemen. De Paring, veel dichter bij, scheen ons te bekend en

te gemakkelijk te beklimmen. Wij bepaalden daarom onze keus tot den

Retyezat (tweeduizend-vierhonderd-zes-en-negentig el), den koning van

de westelijke berggroep, door een driedubbelen gordel van zeldzaam

bezochte wouden en rotsen omgeven.

Na Livadzel in zuidelijke richting verlaten te hebben, komen wij in

een der bekoorlijkste vlakten van geheel Zevenbergen. Deze streek

was vroeger het laagste gedeelte van het groote meer, waarin de twee

Sils, de Hongaarsche en de Walachijsche, uitliepen, voor zij zich

een doortocht hadden gebaand door de hoofdketen der Karpathen. Zonder

eigenlijk moerassig te zijn, is de grond nog vochtig; de vlakte is met

het weelderigste, rijkste gras bedekt; de boomen zijn recht, krachtvol,

glad van stam; de akkers, hoewel op barbaarsche wijze bearbeid,

brengen prachtige oogsten voort. Overal murmelen en kabbelen heldere

beekjes. Een kleine schilderachtige hermitage kroont den heuvel,

die zich aan de samenvloeiing der beide rivieren verheft. Tegenover

ons, zagen wij, tusschen twee steile bergen, de zwarte spleet van

den Szurduk, of engte, waardoor de wateren van de Sil met snellen

stroom wegvloeien.

Het dorp Vulkan, waar de rijweg ophoudt, is slechts eene enkele

lange straat, op de onderste helling van den gelijknamigen berg

gebouwd. Omstreeks de helft der bevolking van het dorp bestaat

uit ambtenaren, met de bewaking der walachijsche grenzen belast,

kommiezen, gendarmen, ambtenaren der belasting, oppassers bij de

quarantaine. Uit alle streken van Oostenrijk en Hongarije afkomstig,

schijnen deze ballingen hier geen zeer aangenaam leven te leiden, maar

zij troosten zich met het kegelspel. Hoe armoedig ook, ziet Vulkan

in zijn slijkerige straat een vrij druk handelsverkeer. De Rumeenen

van Walachije brengen, langs de slechte bergpaden, voortreffelijke

vruchten, maïs en andere granen, benevens versch vleesch, naar

Petroseny; op marktdagen kan men hen den berg zien afdalen, in lange

karavanen, kudden ossen en varkens voor zich uit drijvende. Volgens de

ontvangen rechten aan het grenskantoor, is hier in 1872 voor ongeveer

vier millioen francs doorgevoerd en omgezet. Deze geheele handel,

waarbij nog de sluikhandel gevoegd moet worden, is bijna uitsluitend

in handen der Walachen; met uitzondering van eene kleine hoeveelheid

ijzer, die zij van Vayda-Hunyad ontvangen, danken zij niets aan de

industrie der Hongaren en Saksers van Zevenbergen. Terwijl hunne

trotsche buren meermalen den schijn aannemen van hen te verachten

wegens hunne traagheid en hun gemis, aan ondernemingsgeest,

ontvangen de bewoners van Petroseny juist van hen wat zij voor hun

levensonderhoud en dagelijksche behoeften noodig hebben. De Walachen

voeren alle verbruiksartikelen aan, en nemen niets mede dan geld,

waarvan natuurlijk de joodsche makelaars en woekeraars wel zorgen

dat zij het leeuwendeel in den zak steken. Jammer slechts dat een

zoo belangrijke handelsweg nog heden voor wagens en rijtuigen even

ontoegankelijk is, als toen de Turken er de vestingwerken bouwden,

waarvan nog de overblijfselen zichtbaar zijn.

Het dorp Vulkan verlatende, nemen wij afscheid van wat men

overeengekomen is de beschaafde wereld te noemen: maar onze joodsche

herbergier had ons, naar gewoonte, behoorlijk bedrogen en bestolen,

waarschijnlijk om ons den overgang minder smartelijk te maken. Wij

zijn nu in het hart van het dacische land, en moeten, zoo lang

wij den Retyezat niet beklommen hebben, afstand doen van alle

comfort. Trouwens, dit hinderde ons niet te zeer. Wij waren vroolijk

en opgewekt; onze paarden liepen in een vluggen draf, en de vallei,

die wij doortrokken, bood ons, bij elke kromming, eene opeenvolging

der liefelijkste landschappen.

Al de bergen zijn met bosch bedekt, uitgezonderd alleen de uitstekende

kalk- of granietrotsen, die te steil zijn dan dat de wortels er kunnen

vatten. De beeken, die in watervallen uit de donkere valleien te

voorschijn treden, breiden in de vlakte hare bedding uit en vloeien

murmelend voort over gladde steentjes. Enkele hutten staan verspreid

onder de groote wilgen, die nimmer door de bijl worden aangeraakt,

en die in niets gelijken op de ellendige dwergachtige stronken, welke

men langs onze weilanden ziet. Landlieden, in schilderachtig kostuum,

groeten ons met vrijmoedige beleefdheid. Van afstand tot afstand staan,

langs den weg emmers met water gevuld, op een soort van steenen palen,

opzettelijk daarvoor opgericht. Getuigt deze oplettendheid voor den

onbekenden reiziger niet ten gunste van het karakter der Walachijers?

De vorm van die steenen banken of palen trok mijne aandacht. Een

archeoloog, die zulke steenen op eene heide van Bretagne vond, zou

zonder aarzelen daarin een dolmen zien, zoo als onze keltische of

vóór-keltische voorvaderen die plachten op te richten; en het zou

hem niet in de gedachte komen, dat die steenen niet moesten dienen

om daarop den goden te offeren, maar enkel om een watervat te dragen,

bestemd om den dorst te lesschen van den vermoeiden wandelaar. Even zoo

zouden de met een rieten afdakje gedekte massieve zuilen of palen van

ruw graniet, aan de kruispunten der wegen, overal elders voor menhirs

worden aangezien; maar een kleine steen, dwars aan den top bevestigd,

herinnert u dat deze pilaren een kruis moeten verbeelden; bij gebreke

van zulk een steen, is zelfs eene horizontale groeve voldoende om het

granietblok te wijden. Men vindt hier exemplaren van alle mogelijke

overgangsvormen tusschen den ruwen menhir der heidensche tijden,

en het fraai bewerkte, met opschriften en beeldwerken bedekte

christelijke kruis.

Onze reis, onder de gunstigste voorteekenen begonnen, zou dien dag

niet zoo gelukkig afloopen. Onze gids wist den weg niet, en wij

waren meer dan eenmaal genoodzaakt, hem in het rechte spoor terug

te brengen. Daarmede ging echter een kostbare tijd verloren, en

wij waren nog op aanmerkelijken afstand van het dorp Kampuluinyag,

toen een geweldig onweer boven onze hoofden losbarstte, gepaard met

sterken wind en plassenden stortregen. Wij waren er zeer ongelukkig

aan toe. Onze verschrikte en beangste paarden klauterden, als met

wanhopige drift, tegen de in stroomen veranderde paden op, lieten

zich langs de doorweekte hellingen afglijden, wierpen zich te midden

van de dennentakken, die ons in het gezicht sloegen, en toen de weg

geheel onkenbaar werd, waadden zij blindelings voort door de steeds

klimmende wateren der beek. Eindelijk zagen wij aan de andere zijde

van het dal eene half voltooide hut, waarop het dak reeds gelegd was;

en in rechte lijn voorthollende, dwars door het plassende water,

door slooten en weilanden, bergden wij ons, menschen en paarden te

zamen, in de woning. Gelukkig lagen er blokken hout in menigte op den

grond. Wij haastten ons, een groot vuur te ontsteken om ons zelven

en onze kleederen te drogen, en weldra zagen wij er weder als gewone

menschen uit.

Het onweer had uitgeraasd, en de verdeelde wolken trokken naar

het oosten af, toen een jonge Walachijer de hut binnentrad. Dat

was de eigenaar, die, rook uit zijn dak ziende opstijgen, haastig

kwam aangeloopen, meenende dat zijn hut in brand stond. Weldra door

ons gerustgesteld, was hij dadelijk bereid om ons te helpen bij de

inrichting van ons voorloopig domicilie, en bood zich zelfs aan om

ons naar den Retyezat te brengen, waarmede hij, volgens zijn zeggen,

zeer goed bekend was. Wij namen dit aanbod gretig aan, en lieten

onzen gids met de paarden vertrekken.

Verheugd, dat er nog kans bestond om voor het vallen van den

avond den voet van den Retyezat te bereiken, maakten wij zoo veel

mogelijk voortgang. De lucht, door het onweer gezuiverd, was heerlijk

frisch; enkele nevelwolken zweefden nog om de donkere toppen der

met dennen begroeide bergen; van alle kanten stroomde het water, in

schilderachtige valletjes, naar de hoog gezwollen beek. De weg volgde

beurtelings den eenen en den anderen oever, en telkens moesten wij

het rivierke oversteken, nu eens over zware boomstammen tot een brug

saamgevoegd, dan over losse planken, half in het water gedompeld en

met schuim omzoomd. Wij hadden in de transylvanische Alpen reeds menig

bekoorlijk landschap gezien: maar dit scheen ons wel het schoonste,

door de wondere harmonie van weilanden en bosschages, stroomende

wateren en met mos begroeide rotsen: het geheel geleek een prachtig

park. De hooge top van den Plesa, die zijn regelmatige pyramide aan

het einde van het dal ten hemel beurt; de donkere bergkloof, die

ten noordwesten gaapt en waaruit u de verre donder der watervallen

tegengromt, verhoogen nog, door de tegenstelling, den indruk van rust

en vrede, dien de liefelijke vallei op u maakt. Terwijl wij onder dien

prachtigen lommer wandelden of ons neervleiden op het malsche gras,

konden wij niet zonder weemoed en schrik aan de misschien nabijzijnde

toekomst denken, wanneer ook dit stille dal der Karpathen de aandacht

van leegloopers en spekulanten zal trekken, de reis daarheen mode

zal worden, en deze heerlijke natuur bedorven zal worden als in zoo

menig dal der Alpen en der Pyreneën.

De schaapskooi, waarheen onze gids ons bracht, en die ook het eenige

gebouw was, waar wij, mijlen in den omtrek, een schuilplaats konden

vinden, was een dier vormelooze hutten, die in de fransche Pyreneën

"coueylas" of "jasses" worden genoemd; het eenige verschil was, dat

zich hier rondom de steenen loods een poel bevond van slijk en mest,

een zee van vuiligheid, waarin door elkander menschen, koeien en

varkens ploeterden. De koemest wordt hier niet gebruikt voor bemesting

van het land of als brandstof: alles blijft liggen en vormt, met

het vuile water, een afschuwelijken poel. Mijne makkers en ik, wij

kijken elkander in stomme wanhoop aan; maar wat te doen? Zeker ware

het beter geweest, ons bivouak op te slaan in de open lucht, onder een

boom; maar de grond was doorweekt van den regen; de avondlucht was,

op deze hoogte, reeds zeer koud, en wij vreesden onbeleefd te zijn

jegens de herders, die ons zoo gastvrij ontvingen. Wij verzamelden

dus onzen moed, en van steen tot steen springende, trachtten wij

zonder ongeval den ingang der "jasse" te bereiken.

Al de bewoners der woning stonden verbaasd bij het zien van

vreemdelingen, die bij hen zouden overnachten. Zij betastten onze

kleederen en verschillende voorwerpen, die wij bij ons hadden en die

voor hen stellig geheel nieuw waren, en konden hunne nieuwsgierigheid

niet bevredigen. Aanvankelijk ging het vrij goed: de jonge mannen

zongen voor ons eenige liederen en antwoordden, zoo goed zij konden,

op onze vragen naar het land en de plaatselijke gebruiken; maar toen

het later werd, en de gansche bevolking, mannen, vrouwen, grijsaards,

kinderen, zich naar een hoek terugtrok om te gaan slapen, toen begon

de foltering. De nachtwandelende insekten, waarvan alle walachijsche

huizen wemelen, kwamen uit alle hoeken en gaten te voorschijn, en

wierpen zich op de versche prooi. Mijn twee metgezellen, minder dan

ik tegen dergelijke kwellingen gehard, konden het niet uithouden,

stonden op, gingen weer liggen en stieten allerlei gesmoorde kreten

uit. Gaarne zouden wij naar buiten zijn gegaan, maar er viel niet

aan te denken, om in den donker den modderpoel over te steken. Met

hoeveel vreugde werd eindelijk, na den korten zomernacht, de dageraad

door ons begroet! Wij gunden ons zelfs geen tijd, om het prachtige

panorama te genieten en haasten ons, zoo spoedig mogelijk weg te komen.

De Retyezat verheft zich hoog bezijden de bergketen, die zijn naam

draagt, als een herder die zijn kudde bewaakt. De weg derwaarts,

die over twee bergreeksen voert, is lang en vermoeiend, maar zeer

schoon. De hooge weilanden in dit gedeelte der Karpathen gelijken

sprekend op sommige streken in de Pyreneën: dezelfde waterkommen,

meertjes en watervallen; dezelfde beeken en bronnen, ontspringende

tusschen het dichte gras en de bloemen, om tusschen het mos en de

steenen te verdwijnen; dezelfde krachtige, knoestige dennen, de

vooruitgeschoven wachters van het woud. Boven deze streek zijn de

toppen en plateaux, die ten noorden door de steile hellingen van den

Retyezat begrensd worden, geheel bedekt met een oceaan van steenen,

zooals men waarschijnlijk noch in de Alpen, noch in de Pyreneën vinden

kan. Somwijlen vormen deze steenen allerlei zonderlinge figuren,

maar doorgaans zijn zij in chaotische wanorde door elkander geworpen.

Het uitzicht van den top van Retyezat is zeer schoon en omvat een

wijden horizon, met name aan de noordzijde, waar men de gansche vallei

van Hatszeg, en verder de heuvels en bergen van centraal Zevenbergen

overziet. Maar vooral wordt de aandacht getrokken naar den eenige

honderden ellen diepen afgrond, aan den noordelijken voet van den

berg: daar is geen chaos van steenen, maar een loodrechte diepte,

waarin beneden kleine meertjes en beeken schitteren, die ge ziet, maar

wier geluid ge niet hoort; slechts enkele grijze mossen verlevendigen

de akelige doodschheid van deze kloof. Het was reeds laat, toen wij

van den Retyezat afdaalden; wij hadden nog juist den tijd, voor

zonsondergang een weiland te bereiken, waar wel geen woningen te

vinden waren, maar waar wij toch, in een kamp van herders, onder de

overhangende takken van dennen, rustig den nacht doorbrachten.

Wij hadden nu slechts den loop van de beek te volgen om de vallei van

Hatszeg te bereiken. De weg is vrij goed onderhouden, maar in deze

gansche uitgestrekte vallei, die wij niet dan in acht uren konden

doorrijden, vonden wij geen enkele vaste woning, niettegenstaande de

grond overal de sporen van de weelderigste vruchtbaarheid vertoont.

Aan den uitgang der vallei, ligt het dorp Rua de Mora, waar we

gelegenheid hadden de schilderachtige kleederdrachten der rumeensche

landlieden te bewonderen, want het gansche dorp was, ik weet niet

waarom, in feestgewaad gehuld.

Onze tocht naar de mijnen was afgeloopen, en wij keerden over

Vayda-Hunyad naar het station Deva terug. Tijdens mijn bezoek,

verkeerde het land in geen gunstigen toestand. Reeds sedert twee

jaren heerschte er gebrek, dat in hongersnood dreigde over te gaan;

de cholera, een gevolg mede van armoede en dronkenschap, woedde met

groote hevigheid. Zoo kwam het, dat de landen, tijdens de omwenteling

aan de boeren afgestaan, ziender oog in andere handen overgingen en de

Joden overal eigenaars van den grond werden. Deze inbezitneming van

den grond door vreemdelingen, die zich geen ander doel stellen dan

het volk, waaronder zij wonen, zooveel mogelijk te onderdrukken en uit

te zuigen, is een zeer bedenkelijk verschijnsel, vooral in een land,

waar de verschillende rassen zoo scherp tegenover elkander staan. Daar

komt nog bij, dat de zoogenoemde Saksers van Zevenbergen, wier aantal

voortdurend afneemt, en die vroeger er niet aan dachten den Magyaren

den voorrang te betwisten, tegenwoordig, sterk door de ondersteuning

hunner duitsche broeders, den strijd op nieuw hebben aangebonden. Het

is te vreezen, dat de onderlinge haat der verschillende nationaliteiten

aan Zevenbergen nog bange dagen zal bezorgen.

Drie Toskaansche steden.

Empoli.--San-Gimignano.--Volterra.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 67 / 92 题