Offenbanya, waarheen wij ons met rijtuig begaven, de goudstad, ligt in
een fraaier en lachender vallei dan Torotzko, de ijzerstad. Murmelende
beekjes dalen, met dartele sprongen, in schuimende watervalletjes
naar de rivier af; aan den oever der stroomende wateren groeien
populieren en wilgen; de huizen en hutten staan verspreid tusschen
de weilanden en langs de helling der heuvelen. Nabij den top der
omringende bergen ziet men zelfs--eene groote zeldzaamheid in dit
gedeelte van Zevenbergen--nog overblijfselen der oorspronkelijke
bosschen, met hunne door den bliksem getroffen boomen, hunne van
ouderdom omgestorte beuken en dennen, hunne mengeling van allerlei
geboomte, dat zijn gebladerte tot een dicht gewelf samenvlecht.
Den morgen na onze aankomst in het vlek Offenbanya, beklommen wij den
trachietkegel Kolczu-Csoramului (dertienhonderd-twee-en-zeventig el
hoog), en smaakten het genot, door een dezer wouden te wandelen. Aan
den voet van den vulkanischen kegel ontsprong eene kristalheldere
bron, waarvan het water, dank zij het dichte lommer, niettegenstaande
de drukkende warmte, heerlijk frisch was; de zuivere, verkwikkende
atmosfeer der weiden en bosschen schonk ons de noodige kracht voor
de niet zeer gemakkelijke taak der beklimming; het gerucht van de
vlakte drong niet door in dit zwijgende, eerwaardige woud, met zijn
dicht aaneengesloten stammen, waar alles rust en vrede en heilige
kalmte ademde.
De omstreken van Offenbanya, met zijn schilderachtige valleien en zijn
trachietbergen, zijn nog altijd een bezoek waard; maar de goudmijnen,
waarom het vlek vroeger en reeds in de middeleeuwen beroemd was,
bestaan eigenlijk nog slechts in de herinnering.
De tijd, waarin, naar de overlevering meldt, de opzichters bij de
mijnwerken zich over een pad van gouden schotels naar de kerk konden
begeven, is sinds lang vervlogen. Een inwoner der streek gaf de meest
juiste beschrijving van den tegenwoordigen toestand der mijnen, toen
hij spottend opmerkte, dat bij de metaalwerken der streek acht personen
geëmployeerd waren, vier mijnwerkers en vier beëedigde controleurs.
Laat in den namiddag vertrokken wij van Offenbanya, in de hoop dat
wij in het dorp Bisztra een nachtverblijf zouden kunnen vinden. Het
landschap beviel ons al meer en meer. De dichte en zware maïsstengels
verborgen geheel en al de leemen wanden der hutten en lieten niets
zichtbaar dan de puntige strooien daken, die op hooibergen geleken;
de rivier kronkelde tusschen weilanden en bosschages, en weerspiegelde
in haar heldere wateren het zonnelicht en de met purpergloed omzoomde
wolken. Kleine walachijsche jongens, met aardige guitige gezichten
en lange blonde hairen, maakten langs den weg de dolste duikelingen;
bevallige jonge meisjes, met witte chemisette, geborduurd lijfje,
groot, blauw en rood gestreept voorschoot, wierpen ons in het
voorbijrijden een vluchtigen groet toe. Het land en de bewoners hadden
iets idyllisch over zich; zelfs de kerkhoven zagen er feestelijk uit:
rondom de kerken stonden mastboomen geplant, waaraan witte wimpels
vroolijk wapperden.
Een mijner reisgezellen zeide mij, wat die vlaggen en wimpels
te beduiden hadden: en nu kwam het landschap mij minder vroolijk
voor. Bij den dood van een jonkman richt men op zijn graf zulk een
vlaggestok op, als een symbool dat zijn geest tot een hooger leven is
overgegaan en elders tot nieuwen arbeid geroepen: dit is eene overoude
dacische gewoonte, die tot op onzen tijd is bewaard gebleven. Voor de
andere dooden richt men alleen een houten kruis op. Maar hoe talrijk
waren de nieuwe kruisen en de witte wimpels, en hoe zichtbaar overal
de versch gedolven graven! Helaas, hier woedde de cholera. Alleen
in het dorp Lupsa, waar wij stilhielden, was, binnen eenige weken,
een vijfde der bevolking bezweken.
In het dorp Bisztra, waar wij gerekend hadden den nacht door te
brengen, vonden wij de bewoners druk bezig met aan de cholera werk
te verschaffen. De groote gelagkamer van de herberg was opgevuld
met drinkers, zangers en dansers. Het was een oorverdoovend geraas
en een stikkende stinkende dampkring; wij hoopten echter dat men ons
eene ordentelijke kamer zou kunnen geven, en dat tegen middernacht het
leven wel zou ophouden. IJdele hoop! De herberg behoorde aan een pope,
en die had zich teruggetrokken in de kamer met de heiligenbeelden,
het bidvertrek.
"Ga hem dan roepen, zeiden wij; wij hebben honger en zijn vermoeid.
--Onmogelijk. Als hij bidt, mogen wij hem niet storen; en slaapt hij,
dan willen wij hem niet wakker maken.
--Maar te midden van dit helsche leven kan hij noch bidden, noch
slapen. Zeg hem dat er vreemdelingen zijn, die hem spreken willen. Als
pope zal hij toch de plichten der gastvrijheid wel kennen?"
Het hielp altemaal niets. Er schoot niet anders over dan aanstonds te
vertrekken; en laat in den nacht kwamen wij in het dorp Topanfalva,
waar een magyaarsche herbergier zich over ons ontfermde.
Eenige mijlen voorbij Topanfalva beginnen de goudwasscherijen. Langs de
oevers der rivier de Abrud zijn kleine loodsen opgericht, en groote
balken, beurtelings opgetild door een wiel, dat door het water in
beweging wordt gebracht, zuiveren het goudhoudend zand, hetwelk de
rivier uitwerpt.
Overigens moet men niet verwachten, bij de goudzoekers der
transylvanische bergen de vernuftige werktuigen te zullen vinden,
welke de mijnwerkers in Californië gebruiken. De exploitatie van
het metaal geschiedt hier waarschijnlijk nog geheel op dezelfde
aartsvaderlijke wijze als ten tijde der Daciërs. De eigenaar van den
molen, dien wij het eerst aanspraken, was echter zeer achterdochtig:
hij scheen bang te zijn, dat wij hem een of ander geheim van zijne
kunst zouden afzien. Eindelijk gerust gesteld, liet hij zich evenwel
overhalen om ons de bewerking te toonen. Hij hield in de linkerhand
een grooten bak, dien hij met uitgezocht zand vulde; in de rechterhand
nam hij een met water gevulden ossehoorn, waarin aan de punt een
klein gaatje geboord was: nu bewoog hij dien ossehoorn over het
zand heen en weder, om door middel van den dunnen waterstraal de
lichtste deeltjes te verwijderen. Na ongeveer een tien minuten te
zijn bezig geweest, waarbij hij voortdurend den bak zachtjes en
regelmatig liet ronddraaien, begonnen de kleine goudschilfers zich
te vertoonen tusschen de flikkerende kwartzkristallen; allengs
nam het geheele, steeds meer gezuiverde bezinksel een helderen
metaalglans aan, en welhaast bracht de Walachijer, terwijl hij ons
met een zegevierenden blik aanzag, het weinige stofgoud bijeen, dat
op den bodem lag. Volgens zijn zeggen, leverde dit handwerk, naar
gelang van het jaargetijde en van het gunstige toeval, hem tusschen
de tien en veertig gulden per maand op; somwijlen was het gebeurd,
dat hij twaalf gulden in ééne week won; maar de gemiddelde opbrengst
van zijn arbeid kon op niet meer worden geschat dan twintig gulden
per maand, dat is omstreeks vijftig francs. Uit inlichtingen, die
mij later werden verstrekt, zou ik opmaken, dat de gemiddelde winst
der goudwasschers nog minder bedraagt.
De groote smeltoven der hongaarsche regeering ligt zeer gunstig, aan
het vereenigingspunt van de vallei van de Abrud en het dal, waardoor
de beroemde transylvaansche Pactolus, de Veres-Patak, stroomt. Dit
etablissement onderscheidt zich in alle opzichten zeer gunstig van de
armoedige hut van Offenbanya. Het is een splinternieuw gebouw, midden
in de vlakte geplaatst, en meer dan honderd-vijftig el lang. Hier
vindt men de nieuwste werktuigen, ingericht volgens de allerbeste
methode. De directeur der fabriek, zelf een man van groote kennis,
toonde ons met een zeker welgevallen de kunstige werktuigen, waarmede
hij zelfs het laatste gouddeeltje uit den steen te voorschijn wist
te halen. Maar tot welken prijs worden die, uit een wetenschappelijk
oogpunt zoo belangrijke, resultaten verkregen? Dat is eene vraag,
waarop de hongaarsche minister van financiën, als hij in zijne ledige
schatkist staart, misschien het beste antwoord kan geven. Naar hetgeen
men ons hier vertelt te oordeelen, zouden de tweeduizend tonnen erts,
die jaarlijks in de groote smelterij van Veres-Patak bewerkt worden,
aan het gouvernement nog niet zoo veel opbrengen als het handjevol
stofgoud in den bak van den armen walachijschen delver.
Vlak bij de fabriek begint de onafzienbare reeks van hutten, huizen
en gebouwen van allerlei aard, die te zamen de stad Veres-Patak, of
Opidu di Rocia, zoo als de Rumeenen haar noemen, vormen. De benedenste
voorstad bestaat slechts uit kleine molens, schilderachtig gegroept
langs den zoom van het riviertje en langs de afleidingskanalen. Al
die miniatuurfabriekjes moeten een aardig gezicht opleveren, als het
water hoog is en zich schuimend en ruischend uitstort over de raderen
der molens, die het in beweging zet. Dan gaan de duizenden balken,
die de steenen en het zand moeten breken en fijnmalen, onophoudelijk
op en neder; overal in de vallei is dan leven en beweging. Maar
tijdens ons bezoek had de droogte reeds geruimen tijd aangehouden;
een magere dunne waterstraal kronkelde door de bedding der beek,
niet zonder recht Veres, de Roode, genoemd; slechts nu en dan kon het
water met groote moeite een niet te zwaren balk een weinig optillen.
De jaarlijksche opbrengst aan goud wordt geschat op vierhonderd-vijftig
pond zuiver metaal, eene waarde vertegenwoordigende van ruim anderhalf
millioen francs; maar in gunstige jaren, als de mijnwerkers het
geluk hebben een ader van onvermengd goud aan te treffen, klimt die
opbrengst tot over de tien millioen. Daarbij zou nog gevoegd moeten
worden de hoeveelheid edel metaal, die de arbeiders, ondanks het
strengste toezicht, toch nog altijd weten te ontvreemden. Als zij 's
middags hun boterham eten, kunnen zij, zonder veel moeite, licht een
paar goudkorrels inslikken, in spijt van de argus-oogen der opzichters.
De mijnen van Veres-Patak hebben dan ook volstrekt niet alle belang
verloren: integendeel, in Europa, aan deze zijde van het Oeralgebergte,
zijn zij, voor de exploitatie van edel metaal, nog altijd de
voornaamste. De goudhoudende rots der twee bergen Kirnik en Affinis,
tusschen een groep van trachietkoepels en de zandsteen-formatie der
Karpathen, beslaat eene oppervlakte van bijna vier vierkante mijlen,
terwijl tot dusver nog niemand de diepte gepeild heeft. Deze gansche
rotsmassa bevat goud; niet alleen wordt zij in alle richtingen door
meer of minder rijke aderen doorsneden, maar ook in het gesteente zelve
vindt men het edel metaal in onderscheidene vormen; men heeft hier
klompen zuiver goud gevonden ter zwaarte van acht en negen pond. De
mijnwerkers graven dan ook niet enkel galerijen, om de rijkste aderen
op te sporen, maar zij graven de rots zelve uit, en laten slechts de
noodige pijlers staan, om het instorten van den berg te voorkomen. Een
dezer kunstmatige grotten, de beroemde Katrincza, heeft den vorm van
een onregelmatigen koepel, en eene hoogte van honderd-zes-en-twintig
el, bij eene breedte van ruim acht-en-dertig el. De gids, die ons
hier vergezelde, betrad niet dan met eerbied deze grot; hij sprak
met gedempte stem, als bevonden wij ons in eene kerk! Was hier, uit
dit gat, niet genoeg goud uitgegraven, om daarmede de halve wereld te
kunnen koopen? Naar men ons verzekerde, leverde hier ieder kwintaal
erts gemiddeld honderd-vijftig goudstukken, zoowat duizend francs;
en hoe veel kwintalen heeft de mijnwerker niet reeds uitgehouwen!
De top van den Affinis is door twee groote romeinsche steengroeven
uitgehold, waarvan de breed gebeeldhouwde wanden, op sommige plaatsen,
eenige gelijkenis vertoonen met gebouwen: van daar de namen Csetatye
Mare en Csetatye Mika (Groote Stad en Kleine Stad), hun door de
Walachen gegeven. Inderdaad heeft men hier indrukwekkende monumenten
van de romeinsche macht voor zich. Het midden van de groote groeve
wordt ingenomen door een soort van open circus, waarboven zich de hemel
welft, en dat omringd is door reusachtige rotswanden, waardoor zich
aderen van verschillende kleur slingeren. Torenhooge rotsmassaas,
die men heeft laten staan, verheffen zich boven die omwalling;
langs de wanden van het reuzenamphitheater ziet men, op verschillende
hoogten, breede galerijen, in den steen uitgehouwen, en die met andere
onderaardsche gangen en galerijen in gemeenschap staan. Vergeleken bij
de nauwe gaten, waardoor de tegenwoordige mijnwerkers heenkruipen,
schijnen die hooge gewelfde portalen, die breede bogen en poorten der
romeinsche steengroeven welhaast het werk van een geslacht van titanen:
alles is veel grootscher, op veel ruimer schaal aangelegd. Men gevoelt
dadelijk dat zulke werken niet in een paar dagen werden tot stand
gebracht, en dat de bouwlieden zich niet hebben gehaast om hun arbeid,
hoe dan ook, maar klaar te krijgen: dit zijn de scheppingen van een
volk, dat aan zijne eigen toekomst geloofde en daarom geduld en geen
haast had. Bovendien, zij die in deze mijnen en steengroeven werkten,
waren slaven. Mochten er ook duizenden bij den arbeid bezwijken,
zij werden door andere duizenden vervangen.
De breede galerijen der "Groote Stad" verlatende, haasten wij ons te
paard te stijgen, en zoo spoedig mogelijk weg te rijden: wij hadden
geen oogenblik te verliezen, wilden wij nog vóór zonsondergang den
beroemden bazaltberg, de Detunata, de Door den Bliksem Getroffene,
bereiken. Wij volgen een schilderachtig pad langs de groenende
heuvelen van het plateau. Enkele groepen pijnboomen en kleine,
met houtgewas begroeide vulkanische kegels teekenden hunne lange
schaduwen op het malsche gras; de lucht was zuiver, en de schuine
zonnestralen verguldden de omtrekken der verwijderde bergen. Al de
toppen van westelijk Zevenbergen vertoonden zich aan ons oog binnen
den onmetelijken omkring van den horizon.
Reeds sedert lang hadden wij de Detunata in het gezicht, maar slechts
van ter zijde. Zij scheen ons toe, niet veel meer dan eene vrij
onbeteekenende hoogte te zijn; maar toen wij, aan den uitgang van een
bosch, plotseling de kolonnade van bazalt voor ons zagen, konden wij
een kreet van verrassing en bewondering niet onderdrukken. De rots,
ongeveer honderd el hoog, hangt van boven naar voren over; al de
bazaltzuilen buigen evenzoo naar voren: de gansche geweldige massa
maakt den indruk van eene reusachtige zeegolf, eensklaps versteend,
juist toen zij op het punt stond neer te storten. Eene menigte
fragmenten van zuilen, allen rechthoekig afgebroken, zijn van den
bergwand tusschen de pijnboomen gevallen; sommigen dienen den herders
en bezoekers tot rustbanken. Waarschijnlijk heeft de berg aan al
dit puin, dat zeker voor een deel door den bliksem is neergeworpen,
zijn naam van Detunata te danken.