VII.

Offenbanya, waarheen wij ons met rijtuig begaven, de goudstad, ligt in

een fraaier en lachender vallei dan Torotzko, de ijzerstad. Murmelende

beekjes dalen, met dartele sprongen, in schuimende watervalletjes

naar de rivier af; aan den oever der stroomende wateren groeien

populieren en wilgen; de huizen en hutten staan verspreid tusschen

de weilanden en langs de helling der heuvelen. Nabij den top der

omringende bergen ziet men zelfs--eene groote zeldzaamheid in dit

gedeelte van Zevenbergen--nog overblijfselen der oorspronkelijke

bosschen, met hunne door den bliksem getroffen boomen, hunne van

ouderdom omgestorte beuken en dennen, hunne mengeling van allerlei

geboomte, dat zijn gebladerte tot een dicht gewelf samenvlecht.

Den morgen na onze aankomst in het vlek Offenbanya, beklommen wij den

trachietkegel Kolczu-Csoramului (dertienhonderd-twee-en-zeventig el

hoog), en smaakten het genot, door een dezer wouden te wandelen. Aan

den voet van den vulkanischen kegel ontsprong eene kristalheldere

bron, waarvan het water, dank zij het dichte lommer, niettegenstaande

de drukkende warmte, heerlijk frisch was; de zuivere, verkwikkende

atmosfeer der weiden en bosschen schonk ons de noodige kracht voor

de niet zeer gemakkelijke taak der beklimming; het gerucht van de

vlakte drong niet door in dit zwijgende, eerwaardige woud, met zijn

dicht aaneengesloten stammen, waar alles rust en vrede en heilige

kalmte ademde.

De omstreken van Offenbanya, met zijn schilderachtige valleien en zijn

trachietbergen, zijn nog altijd een bezoek waard; maar de goudmijnen,

waarom het vlek vroeger en reeds in de middeleeuwen beroemd was,

bestaan eigenlijk nog slechts in de herinnering.

De tijd, waarin, naar de overlevering meldt, de opzichters bij de

mijnwerken zich over een pad van gouden schotels naar de kerk konden

begeven, is sinds lang vervlogen. Een inwoner der streek gaf de meest

juiste beschrijving van den tegenwoordigen toestand der mijnen, toen

hij spottend opmerkte, dat bij de metaalwerken der streek acht personen

geëmployeerd waren, vier mijnwerkers en vier beëedigde controleurs.

Laat in den namiddag vertrokken wij van Offenbanya, in de hoop dat

wij in het dorp Bisztra een nachtverblijf zouden kunnen vinden. Het

landschap beviel ons al meer en meer. De dichte en zware maïsstengels

verborgen geheel en al de leemen wanden der hutten en lieten niets

zichtbaar dan de puntige strooien daken, die op hooibergen geleken;

de rivier kronkelde tusschen weilanden en bosschages, en weerspiegelde

in haar heldere wateren het zonnelicht en de met purpergloed omzoomde

wolken. Kleine walachijsche jongens, met aardige guitige gezichten

en lange blonde hairen, maakten langs den weg de dolste duikelingen;

bevallige jonge meisjes, met witte chemisette, geborduurd lijfje,

groot, blauw en rood gestreept voorschoot, wierpen ons in het

voorbijrijden een vluchtigen groet toe. Het land en de bewoners hadden

iets idyllisch over zich; zelfs de kerkhoven zagen er feestelijk uit:

rondom de kerken stonden mastboomen geplant, waaraan witte wimpels

vroolijk wapperden.

Een mijner reisgezellen zeide mij, wat die vlaggen en wimpels

te beduiden hadden: en nu kwam het landschap mij minder vroolijk

voor. Bij den dood van een jonkman richt men op zijn graf zulk een

vlaggestok op, als een symbool dat zijn geest tot een hooger leven is

overgegaan en elders tot nieuwen arbeid geroepen: dit is eene overoude

dacische gewoonte, die tot op onzen tijd is bewaard gebleven. Voor de

andere dooden richt men alleen een houten kruis op. Maar hoe talrijk

waren de nieuwe kruisen en de witte wimpels, en hoe zichtbaar overal

de versch gedolven graven! Helaas, hier woedde de cholera. Alleen

in het dorp Lupsa, waar wij stilhielden, was, binnen eenige weken,

een vijfde der bevolking bezweken.

In het dorp Bisztra, waar wij gerekend hadden den nacht door te

brengen, vonden wij de bewoners druk bezig met aan de cholera werk

te verschaffen. De groote gelagkamer van de herberg was opgevuld

met drinkers, zangers en dansers. Het was een oorverdoovend geraas

en een stikkende stinkende dampkring; wij hoopten echter dat men ons

eene ordentelijke kamer zou kunnen geven, en dat tegen middernacht het

leven wel zou ophouden. IJdele hoop! De herberg behoorde aan een pope,

en die had zich teruggetrokken in de kamer met de heiligenbeelden,

het bidvertrek.

"Ga hem dan roepen, zeiden wij; wij hebben honger en zijn vermoeid.

--Onmogelijk. Als hij bidt, mogen wij hem niet storen; en slaapt hij,

dan willen wij hem niet wakker maken.

--Maar te midden van dit helsche leven kan hij noch bidden, noch

slapen. Zeg hem dat er vreemdelingen zijn, die hem spreken willen. Als

pope zal hij toch de plichten der gastvrijheid wel kennen?"

Het hielp altemaal niets. Er schoot niet anders over dan aanstonds te

vertrekken; en laat in den nacht kwamen wij in het dorp Topanfalva,

waar een magyaarsche herbergier zich over ons ontfermde.

Eenige mijlen voorbij Topanfalva beginnen de goudwasscherijen. Langs de

oevers der rivier de Abrud zijn kleine loodsen opgericht, en groote

balken, beurtelings opgetild door een wiel, dat door het water in

beweging wordt gebracht, zuiveren het goudhoudend zand, hetwelk de

rivier uitwerpt.

Overigens moet men niet verwachten, bij de goudzoekers der

transylvanische bergen de vernuftige werktuigen te zullen vinden,

welke de mijnwerkers in Californië gebruiken. De exploitatie van

het metaal geschiedt hier waarschijnlijk nog geheel op dezelfde

aartsvaderlijke wijze als ten tijde der Daciërs. De eigenaar van den

molen, dien wij het eerst aanspraken, was echter zeer achterdochtig:

hij scheen bang te zijn, dat wij hem een of ander geheim van zijne

kunst zouden afzien. Eindelijk gerust gesteld, liet hij zich evenwel

overhalen om ons de bewerking te toonen. Hij hield in de linkerhand

een grooten bak, dien hij met uitgezocht zand vulde; in de rechterhand

nam hij een met water gevulden ossehoorn, waarin aan de punt een

klein gaatje geboord was: nu bewoog hij dien ossehoorn over het

zand heen en weder, om door middel van den dunnen waterstraal de

lichtste deeltjes te verwijderen. Na ongeveer een tien minuten te

zijn bezig geweest, waarbij hij voortdurend den bak zachtjes en

regelmatig liet ronddraaien, begonnen de kleine goudschilfers zich

te vertoonen tusschen de flikkerende kwartzkristallen; allengs

nam het geheele, steeds meer gezuiverde bezinksel een helderen

metaalglans aan, en welhaast bracht de Walachijer, terwijl hij ons

met een zegevierenden blik aanzag, het weinige stofgoud bijeen, dat

op den bodem lag. Volgens zijn zeggen, leverde dit handwerk, naar

gelang van het jaargetijde en van het gunstige toeval, hem tusschen

de tien en veertig gulden per maand op; somwijlen was het gebeurd,

dat hij twaalf gulden in ééne week won; maar de gemiddelde opbrengst

van zijn arbeid kon op niet meer worden geschat dan twintig gulden

per maand, dat is omstreeks vijftig francs. Uit inlichtingen, die

mij later werden verstrekt, zou ik opmaken, dat de gemiddelde winst

der goudwasschers nog minder bedraagt.

De groote smeltoven der hongaarsche regeering ligt zeer gunstig, aan

het vereenigingspunt van de vallei van de Abrud en het dal, waardoor

de beroemde transylvaansche Pactolus, de Veres-Patak, stroomt. Dit

etablissement onderscheidt zich in alle opzichten zeer gunstig van de

armoedige hut van Offenbanya. Het is een splinternieuw gebouw, midden

in de vlakte geplaatst, en meer dan honderd-vijftig el lang. Hier

vindt men de nieuwste werktuigen, ingericht volgens de allerbeste

methode. De directeur der fabriek, zelf een man van groote kennis,

toonde ons met een zeker welgevallen de kunstige werktuigen, waarmede

hij zelfs het laatste gouddeeltje uit den steen te voorschijn wist

te halen. Maar tot welken prijs worden die, uit een wetenschappelijk

oogpunt zoo belangrijke, resultaten verkregen? Dat is eene vraag,

waarop de hongaarsche minister van financiën, als hij in zijne ledige

schatkist staart, misschien het beste antwoord kan geven. Naar hetgeen

men ons hier vertelt te oordeelen, zouden de tweeduizend tonnen erts,

die jaarlijks in de groote smelterij van Veres-Patak bewerkt worden,

aan het gouvernement nog niet zoo veel opbrengen als het handjevol

stofgoud in den bak van den armen walachijschen delver.

Vlak bij de fabriek begint de onafzienbare reeks van hutten, huizen

en gebouwen van allerlei aard, die te zamen de stad Veres-Patak, of

Opidu di Rocia, zoo als de Rumeenen haar noemen, vormen. De benedenste

voorstad bestaat slechts uit kleine molens, schilderachtig gegroept

langs den zoom van het riviertje en langs de afleidingskanalen. Al

die miniatuurfabriekjes moeten een aardig gezicht opleveren, als het

water hoog is en zich schuimend en ruischend uitstort over de raderen

der molens, die het in beweging zet. Dan gaan de duizenden balken,

die de steenen en het zand moeten breken en fijnmalen, onophoudelijk

op en neder; overal in de vallei is dan leven en beweging. Maar

tijdens ons bezoek had de droogte reeds geruimen tijd aangehouden;

een magere dunne waterstraal kronkelde door de bedding der beek,

niet zonder recht Veres, de Roode, genoemd; slechts nu en dan kon het

water met groote moeite een niet te zwaren balk een weinig optillen.

De jaarlijksche opbrengst aan goud wordt geschat op vierhonderd-vijftig

pond zuiver metaal, eene waarde vertegenwoordigende van ruim anderhalf

millioen francs; maar in gunstige jaren, als de mijnwerkers het

geluk hebben een ader van onvermengd goud aan te treffen, klimt die

opbrengst tot over de tien millioen. Daarbij zou nog gevoegd moeten

worden de hoeveelheid edel metaal, die de arbeiders, ondanks het

strengste toezicht, toch nog altijd weten te ontvreemden. Als zij 's

middags hun boterham eten, kunnen zij, zonder veel moeite, licht een

paar goudkorrels inslikken, in spijt van de argus-oogen der opzichters.

De mijnen van Veres-Patak hebben dan ook volstrekt niet alle belang

verloren: integendeel, in Europa, aan deze zijde van het Oeralgebergte,

zijn zij, voor de exploitatie van edel metaal, nog altijd de

voornaamste. De goudhoudende rots der twee bergen Kirnik en Affinis,

tusschen een groep van trachietkoepels en de zandsteen-formatie der

Karpathen, beslaat eene oppervlakte van bijna vier vierkante mijlen,

terwijl tot dusver nog niemand de diepte gepeild heeft. Deze gansche

rotsmassa bevat goud; niet alleen wordt zij in alle richtingen door

meer of minder rijke aderen doorsneden, maar ook in het gesteente zelve

vindt men het edel metaal in onderscheidene vormen; men heeft hier

klompen zuiver goud gevonden ter zwaarte van acht en negen pond. De

mijnwerkers graven dan ook niet enkel galerijen, om de rijkste aderen

op te sporen, maar zij graven de rots zelve uit, en laten slechts de

noodige pijlers staan, om het instorten van den berg te voorkomen. Een

dezer kunstmatige grotten, de beroemde Katrincza, heeft den vorm van

een onregelmatigen koepel, en eene hoogte van honderd-zes-en-twintig

el, bij eene breedte van ruim acht-en-dertig el. De gids, die ons

hier vergezelde, betrad niet dan met eerbied deze grot; hij sprak

met gedempte stem, als bevonden wij ons in eene kerk! Was hier, uit

dit gat, niet genoeg goud uitgegraven, om daarmede de halve wereld te

kunnen koopen? Naar men ons verzekerde, leverde hier ieder kwintaal

erts gemiddeld honderd-vijftig goudstukken, zoowat duizend francs;

en hoe veel kwintalen heeft de mijnwerker niet reeds uitgehouwen!

De top van den Affinis is door twee groote romeinsche steengroeven

uitgehold, waarvan de breed gebeeldhouwde wanden, op sommige plaatsen,

eenige gelijkenis vertoonen met gebouwen: van daar de namen Csetatye

Mare en Csetatye Mika (Groote Stad en Kleine Stad), hun door de

Walachen gegeven. Inderdaad heeft men hier indrukwekkende monumenten

van de romeinsche macht voor zich. Het midden van de groote groeve

wordt ingenomen door een soort van open circus, waarboven zich de hemel

welft, en dat omringd is door reusachtige rotswanden, waardoor zich

aderen van verschillende kleur slingeren. Torenhooge rotsmassaas,

die men heeft laten staan, verheffen zich boven die omwalling;

langs de wanden van het reuzenamphitheater ziet men, op verschillende

hoogten, breede galerijen, in den steen uitgehouwen, en die met andere

onderaardsche gangen en galerijen in gemeenschap staan. Vergeleken bij

de nauwe gaten, waardoor de tegenwoordige mijnwerkers heenkruipen,

schijnen die hooge gewelfde portalen, die breede bogen en poorten der

romeinsche steengroeven welhaast het werk van een geslacht van titanen:

alles is veel grootscher, op veel ruimer schaal aangelegd. Men gevoelt

dadelijk dat zulke werken niet in een paar dagen werden tot stand

gebracht, en dat de bouwlieden zich niet hebben gehaast om hun arbeid,

hoe dan ook, maar klaar te krijgen: dit zijn de scheppingen van een

volk, dat aan zijne eigen toekomst geloofde en daarom geduld en geen

haast had. Bovendien, zij die in deze mijnen en steengroeven werkten,

waren slaven. Mochten er ook duizenden bij den arbeid bezwijken,

zij werden door andere duizenden vervangen.

De breede galerijen der "Groote Stad" verlatende, haasten wij ons te

paard te stijgen, en zoo spoedig mogelijk weg te rijden: wij hadden

geen oogenblik te verliezen, wilden wij nog vóór zonsondergang den

beroemden bazaltberg, de Detunata, de Door den Bliksem Getroffene,

bereiken. Wij volgen een schilderachtig pad langs de groenende

heuvelen van het plateau. Enkele groepen pijnboomen en kleine,

met houtgewas begroeide vulkanische kegels teekenden hunne lange

schaduwen op het malsche gras; de lucht was zuiver, en de schuine

zonnestralen verguldden de omtrekken der verwijderde bergen. Al de

toppen van westelijk Zevenbergen vertoonden zich aan ons oog binnen

den onmetelijken omkring van den horizon.

Reeds sedert lang hadden wij de Detunata in het gezicht, maar slechts

van ter zijde. Zij scheen ons toe, niet veel meer dan eene vrij

onbeteekenende hoogte te zijn; maar toen wij, aan den uitgang van een

bosch, plotseling de kolonnade van bazalt voor ons zagen, konden wij

een kreet van verrassing en bewondering niet onderdrukken. De rots,

ongeveer honderd el hoog, hangt van boven naar voren over; al de

bazaltzuilen buigen evenzoo naar voren: de gansche geweldige massa

maakt den indruk van eene reusachtige zeegolf, eensklaps versteend,

juist toen zij op het punt stond neer te storten. Eene menigte

fragmenten van zuilen, allen rechthoekig afgebroken, zijn van den

bergwand tusschen de pijnboomen gevallen; sommigen dienen den herders

en bezoekers tot rustbanken. Waarschijnlijk heeft de berg aan al

dit puin, dat zeker voor een deel door den bliksem is neergeworpen,

zijn naam van Detunata te danken.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 65 / 92 题