Ons verblijf te Spalato en te Salona had lang geduurd: een oponthoud
trouwens, volkomen gewettigd door het bij uitstek belangrijke dezer
plaatsen. Nu wilden wij, naar onze gewoonte, de kust verlatende,
het land in zijne gansche breedte tot nabij de turksche grenzen
doortrekken, om vervolgens weder naar de kust terug te keeren. De
plaats onzer bestemming was thans Sign.
Wij vertrekken van Spalato en begeven ons in de eerste plaats naar
Clissa, een klein dorp aan den voet eener steile rotsvesting, die in de
geschiedenis van Dalmatië eene zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Het
dorp begint beneden in het dal, en klautert tegen de steile, hoekige
rotswanden op; de huizen zijn gebouwd op een reeks kleine terrassen,
die zich als de treden van een reuzentrap boven elkander verheffen;
elk huis heeft zijn eigen tuintje, dat door ontzaglijke cyclopische
muren gedragen wordt. Hoog boven het laatste terras verrijst de
vesting, waarvan de gekanteelde muren zich tegen de heldere lucht
afteekenen. Toen ik voor het eerst Clissa bezocht, was de vesting
onbezet; toen ik in de daarop volgende lente terugkeerde, nadat de
opstand der rajas in Bosnië was uitgebroken, lag er bezetting. Clissa
beheerscht de passen, die uit Bosnië naar de zee voeren; in vroeger
eeuwen hebben de Turken, de Venetianen en de Hongaren beurtelings om
het bezit dezer vesting gestreden. Bij den vrede van 1669 bleef de
plaats voor goed aan Venetië.
Zoodra men Salona achter den rug heeft, verliest het landschap
zijn bekoorlijk karakter: de steenwoestijn, die wij reeds vroeger
tusschen Zara en Knin en tusschen Knin en Sebenico ontmoet hebben,
keert weder, maar ditmaal zoo mogelijk nog doodscher en dorder. Hier
en daar, waar de natuur voor eenige bunders bebouwbare aarde gezorgd
heeft, vindt men een armoedig dorp; toch moet men aannemen, dat er,
tusschen de rotsen verscholen, nog enkele andere vruchtbare plekjes
te vinden zijn, want de vlakte is niet onbewoond. Mijlen achtereen
ziet ge echter niets dan eindelooze reeksen van steenachtige heuvels,
aan wier voet nu en dan eenige huizen zijn gegroept; de plantengroei
is zoo schraal en weinig beteekenend, dat het bijna een raadsel mag
heeten, hoe hier menschen hun onderhoud vinden kunnen.
Eindelijk bereiken wij toch de grenzen van deze doodsche heuvelen:
de wijde vlakte van Sign breidt zich voor ons uit; de stad zelve
schuilt nog achter een vooruitspringenden heuvel weg. Deze vlakte
is de grootste, die wij tot dusver in Dalmatië gezien hebben; zij
is geheel groen, maar bevat hier en daar nog uitgestrekte plassen,
waarop het zonlicht speelt. Aan den horizon wordt dit wijde dal
begrensd door vrij hooge bergen; deze groene, malsche vlakte, waarin
talrijke kudden grazen en lange rijen populieren hunne slanke kruinen
wiegelen, maakt een eigenaardigen indruk, te sterker door het contrast
met de woestijn, die men zoo pas verlaten heeft. Dit geheele terrein
was in vroeger tijden meer dan waarschijnlijk de bodem van een meer,
waarvan nog hier en daar de sporen overig zijn.
Sign, aan den voet van een wanstaltige rots gelegen, heeft niets
schilderachtigs, ondanks de ruïnen van eene oude citadel, uit den tijd
der venetiaansche heerschappij. Rijen populieren verbergen de huizen,
die in denzelfden stijl zijn gebouwd als de nieuwerwetsche dorpen
langs de kust; en zonder de kerken en kloosters, zouden er hier geen
sporen te vinden zijn van de heerschappij van Venetië. De straten
zijn buitengewoon breed; het stadje beslaat dan ook eene aanzienlijke
oppervlakte. Men zou op het eerste gezicht niet vermoeden, dat de
turksche grens maar eenige uren verwijderd is; maar onophoudelijk
trekken er karavanen door de stad, die de verschillende koopwaren,
welke zij van de kust hebben gehaald, naar het binnenland van Bosnië
brengen.
Toen wij te Sign kwamen, was het juist marktdag: voor een vreemdeling
altijd een buitenkansje. De landlieden uit den omtrek waren in vrij
aanzienlijken getale toegestroomd; en hoewel de kleederdracht in
hoofdzaak onveranderd blijft, ondergaat zij toch, naarmate wij de
grenzen naderen, enkele wijzigingen, die niet aan onze opmerkzaamheid
mogen ontsnappen.
Hier wordt bovenal onze aandacht getrokken door het eigenaardig
hoofddeksel der slavische vrouwen: de okrouga, een wonderlijke witte
muts, die voorover op het hoofd wordt gezet, en waarvan doorgaans
alleen het voorste gedeelte zichtbaar is, want in den regel dragen
de vrouwen over de okrouga een grooten witten sluier, die tot midden
op den rug af hangt en ook gedeeltelijk de armen bedekt, maar het
fraaie borduursel van het hemd zichtbaar laat. Te Sign is de okrouga
eenvoudig een witte doek; iets verder naar de grenzen, is het voorste
gedeelte opengewerkt, bij wijze van kant. In Herzegowina is dit
hoofddeksel rood van kleur, en neemt meer den vorm aan van een fez;
in de omstreken van Trebinje wordt de okrouga voor goed door de fez
vervangen; maar ook dan nog blijft de breede sluier, die de schouders
en de armen bedekt. In Herzegowina, en met name in de streek tusschen
Montenegro en Mostar, wordt die sluier van fijne zijde vervaardigd;
overigens ondergaat het kostuum weinig verandering. Ook dat der mannen
verschilt niet merkbaar van de kleederdracht uit de omstreken van
Knin; met dit onderscheid alleen, dat in Dalmatië over het algemeen
de tulband gedragen wordt, terwijl in de turksche provinciën dit
hoofddeksel het uitsluitend kenmerk is der Muzelmannen.
De kerken van Sign zijn zeer ruim en rijk versierd; vermoedelijk
behoort hier de overgroote meerderheid der bevolking tot de katholieke
Kerk, want ik heb nergens een grieksche kapel gezien. De kerken van
Sign dagteekenen voor het meerendeel uit de zeventiende en achttiende
eeuw, en dragen allen het italiaansche karakter; de versiering is
blijkbaar afkomstig uit den tijd der venetiaansche heerschappij.
Mijn verblijf te Sign heeft niet langer dan een dag geduurd,
maar ik heb er behoorlijk kunnen eten en slapen, en dit is geen
klein kompliment voor een dalmatisch stadje, aan de grenzen van
Herzegowina. Later heb ik meermalen, aan gene zijde der bergen,
honger geleden; en zelfs aan deze zijde van den Velebit was de kost
dikwijls schraal en het nachtleger van twijfelachtig gehalte. Te
Sign vindt men ten minste eene behoorlijke herberg; en een blik op
den weelderigen vruchtbaren omtrek geeft u de overtuiging dat het u
althans niet aan voedsel behoeft te ontbreken.
Op het marktplein bewaart eene fraaie fontein, die te Padua of te
Treviso niet misplaatst zou zijn, de herinnering aan den tijd der
venetiaansche heerschappij. Toen wij daar langs kwamen, stonden er
eenige boerinnen bij de fontein gegroept, om water te putten; en
hare kleederdrachten, die ons aan het Oosten deden denken, vormden
een eigenaardig contrast met den italiaanschen renaissance-stijl van
het kleine, maar fraaie monument, waarvan onze lezers de afbeelding
vinden op bladz. 136.
Na den dag te hebben gebruikt voor eenige bezoeken en voor wandelingen
door de stad en hare omstreken, die niets bijzonders opleveren,
besloot ik den volgenden morgen naar de kust te vertrekken, om mij te
Spalato in te schepen naar Ragusa. Ik zou zoodoende tweemaal denzelfden
weg afleggen; maar men moet wel rekening houden met de middelen van
vervoer; en men is van zelve verplicht telkens naar de Adriatische-zee
terug te keeren, waar men zeker is de stoombooten van Lloyd te zullen
aantreffen. Er schoot dus geene andere keuze over. Zonder ongeval te
Spalato aangekomen, vertrokken wij den volgenden morgen ten zes uur,
en liepen, na een kalme zeereis van zes-en-twintig uren, in de haven
van Gravosa, bij Ragusa, binnen.
Deze zeetochtjes van de eene stad naar de andere zijn niet van belang
ontbloot. Van het dek der boot volgen wij de kronkelende, bochtige
lijn van de pittoreske, bergachtige kust; wij houden telkens op in
een der vele kleine havens, Piëtro di Brazza, Almissa [20], Macarsca
en Curzala. Wij hebben dan juist den tijd, om, terwijl reizigers in-
en ontscheept worden, vluchtig enkele schetsen van het omringende
landschap te maken.
Gravosa is als het ware de buitenhaven van Ragusa; de schepen kunnen
hier gemakkelijker aanleggen dan in de haven der stad zelve; de
reede is dieper, veiliger en beter gelegen. De haven van Ragusa, die
te zeer voor den zuid-oostenwind open ligt, wordt bijna alleen door
de visschers en de kleine kustvaarders gebruikt. Deze stad, die eens
een zoo belangrijken handel dreef en eene zoo gewichtige rol speelde,
dat zij den naijver opwekte van de trotsche republiek van Sint-Marcus,
had eigenlijk moeten gebouwd zijn op de plaats, waar nu Gravosa staat,
en niet op dat eng begrensde, tusschen de zee en de rotsen ingesloten
terrein, waar iedere uitbreiding onmogelijk is. Deze zoo moeilijk te
genaken plek werd aanvankelijk veiligheidshalve gekozen; later, toen
de stad, na velerlei rampen, herbouwd moest worden, waren de burgers
te zeer aan hunne vroegere woonplaats met al haar herinneringen
en traditiën gehecht, om een plek te verlaten, die van het eerste
oogenblik slecht gekozen was, niettegenstaande zij in de onmiddellijke
nabijheid een uitgezocht terrein hadden om eene groote stad te bouwen.
De afstand tusschen Gravosa en Ragusa bedraagt niet meer dan een
halve mijl.
Een fraaie, in de rotsen uitgehouwen weg, ter wederzijde door
smaakvolle villas in italiaanschen stijl omzoomd, voert naar de
stad. Aan alle zijden treft ons de weelderige, zuidelijke plantengroei:
aloës en cactus groeien in de spleten der rotsen; de lucht, de
zee, de berg, de vorm der huizen, de geheele omringende natuur,
herinneren aan de rots van Monte-Carlo en het prachtige panorama
van Monaco; de donkere cypressen, die zich loodrecht verheffen uit
de dichtbegroeide heesters met hun goudgele bladeren en gekleurde
vruchten, voeren ons ook in onze verbeelding naar de landschappen
van zuidelijk Italië. Gravosa is een stedeke van eenige beteekenis
door zijn haven; daar vindt men de timmerwerven van Ragusa, waarop
evenwel niet meer de bedrijvigheid van vroeger heerscht. Tusschen
Gravosa en Ragusa, vlak langs den weg, bouwden de rijke kooplieden
der republiek hunne landhuizen, door bekoorlijke tuinen omringd,
waar zij het volle genot van het buitenleven konden smaken.
Wie de geschiedenis van Ragusa kent, zal niet zonder een gevoel van
eerbied deze stad betreden; ik durf zelfs beweeren, dat het zonderlinge
voorkomen der stad, zoo hoogst eigenaardig en karakteristiek ten
gevolge van het gekozen terrein, in allen deele beantwoordt aan de
verwachting, die de kenner harer historie zich van Ragusa gevormd
heeft.
Op de tuinen en landhuizen langs den weg, volgt de voorstad Pille,
waar men eenige logementen voor de reizigers vindt; vlak tegenover den
weg verrijst de poort der vesting, die de gansche stad omvat. Ge ziet
niets dan bedekte wegen, ophaalbruggen, diepe droge grachten, waarin,
tusschen de rotsen, vijgeboomen groeien; esplanaden, waarop soldaten
exerceeren; hooge gekanteelde muren, die de golvingen van den grond
volgen, met zware torens en valpoorten, die aan de middeleeuwsche
burchten denken doen. Boven den hoofdingang prijkt een wapenschild in
bas-relief, voorstellende Sint-Biagio (Blasius), bisschop, met myter
en kromstaf, en daarachter een burcht. Dit is het wapen der stad en het
zegel der republiek van Ragusa; zij koos den heiligen bisschop tot haar
patroon, omdat, bij zekere gelegenheid, toen de Venetianen zich door
een krijgslist van de stad wilden meester maken, een priester voor den
Senaat verklaarde, dat San-Biagio hem in den droom verschenen was en
de plannen van den vijand had ontdekt (971). Hebt ge de smalle poort
achter u, dan moet ge nog eene drie-dubbele omwalling met wachthuizen
doorgaan, eer ge den Stradone bereikt.
De Stradone van Ragusa (strada, straat) is het voornaamste deel
der geheele stad; bijna aan den ingang staat eene fraaie fontein,
sierlijk en smaakvol bewerkt, uit het begin der zestiende eeuw; zij is
of niet voltooid, of heeft door een of andere ramp haar bovengedeelte
verloren. Tegenover de fontein verrijst de voorgevel van eene mooie
kerk, die tot een Franciskaner-klooster behoort. Verbeeld u verder een
geplaveiden weg, tusschen de tien en twaalf ellen breed, ter wederzijde
omzoomd door eenvormige huizen van graniet; die huizen zijn zeer breed,
zeer eenvoudig, zonder eenigen stijl, met zuilengangen voorzien en van
elkander gescheiden door smalle steegjes, ter breedte van hoogstens
twee el. Ter linkerzijde voert elk dezer steegjes naar een trap van
meer dan honderd treden; de huizen, die in deze straatjes uitkomen,
volgen natuurlijk de helling van den grond, en verheffen zich vlak
boven elkander, zoodat hunne vensters op de trap uitkomen en hunne
balkons daarboven zweven. Het is bijna onmogelijk, zich eene duidelijke
voorstelling van dit zonderling geheel te maken.
Hoog boven die trap verheffen zich de gekanteelde muren van een op
de rots gebouwd fort, dat de stad aan deze zijde verdedigen moet. De
straatjes ter rechterhand, niet minder smal, liggen op dezelfde
hoogte als de Stradone, en voeren naar dat deel der stad, dat aan
de zee uitkomt, of liever aan den zwaren, met geduchte bolwerken
versterkten muur, die langs de zee loopt.
De Stradone is zuiver recht, als ware hij met een liniaal getrokken;
hij doorsnijdt de stad in hare gansche lengte en voert naar de voorstad
Plocce, aan de landzijde op den weg naar Herzegowina.
Houden wij een oogenblik stil op het voornaamste plein, de Piazza
dei Signori, aan het einde van den Stradone. Het laatste huis aan
onze rechterhand komt met zijn zijgevel op het plein uit; daar is de
kathedraal, die zich door niets bijzonders onderscheidt, en in de
zeventiende eeuw werd gebouwd. Ter linkerhand verrijst een gebouw,
dat door zijn uitnemend schoone vormen aanstonds de aandacht trekt,
de Douane. Tegenover ons, op het plein, staat het paleis van den
Rector of eersten magistraat der republiek; de fraaie zuilen, waarop
spitsbogen rusten, doen u denken aan de portiek van het Dogepaleis
te Venetië. Tusschen het paleis en de Douane staat een monumentaal
wachthuis, waarboven zich een klokketoren verheft: dit is tevens de
poort, die naar de zee voert.
Rechts van den Stradone, ook het Corso genoemd, ligt het grootste
gedeelte der stad; daar vindt men eene vrij ruime groenmarkt,
en een aantal smalle straten en stegen, te zamen een klomp dicht
opeengedrongen huizen, die voor het meerendeel zeer weinig licht
ontvangen door de uiterst geringe breedte der straat, waarop zij
uitkomen.
Over het algemeen vertoont Ragusa het voorkomen en karakter eener
noord-italiaansche stad: het plaveisel, de balkons, de stijl der
openbare gebouwen en monumenten, het buitensporig aantal kerken--alles
herinnert aan de venetiaansche architectuur. Er heerscht eene
buitengewone zindelijkheid. Ge ontvangt een indruk van eigenaardig
leven en vroolijke opgewektheid, ondanks de zeer enge grenzen,
waarbinnen ge u beweegt; alles zegt u, dat, niettegenstaande de
wisselingen der tijden, hier nog welvaart en rijkdom te vinden is. In
den Stradone ziet ge eene menigte winkels van goudsmeden en juweliers,
en niet minder magazijnen van kleederen en borduurwerk. De lokale
kleederdrachten zijn zeer opmerkelijk: het kostuum van het gilde der
pakkedragers of commissionnairs gelijkt sprekend op dat der turksche
kooplieden van Smyrna. Deze corporatie heeft niet alleen haar eigen
gewoonten en gebruiken, haar eigen keuren en reglementen, maar ook
haar eigen rechtspleging. Waarschijnlijk is dit gilde reeds zeer oud:
het bestaat nog onveranderd, en de leden zijn beroemd wegens hun
onkreukbare eerlijkheid.
Thans willen wij de voornaamste monumenten van nabij bezien. Inwendig
zijn de meesten geheel verbouwd en veranderd; maar het uitwendige
voorkomen verdient alleszins de aandacht. Indien Ragusa er nog
uitzag als in den bloeitijd der republiek, zou de stad vrij wat
belangwekkender zijn; maar weinige steden stonden aan zulke zware
beproevingen bloot. Den 21sten Maart 1023, op San-Benedetto-dag, werd
bijna de gansche stad door brand vernield; ditzelfde lot trof haar
in 1296 en nogmaals in 1459, toen slechts het gebouw der archieven
en de Schatkamer gespaard bleven; eindelijk verkeerde, in 1667,
eene geduchte aardbeving de geheele stad in een puinhoop. Van deze
ramp dagteekent zelfs het verval van Ragusa; nimmer kon zij zich van
dien vreeselijken slag herstellen. De burgers toonden eene inderdaad
schier onbegrijpelijke hardnekkigheid, om steeds tot dezelfde, zoo
slecht gekozen plaats terug te keeren, niettegenstaande het hun niet
aan waarschuwingen ontbrak, want van de zeventiende eeuw tot 1843
keerden de aardbevingen periodiek zoo wat om de twintig jaar terug,
al behoorde ook een ramp als die van 1667 tot de uitzonderingen.
De Douane is een der weinige monumenten, die aan de verwoesting van dat
jaar zijn ontkomen. Het is een fraai gebouw in venetiaanschen stijl,
met eene sierlijke portiek in den voorgevel. De ruime binnenplaats is
aan alle zijden door zuilengangen omgeven, waaronder zich de winkels
en magazijnen bevinden, die allen den naam van een heilige dragen. De
opschriften wijzen nog de bestemming van het gebouw aan: "Geef den
Keizer wat des Keizers is;" en dit andere, nog merkwaardiger opschrift:
"Pondero cum merces ponderat ipse Deus". (Als ik de koopwaren afweeg,
houdt God ook de weegschaal.) De Munt was in hetzelfde gebouw
gevestigd; daar werd het metaal gesmolten en tot geld gestempeld.
In verhouding tot den omvang der stad, is het aantal der kerken
buitengewoon groot. Evenals te Venetië, wilde iedere familie haar eigen
kapel bezitten, die gaandeweg tot een kerk aangroeide; de Ragusanen
waren van oudsher bekend wegens hunne kinderlijke gehechtheid aan
de meest ongeloofelijke relieken. De menigte der relieken, in deze
onderscheidene kerken bewaard, gaat alle begrip te boven: ieder burger
van eenige beteekenis, die verre landen had bezocht, stelde er een
eer in, een of andere relikwie mede te brengen. De geschiedschrijvers
der republiek geven in hunne werken eene uitvoerige beschrijving van
al deze antieke overblijfselen, welke voor een groot deel geschenken
waren van de Koningen en Koninginnen van Bosnië en de doorluchtige
beschermers der republiek, die van eene bedevaart naar de heilige
plaatsen terugkeerden. Zij verhalen ook, dat na de overweldiging van
Bosnië, Servië, Bulgarije, Albanië en Griekenland door de Turken,
de kooplieden van Ragusa zich zooveel mogelijk beijverden om de
relikwiën, die in handen der ongeloovigen waren gevallen, terug te
koopen en weder aan kerken of particulieren te verkoopen.
De meeste dier relieken worden tegenwoordig bewaard in eene ruime kapel
van de kathedraal, het Reliquarium genoemd. Het kost eenige moeite,
toegang tot die verzameling te verkrijgen. De kapel bevat zeer groote
rijkdommen, want bijna alle relikwiën worden bewaard in kistjes,
bekers, doozen, monstransen van goud, zilver of rotskristal, die te
zamen eene zeer aanmerkelijke waarde vertegenwoordigen. In den regel
wordt de kapel niet dan op hooge feestdagen geopend, wanneer deze zaken
in statigen ommegang worden rondgedragen; tijdens de republiek mocht de
kapel niet worden geopend dan in tegenwoordigheid van twee senatoren.
Als men den Stradone ten einde wandelt en de stad door het reeds
genoemde wachthuis met den klokketoren verlaat, dan komt men, na
wederom door eenige bedekte wegen en vestingwerken te zijn gegaan, aan
de Zeepoort. Daar heeft men aan zijne rechterhand de haven van Ragusa,
zeer goed beschut en zeer schilderachtig, maar ook zeer klein en
alleen dienstig voor de visschersvaartuigen en de kleine kustvaart. De
schuiten, waarmede de bewoners der omliggende dorpen op marktdagen de
stad bezoeken, liggen ook in deze haven. De Zeepoort uitgaande, komt
ge ook in Borgho Plocce, waar de weg naar Trebinje begint; ge zijt
slechts op weinige schreden afstands van Herzegowina, en de vrouwen
van die streek bezoeken geregeld de markt te Ragusa. Daar bevindt zich
ook de karavanserai der Turken, met een omheind park voor het vee,
en een kleine loods, waarin aan de karavanen zout verkocht wordt.