Onze kleine karavaan bestaat uit drie karren op lage wielen, zoo als
die in Hongarije en Wallachije gebruikelijk zijn, en waaraan hoegenaamd
geen ijzer gevonden wordt. De mannen liggen bijna allen op het hooi in
de wagens, die door kleine, magere paarden getrokken worden; ettelijke
vrouwen zitten schrijlings te paard. Daar ook ik liever te paard rijd
dan in den wagen te hossen, plaats ik mij in den zadel, een turkschen
zadel, waarin men even gemakkelijk zit als in een leuningstoel. De
pandoeren geleiden ons, en wij trekken het binnenland in.
Het landschap vertoont een eigenaardig karakter, dat zich in een
enkel woord laat samenvatten: het is een onmetelijke steenwoestijn,
slechts hier en daar door vruchtbare velden afgewisseld. De
enkele groenende plekjes uitgezonderd, bespeurt ge, mijlen ver,
niets dan steenen, en geen anderen plantengroei dan een armelijk,
laag, grauwachtig struikgewas, bijna niet van den valen bodem te
onderkennen. Maar ondanks deze somberheid en deze groote armoede,
heeft de natuur van Dalmatië hare schoonheid en bevalligheid. Alles
straalt en schittert; van den blauwen hemel daalt de zonnegloed,
als een stroom van vuur, op den rotsachtigen grond. Wij zijn in de
maand October: eene verkwikkelijke warmte doordringt en koestert ons;
een fijn zilverachtig stof beweegt zich trillend boven den grond en
hult alle voorwerpen in een doorzichtigen sluier.
Even voorbij Lissone, een der armoedige, verstrooide dorpen, die wij
doortrekken, wordt onze aandacht getrokken door een eigenaardig gezang,
zacht en sleepend van toon, dat ons herinnert aan de liederen der
bergbewoners van Andalusië, of aan het droevig, eentonig gezang der
kabylische herders. Aan de spits harer kudde, bestaande uit mouflons,
bokken, grijze en zwarte schapen, wandelt eene jonge herderin, in
schitterende kleeding. Al voortgaande, borduurt zij met vlijtige hand,
en geleidt tevens hare kudde, die schijnt te volgen op de maat van
haar zonderling gezang. De jonge herderin volgt de uitgedroogde, met
steenen bezaaide bedding van een diepen stroom, en kan ons, die langs
den grooten weg door de hooge vlakte voorttrekken, niet zien. Onbemerkt
volgen wij haar. Op een grooten witten doek, met een rooden zoom
naar griekschen smaak geborduurd, teekent zij met de naald fraaie
eikenbladeren, en dat niet naar een patroon, maar geheel naar eigen
ingeving en smaak. Eene uiterst bevallige verschijning. Haar blonde
hairen, kroezig en kort geknipt als die van een knaap, ontsnappen van
onder haar nauwsluitend rood mutsje, met zilveren pailletten versierd;
vergulde sechinen en medailles hangen aan haar ooren en tot op haar
schouders; om haar hals slingeren zich glaskoralen snoeren. Hare borst
is bedekt met een fraai geborduurd hemd, in kleur en teekening aan de
russische hemden niet ongelijk; een breede gordel van gedreven zilver
omsluit den veelkleurigen wollen rok met lange franje omzoomd, die
tot op de beenkleederen van dezelfde stof afdaalt. De wijde mouwen,
ter hoogte van den elleboog met sterren geborduurd, steken helder af
bij den donkerblauwen overrok, die tot beneden de knieën reikt. Een
groote geborduurde zak hangt op haar rug; haar sierlijke herderstaf
steekt in haar gordel.
Zij is geheel alleen, te midden dezer groote eenzaamheid: men zou
geneigd zijn zich af te vragen, waartoe dit goud, die pailletten, die
muntstukken, die koralen, en al die levendige, schitterende kleuren,
te midden dezer naakte, sombere rotsen? en door welk zonderling toeval,
waar de natuur zoo doodsch, het landschap zoo eentonig en dor is,
kleur en leven, glans en harmonie herboren worden en triomfeeren in
de kleeding eener eenvoudige herderin?
Wij komen te Ostrovitsa en overnachten aldaar. De vlakte nabij het
dorp, aan alle zijden door bergen omgeven, gelijkt een reusachtigen
circus: naar men zegt, werd hier eenmaal een bloedige slag tusschen
de Turken en de Kroaten geleverd; het slagveld is tegenwoordig een
groot moeras, waarin het wemelt van bloedzuigers. De duisternis valt
plotseling in: wij hebben den voet van een hoogen heuvel bereikt,
die op een lagen voorsprong de nederige kerk van Ostrovitsa draagt,
waarboven zich de eigenaardig gevormde granietmassa verheft. Hier wordt
de karavaan ontbonden: ieder gaat zijns weegs en zoekt een geschikt
verblijf voor den nacht op. Inmiddels leggen onze pandoeren vuur aan
in eene vrij groote ruïne, die tot karavanserai dient. Een geheel
schaap wordt aan het spit--een eenvoudigen stok--gestoken en boven
het vuur gebraden; de mannen legeren zich deels op den grond in de
nabijheid van het vuur, en staan deels, half in de schaduw, half door
den rossen gloed verlicht, wachtende dat het smakelijk maal gereed
zij. De ruïne, waarin wij ons bevinden, is meer dan waarschijnlijk
een dier groote kavaleriekazernen, die de maarschalk Marmont, tijdens
het fransche bestuur, op verschillende punten in Dalmatië liet bouwen.
Wij hebben den nacht doorgebracht op een matras van maïs, in
een kamer met witgepleisterde muren en zonder meubelen: de zon
dringt door de reten van het luik, dat het venster afsluit: het
is bereids klaar dag. Wij keeren naar de kazerne terug en laten de
paarden zadelen. Kort daarna gaan wij op weg, aangestaard door de
saamgestroomde nieuwsgierigen van het dorp.
Wij komen achtervolgens door Otrés, Kernievo, Varivode, Zetchévo en
Kistagne. Het landschap is hier veel minder eentonig en zelfs schoon,
hoewel de streek toch over het algemeen een treurigen indruk maakt. Nu
eens zijn het uitgestrekte vlakten van eene fraaie grijze kleur,
met sombere olijven, die zich donker afteekenen tegen den bleek
gouden achtergrond van het gebladerte der wijngaarden in den herfst;
dan weder, rotsige heuvelen, straks andermaal afgewisseld door grijze
valleien, waarin talrijke kudden grazen, als witte en zwarte stippen
alom verspreid. Overal is gebrek aan aarde: over eene uitgestrektheid
van vele mijlen is de grond letterlijk als met steenen geplaveid,
waartusschen gaten, spleten en scheuren, even als in die oude,
vervallen romeinsche wegen, waarvan het plaveisel door den tijd
is losgeraakt.
De weg is eenzaam: het is duidelijk dat de streek weinig bevolkt
is; wij ontmoeten een griekschen pope met zijne echtgenoote en eene
vrouwelijke bediende, allen op het hooi liggende in een kleine kar,
door twee magere paarden getrokken. Nu en dan komen wij eene kleine
armelijke karavaan tegen, waarvan al de vrouwen schrijlings te paard
zitten, de voeten rustende in een van touw gevlochten stijgbeugel.
Een met moerbeziënboomen beplante weg brengt ons te Kistagne. Sommige
eigenaardigheden van het kostuum verraden hier de nabijheid van
Turkije: de oude vrouwen bedekken reeds het benedenste gedeelte van
haar gelaat, terwijl de jonge meisjes haar aangezicht onbedekt houden;
alle mannen dragen een tulband, en de meesten hebben in hun gordel
een lange houten pijp met een kop van gebakken aarde. De bevolking
behoort tot de grieksche Kerk; in de tien dorpen, die tot het kanton
van Kistagne behooren, vindt men slechts enkele katholieke familiën. De
vlakte is uitgestrekt en tamelijk vruchtbaar: sedert ons vertrek van
Zara, hebben wij nog zoo veel boomen als hier niet bijeen gezien. Voor
het eerst bespeuren wij op den rotsgrond eene laag vruchtbare aarde
van eenige dikte. Vroeger was er te Kistagne een sirdar gevestigd,
een hoofdman der pandoeren, onder de bevelen staande van den kolonel
van het distrikt. De oostenrijksche regeering heeft, op de meeste
plaatsen, deze soort van plaatselijke milicie afgeschaft en door haar
bureaukratie en gendarmerie vervangen. De oorspronkelijke organisatie
dagteekende uit den tijd der Venetianen. Dalmatië was destijds verdeeld
in zee- en landdistrikten; de sirdars waren toen in de eerste plaats
burgerlijke overheidspersonen, die tevens recht spraken in alle
civiele geschillen, waarbij geen hooger bedrag dan van tien gulden
betrokken was. Zij hadden onder hunne bevelen de plaatselijke milicie
der pandoeren, die, zoo als ik reeds gezegd heb, niets anders waren
dan gewapende boeren, bij beurte een of twee dagen in de week dienst
doende, naar gelang van omstandigheden, en die, in geval van nood,
eene niet onaanzienlijke macht konden op de been brengen.
Even voor wij aan Kistagne komen, juist waar de Kerka den weg snijdt,
slaan wij ter zijde af om een blik te werpen op de diepe kloof, waarin
deze rivier stroomt, en op enkele romeinsche bogen, aan den zoom
dezer diepte verrijzende. De plek heet Archi-Romani of Soupiaia: eene
verbastering van Supplia zarkva (doorboorde kerk). Daar stond de oude
stad Burnum, waarvan nu niets meer overig is dan deze bogen. De Kerka
vormt, op korten afstand van deze plek, in haar smalle vallei, een
fraaien waterval van eenige ellen hoogte. Behalve dezen val heeft de
Kerka nog twee andere cascaden: die van Roncislap en die van Scardona.
Wij keeren spoedig naar den grooten weg terug, ten einde Knin,
waarvan wij nog drie uren verwijderd zijn, vóór den nacht te kunnen
bereiken. Hoe verder wij komen, des te vruchtbaarder wordt het land;
welhaast kunnen wij ons hart ophalen aan het gezicht van groote
boomen, noteboomen, en akkers met gerst en sorgho beplant; eindelijk
zien wij het stadje Knin, amphitheatersgewijze gelegen aan den voet
van een hooge rots, waarop eene indrukwekkende citadel is gebouwd,
en waarboven zich de toppen van den berg Dinara verheffen.
Knin is wel een der schilderachtigste punten in geheel Dalmatië. Het
stedeke ligt aan den oever van de Kerka, maar zijne laatste huizen
bestijgen de helling van den rotsigen heuvel, die op zijn top de
trotsche vesting draagt. De plaats telt betrekkelijk weinig huizen;
enkelen daarvan zijn van hout, waardoor de buurt langs de rivier
een eigenaardig turksch karakter verkrijgt. Vóór de uitvinding van
het geschut, was deze stelling bijna onneembaar. In de oorlogen
tusschen de Turken en de Venetianen, werd de stad twintigmaal
genomen en hernomen. De Koningen van Kroatië en Hongarije hebben
haar beurtelings bezeten; de Turken veroverden haar in 1522, en
hielden haar honderd-vijf-en-twintig jaar in bezit. De venetiaansche
krijgsoversten Foscolo en Cornaro ontnamen haar in 1647 aan de Turken,
waarna de stad, tot aan den ondergang der republiek, in de macht
van Venetië bleef. Allen, die hier achtervolgens de heerschappij
in handen hadden, ten volle het belang beseffende dezer stelling,
die de vallei van de Kerka beheerscht, hebben voortdurend gearbeid
aan de versterking der plaats, in verband met de vorderingen der
militaire wetenschap; ook nog tijdens het fransche bestuur zijn hier
zeer belangrijke werken aangelegd. De bezetting van deze citadel,
als een arendsnest op den top der rotsen gebouwd, en niet dan langs
moeilijke, eindeloos slingerende paden bereikbaar, bestaat thans uit
eene kompagnie artillerie en eene kompagnie infanterie.
Het ontbreekt der kleine stad, waar drie wegen samenloopen, niet aan
levendigheid; de Kerka deelt aan de omringende streek vruchtbaarheid
mede, en er wordt een vrij drukke handel met Bosnië gedreven. De
Turken voeren daar het hout hunner bosschen aan; zij laden dit hout op
kleine, sterk gespierde, tegen alle vermoeienissen geharde paarden,
die in lange karavanen de uiterst bezwaarlijke bergpaden met hunne
zware vracht beklimmen.
De maarschalk Marmont, gouverneur van de zoogenoemde Illyrische
provinciën, vestigde zich in 1806 te Knin, om in persoon de
toegangswegen naar Bosnië te bestudeeren. Turkije en Rusland waren
destijds in oorlog gewikkeld, en Sebastiani had voorgesteld, Sultan
Selim te hulp te komen met eene afdeeling van vijf-en-twintigduizend
man, die uit het bezettingsleger van Dalmatië zouden genomen
worden. Daar Marmont zelf het bevel over die troepen zou voeren, was er
hem veel aan gelegen, zich nauwkeurig bekend te maken met den weg, dien
hij volgen moest, en met de geschiktste gelegenheden om naar Livno te
komen. Dit gaf aanleiding tot de schepping van een stelsel van groote
wegen en binnenlandsche communicatiën, waardoor Marmont zich voor immer
aanspraak heeft verworven op de dankbaarheid van het land, voor welks
ontwikkeling hij zoo veel gedaan heeft. Men kan zich tegenwoordig bijna
niet voorstellen, hoe moeilijk en gebrekkig de gemeenschap vroeger
was. Voor militaire operatiën was het land volstrekt ongeschikt:
de marschen waren niet alleen uiterst moeilijk, maar er was geene
enkele gelegenheid om levensmiddelen of ammunitie to vervoeren; aan
het vervoer van artillerie viel in de verte niet te denken. Men zal mij
vragen, hoe hebben dan de Venetianen, eeuwen lang, de worsteling tegen
de Turken kunnen volhouden? Zij beheerschten de zee en konden met hunne
vloot overal in de hun onderworpen havens aanleggen. Elke stad langs
de kust, van Zara tot Ragusa, was door muren omgeven on beschermd
door forten, waarop de vlag der republiek wapperde. De poorten aan
de landzijde waren even zoo vele bruggehoofden, die zeer gemakkelijk
konden verdedigd worden. De Turken verkeerden daarenboven in zeer
ongunstigen toestand: om Dalmatië te bereiken, moesten zij eerst de
steile en rotsige bergen overtrekken, die van Kroatië tot Cattaro, de
natuurlijke grensscheiding der provincie vormen; zij konden daarbij
hun geschut niet medevoeren; en wanneer zij, eindelijk in de vlakte
doorgedrongen, het beleg voor eene stad sloegen, kon de insluiting
toch nooit volkomen zijn, omdat de gemeenschap ter zee altijd voor
de Venetianen open bleef. Maar tijdens het fransche bestuur was de
Adriatische-zee in de macht van de vloten der gealliëerden. Marmont
moest zich dus de gelegenheid verschaffen, om in het land zelf met
een leger, van geschut en materieel voorzien, te kunnen opereeren:
van daar de noodzakelijkheid van den aanleg van wegen, die, hoewel
met een strategisch doel gemaakt, toch zooveel hebben bijgedragen
tot de ontwikkeling en de welvaart des lands.