VI.

Onze kleine karavaan bestaat uit drie karren op lage wielen, zoo als

die in Hongarije en Wallachije gebruikelijk zijn, en waaraan hoegenaamd

geen ijzer gevonden wordt. De mannen liggen bijna allen op het hooi in

de wagens, die door kleine, magere paarden getrokken worden; ettelijke

vrouwen zitten schrijlings te paard. Daar ook ik liever te paard rijd

dan in den wagen te hossen, plaats ik mij in den zadel, een turkschen

zadel, waarin men even gemakkelijk zit als in een leuningstoel. De

pandoeren geleiden ons, en wij trekken het binnenland in.

Het landschap vertoont een eigenaardig karakter, dat zich in een

enkel woord laat samenvatten: het is een onmetelijke steenwoestijn,

slechts hier en daar door vruchtbare velden afgewisseld. De

enkele groenende plekjes uitgezonderd, bespeurt ge, mijlen ver,

niets dan steenen, en geen anderen plantengroei dan een armelijk,

laag, grauwachtig struikgewas, bijna niet van den valen bodem te

onderkennen. Maar ondanks deze somberheid en deze groote armoede,

heeft de natuur van Dalmatië hare schoonheid en bevalligheid. Alles

straalt en schittert; van den blauwen hemel daalt de zonnegloed,

als een stroom van vuur, op den rotsachtigen grond. Wij zijn in de

maand October: eene verkwikkelijke warmte doordringt en koestert ons;

een fijn zilverachtig stof beweegt zich trillend boven den grond en

hult alle voorwerpen in een doorzichtigen sluier.

Even voorbij Lissone, een der armoedige, verstrooide dorpen, die wij

doortrekken, wordt onze aandacht getrokken door een eigenaardig gezang,

zacht en sleepend van toon, dat ons herinnert aan de liederen der

bergbewoners van Andalusië, of aan het droevig, eentonig gezang der

kabylische herders. Aan de spits harer kudde, bestaande uit mouflons,

bokken, grijze en zwarte schapen, wandelt eene jonge herderin, in

schitterende kleeding. Al voortgaande, borduurt zij met vlijtige hand,

en geleidt tevens hare kudde, die schijnt te volgen op de maat van

haar zonderling gezang. De jonge herderin volgt de uitgedroogde, met

steenen bezaaide bedding van een diepen stroom, en kan ons, die langs

den grooten weg door de hooge vlakte voorttrekken, niet zien. Onbemerkt

volgen wij haar. Op een grooten witten doek, met een rooden zoom

naar griekschen smaak geborduurd, teekent zij met de naald fraaie

eikenbladeren, en dat niet naar een patroon, maar geheel naar eigen

ingeving en smaak. Eene uiterst bevallige verschijning. Haar blonde

hairen, kroezig en kort geknipt als die van een knaap, ontsnappen van

onder haar nauwsluitend rood mutsje, met zilveren pailletten versierd;

vergulde sechinen en medailles hangen aan haar ooren en tot op haar

schouders; om haar hals slingeren zich glaskoralen snoeren. Hare borst

is bedekt met een fraai geborduurd hemd, in kleur en teekening aan de

russische hemden niet ongelijk; een breede gordel van gedreven zilver

omsluit den veelkleurigen wollen rok met lange franje omzoomd, die

tot op de beenkleederen van dezelfde stof afdaalt. De wijde mouwen,

ter hoogte van den elleboog met sterren geborduurd, steken helder af

bij den donkerblauwen overrok, die tot beneden de knieën reikt. Een

groote geborduurde zak hangt op haar rug; haar sierlijke herderstaf

steekt in haar gordel.

Zij is geheel alleen, te midden dezer groote eenzaamheid: men zou

geneigd zijn zich af te vragen, waartoe dit goud, die pailletten, die

muntstukken, die koralen, en al die levendige, schitterende kleuren,

te midden dezer naakte, sombere rotsen? en door welk zonderling toeval,

waar de natuur zoo doodsch, het landschap zoo eentonig en dor is,

kleur en leven, glans en harmonie herboren worden en triomfeeren in

de kleeding eener eenvoudige herderin?

Wij komen te Ostrovitsa en overnachten aldaar. De vlakte nabij het

dorp, aan alle zijden door bergen omgeven, gelijkt een reusachtigen

circus: naar men zegt, werd hier eenmaal een bloedige slag tusschen

de Turken en de Kroaten geleverd; het slagveld is tegenwoordig een

groot moeras, waarin het wemelt van bloedzuigers. De duisternis valt

plotseling in: wij hebben den voet van een hoogen heuvel bereikt,

die op een lagen voorsprong de nederige kerk van Ostrovitsa draagt,

waarboven zich de eigenaardig gevormde granietmassa verheft. Hier wordt

de karavaan ontbonden: ieder gaat zijns weegs en zoekt een geschikt

verblijf voor den nacht op. Inmiddels leggen onze pandoeren vuur aan

in eene vrij groote ruïne, die tot karavanserai dient. Een geheel

schaap wordt aan het spit--een eenvoudigen stok--gestoken en boven

het vuur gebraden; de mannen legeren zich deels op den grond in de

nabijheid van het vuur, en staan deels, half in de schaduw, half door

den rossen gloed verlicht, wachtende dat het smakelijk maal gereed

zij. De ruïne, waarin wij ons bevinden, is meer dan waarschijnlijk

een dier groote kavaleriekazernen, die de maarschalk Marmont, tijdens

het fransche bestuur, op verschillende punten in Dalmatië liet bouwen.

Wij hebben den nacht doorgebracht op een matras van maïs, in

een kamer met witgepleisterde muren en zonder meubelen: de zon

dringt door de reten van het luik, dat het venster afsluit: het

is bereids klaar dag. Wij keeren naar de kazerne terug en laten de

paarden zadelen. Kort daarna gaan wij op weg, aangestaard door de

saamgestroomde nieuwsgierigen van het dorp.

Wij komen achtervolgens door Otrés, Kernievo, Varivode, Zetchévo en

Kistagne. Het landschap is hier veel minder eentonig en zelfs schoon,

hoewel de streek toch over het algemeen een treurigen indruk maakt. Nu

eens zijn het uitgestrekte vlakten van eene fraaie grijze kleur,

met sombere olijven, die zich donker afteekenen tegen den bleek

gouden achtergrond van het gebladerte der wijngaarden in den herfst;

dan weder, rotsige heuvelen, straks andermaal afgewisseld door grijze

valleien, waarin talrijke kudden grazen, als witte en zwarte stippen

alom verspreid. Overal is gebrek aan aarde: over eene uitgestrektheid

van vele mijlen is de grond letterlijk als met steenen geplaveid,

waartusschen gaten, spleten en scheuren, even als in die oude,

vervallen romeinsche wegen, waarvan het plaveisel door den tijd

is losgeraakt.

De weg is eenzaam: het is duidelijk dat de streek weinig bevolkt

is; wij ontmoeten een griekschen pope met zijne echtgenoote en eene

vrouwelijke bediende, allen op het hooi liggende in een kleine kar,

door twee magere paarden getrokken. Nu en dan komen wij eene kleine

armelijke karavaan tegen, waarvan al de vrouwen schrijlings te paard

zitten, de voeten rustende in een van touw gevlochten stijgbeugel.

Een met moerbeziënboomen beplante weg brengt ons te Kistagne. Sommige

eigenaardigheden van het kostuum verraden hier de nabijheid van

Turkije: de oude vrouwen bedekken reeds het benedenste gedeelte van

haar gelaat, terwijl de jonge meisjes haar aangezicht onbedekt houden;

alle mannen dragen een tulband, en de meesten hebben in hun gordel

een lange houten pijp met een kop van gebakken aarde. De bevolking

behoort tot de grieksche Kerk; in de tien dorpen, die tot het kanton

van Kistagne behooren, vindt men slechts enkele katholieke familiën. De

vlakte is uitgestrekt en tamelijk vruchtbaar: sedert ons vertrek van

Zara, hebben wij nog zoo veel boomen als hier niet bijeen gezien. Voor

het eerst bespeuren wij op den rotsgrond eene laag vruchtbare aarde

van eenige dikte. Vroeger was er te Kistagne een sirdar gevestigd,

een hoofdman der pandoeren, onder de bevelen staande van den kolonel

van het distrikt. De oostenrijksche regeering heeft, op de meeste

plaatsen, deze soort van plaatselijke milicie afgeschaft en door haar

bureaukratie en gendarmerie vervangen. De oorspronkelijke organisatie

dagteekende uit den tijd der Venetianen. Dalmatië was destijds verdeeld

in zee- en landdistrikten; de sirdars waren toen in de eerste plaats

burgerlijke overheidspersonen, die tevens recht spraken in alle

civiele geschillen, waarbij geen hooger bedrag dan van tien gulden

betrokken was. Zij hadden onder hunne bevelen de plaatselijke milicie

der pandoeren, die, zoo als ik reeds gezegd heb, niets anders waren

dan gewapende boeren, bij beurte een of twee dagen in de week dienst

doende, naar gelang van omstandigheden, en die, in geval van nood,

eene niet onaanzienlijke macht konden op de been brengen.

Even voor wij aan Kistagne komen, juist waar de Kerka den weg snijdt,

slaan wij ter zijde af om een blik te werpen op de diepe kloof, waarin

deze rivier stroomt, en op enkele romeinsche bogen, aan den zoom

dezer diepte verrijzende. De plek heet Archi-Romani of Soupiaia: eene

verbastering van Supplia zarkva (doorboorde kerk). Daar stond de oude

stad Burnum, waarvan nu niets meer overig is dan deze bogen. De Kerka

vormt, op korten afstand van deze plek, in haar smalle vallei, een

fraaien waterval van eenige ellen hoogte. Behalve dezen val heeft de

Kerka nog twee andere cascaden: die van Roncislap en die van Scardona.

Wij keeren spoedig naar den grooten weg terug, ten einde Knin,

waarvan wij nog drie uren verwijderd zijn, vóór den nacht te kunnen

bereiken. Hoe verder wij komen, des te vruchtbaarder wordt het land;

welhaast kunnen wij ons hart ophalen aan het gezicht van groote

boomen, noteboomen, en akkers met gerst en sorgho beplant; eindelijk

zien wij het stadje Knin, amphitheatersgewijze gelegen aan den voet

van een hooge rots, waarop eene indrukwekkende citadel is gebouwd,

en waarboven zich de toppen van den berg Dinara verheffen.

Knin is wel een der schilderachtigste punten in geheel Dalmatië. Het

stedeke ligt aan den oever van de Kerka, maar zijne laatste huizen

bestijgen de helling van den rotsigen heuvel, die op zijn top de

trotsche vesting draagt. De plaats telt betrekkelijk weinig huizen;

enkelen daarvan zijn van hout, waardoor de buurt langs de rivier

een eigenaardig turksch karakter verkrijgt. Vóór de uitvinding van

het geschut, was deze stelling bijna onneembaar. In de oorlogen

tusschen de Turken en de Venetianen, werd de stad twintigmaal

genomen en hernomen. De Koningen van Kroatië en Hongarije hebben

haar beurtelings bezeten; de Turken veroverden haar in 1522, en

hielden haar honderd-vijf-en-twintig jaar in bezit. De venetiaansche

krijgsoversten Foscolo en Cornaro ontnamen haar in 1647 aan de Turken,

waarna de stad, tot aan den ondergang der republiek, in de macht

van Venetië bleef. Allen, die hier achtervolgens de heerschappij

in handen hadden, ten volle het belang beseffende dezer stelling,

die de vallei van de Kerka beheerscht, hebben voortdurend gearbeid

aan de versterking der plaats, in verband met de vorderingen der

militaire wetenschap; ook nog tijdens het fransche bestuur zijn hier

zeer belangrijke werken aangelegd. De bezetting van deze citadel,

als een arendsnest op den top der rotsen gebouwd, en niet dan langs

moeilijke, eindeloos slingerende paden bereikbaar, bestaat thans uit

eene kompagnie artillerie en eene kompagnie infanterie.

Het ontbreekt der kleine stad, waar drie wegen samenloopen, niet aan

levendigheid; de Kerka deelt aan de omringende streek vruchtbaarheid

mede, en er wordt een vrij drukke handel met Bosnië gedreven. De

Turken voeren daar het hout hunner bosschen aan; zij laden dit hout op

kleine, sterk gespierde, tegen alle vermoeienissen geharde paarden,

die in lange karavanen de uiterst bezwaarlijke bergpaden met hunne

zware vracht beklimmen.

De maarschalk Marmont, gouverneur van de zoogenoemde Illyrische

provinciën, vestigde zich in 1806 te Knin, om in persoon de

toegangswegen naar Bosnië te bestudeeren. Turkije en Rusland waren

destijds in oorlog gewikkeld, en Sebastiani had voorgesteld, Sultan

Selim te hulp te komen met eene afdeeling van vijf-en-twintigduizend

man, die uit het bezettingsleger van Dalmatië zouden genomen

worden. Daar Marmont zelf het bevel over die troepen zou voeren, was er

hem veel aan gelegen, zich nauwkeurig bekend te maken met den weg, dien

hij volgen moest, en met de geschiktste gelegenheden om naar Livno te

komen. Dit gaf aanleiding tot de schepping van een stelsel van groote

wegen en binnenlandsche communicatiën, waardoor Marmont zich voor immer

aanspraak heeft verworven op de dankbaarheid van het land, voor welks

ontwikkeling hij zoo veel gedaan heeft. Men kan zich tegenwoordig bijna

niet voorstellen, hoe moeilijk en gebrekkig de gemeenschap vroeger

was. Voor militaire operatiën was het land volstrekt ongeschikt:

de marschen waren niet alleen uiterst moeilijk, maar er was geene

enkele gelegenheid om levensmiddelen of ammunitie to vervoeren; aan

het vervoer van artillerie viel in de verte niet te denken. Men zal mij

vragen, hoe hebben dan de Venetianen, eeuwen lang, de worsteling tegen

de Turken kunnen volhouden? Zij beheerschten de zee en konden met hunne

vloot overal in de hun onderworpen havens aanleggen. Elke stad langs

de kust, van Zara tot Ragusa, was door muren omgeven on beschermd

door forten, waarop de vlag der republiek wapperde. De poorten aan

de landzijde waren even zoo vele bruggehoofden, die zeer gemakkelijk

konden verdedigd worden. De Turken verkeerden daarenboven in zeer

ongunstigen toestand: om Dalmatië te bereiken, moesten zij eerst de

steile en rotsige bergen overtrekken, die van Kroatië tot Cattaro, de

natuurlijke grensscheiding der provincie vormen; zij konden daarbij

hun geschut niet medevoeren; en wanneer zij, eindelijk in de vlakte

doorgedrongen, het beleg voor eene stad sloegen, kon de insluiting

toch nooit volkomen zijn, omdat de gemeenschap ter zee altijd voor

de Venetianen open bleef. Maar tijdens het fransche bestuur was de

Adriatische-zee in de macht van de vloten der gealliëerden. Marmont

moest zich dus de gelegenheid verschaffen, om in het land zelf met

een leger, van geschut en materieel voorzien, te kunnen opereeren:

van daar de noodzakelijkheid van den aanleg van wegen, die, hoewel

met een strategisch doel gemaakt, toch zooveel hebben bijgedragen

tot de ontwikkeling en de welvaart des lands.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 25 / 92 题