I.

Den 15den Januari 1873, twintig minuten voor elf uur in den

voormiddag, verliet de Vaudreuil de reede van Papeete, op het

eiland Tahiti. Nauwelijks waren wij in het ruime sop gekomen, of

de vuren werden gedoofd en de zeilen geheschen. Ons eerste station

zou het eiland Anaa zijn, het belangrijkste punt van den archipel

van Toeamotoe.

De wind, die in deze streken doorgaans uit het oosten blaast,

verhinderde ons den rechten weg te volgen; ware dit mogelijk geweest,

dan hadden wij in minder dan twee dagen den afstand van ongeveer

tachtig zeemijlen, die Anaa van Papeete scheidt, kunnen afleggen.

Eenige uren na ons vertrek kregen wij de Tetiaroa-eilanden in

het gezicht, vijf-en-twintig mijlen ten noorden van kaap Venus

gelegen. Deze kleine eilandjes of liever koraalriffen, die thans aan

koningin Pomare behooren, zijn geheel met kokospalmen bedekt.

In den morgen van den 17den kwamen wij in het gezicht van het eilandje

Meetia, dat tot een der distrikten van Tahiti, het distrikt Tautira,

behoort. Dit hooge eilandje, omstreeks twintig zeemijlen van de

zuid-oostpunt van Tahiti verwijderd, is een uitnemend herkenningspunt

voor de schepen, die de haven van Papeete willen binnenloopen en voor

de kustvaarders. Het eiland telt eene weinig talrijke bevolking. Den

vorigen avond waren wij het eiland Makatoa voorbijgestoomd, dat mede

vrij hoog uit de zee oprijst en door omstreeks honderd-dertig inlanders

bewoond wordt. Het eiland is rijk aan prachtige tamanoe, een soort

van boomen, die zeer gezocht worden voor de vervaardiging van prauwen

en ook voor het bouwen van woningen. Makatea bezit diepe grotten,

versierd met prachtige stalactiten. Vroeger werden de misdadigers

van Tahiti derwaarts gedeporteerd.

Den 20sten Januari, des nachts ten een uur, bevonden wij ons tegenover

de westelijke landpunt van Anaa. Toen ik, tegen zonsopgang, op het

dek kwam, lag het eiland daar voor mij, als verborgen achter een

dichten sluier van weelderig groen. Omstreeks negen uur wierpen wij het

anker uit voor het voornaamste dorp, Toeahora genoemd; daar wapperde,

aan een hoogen mast, de fransche vlag.

Anaa is een boomrijk eiland, dat eene lengte heeft van achttien

en eene breedte van negen mijlen. Het bestaat eigenlijk uit een

groot aantal koraal-eilandjes, even als de ringen van een ketting

aan elkander geschakeld en rustende op een cirkelvormig rif. Deze

eilandjes zijn over het algemeen vrij hoog, vooral in het noordelijk

gedeelte. Anaa is het meest bevolkte eiland van den ganschen archipel;

het telt ongeveer vijftienhonderd inwoners, die in beschaving boven

die van de andere eilanden uitmunten. Het eenige voortbrengsel is

kokosolie. De fransche resident is op dit eiland gevestigd.

Wat van Anaa geldt, geldt van bijna alle eilanden van den archipel. Het

zijn schier allen lange koraalriffen, ter breedte van vier- of

vijfhonderd el, die een binnenmeer omgeven, dat op Rairoa een omtrek

heeft van honderd mijlen, en op het eiland Fakarava een omtrek van

negen mijlen. Die lange koraalrotsen, deels met de oppervlakte van

het water gelijk liggende, deels slechts eenige ellen boven de zee

verheven, bieden aan de buitenzijde geen ankerplaats aan, terwijl zij

aan de binnenzijde met zachte glooiing tot dikwijls zeer aanzienlijke

diepte afdalen. Enkelen dezer lagunen of meren, door die geweldige

koraaldammen gevormd, zijn met de zee verbonden door smalle straten of

kanalen, die voor schepen van alle grootte toegankelijk zijn; anderen

zijn alleen voor kleine vaartuigen bereikbaar. Vele eilanden hebben

in het geheel geen doorgang voor de vaartuigen, die dan over het rif

heen naar het binnenmeer moeten gedragen worden: een gevaarlijk werk,

zelfs voor de inlanders. Maar dezen, die allen zonder uitzondering

voortreffelijke zwemmers zijn, loopen toch altijd minder gevaar dan

de vreemdelingen, voor wie het in- of ontschepen dikwijls met zeer

ernstige bezwaren gepaard gaat, ten gevolge van de doorgaans zeer

hevige branding, die met donderend geraas op de koraalriffen breekt.

De prachtige lagune van Anaa, waarvan de smaragdgroene wateren heerlijk

afsteken bij de hemelsblauwe kleur der zee, staat met deze laatste in

gemeenschap door middel van een gegraven kanaal, dat in 1860 door de

koraalbank is aangelegd. De geweldige stroom, die hier bijna altijd

gaat, maakt echter de vaart door dit kanaal zeer gevaarlijk. Het water

van het meer, dat niet op gelijk peil ligt als de zee, stroomt met

groote kracht door deze nauwe opening. Een rots, die het kanaal in twee

armen splitst, veroorzaakt geweldige opstuwing en maakt de vaart nog

moeilijker; het voornemen bestaat echter om die rots te doen springen.

Dit gemis van eene behoorlijke gemeenschap tusschen het binnenmeer

en de zee, is eene wezenlijke belemmering voor den handel van het

eiland. De regeering zou daarom zeer gaarne zien, dat de inlanders

hun kokosolie voornamelijk ter markt brachten op het eiland Fakarava,

dat in zijne volle lengte doorsneden wordt door een kanaal, hetwelk

aan de beide uiteinden, ten noorden en ten zuiden, met een breeden

mond in zee uitloopt. De resident van de Toeamotoe-eilanden, die van

een inlandschen visscher vernomen had dat het rif zich ten noordoosten

van de uitmonding van het kanaal van Anaa nog een weinig onder water

voortzet, heeft op dit vrij steil afloopende gedeelte een soort van

aanlegplaats doen maken. Voldoet deze aan de verwachting, dan zou een

groot schip daar kunnen ankeren, en niet, zoo als wij nu, genoodzaakt

zijn, voortdurend te manoeuvreeren, ten einde op zekeren afstand van

de kust te kunnen blijven.

De bewoners dezer eilanden zijn niet ontbloot van zeker gevoel van

nationale eigenwaarde, zoo als uit het volgende blijkt. Omstreeks

vijf-en-twintig jaar geleden, tijdens het bestuur van den heer Bonard,

werd te Papeete eene algemeene vergadering gehouden van afgevaardigden

van alle eilanden, die onder het fransche protektoraat staan. De

afgevaardigden van den archipel kwamen daarin met nadruk op tegen de

benaming van Paumotoe (onderworpen eilanden), weleer aan deze eilanden

gegeven door de bewoners van Tahiti, die ze door de wapenen hadden

veroverd. Op hun aandrang sprak de vergadering den wensch uit, dat

de oostelijke archipel voortaan niet anders zou worden genoemd dan

Toeamotoe (verre eilanden). De fransche overheid, aan dien wensch

gehoor gevende, heeft dan ook, sedert 1852, aan dezen archipel, in

officiëele stukken, geen anderen naam gegeven dan dien van Toeamotoe.

De resident verschijnt bij ons aan boord, om het ontbijt te gebruiken

en onzen kommandant te bezoeken. Na afloop van het ontbijt laten wij

ons in eene sloep aan land roeien.

Het dorp Toeahora is op de smalle zandige landtong gebouwd, die

het binnenmeer van de zee scheidt, ter wederzijde van een witten

weg, waarvan de felle weerschijn, bij het blakerende zonnelicht,

ons haast de oogen verblindt. Met het toenemen der welvaart heeft de

ontwikkeling der behoefte aan meerder levensgemak en die der nijverheid

onder de inlanders gelijken tred gehouden: gaandeweg hebben zij hunne

armzalige hutten vervangen door aardige woningen, met palmbladeren

bedekt; deze woningen staan meestal op blokken koraal. De stijlen,

de lijsten, de deuren en vensters zijn vervaardigd van het hout van

den boom, wiens bladeren tot bedekking dienen; de ruimte tusschen de

stijlen wordt aangevuld door een vlechtwerk van kokosbladeren. In

sommigen dezer woningen vindt men bedden, behoorlijk van matten en

muskietenschermen voorzien.

Nabij deze woningen wordt onze aandacht getrokken door groote

kloven of uithollingen in het koraal. Deze kuilen of kloven hebben

eene diepte van vier tot vijf el, zijn zes tot zeven el breed, en

omstreeks vijftien el lang. De inlanders verzamelen daar een weinig

aarde, en maken dan van die droge grachten een soort van tuinen,

waarin zij uitmuntende taro (arum esculentum), suikerriet, bananen,

ananassen en tabak kweeken.

Na eene vrij langdurige wandeling door het dorp Toeahora, waar wij

overal met groote vriendelijkheid bejegend worden, begeven wij ons

naar het residentshuis, om daar, uitgeput van de hitte en vermoeienis,

een weinig te rusten. De resident, de heer Mariot, luitenant ter

zee, ontvangt ons met de meeste hartelijkheid en doet ons eenige

ververschingen toedienen, waaraan wij grootelijks behoefte hebben.

De kleine kazerne van het garnizoen maakt deel uit van het

residentshuis. Ik ga haar zien. Een sergeant der mariniers, die voor

eenige jaren naar Tahiti gegaan is met de Sibylle, waarop ik destijds

diende, toont mij de beknopte, maar doelmatige inrichting. Hij

biedt mij een fraaien rotting van pandanushout ten geschenke aan,

benevens eenige sierlijke schelpen, tot verrijking onzer collectie

aan boord. Het opperhoofd van Toeahora, een prachtig gebouwd man

met een zeer schrander gelaat, bevindt zich bij den resident;

wij ontmoeten daar ook den vorst van het eiland Kauehi, die ons op

onzen tocht als loods moet dienen, benevens den officiëelen tolk,

een gewezen sergeant der mariniers, die hem moet vergezellen. Ook

onze kommandant verschijnt, en weldra wordt een gesprek aangeknoopt,

straks afgebroken door het geroffel van trommels en het luid gezang

eener menigte van inboorlingen, zoo mannen als vrouwen, die voor het

residentshuis zijn saamgekomen. Deze brave lieden willen ons, op hunne

eigen manier, eene uitspanning bezorgen. Als altijd, is de dans daarbij

hoofdzaak. Wij nemen plaats onder de breede veranda voor de woning

van den resident, terwijl de inlanders in de brandende zon blijven.

De Toeamotoes staan bekend als de onvermoeidste dansers van alle

eilanders onder fransch protektoraat. Zij hebben twee verschillende

soorten van dansen. Bij de eene, blijven zij op hunne hielen

neergehurkt zitten, en maken in die houding met hunne armen de meest

afwisselende en dikwijls zeer bevallige bewegingen, waarbij zij, op

de maat, een eentonig gezang aanheffen. De andere dans is een ware

pantomime, waarbij de dansers door allerlei gebaren de hartstochten

uitdrukken, waaraan zij ten prooi zijn. Een der toeschouwers geeft

de maat aan, door met de palm der hand op een trommel te slaan,

een uitgehold stuk van een kokosstam, waarover het vel van een haai

gespannen is. Ditmaal wordt dit eenvoudig inlandsch instrument

vervangen door twee gewone trommels, die met groote handigheid

bespeeld worden. De andere toeschouwers moedigen de dansers aan,

door met groote kracht, op de maat, in de handen te klappen.

De inboorlingen van Anaa, die in veelvuldige aanraking zijn met

de bewoners van Tahiti, stellen zich voor hun voedsel niet meer

tevreden met de vruchten van den pandanus (een soort van palmboom)

en de visschen van hun meer. Zij hebben daarom op hun eiland de

proef genomen met de aankweeking van kokosboomen, en die proef is

uitnemend geslaagd: de boom groeit op het eiland bijna in het wild. De

kokospalm heeft zich vervolgens van het eene eiland naar het andere

voortgeplant, tot ver in het oosten van den archipel. Deze zoo bij

uitnemendheid nuttige boom heeft echter een geduchten vijand in een

soort van groote landkrab, met zeer sterke scharen gewapend, voor

wie de vrucht van den kokospalm eene zeer geliefde lekkernij is.

De kokosnoot is tegenwoordig een der hoofdbestanddeelen van het

voedsel der eilanders; zij gebruiken die ook om varkens, gevogelte

en honden te mesten. Deze laatsten zijn als spijs zeer gezocht.

De wijze van bereiding der kokosolie is nog zeer eenvoudig en

onbeholpen. De eilanders verzamelen de rijpe vruchten, die van den

boom vallen, en raspen die met eeu uitgetand stuk ijzer, aan een hout

bevestigd. Het aldus verkregen meel of deeg bewaren zij in bakken,

die in kokosstammen worden uitgehold, en waarin het, gedurende twee of

drie weken, aan de werking der zonnestralen blijft blootgesteld. Na

verloop van dien tijd is dit deeg in zoo ver tot vloeibaren staat

overgegaan, dat men, door het met de hand te kneden, althans een

gedeelte der olie kan uitpersen. Het overschietende deeg wordt dan

onder eene ruw bewerkte houten pers geplaatst, en levert nog eene vrij

groote hoeveelheid olie; maar toch gaat er een deel verloren. Vele

handelshuizen zenden dan ook de noten in haar natuurlijken toestand,

onder den naam van copperas, naar Europa, waar zij op veel doelmatiger

wijze worden uitgeperst. Hetgeen na de persing overblijft, dient tot

voedsel voor het vee, of wordt als mest gebruikt.

De dag loopt ten einde; men waarschuwt den kommandant dat de

levensmiddelen en de andere voor den resident bestemde zaken aan wal

zijn bezorgd. Hij geeft het teeken tot vertrekken, en wij verlaten

Anaa, om naar boord terug te keeren, zeer tevreden over ons uitstapje

en over de vriendelijke ontvangst van den resident.

In den loop van den 24sten varen wij voorbij het eiland Anoeanoeroenga,

eigenlijk uit vier eilandjes bestaande, nevens elkander op een

rif geplaatst, waarvan het middengedeelte wordt ingenomen door een

lagune of binnenmeer, dat voor vaartuigen uit zee ontoegankelijk

is. Het naburige eiland Anoeanoeraro, dat volgens officiëele opgaven

onbewoond is, werd in het begin van 1874, door den resident der

Toeamotoe-eilanden bezocht. Aan het verslag van dien officier ontleen

ik het volgende:

"Den 9den Januari, des avonds, zijn wij aan het eiland Anoeanoeraro

gekomen, waar ik wist dat zich schipbreukelingen in gevaarlijken

toestand bevonden. De ellende dezer ongelukkigen ging alle beschrijving

te boven. Op het gansche eiland was geen stuk goed katoen of doek te

vinden, dan de vlag van het protektoraat. Mannen en vrouwen hadden

niets om zich mede te bedekken dan eenige schorten, van de bladeren

van den pandanus gevlochten. Het eiland was vroeger bezocht geworden

door de kustvaarders van den heer Brander, die er kwamen om parelmoer

te zoeken, maar die niet zijn teruggekeerd, omdat deze visscherij

geen voldoende opbrengst gaf. De schipbreukelingen waren ten getale

van zes-en-veertig, allen inboorlingen van Vahitahi; zij waren met

hunne prauwen van dat eiland naar Anaa gegaan, om de vlag van het

protektoraat en wetten te vragen, die hun ook gegeven werden door den

heer Dubouzet, destijds te Anaa, waarheen hij zich begeven had om bij

de inwijding der kerk van Tematahoa tegenwoordig te zijn. Zij keerden

naar hun vaderland terug, toen zij door een storm overvallen werden,

die hen op de klippen van Anoeanoeraro wierp, waarop hunne prauwen

werden verbrijzeld, en waarbij twee personen het leven verloren. Hun

eenige voedsel bestond uit het sap en de vrucht van den pandanus,

en uit een soort van schelpdier. Gelukkig ontbrak het hun niet aan

goed drinkwater. Ondanks deze ellende, hadden zij altijd in goede

verstandhouding onder elkander geleefd. Toen ik het rif aandeed,

kwamen deze arme lieden, bevreesd dat hun voorkomen ons tot terugkeer

zou nopen, haastig naar ons toe, roepende: "Weest niet bevreesd,

wij zijn geen wilden, wij zijn ongelukkige menschen!"

Zij werden aan boord van de goëlet la Mésange opgenomen, en naar

Vahitahi, hun vaderland, teruggebracht, dat zij voor omstreeks twintig

jaar verlaten hadden.

(Wordt vervolgd).

De uitvinder der alpakawol.

In vroeger tijd heerschte vrij algemeen de nog niet geheel

overwonnen meening, dat de som der goederen van deze wereld voor

geene vermeerdering vatbaar is, dat zij slechts van de eene hand in

de andere overgaan, en dat de rijkdom van den een niet te verkrijgen

is dan ten koste van de armoede van den ander. Het mag der nieuwere

wetenschap tot haar eer worden nagegeven, dat zij deze bekrompen

dwaling heeft bestreden, en het tegendeel met daden bewezen. Juist

daarom komt aan de uitvinders eene plaats toe onder de weldoeners

der menschheid, omdat zij, in zekeren zin, nieuwe goederen, nieuwe

waarden, scheppen, of althans tot dusver ongebruikte middelen ter

bevrediging van behoeften binnen het bereik van het algemeen brengen;

dat zij verborgen natuurkrachten dienstbaar maken, en den arbeid des

menschen verlichten of hem in staat stellen, met minder inspanning,

meer te volbrengen. Onder die weldoeners der menschheid rekenen wij de

onbekende ontdekkers van het ijzer, van den ploeg, van den wagen, van

het schip, van het glas, en evenzeer de uitvinders der stoomwerktuigen,

van de spin- en weefmachines, van spoorwegen en telegrafen, en van

zooveel meer, dat tot verhooging der menschelijke arbeidskracht of

tot vermeerdering van den welstand des levens bijdraagt.

Tot deze mannen behoorde ook Titus Salt, die voor weinige weken, in den

ouderdom van 74 jaar, op zijn landgoed bij Halifax is overleden. Met

hem is weder een dier heroën der industrie ten grave gedaald, aan

wie Engeland zijne tegenwoordige grootheid op ekonomisch gebied te

danken heeft. Maar bij weinigen slechts valt het verband tusschen

de werkzaamheid van een enkelen man en de welvaart eener gansche

landstreek, zoo duidelijk in het oog, als bij hem. Toen Titus Salt,

de zoon van een eenvoudigen wolhandelaar uit Wakefield, die zijne

geheele opvoeding op de gewone volksschool ontvangen had, met zijn

vader Daniël naar Bradford verhuisde, was deze plaats niets meer dan

een gewoon fabrieksdorp. De handel in wollen stoffen voor vrouwelijke

kleeding verkeerde nog in zijne kindschheid. De onvermoeide arbeid

en inspanning van vele tientallen jaren was noodig, om het vlek tot

eene zelfstandige stapelplaats zijner wollen stoffen te maken, en

nog telde Bradford niet meer dan 30.000 inwoners. Tegenwoordig heeft

het zich tot eene stad van 150.000 zielen en tot een der grootste

middelpunten van den wereldhandel verheven. Het is het brandpunt

der alpaka-industrie, van waar deze zoo zeer gezochte stof naar alle

deelen der wereld verzonden wordt.

Nog voor omstreeks dertig jaar wist men ter nauwernood, dat op

de hoogvlakten der Cordilleras van Peru en Chili een soort van

lama of bergschaap leeft, dat in groote kudden over de uitgestrekte

grasvelden ter hoogte van 2500 el boven de zee zwerft. Als lastdier is

de alpaka, uit hoofde zijner koppigheid en onhandelbaarheid, niet te

gebruiken. Intusschen wist men reeds ten tijde der oude Inkas uit zijne

wol eene stof te bereiden en die ook te verwen. Deze kunst was echter

met het rijk der Inkas te gronde gegaan; slechts de Indianen gebruikten

de alpakawol nog voor de vervaardiging van grove dekens en mantels. De

vervaardiging van fijnere stoffen en weefsels scheen langen tijd, door

den aard der wol zelve, onmogelijk, want deze was noch met de hand,

noch met de tot dusver bekende spinmachines voldoende te bewerken.

Ook nadat Titus Salt zijne nieuwe methode van bewerking had toegepast,

zagen andere fabriekanten, zoo lang hij zijn geheim niet had

geopenbaard, zich gedwongen, de alpakawol met andere, meer handelbare

stoffen, zooals katoen, zijde, kamgaren, te vermengen. Nadat Salt

echter zijne uitvinding, die het hem mogelijk maakte uitsluitend

alpakawol voor zijne weefsels en stoffen te gebruiken, algemeen had

bekend gemaakt, en den handel met een nieuw artikel verrijkt, dat alle

soortgelijke artikelen in schoonheid, duurzaamheid en goedkoopheid

overtreft, heeft de alpakateelt een zeer groote vlucht genomen,

en treft men in Peru en Chili talrijke kudden van deze dieren aan,

die echter vrij rondzwerven en door de eigenaars alleen voor het

scheeren bijeen worden gedreven.

Reeds in den eersten tijd van zijn verblijf te Bradford, werd de

aandacht van Titus Salt op de aanwending van nieuwe, tot dusver in de

wolindustrie onbruikbaar geachte grondstoffen gevestigd. Aanvankelijk

bepaalde hij zijne keus op eene uit zuidelijk Rusland, van de oevers

van den Don, afkomstige grondstof, de zoogenaamde Donskoiwol. Hij

stichtte eene nieuwe fabriek, uitsluitend met het doel om deze zeer

gewone stof te bewerken, en deze proefneming werd het uitgangspunt voor

zijne latere, meer belangrijke uitvinding. In het jaar 1836 toonde hem

een koopman van Liverpool, van wien hij wol placht te koopen, eenige

balen met glansrijk hair, die men hem gezonden had, doch die hij aan

niemand kwijt kon worden. Dit hair was afkomstig van de alpaka's. De

jonge Salt nam een baal mede naar huis, en kwam later terug om

niet alleen de gansche bezending, maar ook den geheelen voorraad,

die daarvan in Liverpool te vinden was, op te koopen. Na volhardende

inspanning en herhaalde proefnemingen, en na raadpleging met ervaren

werktuigkundigen, was het hem ten slotte gelukt een middel te vinden,

niet alleen om het alpakahair in de wolindustrie te gebruiken, maar

ook om eene geheel nieuwe kleedingstof te vervaardigen, die het midden

houdt tusschen zijde en wol. Hij liet een nieuw stel van werktuigen

maken, die enkel voor de bewerking van de weerbarstige alpakawol

waren ingericht, en verzekerde zich het uitsluitend eigendom dezer

machinerie door een patent voor zijn persoonlijk gebruik te nemen,

en die toestellen voorloopig niet voor het algemeen verkrijgbaar te

stellen. Daardoor verkreeg hij voor een tijdvak van vijftien jaar

het monopolie van zijn artikel.

De bijval, dien de nieuwe stof al aanstonds bij het damespubliek

vond, en de groote belangstelling, op de eerste wereldtentoonstelling

te Londen daardoor opgewekt, bewogen Titus Salt tot de oprichting

van eene nieuwe groote alpakafabriek, in de nabijheid van Bradford,

niet ver van de ijzergieterij van Low-Moore, na de fabriek van Krupp

de grootste der wereld. Do kolossale inrichting, waarin tegenwoordig

4800 werklieden arbeiden, was in 1855 voltooid, en den schrijver

van deze regelen viel in 1864 het bijzondere voorrecht ten deel,

het anders ontoegankelijke binnenste heiligdom dezer fabriek te

mogen bezichtigen. Onder de talrijke fabrieken, die ik zoowel in

Engeland als op het vaste land had bezocht, zijn er maar weinigen,

waar mijne belangstelling in zoo hooge mate gewekt werd als hier door

de vernuftige machinerie, waarmede de stroeve alpakawol tot fijne

draden geweven werd. Daar de bekende toestellen, die voor het spinnen

van wol, katoen en vlas worden gebruikt, voor dit minder handelbare

materiaal niet dienen konden, bedacht Salt geheel nieuwe, vernuftige

werktuigen, waardoor alle mogelijke wendingen en buigingen, die met

de hand gemaakt kunnen worden, door de als met leven bezielde machine

worden uitgevoerd. Terwijl de toestel zich keert en draait, beweegt hij

de grondstof, ter behoorlijke hoogte, boven gasvlammen, die de wol door

verhitting zacht en buigzaam maken en haar alzoo, door telkens draaien

en wenden, in een draad van de verlangde fijnheid herscheppen. Toen

ik de fabriek bezocht, werd zij door twee stoomwerktuigen van te

zamen 1200 paardekrachten gedreven; deze werktuigen werden door

twaalf naast elkander staande stoomketels gevoed, die reeds toen

met een zeer eenvoudigen rookverteringstoestel waren voorzien. Wie

ooit de fabriekdistrikten, en vooral de ijzer- en kolendistrikten van

Engeland bezocht heeft, zal mij toegeven, dat er weinig dingen zijn,

die op het verstand en de verbeelding beiden sterker indruk maken, dan

de aanblik van eene groote fabriek, waar de machine en de menschelijke

hand als in elkander grijpen en harmonisch samenwerken tot één doel,

en waar de geest van den lang overleden uitvinder nog voort schijnt

te leven in dat samenstel van machines, zich bewegende in vasten

takt, met nimmer falende regelmatigheid. Maar niemand zal ontkennen,

dat dit genot zeer wordt vergald door den onverdrijfbaren kolendamp,

die over deze streken en over bijna alle engelsche steden hangt, en

dezen als tot een voorportaal der hel maakt;--al willen wij gaarne

toegeven dat het leven op de engelsche landgoederen en kasteelen

bijna een voorsmaak des hemels mag genoemd worden. Hoe groot was dus

mijne verbazing, toen ik, nog met de versche herinnering aan de zwart

berookte baksteenmuren en den grauw-zwarten dampkring der engelsche

fabrieksteden vervuld, het reusachtige etablissement van Salt in volle

werking vond, zonder dat een spoor van rook, hetzij aan de gebouwen,

hetzij in den dampkring, te bemerken was. Sedert negen jaar stond

daar de fabriek, en in haar omtrek honderden arbeiderswoningen: en

nog hadden de grijze zandsteenmuren niets van hunne oorspronkelijke

kleur verloren. Slechts aan de beweging der lucht boven den geweldigen

slanken schoorsteen, was het te bemerken dat de stoomketel gestookt

werd. En hoe eenvoudig was deze inrichting! Boven elken vuurhaard der

twaalf ketels was een rij pijpen aangebracht, die eene massa stoom

boven het vuur lieten spelen, waardoor de kooldeeltjes, welke den rook

vormen, werden nedergeslagen en door het vuur verteerd. Het is bijna

twintig jaar geleden, dat het Parlement eene wet heeft uitgevaardigd,

waarbij aan de fabrieken de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen

van rookverterende werktuigen. Nog steeds wordt die wet geregeld

ontdoken, en de dampkring van vele engelsche steden verpest, hoewel

het middel ter voorziening zoo eenvoudig is, en de rookverslinder bij

de lokomotieven op de onderaardsche spoorwegen in Londen zoo uitnemend

werkt, dat men onder den grond soms betere lucht inademt dan boven.

Aan de voortreffelijke mechanische inrichting der grootste

alpaka-fabriek, die naar haren stichter den naam van Saltaire draagt,

beantwoordt de niet minder uitnemende ligging voor den handel. In dit

opzicht mochten wel alle toekomstige fabrieken aan deze een voorbeeld

nemen. Hierin ligt ook een der redenen van de meerderheid der engelsche

fabrieken. Er loopt namelijk niet alleen door de fabriek een spoorweg,

die aan twee kanten met de groote lijnen voor het verkeer in Engeland

in verbinding staat, maar een der vleugels van het hoofdgebouw grenst

onmiddellijk aan het kanaal, dat Engeland in de breedte doorsnijdt,

en Liverpool met Hull verbindt. De produkten der fabriek kunnen

alzoo, rechtstreeks, door vrachtschepen, aan de eene zijde naar den

Atlantischen-oceaan, en aan de andere naar de Noordzee en het Kanaal

worden vervoerd. Door middel van de boven het gebouw oprijzende kraan

worden de schepen, die de grondstof aanbrengen, gelost, en weder met

de produkten der fabriek geladen om die naar de havens te brengen,

van waar stoombooten ze naar alle oorden der wereld vervoeren. Geen

wonder, dat de fabriek onmetelijke winsten oplevert, die reeds in 1864

op niet minder dan 30.000 pond sterling per jaar werden geschat. En

dit cijfer is inderdaad niet overdreven, daar Titus Salt reeds in het

negende jaar na de stichting zijner fabriek, met zijn spaarpenningen

een landgoed ter waarde van 250.000 pond aankocht!

Titus Salt heeft zich evenwel niet met deze persoonlijke voordeelen

tevreden gesteld: hij heeft al zijne gaven en vermogens, zoo

geestelijke als stoffelijke, ook gebruikt om het geluk en de welvaart

zijner arbeiders te verzekeren, en om den bloei te bevorderen

der stad Bradford, wier voorspoed zoo nauw met zijne industrie

verbonden was. Zijne edele pogingen vonden bij zijne landgenooten

billijke erkenning en waardeering. Hoewel hij zijn loopbaan als

eenvoudig industriëel begonnen had, werd hij tot lid van het Lagerhuis

verkozen. In 1869 schonk de Koningin hem den titel van baronet; voor

weinige jaren, alzoo nog bij zijn leven, viel hem de eer te beurt,

dat een marmeren standbeeld in de stad Bradford tot zijne gedachtenis

werd opgericht.--Sir Titus heeft elf kinderen nagelaten, waarvan

verscheidene zonen de leiding der fabriek op zich hebben genomen,

en de oudste zoon, als chef der firma Titus Salt's Zonen en C^o,

tevens de baronie erfde.

Bijzondere vermelding verdient hetgeen Salt heeft gedaan voor de

arbeiders zijner fabriek, voor wie hij, om zoo te zeggen, een eigen,

gezonde stad vol fraaie woningen gebouwd heeft. Volgens de laatste

volkstelling bevatte Saltaire 820 huizen met 4389 inwoners. Sir

Titus heeft op zijne fabriek niet slechts sedert lang eene kerk

en eene school gesticht, maar nog in het vorige jaar heeft hij

10.000 pond uitgegeven voor de oprichting en het onderhoud eener

nieuwe zondagsschool. De fabriek heeft niet alleen eigen wasch- en

badinrichtingen, maar er is ook een hospitaal, een invalidenhuis en

bovendien vijf-en-veertig kleine afzonderlijke woningen ten behoeve

van oude gehuwde lieden en weduwen, die niet meer werken kunnen; de

eersten ontvangen bovendien eene wekelijksche tegemoetkoming van tien

shillings, en de laatsten van zeven en een halve shilling. Daarbij

heeft hij in zijn testament aan de arbeiders en de armen van Saltaire

een legaat gemaakt van 30.000 pond sterling, waarvan de renten

moeten dienen voor de oprichting van een bibliotheek en een club met

leeskamer, billard en schaakspelen, en tevens ter bestrijding van de

toenemende behoeften der armen. Ook de stad Bradford dankt aan zijne

weldadigheid nog andere inrichtingen van openbaar nut: Sir Titus schonk

haar een klein park van veertien acres aan de oevers der Aire, en droeg

voor eene zeer aanzienlijke som bij voor den aankoop van het Peelepark.

Eere der nagedachtenis van den man, die niet alleen het geluk zijner

familie, maar ook de welvaart van zijn land door zijn rusteloozen en

verstandigen arbeid bevorderd heeft.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 23 / 92 题