I.

Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute

tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste

twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel

geen zoo algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene

bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles

amongst the Alps in the years 1860-1869,--Tochten in de Alpen in

de jaren 1860-1869--dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert

herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en

italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling,

die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den

helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar

ook om den inhoud zelven. De tochten, door den heer Whymper ondernomen,

behooren tot de merkwaardigste, die in de Alpen zijn volbracht; terwijl

zijn boek, vooral bij de verschijning, eene dubbele aantrekkelijkheid

ontleende aan het verhaal der noodlottige beklimming van den Matterhorn

(Mont-Cervin), waarbij een der beste Alpengidsen en drie jeugdige

landgenooten van den heer Whymper het leven verloren: eene gebeurtenis,

die destijds in geheel Europa de algemeene deelneming opwekte, en nog

niet geheel vergeten is, hoeveel er ook sedert moge gebeurd zijn van

meer ingrijpend belang dan de dood van vier moedige reizigers. Al is

het boek van den engelschen Alpenbeklimmer dan ook reeds enkele jaren

oud, met gerustheid durven wij eenige schetsen daaruit ontleenen, die

den lezers der Aarde gewis welkom zullen zijn, te meer daar, voor zoo

ver wij weten, van deze Scrambles geene hollandsche vertaling bestaat.

Bijna de helft van het boek is toegewijd aan het verhaal van de

verschillende pogingen, die de heer Whymper gedurende negen jaren heeft

aangewend om den Matterhorn te bestijgen; maar hij verhaalt ook in

alle bijzonderheden zijne bestijgingen van den Pelvoux (die vóór hem

slechts door den heer Puiseux, hoogleeraar in de sterrekunde aan de

Sorbonne, was beklommen), van de Pointe des Ecrins, den berg Dolent,

den Grand-Cornier, de Dent-Blanche, de Aiguille-Verte en vele andere

toppen; benevens de niet minder belangrijke tochten door de passen

(cols) van Breuil, van La Brèche, van Pilatte, van Triolet, van

Hérens, van Talèfre, enz. Er is dus geen gebrek aan verscheidenheid

en evenmin aan boeiende episoden.

Den 23sten Juli 1860 vertrok de heer Whymper van Londen, om zijne

eerste reis door de zwitsersche Alpen te ondernemen: eene reis,

die niet anders was dan een verkenningstocht. De heer Whymper trok

hierheen en daarheen, en doorkruiste het land in alle richtingen,

zonder zich ergens te vestigen. Maar hij had de bergen, wier latere

beklimming hij zich had voorgenomen, nauwkeurig bestudeerd en uit

verschillende oogpunten geteekend. Als een voorzichtig veldheer,

had hij zich vooraf zorgvuldig met het terrein bekend gemaakt.

In 1861 begaf hij zich rechtstreeks naar den Pelvoux, waaromtrent

hij trouwens niet dan zeer onvolledige inlichtingen had kunnen

inwinnen, hoofdzakelijk geput uit de werken van Elie de Beaumont

en J.D. Forbes. Het was hem onbekend, dat de heer Puiseux reeds in

1848 den top des bergs had beklommen: de bewoners der omliggende

valleien zelven hadden dat reeds zoo goed als geheel vergeten. In de

maand Augustus 1860 hadden de heeren Bonney, Hawkshaw en Mathews, met

Michel Croz uit Chamonix tot gids, gepoogd den Pelvoux te beklimmen;

maar na verscheidene dagen en nachten in vruchtelooze pogingen te

hebben verspild, waren zij door het slechte weder genoodzaakt geweest,

hun plan op te geven. Een wegopzichter, Jean Reynaud genaamd, dien

zij op hun tocht hadden medegenomen, schreef de mislukking aan het

te ver gevorderde saizoen toe. De heer Whymper, den raad van Reynaud

volgende, kwam dus in de eerste dagen van Augustus 1861 te La Bessée,

een dorp in de vallei der Durance, waar hij tegen den 3den dier maand

zijn vriend en landgenoot Macdonald bescheiden had.

Wij zullen nu hem zelven de beklimming van den Pelvoux laten verhalen.

"Van La Bessée kan men zeer duidelijk alle toppen van den Mont-Pelvoux

onderscheiden, zoowel den hoogsten top als dien, waarop de fransche

ingenieurs hunne pyramide hadden opgericht. Reynaud en al de bewoners

der vallei waren met de eigenlijke gesteldheid zeer slecht bekend. Men

wist alleen dat de ingenieurs een piek hadden beklommen, waar zij een

nog hoogeren top hadden ontdekt, dien zij de Pointe des Arcines of

des Ecrins hadden genoemd. Maar men kon niet zeggen of deze laatste

top te La Bessée zichtbaar was, en kon ook evenmin den top aanwijzen,

waarop de pyramide was verrezen. Naar onze meening werd de hoogste top

door andere kruinen aan ons oog onttrokken, en zouden wij deze laatsten

eerst moeten beklimmen, om de eigenlijke spits des bergs te bereiken.

"Van de beklimming door den heer Puiseux wisten de boeren niets af:

volgens hun zeggen, was de hoogste top van den Pelvoux nog nooit

door iemand beklommen geworden: het was juist die top, dien wij

bestijgen wilden.

"Ons vertrek werd alleen nog maar vertraagd door de afwezigheid van

Macdonald en door het gemis van een stok. Reynaud stelde ons voor,

een bezoek te gaan afleggen bij den postdirecteur, die een Alpenstok

bezat, in den ganschen omtrek bekend en beroemd. Wij begaven ons naar

het kantoor, maar het was gesloten; wij riepen zoo luid wij konden door

de reten van de deur; geen antwoord. Eindelijk echter ontdekten wij

den postdirecteur, blijkbaar bezig met zich te bedrinken, waarin hij

reeds tot eene vrij aanmerkelijke hoogte geslaagd was. Nauwelijks had

hij ons gezien, of hij riep uit, zoo goed en zoo kwaad als het ging:

"Frankrijk is ... de eerste natie ... der ... der ... wereld!" Wij

spraken hem natuurlijk niet tegen, maar trachtten hem aan het verstand

te brengen, waarom wij eigenlijk gekomen waren. De beroemde stok kwam

dan ook voor den dag: het was een tak van een jongen eik, ongeveer

een el en zeventig duim lang, krom en vol kwasten.

"Mijnheer, herhaalde de postdirecteur, terwijl hij ons den stok ter

hand stelde: Frank ... rijk, weet ge, dat is de ... eerste ... de

eerste ... natie der ... wereld, om haar, haar...."

"Hij zweeg.

"Haar stokken, fluisterde ik hem toe.

--Juist, mijnheer ... juist ... om haar ... stokken, om haar

... haar...."

Maar verder kon hij het niet brengen. Toen ik een blik wierp op

dien broozen staf, dacht ik niet zonder eenige ongerustheid aan mijne

eigene zwakheid; maar Reynaud, die het gansche dorp op zijn duim kende,

verzekerde mij dat er geen beter te vinden was. Wij verwijderden ons

dus met den beroemden stok, en lieten den eigenaar op den weg achter,

al waggelende en zwaaiende en steeds herhalende: "Frankrijk is het

eerste land der wereld!"

"De 3de Augustus brak aan; Macdonald was niet verschenen, en wij

begaven ons dus op weg naar de Vallouise. Ons gezelschap bestond

uit drie personen: Reynaud, mijn persoon en een drager, Jean

Casimir Giraud, de schoenmaker van La Bessée, de "kleine spijker"

bijgenaamd. Na anderhalf uur fiks doorgestapt te hebben, kwamen wij

te Ville-Vallouise, opgetogen door het gezicht op de trotsche toppen

van den Pelvoux, die zich stralend verhieven naar den wolkeloozen

hemel. Ik hernieuwde de kennismaking met den maire van Ville. Hij

was een degelijk man, met innemende manieren, maar hij verspreidde

een bijkans ondragelijken stank, zoo als trouwens de meeste bewoners

dezer valleien.

"Reynaud had welwillend op zich genomen, voor de levensmiddelen te

zorgen; maar juist toen wij gereed stonden te vertrekken, zag ik,

tot mijn groote spijt, dat hij van mijn goed vertrouwen gebruik had

gemaakt om een klein vaatje wijn mede te nemen, dat ons al dadelijk

tot grooten overlast was. Het was natuurlijk uiterst ongemakkelijk,

dit vaatje in de hand te houden. Reynaud probeerde om het te dragen,

maar gaf het weldra over aan Giraud, die er ook al spoedig genoeg

van had; eindelijk hingen zij het op aan een stok, dien zij op hunne

schouders droegen.

"Te Ville verdeelt de Vallouise zich in twee takken: de val

d'Entraignes ter linker, en het dal van Alefred (of Ailefroide) ter

rechterhand; onze weg liep door dit laatste dal bergopwaarts. Wij

stapten zonder ophouden door naar het dorp La Pisse, waar Pierre

Sémiond woonde, die, naar het algemeene zeggen, beter dan eenig ander

bewoner der vallei, met den Pelvoux bekend was.

"Deze man maakte op ons een zeer gunstigen indruk; ongelukkig was

hij ziek en kon dus niet met ons medegaan. Echter beval hij ons

zijn broeder aan, een goedaardig bejaard man, wiens gerimpeld en

ingevallen gelaat hem juist niet als gids zou hebben doen verkiezen;

maar wij hadden geen keus, en togen dus met hem op weg.

"Boomen van allerlei soort, waaronder vooral noten, omzoomden het pad;

de koele, verkwikkende lommer gaf ons nieuwe krachten; beneden ons,

in eene prachtige kloof, bruiste de bergstroom, ontsprongen aan de

eeuwige sneeuwvelden, die wij den volgenden morgen hoopten te betreden.

"Te Ville kan men den Pelvoux niet zien: hij schuilt daar weg achter

een anderen berg, langs welks voet wij nu wandelden, op weg naar

de chalets van Alefred of Ailefroide, zooals zij somtijds genoemd

worden, waar de eigenlijke berg begint. Van deze chalets gezien,

schijnen de lagere, maar meer nabijzijnde toppen de meer verwijderde

bergen, aanmerkelijk in hoogte te overtreffen, hoewel dit inderdaad

niet het geval is; somwijlen verbergen zij die geheel. Maar met een

enkelen oogopslag overziet men hier, in zijn volle hoogte, den top,

die in deze valleien onder den naam van den "Grand-Pelvoux" bekend

is, en wiens schier loodrechte rotswanden zich tot eene hoogte van

omstreeks drie-en-twintighonderd el uit het dal verheffen.

"De chalets van Ailefroide zijn niet anders dan een handvol

armoedige houten hutten, aan den voet van den Grand-Pelvoux, nabij de

samenvloeiing der beeken, die van den gletscher van Sapenière of van

Selé ter linkerhand, en de Witte en Zwarte gletschers ter rechterhand

afdalen. Wij vertoeven hier eenige minuten om wat melk en boter te

koopen; Sémiond nam ook een afzichtelijk leelijken knaap mede, om

ons vaatje te helpen dragen, duwen en voortrollen.

"Nadat wij de chalets van Ailefroide verlaten hadden, sloegen wij

eensklaps links af: daar de zon naar het westen neigde, kwam ons nu

de schaduw der bergen ten goede. Men kan zich moeielijk een droeviger

en naargeestiger landschap denken, dan deze sombere vallei; mijlen ver

ziet men hier niets dan omgevallen rotsblokken, hoopen steen, zand en

slijk; de zeer weinige boomen staan zoo hoog, dat zij ter nauwernood

zichtbaar zijn. Geen menschelijk wezen is hier te bespeuren. De lucht

heeft geen vogelen en het water geen visschen; de berghellingen, te

steil voor de gemzen, bieden ook nergens eene schuilplaats aan voor

marmotten; de arenden zelfs vermijden dit onherbergzaam oord. Vier

dagen achtereen zagen wij in deze woeste en dorre vallei geen enkel

levend wezen, met uitzondering van eenige arme geiten, die zeer tegen

haar zin naar deze wildernis waren gevoerd.

"Deze vallei was inderdaad een passend tooneel voor het vreeselijk

drama, dat, omstreeks vierhonderd jaar geleden, hier werd opgevoerd,

en wel in de grot, die wij nu hoog boven ons aanschouwen, in de

Balme-Chapelu:--den moord der Waldenzen van Vallouise. Eene treurige

en jammerlijke geschiedenis is de hunne! Sedert meer dan driehonderd

jaren bewoonden zij deze afgelegen valleien, afgezonderd van de wereld,

in stilte arbeidende voor hun dagelijksch brood. De aartsbisschoppen

van Embrun hadden bij herhaling, maar te vergeefs, gepoogd, hen door

overreding in den schoot der kerk terug te brengen; anderen sloegen,

om dit doel te bereiken, een anderen weg in: zij begonnen hen te

vervolgen, te kwellen en te pijnigen, en eindigden met hen in massa

levend te verbranden. Zoo werden, op den 22sten Mei 1393, tachtig

personen uit de valleien van Freis-senières en van Argentière, en

honderdvijftig personen uit Vallouise te Embrun verbrand.

In het jaar 1488 beraamde Alberto Cattaneo, aarts-diaken van Cremona

en legaat van Paus Innocentius VIII, een algemeenen aanval tegen de

Waldenzen; maar door de Waldenzen van Piemont overal terug geslagen,

verliet hij hunne valleien, en trok den Mont-Genèvre over om de

Waldenzen van Dauphiné aan te tasten, die zwakker in aantal en meer

verspreid waren. Cattaneo verscheen in de vallei van de Durance, aan

het hoofd van een leger, dat, naar men zegt, half uit soldaten en

half uit vagebonden, dieven en moordenaars bestond; om deze lieden

tot zich te lokken en bijeen te houden, beloofde hij hun vooruit

kwijtschelding van al hunne misdaden, ontsloeg hen van de geloften

die zij mochten hebben afgelegd, en verzekerde hun het bezit van

alles wat zij met geweld verworven hadden.

"De bewoners van de Vallouise vluchtten op de nadering van dit

leger, tienmaal sterker dan hun aantal, en verscholen zich in deze

grot, waar zij een voorraad van levensmiddelen, voldoende voor twee

jaren, hadden bijeengebracht. Maar hun verbitterde vijand ontdekte

hunne schuilplaats. Cattaneo had in zijn leger een hoofdman, wiens

wreedheid wedijverde met zijne sluwheid: met behulp van touwen

liet hij zijne soldaten tot voor den ingang der grot zakken, waar

zij groote hoopen takkebossen in brand staken; de meeste Waldenzen,

die hier eene wijkplaats hadden gezocht, kwamen door het vuur en den

rook om; zij die aan de vlammen ontsnapten werden vermoord. Zonder

onderscheid van ouderdom of kunne, werden allen meedoogenloos om het

leven gebracht. Naar men zegt, verloren meer dan drieduizend menschen

bij deze gelegenheid het leven. Al wat in driehonderd-vijftig jaren

van vreedzamen arbeid was verkregen, werd met één slag vernietigd;

de vallei werd geheel ontvolkt. Ruim drie en een halve eeuw zijn

sedert verloopen; de vallei is ledig en woest gebleven.

"Na een poos bij eene kleine bron gerust te hebben, hervatten

wij onzen marsch tot wij bijna aan den voet van den gletscher van

Sapenière waren gekomen; daar sloegen wij, op aanwijzing van Sémiond,

rechts om, en begonnen de helling van den berg te bestijgen. Wij

klauterden naar boven, tusschen denneboomen en geweldige rotsblokken

door. De nacht naderde met rassche schreden; het was hoog tijd een

onderkomen te zoeken. Dit was trouwens niet moeilijk te vinden,

want wij bevonden ons te midden van een waren chaos van rotsen. Wij

besloten den nacht door te brengen onder een geweldigen steenklomp,

die meer dan vijftien ellen lang en zes ellen hoog was. De bodem word

schoon gemaakt, en hout bijeengezameld om vuur te kunnen maken.

"Dit bivouak is niet uit mijne herinnering geweken. Het vaatje wijn was

veilig en behouden tot hier gebracht; nu werd het open gestoken, en het

alles behalve smakelijke vocht scheen den Franschen wel te bevallen en

hunne levensgeesten op te wekken. Reynaud zong eenige fransche liedjes,

en ieder droeg verder het zijne bij tot de algemeene gezelligheid

door lied, verhaal of grap. Het was prachtig weer, en alles beloofde

voor morgen een fraaien dag. De vroolijkheid mijner gezellen steeg ten

top, toen ik een pakje rood bengaalsch vuur in de vlammen wierp. Het

effect dezer plotselinge verlichting was tooverachtig schoon; maar het

wondervolle schouwspel duurde slechts eenige sekonden: toen verzonken

de bergen rondom ons weer in hun plechtig geheimzinnig duister. Voor

en na schikte ieder van ons zich ter ruste; eindelijk wikkelde

ook ik mij in mijn reisdeken. Die voorzorg was haast niet noodig,

want de thermometer daalde niet lager dan veertig graden Fahrenheit,

hoewel wij ons op eene hoogte van minstens drie-en-twintig-honderd

el boven de zee bevonden.

"Om drie uur ontwaakten wij; echter gingen wij niet voor half vijf op

weg. Giraud behoefde niet verder mede te gaan dan tot deze rots; maar

op zijn verlangen, kreeg hij vergunning ons te mogen vergezellen. Met

frisschen moed de steilten beklimmende, hadden wij weldra de grens der

boomen bereikt; toen moesten wij gedurende twee uren voortklauteren

tusschen door elkaar geworpen rotsklompen. Kwart voor zeven uur hadden

wij een smallen gletscher--den Clos de l'Homme--bereikt, die van de

bovenste bergvlakte afdaalt, en kort daarna waren wij op de hoogte van

den gletscher van Sapenière. Wij trachtten eerst rechts af te houden,

in de hoop dat het niet noodig zou zijn den gletscher over te steken;

maar wij moesten telkens op onze schreden terugkeeren, en kwamen

weldra tot de overtuiging dat die tocht niet was te vermijden. De oude

Sémiond had een zeer sterken afkeer voor gletschers, en deed al het

mogelijke om deze gevaarlijke expeditie te voorkomen; maar Reynaud

en ik wilden die liever wagen, en Giraud sloot zich bij ons aan. De

gletscher was smal, niet veel breeder dan een steenworp, en het ging

gemakkelijk genoeg de zijde te beklimmen; maar het midden vormde een

steilen koepel, waarin wij gaten moesten hakken om onze voeten in te

zetten. Giraud ging aan de spits, zeggende dat hij zich oefenen wilde;

en onze bijl nemende, wilde hij die niet meer teruggeven. Dien dag,

en ook later, zoo dikwijls wij ons een weg moesten banen door kloven

en spleten met verharde sneeuw opgevuld,--hetgeen hooger op den berg

telkens het geval was--deed hij alleen al het werk, en wel op de

voortreffelijkste wijze.

"Nadat wij den gletscher waren overgestoken, voegde de oude Sémiond

zich weer bij ons. Wij klauterden nu, zigszagsgewijze, tegen eenige

met sneeuw bedekte hellingen op, en begonnen spoedig daarna de

schier eindelooze reeks van contreforten te bestijgen, die een der

kenmerkende trekken van den Pelvoux zijn. Op sommige punten zeer

steil, vormen zij over het geheel een stevigen en vasten grondslag, en

onder die omstandigheden is eene beklimming eigenlijk nooit moeilijk

te noemen. Tusschen die contreforten bevinden zich talrijke kloven

en ravijnen, somwijlen zeer breed en zeer diep. Voor het meerendeel

waren zij met steenen en puin gevuld, en zonder hulp zou het voor een

toerist alleen moeielijk zijn geweest, er door te komen. Zij die aan

de spits van onze kleine karavaan gingen, waren telkens genoodzaakt

steenklompen op zijde te duwen, en hunne makkers met hunne stokken te

hulp te komen. Intusschen brachten deze incidenten eenige afwisseling

in onzen tocht, die mij anders vrij vervelend zou hebben geschenen.

"Zoo klauterden wij tegen steilten, kloven en ravijnen op, telkens

geloovende het doel bereikt te hebben, dat ons gedurig ontweek. Wij

stonden aan den voet van een geweldig contrefort, omstreeks

vijf-en-zestig el hoog, en beschouwden nauwkeurig het bovenste gedeelte

dezer rotspyramide. Wij konden den top niet onderkennen; maar, naar

onze meening, moest zich toch achter deze lijn van bolwerken ergens

een top bevinden, en die top zou tevens wel de rand zijn van het

bergplateau, waarnaar wij zoo vurig verlangden. IJverig naar boven

klauterende, stonden wij straks op een top; maar, helaas! daarachter

zagen wij er nog een, en nog een, en dan nog een.... Eindelijk hadden

wij het hoogste toppunt bereikt; maar wij stonden wederom op een

contrefort, en moesten een vijftien of twintig el afdalen om dan weer

te klimmen. Deze oefening, eenige dozijnen malen herhaald, viel ons

des te moeielijker, omdat wij werkelijk niet meer wisten waar wij ons

eigenlijk bevonden. Sémiond sprak ons echter moed in: hij was zeker,

zeide hij, dat wij op den goeden weg waren. Wij begonnen dus met

frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen.

"Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van

den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk

stonden wij stil om te overleggen.

"Sémiond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn?

--O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw.

--Heel goed; dan maar voorwaarts."

"Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd:

allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het

plateau was niets te bespeuren. Sémiond wierp angstige blikken om

zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen

moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag.

"Hoe ver zijn wij nu van het plateau?

--Een half uur, antwoordde hij.

--Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op

den goeden weg zijn?

--Ja, dat geloof ik wel."

Hij geloofde het: dat was niet genoeg.

"Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen?

--De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden

voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan

in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik

den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz."

"Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu

kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud,

die als verplet stond.

"Wat zegt hij? vroeg ik hem.

"Reynaud haalde de schouders op.

"Wij gaven Sémiond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden,

en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons

in het minst niet bekommerden om zijne pyramide.

"Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen;

wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij

hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets

meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden

gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste,

dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal

Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe

sluier op den grond. Er was maar ééne verklaring van dit verschijnsel

mogelijk: Macdonald was gekomen; maar waar was hij dan? Haastig rapen

wij onze kleine bagage bijeen, en dalen, al tastende, in den donker,

door deze woestijn van steenen, naar Ailefroide, waar wij tegen half

tien aankomen.

"Waar is de engelsche heer?" dat was onze eerste vraag. Hij was naar

Ville gegaan om daar te overnachten.

"Wij behielpen ons voor dien nacht, zoo goed het ging, op een

hooizolder; en den volgenden morgen, na met Sémiond afgerekend te

hebben, daalden wij de vallei af om Macdonald op te zoeken. Ons

plan was reeds vastgesteld: wij zouden hem overreden met ons te

gaan, en dan zouden wij onzen tocht hervatten, maar nu zonder gids;

de sterkste en verstandigste mijner metgezellen zou dan als drager

dienst kunnen doen. Ik had daarbij bepaaldelijk aan Giraud gedacht,

een flinke kerel, altijd gereed om alles aan te vatten en toch zonder

eenige pretensie. Maar wij werden bitter teleurgesteld: hij moest

noodzakelijk naar Briançon gaan.

"Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij

tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de

beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen

vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons

mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten,

en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij

konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier

nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij

tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bessée was

vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over

den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van

een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij

uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te

zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad;

en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots,

waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden

wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La

Pisse kwamen, bood de oude Sémiond ons zijne diensten aan. Ondanks

zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van

oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde

van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod

aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking:

wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede

metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig

reden tot tevredenheid gaf. Hij dronk den wijn van Reynaud, rookte

onze sigaren, en hield zeer kalm onze provisiën achter, toen wij half

dood waren van honger.

"Toen het avond geworden was, sloegen wij ons bivouak op, hoog boven

de grenslijn der boomen, zoodat wij het noodige hout op vrij grooten

afstand moesten gaan halen. De rots, die ons ditmaal tot schuilplaats

strekte, was daartoe veel minder geschikt dan die, waaronder ik den

eersten nacht had doorgebracht. Om eene geschikte plaats te kunnen

vinden, moesten wij eerst een zwaren steenklomp uit den weg ruimen;

aanvankelijk gelukte dit niet, maar eindelijk kwam er toch beweging

in den klomp, en begon hij te rollen, eerst langzaam, en toen al

sneller en sneller; eindelijk nam de steen zijn vaart, en stortte,

van rots tot rots springende, in de diepte neder. Telkens als hij

tegen een rotspunt sloeg, spatte er een regen van vonken omhoog,

die den somberen afgrond zonderling verlichtten. Lang nadat wij den

steenklomp uit het oog verloren hadden, hoorden wij hem nog van de

eene rots op de andere springen, tot hij eindelijk met een doffen slag

nederkwam op den gletscher. Toen wij naar ons bivouak terugkeerden,

vroeg Reynaud of wij nooit eene brandende beek hadden gezien. Volgens

zijn zeggen, voert de Durance, in de lente, als zij door het smelten

der sneeuw gezwollen is, zoo veel rotsblokken en steenen mede, dat

men te La Bessée, waar de bedding zeer smal is, geen water meer ziet,

maar alleen steenklompen, die over elkander voortrollen en met zooveel

geweld tegen elkaar botsen, dat geheele zwermen van vonken omhoog

spatten, alsof de beek zelve vlam had gevat.

"Wij brachten een vroolijken avond door; het was prachtig weder;

rustig op onzen rug liggende, genoten wij ten volle van de stilte om

ons heen, en verkwikten ons hart door den aanblik van den onmetelijken,

met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Macdonald deelde mij zijne

reisavonturen mede. Dagen achtereen, had hij bijna dag en nacht

doorgewandeld om mij in te halen; maar hij had ons eerste bivouak

niet kunnen vinden, en had eenige honderden ellen van ons af, hooger

op den berg, onder eene andere rots overnacht. Den volgenden morgen

werd hij ons gewaar, terwijl wij, hoog boven hem, bezig waren tegen

eene steilte op te klauteren; maar daar hij ons toen onmogelijk kon

bereiken, onderwierp hij zich aan zijn lot, en bleef ons, met kloppend

hart, nastaren, tot eene kromming van de rots ons aan zijn oog onttrok.

De zware ademhaling onzer makkers, die in diepen slaap lagen gedompeld,

verbrak alleen de onuitsprekelijk plechtige, hartaangrijpende

stilte. Maar wat is dat? Luister! Wat beteekent dat onheilspellend

gerucht hoog boven ons? Ik hoor het weder, en duidelijker dan

straks;--het komt al nader en nader ... het is een rotsblok, dat van de

bergwanden boven ons is losgeraakt. Wat schrikwekkend gerucht! In een

oogwenk zijn wij allen op te been. Het rotsblok nadert met vreeselijk

geweld: wie kan het in zijn vernielende vaart tegenhouden? Het rolt

en springt en vliegt en stoot en botst tegen andere rotsen, dat de

stukken en splinters er afstuiven; brullende en loeiende ijlt het den

gapenden afgrond tegen. Goddank! het is ons voorbij gerold!... Neen,

daar is het weer.... Wij houden onzen adem in, als de steenklomp, door

eene onweerstaanbare kracht voortgeslingerd, met donderend geraas,

alsof eene gansche batterij nevens ons werd afgevuurd, pijlsnel, even

beneden ons bivouak, nederstort, gevolgd door een wolk van ratelende

steenen en kletterend gruis. Het is voorbij; en wij ademen vrijer,

als wij het gevaarte eindelijk op den gletscher, diep beneden ons,

hooren nederploffen.

"Wij keerden naar ons bivouak terug, maar ik was te opgewonden om

te kunnen slapen. Kwart over vieren nam ieder onzer zijn reiszak

weder ter hand, en hervatten wij onzen tocht. Ditmaal waren wij

overeengekomen, zooveel mogelijk rechts te houden, om zoodoende

het plateau te bereiken, zonder onzen tijd te verspillen met het

oversteken van den gletscher. Ik heb niet noodig nogmaals onzen

marsch te beschrijven: het zou slechts herhaling zijn van het

vroeger gezegde. Gedurende anderhalf uur klommen wij snel naar boven,

soms loopende, maar doorgaans met handen en voeten klauterende, om

eindelijk tot de overtuiging te komen, dat wij toch den gletscher

moesten oversteken. Ter plaatse waar wij nu den gletscher betraden,

was hij zeer steil en vol spleten en groote diepe gaten en kloven. De

grootste moeilijkheid was, den top te bereiken; maar met behulp van

ons touw, kwamen wij toch zonder ongeval aan de overzijde. Daar begon

op nieuw de oneindige reeks van contreforten en bolwerken. Uren lang

moesten wij onophoudelijk klimmen, waarbij wij ons dikwijls vergisten

en dan genoodzaakt waren weer af te dalen.

"Al klimmende, was de bergketen achter ons langzamerhand gedaald: over

de toppen heen, konden wij in de verte den majestueusen Monte-Viso

onderkennen. Inmiddels verliep de tijd: de uren volgden elkander

snel op, en nog altijd was er geene verandering te bespeuren. Om

twaalf uur hielden wij stil om te ontbijten, terwijl wij onze blikken

lieten dwalen over het indrukwekkende panorama, dat zich hier voor

ons uitbreidde: met uitzondering alleen van den Viso, waren alle

bergtoppen die wij konden zien lager dan de plek, waar wij ons

bevonden; wij overzagen eene onmetelijke ruimte, een oceaan van

bergspitsen, rotsen en sneeuw. Toch verhieven zich de bolwerken en

contreforten van den geweldigen berg nog altijd boven ons, en algemeen

hielden wij ons overtuigd, dat wij dien dag den top van den Pelvoux

niet zouden zien. De oude Sémiond was ons een voortdurende ergernis:

zoodra een van ons een oogenblik stilstond om zich te oriënteeren,

begon hij te lachen en zeide met domme zelfvoldoening: "Wees niet bang,

volg mij maar."

"Eindelijk kwamen wij aan eene steile glooiing, geheel met losse

steenen en blokken bedekt, die nergens een vast steunpunt voor den voet

aanboden, Reynaud en Macdonald klaagden over vermoeienis en stelden

voor, hier te blijven overnachten. Echter ontdekten wij een punt,

waar wij verder konden komen; en een onzer, ik weet niet meer wie,

riep eensklaps: "Kijkt eens naar den Viso!" En inderdaad scheen het,

of de berg beneden om lag. Wij begonnen dus weer met frisschen moed

te klauteren, en eindelijk zagen wij den kop van den gletscher, ter

plaatse waar hij van het hoogste plateau afdaalt. Dit gezicht vervulde

ons met nieuwe hoop, die ditmaal niet bedrogen werd; met een luiden

vreugdekreet begroetten wij de verschijning der zoo vurig begeerde

sneeuwvelden. Eene breede kloof gaapte nog tusschenbeiden, maar wij

ontdekten eene brug, en ons aan elkander vastbindende, trokken wij

in eene rij achter elkander veilig daarover heen. Terwijl wij ons op

die natuurlijke brug bevonden, verhief zich een fraaie, geheel met

sneeuw bedekte bergtop voor ons. De oude Sémiond riep eensklaps:

"De pyramide! Ik zie de pyramide!

--Waar dan, Sémiond, waar?

--Daar, op den top van dien berg."

"En waarlijk, daar stond de pyramide, die hij ruim dertig jaar geleden

mede had helpen oprichten. Maar waar is dan toch de piek des Arcines,

die wij moesten zien? Die was nergens te bespeuren. Wij zagen niets dan

eene uitgestrekte sneeuwvlakte, begrensd door drie lagere toppen. Een

weinig teleurgesteld en ontmoedigd, trokken wij voort naar de pyramide,

zeer spijtig dat wij geen anderen top konden beklimmen; maar nauwelijks

hadden wij tweehonderd schreden in die richting afgelegd, of daar

zagen wij aan onze linkerhand een prachtigen witten kegel, die tot

dusver door een sneeuwheuvel aan ons oog was onttrokken. "De piek des

Arcines!" riepen wij verrast uit, en vroegen tegelijk aan Sémiond

of die top ook, voor zoo ver hij wist, reeds vroeger was bestegen

geworden. Hij wist niets anders, dan dat die top daar voor ons de

Pyramide heette, en dat hij dertig jaar geleden, enz. enz.; ook wist

hij dat sedert dien tijd niemand dien top had beklommen.--"Dan is

alles in orde. Rechts-om-keert!" riep ik, en dadelijk wendden wij ons

rechts, en begaven ons naar den kegel, terwijl de arme Sémiond nog

eenige zwakke pogingen aanwendde om ons naar zijne geliefde pyramide

mede te troonen. Nauwelijks hadden wij een eind wegs afgelegd, of

wij stuitten tegen den rand van een smallen dam, die de beide toppen

verbond, en die een fraaien hollen boog vormde. Wij waren onzes ondanks

gedwongen, op onze schreden terug te keeren. Sémiond, die de rij sloot,

maakte zich los van het touw en weigerde verder mede te gaan; het was

te gevaarlijk, zeide hij en sprak van spleten en kloven. Wij bonden

hem weder vast, en hervatten onzen tocht. De sneeuw was zeer zacht,

wij zakten er altijd tot aan de knieën en somwijlen tot den gordel in;

maar eene fiksche beweging van voren naar achteren maakte ons telkens

weer vrij. Zoo kwamen wij aan den voet van de hoogste piek. Daar de

dam ter linkerhand ons beter en veiliger toescheen, dan die waarop

wij ons nu bevonden, beschreven wij een halven cirkel om dien dam te

bereiken. Ter hoogte van vijftig el onder den top, staken eenige rotsen

boven de sneeuw uit. Wij klauterden, al kruipende, daar tegen op, en

lieten onzen drager achter, die gansch niet op zijn gemak was. Toen

ik hem verliet, kon ik niet aan de verzoeking weerstaan, om hem te

wenken ons te volgen, en hem toe te roepen: "Wees niet bang, volg mij;"

maar hij luisterde daar niet naar en liet zich niet overhalen om den

top te beklimmen. De rotsen liepen uit op een korten ijsdam, dien wij

over moesten gaan, waarbij wij aan de eene zijde het plateau, aan de

andere een bijna loodrechten afgrond hadden. Macdonald hakte gaten

in het ijs; en ten kwart voor twee uur, drukten wij elkander de hand

op den hoogston top van den grooten Pelvoux, nu eindelijk gewonnen.

"Het weder was ons voortdurend zoo gunstig mogelijk geweest. Van verre

en nabij verhieven zich tallooze spitsen en toppen in de heldere lucht,

terwijl geen enkel wolkje het alom stralende licht verduisterde. In

de eerste plaats werden onze blikken geboeid door den koning der

Alpen, door den Mont-Blanc, ruim zeventig mijlen van ons verwijderd;

verder op vertoonde zich de groep van den Mont-Rose. Oostwaarts

verhieven zich lange reeksen van onbekende bergtoppen, stralende in

weergaloozen glans; hun toon werd al flauwer en flauwer, toch behielden

zij al de zuiverheid en scherpte hunner lijnen en omtrekken; maar het

schemerende oog kon eindelijk de bergen niet meer van den eindeloozen

hemel onderscheiden, en aan den verren, verren horizon smolten zij

weg in zachte, blauwe tinten. De Monte-Viso stond daar voor ons in al

zijne grootheid; maar, daar hij nauwelijks veertig mijlen verwijderd

was, konden wij, over zijne rotsmuren heen, eene nevelachtige massa

onderscheiden: dat moest de vlakte van Piemont zijn. Die blauwe

nevel ten zuiden mocht wel de verre Middellandsche-zee zijn; ten

westen zagen wij tot aan gene zijde der bergen van Auvergne. In bijna

alle richtingen overschouwden wij dus hier een panorama van meer dan

honderd mijlen afstands. Niet zonder moeite wendden wij onze blikken

van deze verwijderde punten af, om acht te geven op hetgeen meer

in onze nabijheid was. Mont-Dauphin was zeer duidelijk zichtbaar;

maar wij hadden eenige moeite om La Bessée te ontdekken; geene andere

menschelijke woning was van hier te bespeuren; alles was rots, sneeuw

of ijs. Wij wisten dat de sneeuwvelden van Dauphiné zeer uitgestrekt

waren, maar zoo groot en wijd uitgestrekt als ze nu bleken te zijn,

hadden wij ze ons toch nooit voorgesteld.

"Onmiddellijk ten zuiden van Château-Queyras, bijna tusschen ons en

den Viso, verhief zich een prachtige berggroep van zeer aanzienlijke

hoogte. Een weinig meer zuidwaarts verrees een andere, onbekende top,

schijnbaar nog hooger; en niet zonder verwondering ontdekten wij in

onze nabijheid nog een anderen berg, die den top waarop wij stonden

in hoogte overtrof. Althans dit kwam mij zoo voor; Macdonald hield

echter dien berg voor lager dan de Pelvoux, en Reynaud dacht dat hij

omstreeks even hoog was.

"Deze berg was niet meer dan twee mijlen van ons verwijderd; tusschen

hem en ons gaapte een vreeselijke afgrond, waarvan wij den bodem niet

konden zien. Aan de overzijde van dezen afgrond verrees een kolossale

piek, met loodrechte wanden, zoo steil, dat de sneeuw er niet op kon

blijven liggen, zwart als de nacht, vol uitstekende scherpe punten,

en uitloopende in een smallen, spitsen top. Wij wisten niet, welke

berg dat was, daar wij die streek niet hadden bezocht. Naar onze

meening, moest La Bérarde beneden in den afgrond liggen, die zich

voor onze voeten opende; maar inderdaad lag dit dorp aan gene zijde

van dien anderen berg, die ons naderhand bleek de hoogste top van

de geheele groep te zijn, op de fransche kaarten aangeduid als de

Pointe des Ecrins. Van La Bessée of Vallouise is deze top echter

geheel onzichtbaar en verborgen achter den Pelvoux.

"Eindelijk maakten wij ons gereed om af te dalen en terug te keeren

naar Sémiond, dien wij bij de rotsen hadden achtergelaten. Ik liet

sneeuw smelten, en maakte het water aan de kook om thee te zetten. Na

een sigaar gerookt te hebben, zagen wij dat het tien minuten over

drieën was, en mitsdien hoog tijd om de reis te hervatten. De tocht

door de sneeuw duurde vijf-en-twintig minuten; wij moesten ons eenige

inspanning getroosten en gleden telkens uit; toen begonnen wij,

omstreeks vier uur, langs de rotsen af te klimmen. Om acht uur zou het

volslagen duister zijn; wij hadden dus geen oogenblik te verliezen en

gunden ons geen rust. Dit gedeelte van den tocht onderscheidde zich

door niets bijzonders. Wij hielden ons dicht bij den gletscher, dien

wij op dezelfde plaats als des morgens overstaken. Het verlaten van den

gletscher was ruim zoo moeilijk en zoo gevaarlijk als de overtocht. De

oude Sémiond had zonder ongeval de bezwaarlijke operatie volbracht;

ook Reynaud; maar Macdonald, die hen volgde, gleed uit terwijl hij

een groot ijsblok trachtte te beklimmen; ware hij niet stevig aan

het touw vastgebonden geweest, dan zou hij onmiddellijk in een diepe

kloof verdwenen zijn.

"Toen wij eindelijk allen weer op vasten bodem stonden, was het

bijna geheel duister geworden; maar toch voedde ik nog de hoop,

dat wij vóór den nacht onze rots zouden bereiken, om daar te kunnen

overnachten. Macdonald was daaromtrent minder gerust; en hij had

gelijk, want in het eind waren wij geheel aan het dwalen, en zwierven

een uur lang doelloos rond, terwijl Reynaud en Sémiond voortdurend

met elkander twistten. Daar wij niet verder konden dalen, moesten wij,

tot onze groote ergernis, blijven waar wij waren.

"Wij bevonden ons op eene hoogte van ruim drieduizend-vijfhonderd

el; en wanneer het ging sneeuwen of regenen, zoo als de wolken,

die zich om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen

te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar

wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon

de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die

wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, Sémiond wilde

water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te

bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in

zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd

tot tijd in den donker toe.

"Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den

nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open

en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die

van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan

ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De

grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen,

alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid,

die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel,

dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude

hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn

geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte

verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst

boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar

de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige,

maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde

luide: "O ramp, o ramp! Die ellendelingen!"

"Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde

de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom

ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen,

drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar

bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve

sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water,

en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen,

die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten

wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken,

en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn

en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk;

maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad

opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam

van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen,

om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door

eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in

zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.

"Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze

ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des

morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager

vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens

zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen

van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot

tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur

bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen

als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open

lucht doorbrachten.

"Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat

hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene

menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert

met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden

te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en

zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen,

liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend

verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op

een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want

de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der

inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al

te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit

zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog

een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen

wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden,

waren de Franschen onderling in gesprek. "O, zeide de oude Sémiond,

wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn

dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!" Ditmaal voor

't minst sprak hij stellig de waarheid.

"Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen

vertoefden en ons zoo goed mogelijk vermaakten, onder anderen

ook door het balspel, waarbij de dorpelingen ons altijd de baas

waren. Eindelijk, na een pleizierigen tijd hier in het schilderachtige

vlek te hebben doorgebracht, moesten wij van elkander afscheid nemen:

ik ging zuidwaarts naar den Monte-Viso, terwijl Macdonald naar

Briançon vertrok.

"De beklimming van den Pelvoux biedt weinig afwisseling aan: uit

mijn verhaal zelf is dit zeker duidelijk genoeg gebleken; toch durf

ik die beklimming aan de toeristen aanbevelen, ter wille van het

heerlijk uitzicht op den top. Met uitzondering alleen van den Viso,

die in dat opzicht geen wedergade heeft, zou ik geen anderen berg van

aanmerkelijke hoogte kunnen noemen, die een zoo volledig panorama van

de westelijke Alpen te aanschouwen geeft als de Pelvoux. Trouwens,

een blik op de kaart maakt dit van zelf begrijpelijk.

"Zeker was het, in zekeren zin, voor ons eene voldoening geweest,

te hebben ontdekt dat de piek, onder den naam van de Pointe des

Écrins bekend, een op zich zelven staande berg is, afgescheiden

van den Mont-Pelvoux, en niet diens hoogste top;--maar toch had die

ontdekking ons ook zekere teleurstelling gebaard.

"Naar La Bessée afdalende, verwarden wij ten onrechte deze piek met

den bergtop, dien men, van dit punt, tor linkerzijde van den Pelvoux

aanschouwt. De beide bergen gelijken zeer veel op elkander, zoodat

eene vergissing licht mogelijk is. Hoewel deze berg aanmerkelijk

hooger is dan de Wetterhorn of de Monte-Viso, voert hij toch geen

bijzonderen naam: wij noemden hem Piek-zonder-Naam.

"Het is bijna niet te onderstellen dat de ingenieurs eenige dagen

op den top der Pyramide zullen hebben vertoefd, zonder een bezoek

te brengen aan den anderen hoogeren top. Indien zij daar werkelijk

geweest zijn, dan is het echter minstens zonderling dat zij geen enkel

spoor van hunne tegenwoordigheid hebben achtergelaten. De landlieden,

die hen op hun tocht vergezeld hadden, verzekerden ons dat zij niet

van den eenen top naar den anderen waren gegaan; wij maakten daarom in

den beginne aanspraak op de eer der eerste beklimming van den hoogsten

top. Maar sedert is het mij gebleken, dat de heer Puiseux vóór ons

dien top bestegen had. De kwestie van prioriteit is van zeer weinig

belang; onze tocht had voor ons al het aantrekkelijke eener eerste

beklimming; en ik herinner mij deze eerste ernstige expeditie in het

gebergte met meer voldoening en niet minder genot dan eenige andere,

waarvan dit boek het verhaal bevat."

Na den Monte-Viso bezocht te hebben, ging de heer Whymper naar Abries,

en van daar naar Veran en Molines, bij welk laatste dorp hij eene

afbeelding maakte van de zonderlinge naalden, onder den naam van

de Gekapte-Zuilen bekend. Die naalden of obelisken, geologisch van

dezelfde formatie als de bergwanden, zijn ongelijk van hoogte en

omvang; de grootste, aan den oever der beek oprijzende, is meer dan

twaalf ellen hoog; de anderen, op een rij naast elkander staande,

nemen regelmatig in hoogte af naarmate zij den berg naderen. Op den

top van elk dezer obelisken (eene enkele uitgezonderd) ligt een blok

serpentijnsteen, dat ongetwijfeld van den top des bergs is afgerold:

dit geeft haar het voorkomen of zij eene muts of hoed op hadden:--van

daar haar naam. Ongetwijfeld is de voet van den berg door het water

uitgehold en weggevoerd; deze naalden, die zijn blijven staan, wijzen

de hoogte aan, waarop vroeger de bodem der vallei lag.

Het spreekt van zelf, dat wij den heer Whymper niet op al zijne

tochten volgen kunnen: wij zouden dan de ons gestelde perken zeer

verre moeten overschrijden. Wij zullen hem later zijn vreeselijke

beklimming van den Matterhorn laten verhalen; voor ditmaal ontleenen

wij aan zijn boek nog enkele schetsen, in verband met de teekeningen,

die deze bladen versieren. Begeven wij ons dus in de eerste plaats

naar den col de Pilatte, tusschen Vallouise en La Bérarde.

"Gedurende onze opstijging hakte Croz (de gids), met onvermoeiden

ijver, voortdurend gaten in de sneeuw om onze voeten daarin te zetten;

kwart voor elven hadden wij den top van den col (bergpas) bereikt,

en stelden ons voor, hier geruimen tijd uit te rusten; maar juist

op het oogenblik toen wij daar aankwamen, daalde een dichte nevel,

die boven om den top zweefde, eensklaps neder en belette ons ieder

uitzicht aan de noordzijde. Met uitzondering van Croz had niemand

onzer den tijd gehad, om na te gaan hoe wij weder naar beneden moesten

komen; wij oordeelden het daarom raadzaam aanstonds neer te dalen,

eer de herinnering aan het waargenomene misschien ook bij hem zou

zijn verflauwd. Ik kan dus niets van den col zelven zeggen, dan alleen

dat hij juist ten oosten van den berg Bans ligt, en dat zijne hoogte

ongeveer drie-duizend-zeven-honderd-vijftig el bedraagt. Het is de

hoogste bergpas van Dauphiné. Wij noemden hem den col de Pilatte.

"Wij begonnen af te dalen naar den gletscher van Pilatte, langs eene

glooiing van glad ijs, die, volgens de waarnemingen van den heer Moore,

een hoek maakte van vier-en-vijftig graden! Croz liep steeds vooruit,

en wij volgden hem met tusschenruimten van ongeveer vijf el; wij waren

allen met een touw aan elkander vastgebonden, en Almer (mede een gids)

sloot den trein: niet de meest benijdenswaardige positie! De afstand

tusschen de beide gidsen bedroeg dus ongeveer vijf-en-dertig el. De

nevel verborg hen voor elkanders oogen; en wij zelven zagen hen als

twee schimmen, maar flauwelijk kenbaar. Maar wij allen konden hooren

dat Croz onder ons gaten in het ijs hakte; van tijd tot tijd drong

zijne luide stem door den nevel heen:

--"Past op dat gij niet uitglijdt, mijne heeren; zet uwe voeten goed;

gaat niet vooruit, zoo lang gij geen vast steunpunt gevonden hebt."

"Zoo gingen wij drie kwartier al dalende voort. Eensklaps hield de

bijl van Croz op.

"Wat is er Croz?

--Een bergschrund, mijne heeren.

--Kunnen wij er overkomen?

--Ik weet het nog niet; ik geloof dat wij een sprong zullen moeten

wagen."

"Juist terwijl hij met ons sprak, dreven de wolken links en rechts

uiteen: het effect was aangrijpend. Het was inderdaad iets als een

coup de théatre, om ons voor te bereiden op den grooten luchtsprong,

die zoo aanstonds door het gansche gezelschap zou worden uitgevoerd.

"Eene onbekende oorzaak, waarschijnlijk de eigenaardige vorm of

schikking der rotsen beneden ons, had den geweldigen ijsdam, langs

welken wij afdaalden, in tweeën gespleten; zoo ver het oog reikte,

strekte zich ter wederzijde een diepe kloof uit. Met andere woorden:

een wijde scheur scheidde het bovenste gedeelte van den ijsklomp,

waarop wij stonden, van het onderste stuk beneden ons. Wie, om voort

te kunnen gaan, gaten voor zijne voeten moet hakken in eene hellende

ijsvlakte met een hoek van vier-en-vijftig graden, heeft niet veel

tijd of lust om naar een gemakkelijken weg te gaan zoeken: er schoot

niets anders over, dan op het punt zelf waarop wij ons bevonden,

en wel zonder uitstel, den sprong over den afgrond te wagen.

"Wij moesten niet alleen van eene hoogte van vijf el springen, maar ook

dien sprong zoo nemen, dat wij tusschen de twee en drie el voorwaarts

sprongen. Dat is niet veel, zal men misschien zeggen. Zeker, dat is

niet veel; maar de eigenaardige aard van den sprong verontrustte ons

vrij wat meer dan de afstand. Wij moesten juist terecht komen op een

vrij smallen ijsdam; sprongen wij te ver, dan zouden wij onfeilbaar

naar beneden rollen in den afgrond; sprongen wij te kort, dan vielen

wij in de gapende kloof, die hoewel aan den ingang gedeeltelijk met

ijs en sneeuw gevuld, toch meer dan overvloedige gelegenheid aanbood

om te verongelukken.

"Croz maakte eerst Walker los, ten einde eene voldoende lengte touw

vrij te hebben; toen waarschuwde hij ons, het touw stevig vast te

houden, en sprong naar beneden. Hij kwam behendig op zijne voeten

terecht, maakte het touw los, en wierp het Walker toe, die zijn

voorbeeld volgde. Nu was de beurt aan mij. Ik trad vooruit tot

aan den uitersten rand:--de sekonde, die toen volgde, zal ik nooit

vergeten. Ik had een gevoel, alsof de wereld met duizelingwekkende

snelheid ronddraaide, en mijn maag haar navloog. Het volgende oogenblik

lag ik plat voorover in de sneeuw; om mijn vriend Reynaud echter

gerust te stellen, richtte ik mij haastig op, en verzekerde hem dat

het niets te beteekenen had.

"Hij naderde den rand en gaf een luiden kreet. Ik ben overtuigd,

dat hij niet banger was dan iemand onzer, maar hij maakte veel meer

beweging. Hij wrong de handen roepende: "O, hoe vreeselijk! hoe

vreeselijk!

--Het beteekent niets, Reynaud, riep ik hem toe, niets hoegenaamd.

--Kom, spring, riepen ook de anderen;--spring dan toch!"

"Maar in plaats van te springen, begon Reynaud zich om en om te

draaien, voor zoover dat op den gladden ijsdam mogelijk was; toen

sloeg hij zijne handen voor het gelaat, roepende:

"Neen, op mijn woord, neen! neen!! neen!!! dat is onmogelijk!"

"Wat er toen eigenlijk met hem gebeurd is, weet ik niet. Wij zagen

de punt van een voet, die aan Moore scheen te behooren; daarop zagen

wij Reynaud, in een vogel veranderd, en tot ons nederzwevende, alsof

hij kopje onder in het water wilde springen; met uitgestrekte armen

en beenen; zijn schapenbout achter hem aanzwevende, terwijl hem de

stok uit de handen ontglipte; dat duurde een oogenblik:--daarop

hoorden wij een doffen slag, alsof er een matras uit een venster

werd geworpen. Toen wij hem weer op de been hadden geholpen, zag hij

er allerbeklagelijkst uit: zijn hoofd geleek een grooten sneeuwbal;

de brandewijn liep aan de eene zijde uit zijn reiszak, de chartreuse

[1] aan de andere. Hoezeer wij hem om dit verlies beklaagden, konden

wij toch ons lachen niet bedwingen."

Eenige dagen te voren, bij de even moeilijke als gevaarlijke bestijging

van de Pointe des Écrins, had de gids Almer zijne vermetelheid bijna

met den dood bekocht. Hij had zich van het touw losgemaakt, en wilde

beproeven, geheel alleen den top te bereiken. Terwijl hij over een

smallen dam ging, deels uit sneeuw, deels uit rots bestaande, brokkelde

de sneeuw onder hem in den afgrond weg: hij wankelde een oogenblik,

terwijl hij zich staande trachtte te houden op het gedeelte dat nog

vast scheen. "Ik dacht niet anders, dan dat hij verloren was," zegt

de heer Whymper.

"Gelukkig viel hij naar de rechterzijde, en gelukte het hem een

vast steunpunt te vinden. Indien hij, in plaats van den linker,

den rechter voet op de brug van sneeuw had gezet, zou hij in eene

diepte van ruim honderd el zijn neergestort, en hij zou zich niet

aan de rotsen hebben kunnen vastklemmen, voor hij op den gletscher,

duizend el onder ons, ware terecht gekomen."

In datzelfde jaar, namelijk in 1864, trok de heer Whymper, in

gezelschap van den heer Moore, met de gidsen Almer en Croz, voor

het eerst over den bergpas van Moming, tusschen Zinal en Zermatt. De

opklimming was uiterst bezwaarlijk en vol gevaar geweest. Om de rotsen,

die alleen den toegang tot den pas mogelijk maakten, te bereiken,

waren de toeristen verplicht geweest eene zeer steil hellende ijsvlakte

over te trekken; zij hadden daarbij gaten in het ijs moeten hakken,

vlak naast en onder reusachtige spitsen en naalden, die op het punt

stonden van in te storten, en die ook werkelijk neervielen, vijf

minuten nadat Almer, de laatste van het gezelschap, was overgegaan.

"Eindelijk, zoo verhaalt onze toerist, kwamen wij aan het dal

tusschen den Rothhorn en den Schallhorn; deze col ligt ter hoogte

van omstreeks acht-en-dertig honderd el. Wij waren met zeer veel

moeite naar boven geklommen, over allerlei soort van sneeuw, en te

midden van voortdurenden nevel, die ons nu eens aan de nevelen van

Schotland, dan aan een londenschen mist deed denken. Een steile muur

van ijs vormde de helling van den top, die naar Zinal gekeerd is. Maar

wij konden onmogelijk ontdekken of de andere helling, waarlangs wij

moesten afdalen, even zoo gevormd was, want dat deel van den berg

was voor ons geheel onzichtbaar door een geweldigen sneeuwklomp,

dien de westenwind boven den top had opgestapeld, en die nu hoog

boven Zermatt zweefde, niet ongelijk aan eene reusachtige zeegolf,

bevrozen juist op het oogenblik der kentering.

"Stevig aan het touw gebonden en vastgehouden door zijne drie makkers,

die op de helling aan de zijde van Zinal gebleven waren, begon Croz

uit alle macht met zijn bijl op dien sneeuwklomp te hakken, en hieuw

werkelijk de bevroren sneeuw af, tot hij eindelijk op het vaste ijs

stuitte; toen sprong hij kloekmoedig in den pas, en riep ons toe hem

te volgen.

"Wij waren gelukkig, dat wij een zoo onverschrokken man tot gids

hadden. Met een minder bekwamen en minder onversaagden gids zouden

wij waarschijnlijk geaarzeld hebben, de afdaling te ondernemen bij

zoo sterken nevel; ook Croz zelf zou vermoedelijk hier hebben stil

gehouden, als hij niet zoo buitengewoon krachtig en gespierd van

lichaamsbouw was geweest. Hij bracht zijne eigene woorden in praktijk:

"Waar vaste sneeuw is, kan men altijd loopen; waar ijs is, kan men

zich een weg banen, door gaten te hakken; dat komt eenvoudig aan op

lichaamskracht; ik bezit die kracht: al wat gij te doen hebt, is dit

eene:--mij te volgen." Men moet erkennen, dat hij zich niet spaarde;

als hij in een theater de schier ongeloofelijke dingen had verricht,

waarvan wij dien dag getuigen waren, dan zou de zaal gedaverd hebben

van toejuichingen."

Het volgende jaar (1865) beklom de heer Whymper de Dent-Blanche

(3464 el), die voor den eersten keer, op den 18den Juli 1862,

was bestegen door de heeren Kennedy en Wigram, met de gidsen Croz

en Kronig. Whymper volgde evenwel niet denzelfden weg, maar gaf

de voorkeur aan den zuidwestelijken rug; de grootste moeilijkheid,

die hij ondervond, was de overtocht over den bergschrund. Hij moest

tot eene hoogte van vierduizend el opklimmen, eer hij een brug van

sneeuw vond, waarop hij die spleet kon oversteken.

Op den col Dolent, dien Whymper in 1865 overtrok, om van Cormayeur

naar Chamonix te gaan, langs een korteren weg dan dien over den col

du Géant, had hij noch met een bergschrund, noch met een sneeuwbrug te

kampen, maar daarentegen vond hij hier een ijsmuur van vierhonderd el,

met een helling van vijftig graden, waarlangs hij moest afdalen. Croz,

die vooruit liep, vastgebonden aan een touw van manilla, hakte,

gedurende twee uren achtereen, gaten in dien muur, en was toen toch

nog tot slechts zestig el beneden den pas gedaald. Biener en Almer,

die het touw vasthielden, konden met hun beiden maar even op den rand

van den ijsklomp staan. Biener liet zich toen, met behulp van het

touw, tot bij Croz afzakken; en de heer Whymper, die tot dusver op

de andere zijde had moeten blijven, kon nu naast Almer komen staan

en op zijne beurt den zeer comfortabelen weg aanschouwen, dien hij

had ontdekt. Zeven uren achtereen waren de drie gidsen bezig met

gaten in het ijs te hakken, eer men den gletscher van Argentière,

die aan den voet van dezen ijsmuur ligt, kon bereiken. Gelukkig liep

deze roekeloos gevaarlijke onderneming zonder ongelukken af, en kon

de heer Whymper ongestoord zijn triomf genieten.

(Wordt vervolgd.)

De Merinos in Spanje.

De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en

vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist,

ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun

lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden

worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels

te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers

dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker

aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote

honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn

de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen

piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna

niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo

groote zorg werd gewijd.

De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door

in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken

van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden,

van de sierra naar den campo of van den campo naar de sierra, naar

gelang van den tijd des jaars.

Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna

een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene

kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit

niet minder dan tienduizend stuks bestaat.

De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders

onder zijne bevelen: dit is dus één man voor elke tweehonderd

schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de

schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre

van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd

tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte

en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras,

dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver

onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen

die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te

maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten,

die een geducht wapen is.

De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van

menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts

voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke

woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis,

slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken,

leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat,

hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen

een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen

van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin

leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol

dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen;

somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen; op hun

kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij

een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige

mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze

wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een

vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.

De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds

te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde

dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en

keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning

van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten

verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden;

hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt

evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.

De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven

beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn

gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is,

maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel

grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet

lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de

merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig

in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol,

onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen

worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar

men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en houdt zich

over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de

bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.

De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van

Guadarrama, in Oud-Castilië, wordt over het algemeen als de gunstigste

en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen

spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te

mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het

meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken

is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen

rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van

Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel

schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk,

dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou

kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard,

de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en

kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden

voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.

Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent

op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op

de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn

daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.

Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de

samensmelting tot ééne groote kudde, van een zeker aantal kleinere

kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel

van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze

bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging

en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel,

eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen

natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene

bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De

merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig

uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in

de Pyreneeën, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon,

in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia,

nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat

niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen

leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche

schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden

verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke

weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen

tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met

zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En

de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden

weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.

In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturië, zijn de

schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is

het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs

voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte

arenden der Pyreneeën meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd,

om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen

merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.

De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij,

bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke

grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of

groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen

en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens

de algemeene arts dezer blatende gemeente.

Dalmatië.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 2 / 92 题