EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Ulrica, de eer en 't leven van deez' boorden.

Juffr. _Koolaert_.

Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen

Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens

jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars

van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring,

waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen,

was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn

plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare

gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging,

bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen

afstand bij een ander venster.

De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander

zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd

en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl

de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste

zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te

treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel

achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.

"Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!" zeide hij eindelijk, "sedert

ik laatst vertrokken ben."

"Ik begrijp u niet," antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij

hem zeer wel begreep.

Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman,

die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken

poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid:

"zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?"

"Daar is nog niets over bepaald," antwoordde zij, opnieuw van kleur

veranderende: "ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren."

"Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?" vroeg Joan, op een toon,

die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden

gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit

het eerst.

"Wanneer zijt ge hier in 't land teruggekomen?"

"Gistermorgen van Nijmegen."

"Waar hebt gij dan vannacht geslapen?"

"Bij Gheryt Maessen zekerlijk," antwoordde Magdalena; "althans

daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans

aanheeft."

Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.

"Heden, Joan!" zeide Ulrica: "waarom zijt gij gisteravond niet hier

gekomen?"

"Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen." zeide

Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging

viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel,

dat aan den wand hing.

"Nu weet ik het!" riep hij uit, sprong op en ging de schilderij

aandachtig beschouwen.

"Wat weet gij?" vroeg Ulrica verwonderd.

"Ja, hij is het!" vervolgde Joan: "het is dezelfde, die.... ja hij

is het wel!"

"Joan! zijt gij mal geworden?" vroeg Ulrica, angstig opstaande en

zich aan zijn zijde voegende.

"Gij hebt gelijk," hernam hij: "Ik moet den schijn hebben van

ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws

vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders

spreken, lieve Ulrica!" vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats

geleidende: "zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe

maakt Geert het toch?"

Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe

vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica

eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst,

in de zaal had plaats gehad.

Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.

"Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?" vroeg zij.

Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de

oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den

jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.

"Lieve Ulrica!" zeide hij: "ik zal doen wat ik als man van eer

verplicht ben."

Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien,

op, en verliet het vertrek.

"Ulrica!" riep Joan, zoodra zij vertrokken was: "is het in ernst

waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?"

"Mijn vader verlangt dat huwelijk," antwoordde zij bevende.

"Uw vader;.... maar gij?"

"Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandigheden doen

kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en...."

"En gij bemint hem?"

"Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man."

"En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!"

"Joan!" hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: "ik had u bij

uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij

mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?"

"Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,"

zeide Joan: "ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze

liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze

kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven

woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten,

dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad,

dat ik u nog heden met diezelfde...."

"Stil!" viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: "gij zijt

weder opweg om dat woord te breken."

"Welnu!" hervatte hij: "die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de

naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht

om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij

bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn

karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen,

alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te

behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben

verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk

nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt,

om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven."

"Onbarmhartige!" zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te

bedwingen: "ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten

door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan,

dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid,

terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren,

die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou."

Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en

neder. "Ulrica!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: "die

Ambtman is u niet waardig!"

"Joan! Joan!" herhaalde zij met aandoening: "eerst gisteren zijt gij

hier in 't land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor 't eerst, zoo

gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig

oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben

op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze

handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten

opzichte van hem--en van mij?"

"Ik ben misschien te ver gegaan," zeide hij. "Geloof mij, ik gevoel uw

toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar

waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stap dien men u

wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht

berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij

tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want," vervolgde hij met nadruk,

terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag:

"ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens

inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om...."

Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.

Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad

achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica

werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.

"Laat ik u niet storen," zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot

een spotachtig lachje samentrekkende: "ik ga terstond weder heen en

laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid,

elkaar veel te vertellen heeft." Hier hield hij zich, als wilde hij

weder vertrekken.

"Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!" zeide Ulrica hem een zetel

aanwijzende: "mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben

elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen,

dat geen derde hooren mag."

"Al te beleefd, al te vriendelijk," hernam Mom, altijd met een

glimlach op de lippen: "wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch

ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog

hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag."

"Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan," zeide Joan.

"De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan

de kegelbaan zou zien," hervatte de Ambtman.

"Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen," zeide Joan, zich

verwijderende: "doch," vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman

bij de hand nemende: "vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele."

"Tot uw dienst," zeide Mom.

"Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?" vroeg Joan, hem op de

schilderij wijzende.

De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:

"Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede."

"Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer

beeltenis zou hebben kunnen dienen?"

"Neen," antwoordde Mom, droogjes: "en UEd.?"

"Ik wel," zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal,

terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of

het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen

blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk

genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.

Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de

gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, was de toer

juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen

en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn

bal uit de handen van Bouke aan.

"Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!" zeide deze tegen de

spelers. "Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren

spoedig de baas zijn."

"Ik twijfel er aan," zeide Joan: "ik heb in lang niet gespeeld en ben

heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen." Dit

zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het

spel begeven had en wachtte zijn beurt af.

Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen

tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed,

de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld

had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe,

omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan

zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen

den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel

onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel

raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel

kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide

zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde,

zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.

"De koning! de koning!" riepen de spelers.

"Dat telt negen punten," zeide Bouke: "nu, Mijneheeren! wat heb ik

u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met

mij gekegeld had."

"'t Is meer geluk dan wijsheid," zeide de Baron. "Kom,

Jonker!" vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: "gij

zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet

denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is."

Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even

gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp

insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van

't spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de

boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.

Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan

rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.

"Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!" riep de Jonker van

Scherpenzeel uit: "hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om

te zien."

Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan

werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer

het eerst spelen.

"Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst," zeide hij, "om

te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen,

welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders

dit spel."

"Dat heb ik nooit gehoord," zeide Scherpenzeel; "doch ik wil gaarne

gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt."

"Welnu," vervolgde Joan: "dan moet de voorste middelkegel er aan,

met den koning: daar gaan zij!" En, met meer oplettendheid dan te

voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De

overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder

hen, wien het gelukte.

"Pots tausent!" riep Botbergen: "zoude ik dat ook niet kunnen doen?" en

deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen

werkelijk om.

"Dat is gewonnen!" riep hij.

"Neen!" zeide Bouke: "dat is verloren. Gij hebt den koning niet met

den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er

tegen aan geworpen werd."

"Dat is onwaar," hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende:

"de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid."

"En ik zeg van neen," zei Bouke.

"Pots dit en dat!" vloekte Elbert: "zult gij het mij heeten liegen?"

"Dat zal ik," hernam Bouke: "als de maan vol is schijnt zij overal."

"Houdaar!" zeide de vergramde speler, die door den drank was

opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden

dienaar zoo geweldig mede op 't hoofd, dat hij wankelde.

Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen;

als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met

de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte

hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan,

onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op,

trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op

Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.

"Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,"

brulde Elbert.

"Zeer gaarne," antwoordde Joan; "doch thans niet. Wanneer gij morgen

nuchter zijt," fluisterde hij hem zachtjes in 't oor, "en u te zeven

uren in 't Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met

pistool of degen af te wachten."

"Ik zal er wezen," antwoordde Elbert, op denzelfden toon: "Heer

Baron!" zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de

andere Heeren stond uit te lachen: "wanneer ik hier voor spot en

mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun

mij, dat ik mijn afscheid neme."

Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn

degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende

beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet

zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal

uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven

Ulrica verlaten had.

"Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?" vroeg Mom met bevreemding.

"Ik moet wel," zeide Elbert: "ik gevoel weinig lust om door dat

bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten

te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het

eeuwig verd...."

"Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen," viel hem de

Ambtman met een schamperen lach in de rede: "gij hebt mij fraaie

angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang,

dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij."

"Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die

weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever

onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo

gelogenstraft ware geworden."

"Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge

zijt misschien bang alleen op den weg."

"Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,"

zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde

hij weg.

"Ga maar!" zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. "Had ik ooit zulk

een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij

mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals

de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn

vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des

wouds wil achterlaten."

Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij

de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena.

"Welnu?" vroeg zij.

"Welnu!" herhaalde Mom: "ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering

laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs

jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn

aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar

hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel,

om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij

verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen

in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik

zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen."

"Ik begeer geen loon," zeide Magdalena, op een verachtelijken toon:

"denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs,

verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen,

door de goede zaak te doen zegevieren."

"Daaraan zijn wij bezig," hervatte Mom, "gij kunt aan Pater Eugenio,

die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat

ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen,

dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die...."

"Die niets zullen uitrichten," viel Magdalena hem in de rede:

"omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen,

maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronken

Groenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn

lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van

God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver

oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene

grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk

niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte

gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf,

wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en,

tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult

gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken."

"Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren," hernam de

Ambtman: "en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken."

"Niet?" zeide Magdalena, op een gestrengen toon: "en den eed, dien

gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw

naderhand aan den Aartshertog verpanddet?"

"Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden," antwoordde

Mom.

"En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord

even gaarne ontslaan willen.--Doch gij spreekt wel; gij zijt te ver

gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer

gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen

vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen

Vicaris aan te bevelen." Met deze woorden verliet zij hem.

"Den Vicaris!" mompelde de Ambtman: "dat satansche wijf weet alles! 't

is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het

eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare

koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt."

Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog

niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica's kamenier tevreden

moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar

meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart

gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat,

zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden,

hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en

sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer

eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij

door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een

derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom

in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten

blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan

te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en

Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een

medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna

zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geven tot het

huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al

ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke

hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.

Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds

de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap

verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo

onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door

zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij

Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen,

en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten,

wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en

tabakrooken vermaakten.

"Heer Baron!" ving hij aan: "Ik heb zooeven een gesprek met uw

bekoorlijke dochter gevoerd." Hier stond Joan op en wilde zich

verwijderen.--"Verschoon mij, Jonker!" vervolgde de Ambtman: "uw

bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke

Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij

volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb

duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was."

Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: "Wat! haar

hart niet meer vrij?" riep hij met verbazing en ergernis uit: "waar

haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten."

"Verschoon mij, Heer Baron!" hernam Mom met veel bedaardheid:

"een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik

kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als

uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat

meer zegt," vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag,

"het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij die _niet_ gedaan had."

"Wat!" herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans

gevolgd waren: "versta ik u wel? en is...."--Hier zweeg hij, als

wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn

vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen

beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.

"Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!" antwoordde de Ambtman.

De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan,

terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat

geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij

brak het stilzwijgen.

"Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!"

"Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht," zeide Mom:

"doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten

opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?"

"Joan!" riep Reede in gramschap uit: "is het waarheid wat de Ambtman

zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?"

Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen

weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw

bedekte.

"Is het mogelijk! Joan!" herhaalde de Baron: "Joan! ik verheugde

mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij

op het slagveld.... of ten minste," zeide hij, zich hervattende,

"dat gij hier ver vandaan gebleven waart."

"Bedaar, edele vriend!" zeide Mom: "hoe kan een zoo natuurlijke

genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren."

"Die ik opgewekt heb?" herhaalde Reede, met drift: "nu ja,

misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij

van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?--Wilt gij, dat ik mijn

dochter geve aan.... aan...." Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij

te ver ging.

"Aan den Jonker van Craeihorst," hernam de Ambtman, altijd even bedaard

blijvende: "is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is

zijn adel niet zuiver?"

"Wat geslacht? wat adel?" zeide de Baron: "ja! als dat bewezen ware."

"Hoe!" zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: "is de Jonker niet

uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt,

omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?"

"Een fraaie neef!" bromde de Heer van Sonheuvel: "een Spanjoolsch

kind!"

"Wat hoor ik?" riep Mom: "is de Jonker een Spanjaard?"

"Wie ik ook wezen moge," riep Joan, zich een traan uitwisschende,

"een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer

Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem

vervullen. Neen!" vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den

beginne zwak en stamelend was, onder 't spreken vaster en fierder

werd: "neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare

verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou

gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij

veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig

toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart

had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan 't geen

ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te

wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek

mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten

slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af,

bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen

door die achting nog draaglijk bleef."

Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der

laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen

kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening

in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid,

schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die

ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld

hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekende geboorte

haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en

begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te

geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.

"Nu, nu!" zeide hij, "jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij

kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen

opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos

veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras

geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het

hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan

dit alles gekomen zijt?".... Hier zag hij dezen vragende aan.

"En ik," zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, "ben u,

Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd,

hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag

hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige

vergetelheid hadden gewenscht te begraven."

"Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien," zeide Mom, zich buigende op

een vriendelijken toon: "doch ik wist niet, dat er redenen bestonden,

welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan

een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij

misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit

geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog,"

vervolgde hij met ernst, "ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer

van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht,

mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de

overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben."

"In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld," zeide Joan, "en verzoek

u om verschooning."

"Nu!" zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen,

welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid

redde, waar hij zich in bevond, "wij zullen over dit gansche geval

wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen,

en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom

uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die

waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds

jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van

middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb

nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij

van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens

over zeggen. Intusschen," voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den

Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: "hetgeen ik u

eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar;

doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar

aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles

in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten,

zoo ze er al ooit in gezeten hebben, 't geen ik niet gelooven kan;

want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd."

Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe

hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij

diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van

grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er

iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en

hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen

omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met

Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht,

was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman

minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij

de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan

besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een

onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam

tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten

om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te

gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij

met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim

genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van

Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, 't welk hij zoo

hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden,

zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig

was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen

om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende,

begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.

Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan

alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons,

en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte

geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken

huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven;

de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig

vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich

werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan,

terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang

vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering

de drukten van den dag te vergeten.

De Pleegzoon · 第 34 / 50 题