DERTIENDE HOOFDSTUK.

Gommer en Armyn te hoof

Twisten om het recht geloof.

_Vondel_.

Terwijl de gemoederen der ingezetenen van het slot door de plaats gehad

hebbende omstandigheden alzoo verontrust werden, ging de Predikant

Raesfelt mede onder zijn eigene, waarschijnlijk nog zwaardere

bekommernissen gebukt. De kerkelijke twisten waren op het tijdstip,

waarvan wij thans gewagen, binnen de Nederlanden ten top gestegen. De

nimmer rustende tweedracht, die natuurlijke heerscheres overal waar

menschen wonen, had nauwelijks den buitenlandschen krijg door een

te langdurig bestand zien staken, of zij stookte die binnenlandsche

twisten aan, die zoolang en met zooveel felheid gewoed hebben,

ja, wier einde het verste nageslacht misschien niet aanschouwen

zal. Twee der geleerdste mannen van Europa, de belezene, vernuftige,

oordeelkundige Arminius en de groothartige, onverzettelijke, van

ijver brandende Gomarus hadden zich aan de spits van twee partijen

geplaatst, die, na hun naam genoemd, elkaar een onverzoenlijken

haat hadden gezworen. In den beginne dolf Arminius met de zijnen het

onderspit, althans bij de predikanten en gemeenten; want de meeste

wethouders en zoogenaamde politieken hadden zijn zijde gekozen;

na zijn dood echter wisten Vorstius en Episcopius, die hem in

't Hoogleeraarsambt te Leiden hadden opgevolgd, gesteund door de

geleerdheid van De Groot, de welsprekendheid van Schryver en vooral

den toen alvermogenden invloed van Oldenbarneveld, hun partij met

een luister te bekleeden, waardoor de glans hunner tegenstanders een

tijd lang verdonkerd werd. De jonge lieden, die te Leiden voor den

kansel werden opgeleid, schaarden zich voor een groot gedeelte aan

de zijde der bovendrijvende partij; anderen echter kleefden de oude

leer aan, en stonden Gomarus of Polyander voor. Niet zelden gebeurde

het, dat bij onderlinge, tot oefening begonnen _disputationes_ over

punten van controvers, de argumentaties wederzijds op scheldwoorden

en vervolgens op vechtpartijen uitliepen, waarbij de vuist vragen,

den Godsdienst betreffende, beslissen moest.

Raesfelt had zijn beide oudste zonen, Koenraad en Hendrik, nadat zij

de school verlaten hadden, naar Leiden gezonden, en, daar hij een echt

voorstander was van de oude leerstelsels, hen ernstig aangemaand,

de lessen van Episcopius te verzuimen, en zich zooveel mogelijk bij

het onderwijs van diens ambtgenoot Polyander te bepalen.--Koenraad,

wien de stoute en ridderlijke voordracht van laatstgemelden geleerde

behaagde, gehoorzaamde zijn vader met nadruk en toonde zich, zoo in

zijn brieven aan dezen, als op de Hoogeschool, een ijverig voorstander

der Contra-Remonstranten. Zoo met woorden als met daden was hij overal

de voornaamste onder de verdedigers van het ouderwetsch gevoelen:

niet zelden had de kracht zijner sterkgespierde vuisten aan zijn

tegenstrevers, zoo niet de menschelijke, althans hunne onmacht

duidelijk doen gevoelen, en menigeen had zich overtuigd gevonden,

dat hij gepraedestineerd was om van Koenraad Raesfelt te worden

afgeklopt. Omtrent den stillen en zachtmoedigen Hendrik won vader min

gunstige berichten in: deze was door de geleerdheid en smaakvolle

onderwijzing der andersdenkenden ingenomen en stond aldra voor een

Arminiaan te boek.--Koenraad, die bovendien nooit op den besten

voet met zijn broeder geleefd had, was over deze zijn afdwaling

sterk gebelgd, en al de brieven, die hij aan zijn vader schreef,

schilderden Hendrik af als een verloren schaap, reeds met den wargeest

niet alleen van Arminianismus, maar ook van Socianismus besmet. Diep

hadden deze beschuldigingen den braven Predikant gegriefd, en zijn

epistelen aan Hendrik droegen telkens hernieuwde bewijzen, hoezeer hem

diens gedrag en meeningen tegen de borst stonden. De aangeklaagde zoon

beantwoordde zijns vaders minzame verwijten meestal met bezadigdheid,

doch tevens met vrijmoedigheid: hij beweerde, dat hij, naar Leiden

gegaan zijnde om in de leerstukken van den godsdienst onderwijs te

ontvangen, zijn meening van onderzoek en overtuiging wilde laten

afhangen. Daar de jongeling door deze antwoorden blijken gaf, dat hij

meer aan menschelijke rede en vrije beoordeeling, dan aan geloof en

onderwerping hechtte, stelden zij zijn vader lang niet gerust. Echter,

en door een in de menschelijke natuur niet ongewone tegenstrijdigheid,

bleef het hart van Raesfelt, ondanks hem zelven, meer den in zijn

oog verdoolden, dan den rechtzinnigen zoon genegen. De wijs, waarop

Koenraad van zijn broeder sprak, de toon, waarin zijne beschuldigingen

vervat waren, mishaagden den zachtmoedigen vader, schoon hij zulks zich

zelven niet bekennen wilde, nog meer dan de beschuldigingen zelven.

Op den achtermiddag van den dag, dat de Gravin van Nassau Sonheuvel

verlaten had, was de Predikant op zijn zolderkamertje in diep

gepeins gezeten: de zwarte kalot was hem te warm geworden en lag

voor hem op de tafel, terwijl de met konijnevellen gevoerde pij over

den rug des leunstoels hing. Onbeweeglijk scheen Raesfelt op zijn

plaats gespijkerd, terwijl zijn oogen strak en stijf op het voor hem

liggend papier gevestigd bleven, zoodat hij veel geleek op een dier

aangekleede gedaanten, welke in het Amsterdamsche doolhof voor den

vanouds gestelden prijs van een stuiver zich _hedenmiddag te vier uren_

laten bezichtigen.

Eindelijk echter scheen de beweging bij den Predikant terug te

keeren: hij beet zich op de lippen, zag opwaarts, zuchtte diep en

zeide vervolgens hardop tegen zich zelven: "Neen! _zoo_ kan het

niet langer gaan! er dient een kloek besluit genomen, of de knaap is

onherstelbaar ongelukkig."

"Onherstelbaar ongelukkig!" herhaalde een stem achter hem: "denkt ge

dat waarlijk, Dominee?"

Als door een donderslag getroffen, richtte de Predikant zich op en

keerde zich naar de plaats, van waar de stem gekomen was, en waar hij

niemand dacht te zien dan den Booze in persoon, die hem van zijn kloeke

voornemens zoude pogen af te brengen: dan hij werd gerustgesteld bij

het herkennen van zijn vriend, den niet min dan hij bezorgden Baron

van Sonheuvel.

Deze, als wij verhaalden, besloten hebbende met den geestelijke te

rade te gaan over de beste wijze hoe met Joan te handelen, had zich,

na het vertrek zijner doorluchte gast, naar de pastorie begeven:

de deur open gevonden hebbende, was hij, om niet door het gesnap

der Pastoorsche verveeld te worden, de trap opgeloopen, nadat hij

zijn laarzen in de gang had uitgedaan, eensdeels opdat Mejuffrouw

Raesfelt bij het gezicht van vuile voetstappen niet naar boven zou

komen hollen, anderdeels opdat zij, de laarzen des Barons herkennende,

zich wachten zou, de samenspraak der beide heeren te storen. Aan het

studeervertrek was geen deur: men besteeg het langs een trap, die

midden in het kamertje uitkwam. Raesfelt had den Baron dus niet hooren

inkomen: en deze, zijn raadsman zoo diep in gedachten vindende, had

hem niet willen storen, maar zich naast den ingang op een boekentrapje

nedergezet en was mede aan 't peinzen geraakt, hoe hij het gesprek

zoude aanvangen, toen hem de uitroep van Raesfelt als uit een droom

ontwaken deed. Deze uitroep kwam zoo volkomen met de gedachten overeen,

welke hem op dit oogenblik vervulden, dat hij dien aanmerkte als tegen

hem, of in zijnen geest gesproken, en, toen de Predikant hem aanzag,

zijn gezegde herhaalde en nogmaals vroeg of hij het stellig meende.

"UEd. hier, heer Baron!" vroeg Raesfelt, vol verbazing, "wel wie

kon UEd. hier verwachten! ei! wees zoo goed en neem uw gemak:--ja

waarlijk!" vervolgde hij, rondziende: "ik geloof niet, dat er een

stoel meer in de kamer is: wacht ik zal roepen, dat men den armstoel

boven brenge."

"Doe geen moeite, Dominee!" zeide de Baron; "hier is immers een

zitplaats."

De stoel, waarop hij doelde, kon waarlijk op den naam van zitplaats

weinig aanspraak maken. Hij was oorspronkelijk van matwerk geweest

met pooten en leuning van stevig grenenhout; doch Joan, die hem

in zijn leeruren altijd gebruikte, en de slechte gewoonte had, van

weinig stil te zitten, had den rug merkelijk doen uitwijken: met zijn

snoeimes had hij, wanneer de les te lang viel, de kloeke pooten op

de helft van haar dikte gebracht en zich ook met de _anatomie_ der

matten zitting beziggehouden: zoodat de stoel in den volsten zin van

't woord een _chaise percée_ geworden was.

"Het is hier niet warm, Dominee!" zeide de Baron, toen hij zich

voorzichtiglijk op den rand van den door ons beschreven zetel

nederzette.

"Dunkt UEd. dat, heer Baron? Dan moest UEd. mijn pels aantrekken:

ik heb het van 't peinzen en studeeren overvloedig warm gekregen."

"_Cedant arma togae_," [32] zeide Reede, aan dit voorstel gehoor

gevende: "gij ziet Dominee! dat ik ook nog een mondje vol Latijn

kan spreken.--Zoodat gij zegt," vervolgde hij, na zich in den pels

gewikkeld en zijn plaats hernomen te hebben, "dat een kloek besluit

alleen in staat is, het ongeluk van den armen jongen te voorkomen?"

"Ongetwijfeld, heer Baron! het vaderhart zal bloeden door de

opoffering; doch het zal naderhand geruster slaan! en wat zegt de

Psalmist? Welzalig hij,

In wiens geest niet woont eenige schalkheyt

Noch geen bedrogh ofte geveynsdigheyt.

Want wat zou het baten, een jongeling tot een bestemming op te leiden,

welke hij nimmer naar behooren vervullen kan?"

"Ach! gij spreekt wel als ik het verwachtte, Dominee! en toch is

het een pijnlijk gevoel, om tegen hem, dien men tot nog toe als zoon

bemind heeft, te moeten zeggen: knaap! ik ben uw vader niet meer."

"Het vaderhart zal daarom zijn rechten niet verliezen," antwoordde

Raesfelt: "want als in den Honderdsten Psalm staat:

Gelijck een vader hem pleegh te erbarmen, enz.

De vurigste wensch van het hart zal er door teleurgesteld worden; doch

het zal in zich zelf de belooner eener zoo groote opoffering vinden:

ware er een andere weg mogelijk geweest, ik had dien gaarne ingeslagen,

doch ik heb alles onderzocht en beproefd, vergeefs: niets blijft

er over, dan ruiterlijk en moedig, gelijk het een Christen betaamt,

de zegepraal te behalen op een aardsche en valsche liefde, en alleen

op het geestelijk en waarachtig belang van den ongelukkige te zien."

"Zoo hebt gij er reeds lang over nagedacht, gelijk ik uit uw redenen

bemerk. Ik was al verwonderd, dat gij juist bezig waart over dat

onderwerp te peinzen, toen ik binnenkwam."

"Over nagedacht, heer Baron? slapelooze nachten, ledige uren, verlies

van eetlust en genoegens heeft het mij gekost: het zoet mijns levens

is er door verbitterd."

"Met mij gaat het ook zoo, lieve Dominee: ik heb van de enkele

gedachte, dat de knaap misschien tegen zijn eigen gezin het harnas

zoude aangespen, nog van dezen nacht schier geen oog toegedaan, en

van middag geen mond aan de patrijzenpastij gezet, hoewel dat mijn

geliefdste schotel is."

"Hebt gij heer Baron? daarvoor beloone u de Hemel; want uw deelneming

Is ganschelijk gelijck een balsem soet,

Die op het hoofd Aärons was zeer claer,

Uitgestortet in 't openbaar,

als David zegt. Och! UEd. is altijd zoo vriendelijk en goed geweest."

"Hm! hm! zoo heel goed niet; maar ik heb toch den knaap altijd wel

behandeld en hartelijk liefgehad."

"Hij houdt ook veel van u, heer Baron: daar heb ik doorslaande

bewijzen van."

"En van u niet minder, Dominee, schoon hij wel eens bij de _exegesen_

in slaap viel."

"De _exegesen_! helaas! die heeft hij maar al te veel bestudeerd voor

zijne en mijne rust," hervatte Raesfelt zuchtende.

"Te veel! Dat had ik nooit gedacht, dat daar zijn liefhebberij op

gevallen ware."

"Liefhebberij! een razende drift, heer Baron! _delectatio triumphans_

[33] als Augustinus zegt."

"In waarheid?--Nu! het is mij nooit voorgekomen. Toen ik hem vroeg,

of Paulus ééne of twee reizen naar Rome gedaan had, waarover ik het

met de oude Geert oneens was, zeide hij mij daarover nooit te hebben

nagedacht, en toen hij het op mijn verzoek onderzocht had, was zijn

uitkomst, dat hij het niet wist."

"Is het mogelijk?" zeide Raesfelt, de handen angstig wringende; "en

ik heb een _disputanionem_ van hem liggen, juist over dat onderwerp,

en waarin hij betoogt, dat de Apostel wel driemaal te Rome is

geweest. Moet ik hem dan een huichelaar zien worden? Was het niet

genoeg, dat hij een Sociniaan werd?"

"Wat!" riep Reede: "wat zegt gij, Dominee! een Sociniaan? Hij! Gij

jaagt mij de koorts op 't lijf, Dominee! Dat hebt gij mij nog nooit

verteld."

"Ach ja, ik had mij te voren gevleid, dat hij nog maar alleen de

begrippen Arminii, Vorstii en Episcopii aankleefde, doch het is wel

als in den Eersten Psalm gezegd wordt; welgelukzalig

Die op den wegh der sondaers niet en gaet

En niet en sit by de spotters onreyne,

want, eens op dit pad gekomen, vordert men met reuzenschreden: ik heb

de bewijzen zijner ketterij in handen: daar op de tafel liggen zij."

"Maar waarom hebt gij mij daar nooit iets van gezegd, Dominee? Dan

had ik hem eens duchtig de ooren gewasschen."

"Wat zou dit gebaat hebben, heer Baron? daar ook mijne vermaning,

nu vaderlijk, dan meesterachtig, nu gestreng, dan zachtelijk, den

verdoolde niet op het rechte spoor heeft kunnen terugbrengen."

"Kijk Dominee! het is maar zooals de jongen zelf gezegd heeft: over

zich heeft hij het oordeel geveld, zeggende, dat al wat van Spaansch

bloed kwam, niet te vertrouwen was."

"Dat zegt hij!" zeide Raesfelt: "en daarom volgt hij den edelen Gomarum

niet na, die van Spaansche afkomst is. Doch hoe velt hij zijn eigen

oordeel hiermede, dit begrijp ik niet."

"O! ik begrijp mij zelven heel wel, Dominee! ik zal u dat alles

uitleggen! die rekel! een nagel aan mijn doodkist! doch ik zal hem

leeren! ik zal hem leeren!"

Met deze woorden sprong hij op en ging voort weder zitten, doch

ongelukkig kwam hij midden op de zitting te land en wel met zulk een

kracht, dat er hij doorheenzakte en met armen en beenen in de lucht,

in den pels bedolven, tusschen de vier pooten steken bleef. Vergeefs

zocht Raesfelt hem uit dien benauwden toestand te verlossen:

de arme Baron zat zoo vast, dat hij zich roeren noch buigen kon,

zoodat alle aangewende moeite slechts diende om hem nog erger in

de klem te brengen. Op dit oogenblik werd het vertrek door drie

nieuwe getuigen van zijn ongeluk bezocht. De eerste was Veltman,

Joans jachthond, die met eene van de uitgetogen laarzen de trap

op kwam snellen. Hij legde zijn vracht aan de voeten des Barons,

of liever bij de pooten des stoels af, waarna hij zoowel tegen den

predikant als op zijn beknelden Heer sprong; met groote teekenen

van blijdschap. Kort op den hond volgde, als een razende furie,

de zachtaardige wederhelft van den Predikant, met een kamerbezem

gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief. "Waar is dat

stinkende dier?" riep zij met een verbolgen stem: "wat springt het

daar tegen Dominees kostelijke pels op met zijn vuile klauwen? Waarom

jaag je hem niet weg, Dominee? En wie zit daar in je pels? Hoe heb ik

het met je? Leen je jou pels zoo maar aan iedereen, die je bezoeken

komt? Toe, maak maar gauw dat je uit dien stoel komt, dien je aan

stukken gebroken hebt! Bewaar ons! het is Mijnheer van Sonheuvel!"

"Ja Juffer!" zeide deze, het hoofd van onder den pels uitstekende:

"ik ben het. Help mij hier toch uit, want ik breek mijn lenden nog."

Op dit oogenblik sprong Veltman op en liep, zoo spoedig als hij

gekomen was, de trappen af.

"Joan zal waarschijnlijk in de buurt wezen," merkte Dominee aan:

"Is dat uw laars, heer Baron! welke de hond u gebracht heeft?--dan

hadt gij, vrouw liefste! het arme dier met geen straf voor zijn

getrouwheid moeten dreigen."

"Ja! kon ik het weten?" zeide Barbara, terwijl zij mede hare krachten

aanwendde om den Baron te verlossen: "die hond snuffelt altijd bij

mij in de keuken. Laatst heeft hij een hoentje knap opgepeuzeld,

dat ik in de soep wilde doen."

"Daarvoor zal het eerste haas, dat ik vang, voor u zijn,

Juffrouw!" zeide Joan, binnenkomende: "bij voorraad heb ik Veltman

aan de voordeur vastgelegd, maar hoe! is dat vader, die daar tusschen

vier pooten vastzit? Wacht! ik zal u wel helpen. Het trekken baat

niet, Dominee! wij zullen een anderen weg inslaan."--Dit zeggende

wierp hij den stoel op zijde en sneed met zijn jachtmes het matwerk,

dat den Baron als met weerhaken belette zich op te geven, rondom

aan stukken; dit had de verlossing des gevangenen ten gevolge; doch,

tot aller verbazing, was het eerste gebruik, dat de Baron van zijn

herkregen vrijheid maakte, dat hij Joan een geduchten oorveeg gaf.

"Wat is dat, vader?" riep Joan, achteruitspringende met een kleur

als bloed. "Waaraan heb ik dat verdiend?"

"Vraag je dat nog, onbeschaamde huichelaar?" snauwde hem de verstoorde

Heer van Sonheuvel toe: "ik heb schoone berichten van u ontvangen,

sinjeur!"

"Ik begrijp er niets van, vader!" zeide Joan; "ik weet niet, wat ik

gedaan heb, om een dusdanige behandeling te veroorzaken."

"Niet, verstokte zondaar? vraag het dan maar aan Dominee: die zal

jou de les anders leeren."

"Ik?" vroeg Raesfelt verwonderd: "ik weet van den Jonker hoegenaamd

geen kwaad."

Reede, meenende dat de Predikant vrees koesterde voor Joan, werd nu

even toornig op genen, als hij op dezen geweest was. "Hoe!" zeide

hij: "past het een leeraar, menschenvrees te hebben, en te aarzelen,

iemand in 't aangezicht zijn feilen en dwalingen aan te kondigen?"

"Heer Baron!" antwoordde Raesfelt, geraakt: "ik ken mijn plicht en zou

niet schromen, voor koningen en keizers de waarheid te spreken, gelijk

Nathan en Elias deden; maar ik weet niet, waaraan zich bepaaldelijk

de Jonker heeft schuldig gemaakt, noch over welk feit ik hem zoude

toeroepen, meer dan aan anderen: gij zijt die man!"

"Niet!" hervatte de Baron: "nu, dan weet ik het: gij zijt een

Arminiaan, Joan!"

"Goede hemel!" riep Barbara, de handen boven 't hoofd ineenslaande;

"een Arminiaan!"

"En wat nog erger is, een Sociniaan!" vervolgde Reede.

"Een Sociniaan! Dat verhoede de Heer!" zeide Mejuffrouw Raesfelt,

met dezelfde gebaarden.

"En wat het ergst van alles is, een huichelaar."

"Een huichelaar ook al! bewaar ons!" herhaalde de Pastoorsche.

"En wie heeft u al dien zotteklap verteld, vader?" vroeg Joan met

drift.

"Wat! zult gij het nog loochenen? doch zoo ge den zegsman weten wilt:

daar staat hij: schaam u in zijn tegenwoordigheid te ontkennen,

wat hij u bewijzen kan."

"Wien meent gij, vader?" vroeg Joan, meer en meer verwonderd.

"Wien? wel wien anders dan Dominee," antwoordde de Heer van Sonheuvel.

"Mij?" vroeg Raesfelt, ten toppunt van verbazing: "spot UEd. niet mij,

heer Baron?"

"Het is of gij beiden gezworen hebt, mij dol te maken," riep de

Baron stampvoetende: "wat duivel! Dominee, hebt gij mij niet zoo

op het oogenblik gezegd, dat gij er de bewijzen van in handen hadt,

zwart op wit?"

"O!" zeide Raesfelt, die lont begon te ruiken: "is het er zóó mede

gelegen? Ja dat heb ik gezegd; maar...."

"Gij hoort het Joan!" viel Reede in.

"Maar ik sprak niet van den Jonker," vervolgde Raesfelt.

"Niet! en van wien dan?" vroeg de Baron, op zijne beurt verbaasd.

"Vergun mij, dat ik UEd. zulks onder vier oogen verklare, zonder

getuigen."

"Toegestaan! Marsch Joan!"

Joan deed eenige stappen om zich te verwijderen; doch bleef vervolgens

staan, den Baron aanziende.

"Hebt ge mij niet gehoord?" vroeg deze: "marsch! van hier!"

"Maar ben ik dan gerechtvaardigd in uwe oogen, vader?" vroeg Joan,

op den toon der beleedigde onschuld.

"Daarover spreken wij nader," was het antwoord.

"Dat behoeft niet," merkte de Predikant aan: "UEd. kan uwen zoon

gerustelijk een toestemmend antwoord geven; want hij is onschuldig, en

uw gramschap op den jongeling is uit een misverstand voortgesproten."

Reede was ontevreden op zich zelven, dat hij zich zooverre door zijn

driften had laten vermeesteren en zich daardoor jegens zijn zoon in

't ongelijk gesteld: hij aarzelde echter nog, uit valsche schaamte, om

hem genoegdoening te geven; doch, toen hij den knaap in een smeekende

houding naar zich toe zag treden, terwijl de tranen hem in de oogen

stonden, verkreeg het gevoel van billijkheid de overhand boven zijn

valsche schaamte, en hij omhelsde hem hartelijk, waarna Joan het

vertrek verliet.

"Maar gij, liefste schat!" zeide de Predikant tot zijn huisvrouw,

die nog vol nieuwsgierigheid boven om de trap stond te draaien: "gij

moest ons ook alleen laten en aan Kaatje zeggen, dat zij den armstoel

boven brenge. Ik heb met den Heer Baron iets af te handelen, dat...."

"Dat ik niet hooren mag," zeide zij spijtig: "nu 't is goed,

Dominee! ik ga al: neem maar niet kwalijk, dat ik dit kostelijk vertrek

door mijn tegenwoordigheid verontheiligd heb. 't Zal wel voor 't eerst

en 't laatst zijn; doch zoo gij denkt, dat het u wel bekomen zal,

mij buiten alles te houden, hebt gij het mis."--Met deze en dergelijke

woorden trok zij grommende af en begaf zich op staanden voet naar de

vrouw van den schout, waar zij nog drie of vier buurtklapsters vond,

aan welke zij onder belofte van geheimhouding verhaalde, hoe Dominee

ontdekt had, dat de Jonker een Sociniaan ware en het aan den Baron

verteld had, doch het nu weder introk uit vrees voor Joan: hoe de

Baron door een stoel gevallen was, en hoe de hond met zijn morsige

pooten haar huis bevuild had, enz. welke stichtelijke praatjes den

volgenden dag door het gansche dorp liepen.

"Wat heb je mij dan aan 't oor liggen reutelen, Dominee?" vroeg de

Baron, zooras hij met den Predikant alleen was.

"Ik sprak UEd. van mijn zoon Hendrik," antwoordde deze, "die te

Leiden studeert en mij, door zijn nieuwerwetsche begrippen omtrent den

godsdienst, dwingen zal, hem van de Hoogeschool terug te nemen, eer

hij onzer Gereformeerde Kerk, en mij, zijn vader en leermeester, tot

schande verstrekke. Hoe UEd. dit alles op den Jonker hebt toegepast,

verklaar ik niet te begrijpen."

"Is het er zoo mede gelegen?" hernam de Baron: "dan spijt het mij,

dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd, doch ik zal hem zeggen

hoe de vork ik den steel zit."

"Ik bid u," smeekte Raesfelt, "laat mijns zoons gedrag tusschen

ons blijven: mijn vrouw zelve weet nog niets van het geval af, en,

zooals Salomo zegt:

"Een dwaze zoon is zijn moeders droefenis."

"Ik beklaag u van harte, Dominee," zeide Reede: "doch gij zijt

de eenige niet, die zwaren strijd met zich zelven voert. De reden,

waarom ik u verkeerd verstond, zal zich voor u ophelderen, wanneer ik

u mijn tegenwoordig bezwaar ontdek. Gij herinnert u," vervolgde hij,

zijn leunstoel, welken hem Kaatje intusschen gebracht had, dichter

bij dien van Raesfelt aanschuivende, "dat Joan mijn zoon niet is."

"Met uw verlof!" zeide de Predikant, zich met den wijsvinger langs den

neus strijkende: "Ja, waarlijk, nu gij het zegt, herinner ik mij dat;

doch in ernst, ik was het vergeten."

"Welnu, de knaap heeft thans de jaren van onderscheid bereikt: tot

heden toe heb ik altijd het onaangename denkbeeld van hem met zijn ware

geboorte bekend te moeten maken, ver van mij afgeschoven: ik beminde

hem als mijn zoon, en, zoo ik mijn genegenheid alleen moest volgen,

zou ik hem als zoodanig blijven beschouwen; doch nu de tijd daar is,

dat hij aan den naam van Reede eenigen luister zou kunnen bijzetten,

begint mijn geweten tegen mijn teederheid op te komen. Ik begin te

bedenken, dat ik mijn eenige dochter niet mag versteken van haar wettig

erf (dat bovendien om redenen, welke ik thans niet melden zal, vrij

schraler is, dan menigeen denken zou), dat ik bovendien geen vreemde

plant op den stam der Sonheuvels enten mag. Hierbij komt de vrees,

dat Joan, die zulk een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaards heeft,

veellicht, na het eindigen der _trêves_, de wapenen tegen zijn eigene

betrekkingen, tegen zijn bloedverwanten zou voeren--en ik vraag mij

zelven af, of ik Joan omtrent zijn geboorte de geheele waarheid moet

openbaren. Gij herinnert u, Dominee! dat Velasco, Joans vader, door

mijn ruiters wreed vermoord werd!"

Hier eindigde Reede. De Predikant zweeg, en lang zaten beiden over

elkander in diep gepeins verzonken, bij hen zelven overleggende, op

welke wijze de zwarigheden, die zoowel het verborgen houden als het

ontdekken van het geheim met zich bracht, uit den weg zouden kunnen

geruimd worden. Eindelijk verzocht de Predikant, dat de Baron hem den

nacht ter overdenking zoude vergunnen, belovende hij aan Z. Edelheid

den volgenden morgen een stellig antwoord te brengen. Reede willigde

dit verzoek in, en de conferentie werd op _reces_ gescheiden.

Het was reeds duister, toen de Baron op het slot terugkwam. Het

avondmaal werd opgedischt en was haastig afgeloopen: de Baron en

Joan waren beiden vol gedachten en spraken weinig of niet. Ulrica

daarentegen snapte onophoudelijk door over de schoone Gravin, haar

page, haar koetsier met zijn groote knevels en de fraaie wapens op de

koets. Toen de oude Geertrui haar, na het avondeten, was komen halen,

stond haar vader insgelijks op, met oogmerk om naar zijn kamer te gaan;

doch Joan sprong op, als uit een droom ontwakende en hield hem tegen.

"Vader!" riep hij: "kan ik nog een oogenblik met u spreken?"

"Heeft het zooveel haast, Joan?" vroeg de Baron: "ik heb thans het

hoofd vol."

"Een oogenblik slechts, vader!" herhaalde Joan, en bleef toen een

poos al weifelende staan.

"Nu! komt er wat?" vroeg Reede, ongeduldig.

"Ja vader! ik wilde u vragen.... ik wilde maar weten.... wie mijn

moeder was."

Deze laatste woorden sprak hij zeer schielijk uit, als had hij

gevreesd, dat ze hem in de keel zouden hebben blijven steken, indien

hij nog een oogenblik gedraald had.

De Baron sprong achteruit, alsof de bliksem voor zijn voeten ware

gevallen: "Jongen!" riep hij: "Zijt gij dol? hoe komt gij aan die

vraag?"

De bleekheid, welke des Barons gelaat bedekt had bij de onverwachte

vraag van zijn pleegzoon, ging over op de wangen van dezen, zooras

hij, aan de uitwerking, die zijn woorden gemaakt hadden, bespeurde,

dat alles niet geheel zuiver was met zijn geboorte. Nadat hij den

Baron een tijdlang sprakeloos had aangezien, berstte hij in tranen

uit en herhaalde met angst: "Vader! in Gods naam! zeg mij, wie was

mijn moeder?"

"Ik weet het niet," zuchtte Reede en wierp zich in een stoel, het

gelaat met de handen bedekt houdende.

"Gij weet het niet," herhaalde Joan, als versteend. "Ach vader!" kreet

hij, zich voor den Baron nederwerpende en diens handen met kussen

bedekkende: "zeg mij toch! wanneer, waar, hoe ik geboren ben, wie

mijn moeder was: gij zult het immers weten. Och! ik vrees, dat het

maar al te waar is, hetgeen ik van morgen gehoord heb."

"Wat hebt gij gehoord?" vroeg Reede, opziende.

"Dat ik een basterd ben," antwoordde Joan, zijn hoofd in den schoot

des Barons verbergende. Een lange pauze volgde.

"Vader!" riep Joan eindelijk, onder herhaalde omhelzingen en tranen:

"Vader! ik bid u, martel mij zoo niet! Spot niet met een ongelukkigen

knaap. Zoo ik een basterd ben, heb ik toch een moeder gehad. O! leeft

zij nog? wie was zij toch?"

"Ik weet het niet, waarachtig niet, lieve beste Joan!--Maar,"

vervolgde de Baron na eenige oogenblikken stilte, "van wien hebt gij

toch gehoord, dat gij mijn zoon niet zijt?"

"God zegen mij!" gilde Joan opspringende: "zijt gij mijn vader

niet? Heb ik dan noch vader noch moeder! O ik ongelukkige!"

"Geene anderen dan God in den Hemel, beste jongen!" zeide de Heer

van Sonheuvel, snikkende.

"Maar ik heb toch ouders gehad," vervolgde hij, met een dringende stem.

"Hoor Joan! wees bedaard! ik zal u alles verhalen: alles.... wat ik

u verhalen kan. Ga zitten en wees bedaard; ik zal u alles zeggen:

drink een roemer wijn: gij zijt ongesteld."

De Baron vulde twee roemers, leegde den zijnen in één teug en schoof

den anderen naar Joan, die hem met bevende lippen, bij tusschenpoozen

uitdronk. Vervolgens plaatsten beiden zich dicht bij elkander; de

Baron nam Joans hand tusschen de zijne, en ving aldus aan met spreken:

"Uw vraag, Joan! lokt een gesprek uit, dat wij toch vroeg of laat

moesten hebben. Neen! gij zijt mijn zoon niet, noch die mijner zalige

vrouw; doch eer ik u eenige inlichting geve omtrent het geheim uwer

geboorte, wilde ik vernemen, wat tot den twijfel aan de echtheid

daarvan aanleiding heeft gegeven."

Joan vertelde hem de ontmoeting met Teun Wezer en den page.

"Ik heb u nooit op leugens betrapt, Joan!" zeide de Baron, verwonderd

over dat verhaal: "anders zou ik denken, dat gij door Bouke of Geert

waart ingelicht, onder voorwaarde van hen niet te noemen, en dat gij

daarom dat historietje bedacht hadt."--Joan bevestigde de waarheid

van zijn verhaal met den meesten nadruk.

"Ik geloof u," hervatte Reede, "ofschoon ik er niets van begrijp:

echter kan ik Bouke en Geert niet verdenken, dat zij zich zooverre

versproken zouden hebben.... wel is waar, de oude vrouw valt wat

praatziek, vooral omtrent den tijd van Mevrouw zaliger: doch gij

ziet mij met ongeduld aan en ik begrijp u. Hoor toe: de geschiedenis

zal ongelukkig kort genoeg zijn. In 1598 lichtte ik een Spaansch

konvooi op: onder de lijken der gesneuvelde Spanjaarden vond ik

een schreiend kind: dat waart gij; uit medelijden trok ik mij uwer

aan en bracht u bij mijn brave vrouw: wij besloten u op te voeden,

en zij deelde haar teederheid tusschen u en Ulrica, totdat zij ons,

helaas te vroeg! ontviel. Sedert beminde ik u als zoon: dit hebt

gij ondervonden: gij weet of ik ooit eenig onderscheid gemaakt heb

tusschen u en Ulrica. Gij zwijgt?--Gij schudt het hoofd?--Is het om

de oorveeg, die ik u straks gegeven heb? Ach! zoo ik geen vaderlijk

hart voor u had, zou ik mij dan uw gewaande Arminianerij zoo sterk

hebben aangetrokken?"

"Spreek daarvan toch niet langer, vader!" zeide Joan: "ik dacht in

dit oogenblik alleen aan de goedheid, die gij mij bewezen hebt en

aan mijn ongeluk, dat ik u niet langer den naam van vader geven mag."

"Dat moogt gij, zoolang ik leef, Joan, want mijn liefde voor u blijft

altijd dezelfde."

"En hebt gij niets meer omtrent mijn geboorte kunnen ontdekken,

dan hetgeen gij mij verhaald hebt?"

"Niets: al mijn nasporingen zijn vruchteloos afgeloopen. Ik betuig u,

niets onbeproefd te hebben gelaten, om naar uw ouderen te vernemen;

doch niemand buiten ons heeft zich uwer aan willen trekken."

Lang nog zaten zij over elkanderen, schoon zij weinig of niets meer

spraken. Joan scheen het beeld der droefheid: hij bleef in gepeinzen

verdiept, en dacht meer na, wat hij vragen wilde, dan hij werkelijk

vroeg. Met den Baron had het tegenovergestelde plaats. Deze scheen

beducht voor vragen en trachtte die zooveel mogelijk te ontwijken:

het voorgevallene bij de overrompeling van 't Spaansche konvooi stond

hem nu weder zoo levendig voor den geest, als op 't oogenblik, toen het

werkelijk voorviel, en gedurig zweefde hem de stervende Velasco voor

oogen. Met opzet had hij diens dood, ja diens naam in zijn verhaal niet

gemeld, en wist niet hoe hij het klaren zou om hem maar geheel buiten

't spel te laten. Eindelijk stond hij op, drukte Joan aan zijn hart,

beval hem aan, bedaard te zijn en van al wat hij gehoord had aan

niemand, vooral aan Ulrica, geen woord te reppen, wenschte hem een

goede nachtrust en begaf zich naar zijn slaapvertrek, waar Bouke,

die reeds lang het laat opblijven zijns meesters verwenscht had,

half slapende binnentrad. Zonder een woord te zeggen liet de Baron

zich ontkleeden, trok naar bed, bleef nog lang peinzen en malen en

geraakte niet dan met den nanacht in slaap.

De Pleegzoon · 第 25 / 50 题