ZESDE HOOFDSTUK.

Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.

Wie zich derf onderwinden

Een' aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.

_Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.

Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking

der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het

buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht

gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu

zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der

Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om

hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd,

en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor

waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet

missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De

Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten

der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen

ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen

dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het

hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn

sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland,

en anderdeels op den Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den

Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden

door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug

van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en

den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over

de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig

gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke,

gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.

Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn

dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van

den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar

terugkeerde. De legers van dien tijd--vooral dat der Staten--leverden

een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van

oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te

strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het

is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte

orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit

zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig

voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem

door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware

de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer

opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten

hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen,

niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner

natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij

algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons

land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en

volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen

Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was,

dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden,

die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig

deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had

er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.

De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen

samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke

ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits

vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als

bovenstaande.

Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de

Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn

andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, 's Vorsten

vriend en leermeester, die hem in 't veld als Kwartiermeester-Generaal

diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder

reden 's Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan 't hoofd der

Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden

moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf

van Bethune, den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere

stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de

Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan

zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels

onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de

Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.

Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin

Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor

bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.

"De Gravin van Falckestein!" zeide Maurits met aandoening: "zij

moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken

aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw

dienst. _Vetter_!" vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther

wendende. "Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht."

Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren,

van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene

groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde,

van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men

gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote

daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra

naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar

rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt

gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan,

dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de

hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen

der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven

op een kleinen afstand van 's Veldheers legertent eerbiedig staan.

Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige

weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend

had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. Horatio Vere echter

kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken:

"_a fine lady, to be sure_ [21], nietwaar?" "Ik heb er niet op gelet,"

antwoordde de Ritmeester: "ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat

mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert." Dit zeggende,

wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.

"_He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the

relation_...." [22]

Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond

zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij

haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar,

en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als

smeekeling voor hem nederboog, niet anders uitbrengen dan deze woorden:

"Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!"

"Sta op, Mevrouw! en neem plaats," zeide Maurits, haar opheffende

en naar een zitplaats geleidende: "gij komt hier bij een vriend,

die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming

betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden

liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot

u zelve, gij zijt diep ontroerd!"

Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en

genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede

te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst,

betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar

nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde

met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche

steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van

het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen,

totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in

het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.

Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar

verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren

zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens

riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.

"_Vetter_!" zeide hij: "maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem

te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar

vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne

Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den

Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons

gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid

mag behouden."--Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan

de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen

van zijn bloedverwant aanbevelende. "Kwijt u wel van uw post,

_Vetter_!" fluisterde hij hem in 't oor, "en verlies uw roem niet,

van een getrouw dienaar der dames te zijn."

Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn

officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich

de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren

in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. "_De par

tous les diables_!" riep Bethune uit: "Sel die Spanjool op onkestoor

sulke moordadikheden pleeken? _et sans vengeance_? Permetteere ons

Son Excellence om te kaan _venger_ so skendikke skelmstukke?"

"Op wie?" vroeg Stevyn glimlachende.

"Oppe wie? Parbleu! _Monsieur le Quartiermaître_! dat isse eene vraak

van een _mathématicien_. _Diable_! _sur tout le monde, pour l'honneur

de l'humanité_."

"_Revenge on die damnd_ vermorderers!" riep Vere.

"Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen

vor eine rache," zeide Graaf Ernst.

"Hoe nu, Mijne Heeren!" zeide Maurits: "wat is uw oogmerk? als ware

Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone

vrouw te gaan wreken?"

"_Pardon, votre Excellence_!!" zeide Bethune; "maar ik bekrijp,

_en vrai chevalier Français_, te moeten omhels _la cause_ van de

bedrukte _beauté_."

"_A child murdered_!" riep Vere: "het roept om wraak _to the Lord_!"

"Ein vertrag zu erbrechen!" hernam Graaf Ernst.

"Recht zoo!" zeide Graaf Maurits: "dit alles roept om wraak! en de

straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten

van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van

allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt,

ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze

nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken

houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk

voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om,

bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel

_tand voor tand_ en _oog voor oog_ is door een betere, zachtere leer

vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om

de onze te wettigen.--En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de

Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb

nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er

laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig

gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne

Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel." Dit gezegd

hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.

"Wiskunstige toomen! _ne sont-ce pas comme qui dirait des brides

mathématiques_?" vroeg Bethune met een spottenden glimlach.

"_The same_," antwoordde Vere; "doch laat u dit niet verwonderen. Gij

zijt nog maar kort bij ons," (vervolgde hij in gebroken Fransch,

hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng);

"maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles

wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter

bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande

ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten

niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden

kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog,

't welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: _vlietende

topswaerheit_: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten,

die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes

zich altijd weder herstelden!"

"_Ah! c'est un grand génie, quo son Excellence_," zeide Bethune:

"_mais pourtant, des brides mathématiques_! _c'est plaisant_! _je

doute que cela prenne_."

"_Et cela prendra cependant_," zeide de Adjudant Marquette tot den

ginnegappenden Franschman: ik ben _certein_, dat ge den ierste zijn

zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt."

"_Je n' en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant_...."

"Komt _meine Herren_!" riep graaf Ernst hun toe: "wollen sie nicht met

kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?"--Dit voorstel

vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein,

dat, achter 's Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid

aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den

tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het

kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en

begaf zich naar zijn kwartier.--"Zijn dat mannen?" mompelde hij onder

't voortgaan: "in 't eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie

om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien

gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de

maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit

een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem

vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!"

Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij

den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters

handschoenen en degenhanger.

"Ik hoor," zeide deze, "dat de genadige vrouw van Falckestein in het

leger geweest is."

"Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een

boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche

wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per

slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft,

ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop

zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders."

"Die arme Graaf!" zeide Bouke: "doch wat kon hij anders van zulke

schelmen verwachten? 't zijn allen fielten en rabauwen: heugt het

UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke

kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef

je den duim, ze nemen je de heele hand."

"Nu," hernam Reede: "ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar

fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne

Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde,

mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de

stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken."

"Juist," merkte Bouke aan: "men moet het ijzer smeden als 't warm is."

De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten

achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het

leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder

Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide

Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai

merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.

"Gij ziet dus, Kessel!" zeide de Graaf, "dat onze leer op goede gronden

steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de

strakheid doen."

"Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen," antwoordde Kessel;

"doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht

gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn,

dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid."

"Ten iersten," zeide Stevyn, "zijn de pikeurs giene wiskunstenaors,

en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden

moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet

verplicht hen te geleuven."

"Eilieve zie eens!" zeide Lieven Cys, "hoe bedrukt de kapitein Reede

daar aan komt wandelen: 't is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo

kauwt hij op zijn hoed."

"Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest," merkte Stevyn aan,

al lachende: "daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den

philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon."

"Gij zult zien," zeide de Graaf, "dat hij mij een verzoek te doen

heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de

verlegenheid helpen.--Kapitein Reede! een woordje met u, als 't u

gelegen komt!"

Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de

Ritmeester aan 's Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van

de Oversten, waarna hij, Reede vlak in 't gezicht ziende, hem aldus

toesprak: "Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het

uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet

hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken

betreft."

"Uwe Excellentie is al te goed," was het antwoord des Ritmeesters:

"en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde

Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen,

die heden...."

"Hoe!" vroeg Maurits: "is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in

zeer zwakken staat bevindt."

"'t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar

in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de

nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand,

die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen

Ulrich von Daun."

"Welnu?" zeide Maurits: "en gij wilt?...."

"Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde," was het antwoord.

"Ik versta u," hernam de Graaf met veel koelheid, "doch een expeditie

ligt niet in mijn plan."

"Uwe Excellentie!...."

"Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of

ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen

weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn

verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren,

die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.

"Mag ik," hernam Reede met aandrang, "mag ik op dat getal geen

uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken

zijn moordenaars."

"Doch waar zult gij hen vinden?"

"Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten

zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met

hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik

een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij

was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik...."

"Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt,

moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester

Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!" vervolgde hij, hem met

gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: "gij zijt een dapper

man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch

of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van

welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan

uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten

en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht

en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan

moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is."

"Niet? O! in 's Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij

zich dan?"

"Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?"

"Als goud, Uwe Excellentie."

"Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware

eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden:

indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk

op het vuur."

"Dan zal ik zorgen mij niet te branden," zeide Reede, met een koele

buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam:

"het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet

voldoen kan."

Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een

patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet

gaan zonder hem mede te nemen.

De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed

opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na

het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten

bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te

ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen,

en hem wekte met dit spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner

volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken."

"Zoo!" zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: "ja het is niet anders:

kom de vorsten iets vragen, dan is 't zelden te huis, hebben zij ons

noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat

is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef

mij eerst mijn pels."

Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, terwijl

hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een

Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak:

"Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet

in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar."

"Waartoe? waarheen? waarop is 't gemunt?" vroeg Reede, terwijl hij zijn

oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.

"Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,"

antwoordde de Luitenant: "UEd weet dat zijn geheimen...."

"Genoeg!" hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met

blijdschap: "ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch

laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een _autoda-fé_ van

mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef

mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen."

"Welk paard zal UEd. berijden?" vroeg Bouke.

"Om 't even: neem 't grauwtje maar!"

"Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!" zeide de

Luitenant: "de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij

duister gezien."

"Bij nacht zijn alle katten grauw," merkte Bouke aan, terwijl hij

zijn meester diens wapenen aanbracht.

"Gekheid, Bouke," zei deze: "de Luitenant heeft gelijk. Zie eens,

Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik

te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... 't

is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen

in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over

aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te

worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden

had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja,

Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat

hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie

zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen

en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in

handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?--Niet!.... dat

spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien

wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb

ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?"

Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht

had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over

het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan

toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke

met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan

door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij

trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug,

die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde

vereenigde, totdat zij in 't open veld waren gekomen. Aldaar kondigde

het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke

door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant

een paar malen, en zijn sein werd op gelijke wijze beantwoord: een

man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op

't hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.

"Heer Ritmeester!" sprak deze: "de tijd is kostbaar; doch een

goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan

honderd ruiters, uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een

konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van

Mendoza getrokken moet zijn.--Geen kwartier voor al wie wederstand

biedt!--Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren

vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u

verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!"

"Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen," zeide Reede vol

blijdschap: "dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek,

dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe

Excellentie!"--En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde

zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het

kamp terugkeerde.

De Pleegzoon · 第 16 / 50 题