Ben ik de beste dan,
Die d'afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?
Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.
_Vondel_, Palamedes.
Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem
opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering
van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij
zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te
rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend
van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest
was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury's, de prachtige
landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche
sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er
geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg
de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa
voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven
elkander aaneengeschakeld achtervolgen:--doch men zag er ook niet
meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der
Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar,
van Teylingen, van Heemstede en van zoovele andere heerlijkheden,
die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen
der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen
opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek,
op kostbare paarden heen en weder dravend:--de oude weelde was
verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu
en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en
paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-,
mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken,
reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de
kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het
tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien
weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat
tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn
verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot
zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest
was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen
waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op
de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan,
om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven.
De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk
gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De
nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge
iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren:
de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes
wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond
onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge
zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het
rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien
morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide
boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten
het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet
ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed
hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had
hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had
verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk
ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf
hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De
smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg
de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven
de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die
aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan
waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan,
om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een
half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want
de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde
laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam
de baas met eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein
met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken;
doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had
aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het,
eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was:
de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig
voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros,
't welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet,
waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, 't zij
door de onhandigheid van den smid, 't zij omdat het arme dier een stuk
glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut
vermoeien wilde en echter niet te laat in 's-Hage wenschte te zijn,
zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde,
om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen
werd. Het geluk diende hem zoo 't scheen, in zijn nasporing: want
bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand
een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op 't oog, om hem een goed
onthaal te beloven. Schoon hij het bij 't naderen voor de Katholieke
Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral
toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door
een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij
steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel
over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem
toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde
voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en
hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw
gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een
der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond,
groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij
staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis
stond, oefende voor 't eerst eenigen invloed op hem uit: 't was of
een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn
en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak,
bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.
In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond,
recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje,
hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een
kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst
versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd
schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of
voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee
bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten,
als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit
hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman
herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee
anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen
te voren op den weg naar Leiden de door ons verhaalde ontmoeting had
gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van
paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer,
dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij
geen aandacht te slaan.
Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de
lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn
samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat
gaven: "neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man
met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze
geheele reis onnut en de kosten in 't water gesmeten. Zoo ik wel
onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar 't leger,
en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om
hem dáár te treffen."
"Welnu," zeide diegene, welke de stool aanhad, "Panne is immers bereid
om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren:
de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig
en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en
blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij
en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de
beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals
die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak
der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd,
hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood
moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds
tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn
ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen,
en hoe hem, in het rijk van 't licht gekomen, de glorierijke kroon
werd opgezet."
"Dat alles weet hij," viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, "en
nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen
ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt,
of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe
ging het laatst in de kerk te 's-Hage? De kans stond schoon: de Graaf
zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in 't leger;
doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel,
en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep,
en omdat toevallig Panne aan 't eind van die streep zit, zoo pakt
die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had
hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet
behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had
durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee
Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen,
dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen."
"Ik hoop," sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende,
"dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij
zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken,
waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar
verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid, die
mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een
daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk
maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de
Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar,
die den ketter Willem van Nassau doodschoot!"--Dit gezegd hebbende,
sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.
"Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?" vroeg nu een der anderen aan
den langen man; "gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!"
"Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior," gaf Eugenio ten antwoord:
"en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras
door Europa weergalmen: "zij is gevallen, die groote Hoer, die op
de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer
der gerechtigheid."
"_Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla
fornic ati sunt_, [7] gelijk de Schrift zegt," voegde Broeder Melchior
er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.
"Hebt gij, Broeder Eugenio!" vroeg nu de vierde der aanzittenden,
"volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om
intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal [8]
te doen profeteeren?"
"Ik ben van gedachten veranderd," antwoordde Broeder Eugenio:
"vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele
des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in 't algemeen;
doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is
onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles
voor haar rekening krijgt en,".... hier begon hij, eensklaps op Panne
wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein
althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen.
Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd
te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de
ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van
't leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben,
dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het
boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te
peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken
en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet
te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want
de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken
kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door
een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de
hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen, verliet
hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg,
en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel
met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede,
niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen,
lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich
genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem
bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden
stil, en de Ritmeester reed verbaasd naar Falckestein terug.....
"Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en
bij dat Satansch erf?"
"Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja
Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden."
"Gij spreekt raadsels."
"Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!"--Hier vertelde hij
hun in weinige woorden 't geen hem was voorgekomen.
"En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst
bedekken?" zeide Reede, op de tanden knersende: "wij zullen hun dat
afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!"
"Voorzichtig om 's hemels wil, of gij bederft alles," zeide
Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden
terughoudende; "gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en
bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?"
"Met sabel en pistolen."
"En uw bediende?"
"Zooals ik: nietwaar Bouke?"
"Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht,
en men moet huilen met...."
"Houd den mond met uw spreekwoorden," grauwde Reede hem toe, terwijl
hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.
"En nu," zeide Falckestein: "hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de
deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer,
en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan
de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil."
"Ja," viel Bouke in, "tot zooverre is 't goed. Overleg is 't halve
werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet
laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het
zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden,
vooral als zij zich verweren...."
"Praatjes!" mompelde Reede: "wij nemen de toomen onzer paarden."
"En onze paarden loopen haroet," zeide Bouke.
"Die jonkman heeft gelijk," sprak Falckestein: "het ware misschien
beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels
naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen."
"Mij dunkt," zeide Bouke, "dat ik daarginds een deur hoor
opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên."
"Dat vervloekte talmen!" riep de heer van Sonheuvel en snelde in
drift de plank over die naar het erf geleidde.
Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het
paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was
gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de
hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek
van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende
komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip
nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet,
gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen
het huis uit. "Redt u," zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers:
"redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot
wel overspringen."
De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de
plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem
volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel
des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem
met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de
andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch
vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld
waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te
maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij
worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in
een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond
klonk nu het bevel: "geef u over, of gij zijt een kind des doods!"
"Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?" vroeg Eugenio: "zijt gij
roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend
dit erf binnendringt?"
"Het voegt u wel dus te spreken," brulde Reede: "vervloekte
Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet."
"Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje." Dus
sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren
door en wierp den vederhoed in 't gras.
"Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang," zeide Falckestein, hem
met zijn degen in de zijde kwetsende.
"En dat is voor u," grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten
vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht,
dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen
Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die
oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel
gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn
weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de
sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl
hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe:
"denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet
herinneren kunt."
"Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren," schreeuwde Reede,
zijn tweede pistool op hem losbrandende.
"Die is raak!" riep Eugenio: "van elk een wond; _sed ultio dabitur
septuagies septies_, [9] als de Schrift zegt."--Met deze woorden reed
hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.
Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp
hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke
had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen
Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen
eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: "ja kereltje,
zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad
ontmoet: 't is alle dagen geen vastenavond!" enz.
Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men
besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden;
dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal
teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees
van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf
zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt,
dat de in 't begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had,
was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich
weggehaald te hebben.
Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien,
den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het
schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die
na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo
de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De
gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke
Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van
herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk
opgehouden en den eigenaars teruggegeven.
Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen
geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot
armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij
zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor
hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den
hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200
£vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd,
alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich
naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk
verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior,
een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de
plaats der bijeenkomsten gediend.
Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding,
dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een
aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was;
zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze
laatste op het schavot groot berouw.