Dan zijne "_Lente-Mijmeringen_, 21 Juni 1855,"

"Mij heugt, toen ik een knaapjen was,

En Mei in 't land gekomen,

Wij zaten 's avonds op 't terras

In schaaûw der lindeboomen,

"Dan sprong ik als een jonge ree

En plukte mij een ruiker,

De Gouvernante schonk ons thee

Ik kreeg dien zonder suiker.

"O, 't blijkt uit alles zonneklaar,

Men mocht in vroeger dagen

Op Lente reeknen ieder jaar;

Wat kon haar toch verjagen?

"Hoe meenge winter ging voorbij,

Dat wij begeerig smachtten

Naar 't lieve Lentejaargetij,

En vruchtloos bleven wachten.

"Met ieder jaar bleef 't winterijs

Wat langer in het water,

En bleef de lucht wat langer grijs,

En kwam de zomer later.

"En nu--'t is reeds de langste dag:

Reeds moest de zomer komen;

En 'k heb in Neêrland, waar ik zag,

Geen voorjaar nog vernomen."

Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak

"_Holland_," of uit zijne "_Zeemansliedjes_," alles zuiver Hollandsch

veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.

Critiek, die gaarne overvraagt, heeft _Van Lennep_ verweten,

dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne

anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot

lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne

snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs

dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige

kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar

ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter,

deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den

populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.

In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet

zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter

terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren

invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt,

zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots

deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur

toch mogelijk blijken het _nationaal-Nederlandsche_ op het spoor

te komen. _Van Lennep_ drukte in zijn persoon en in zijn werk dat

nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.

Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in

het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend

tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen

humor--zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekken onzer

letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis

onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen

valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te

staven. Het is onnoodig op den _Reinaert_, op de "schoone boerden,"

op de "sotternien," op de volksliederen en volksromans te wijzen;

overbodig te herinneren aan den gullen lach van den ronden _Roemer_,

aan de vroolijkheid van _Jan van Hout_, aan de drink- en minneliederen

van _Bredero_ en _Starter_, aan _Hooft's_ "_Warenar_," aan _Vondels_

"_Rommelpot_," aan de maaltijden van _Jan Steen_, de boerenkermissen

van _Ostade_, de _Teniersen_ en _Rubens_, aan de kroegen van _Adriaen

de Brouwer_, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven

van _Frans Hals_--dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht

gesteld.

Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen,

mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar

Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering

van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet

verloren. _Langendijk_, _Troost_, _Asselijn_ en _Bernagie_ bleven onzen

ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden

twee geniale vrouwen in "_Sara Burgerhart_" en "_Willem Leevend_" op

al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat

hadden gezworen. _Van Lennep_ was inzonderheid een echt Nederlander

door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming,

zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave

van _Vondel's_ werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en

historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal

van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld

door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene

grappige anecdote.

Bij _Sijthoff's_ nieuwe uitgaaf van _Van Lennep's_ romantische

werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig

opstel. _Van Lennep's_ leven is het best en uitvoerigst beschreven

door _A. J. de Bull_ in de "_Levensberichten_" der Maatschappij

van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van

geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf

overtreft. Verschillende mannen van naam: _Jonckbleet_, _Réville_,

_Busken Huet_, _Schimmel_ en _Nicolaas Beets_ hebben hunne meening

over _Van Lennep_ gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die

zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid,

zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat,

en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe

uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden

tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen,

dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.

Dr. Jan ten Brink.

De Pleegzoon · 第 9 / 50 题