"Mij heugt, toen ik een knaapjen was,
En Mei in 't land gekomen,
Wij zaten 's avonds op 't terras
In schaaûw der lindeboomen,
"Dan sprong ik als een jonge ree
En plukte mij een ruiker,
De Gouvernante schonk ons thee
Ik kreeg dien zonder suiker.
"O, 't blijkt uit alles zonneklaar,
Men mocht in vroeger dagen
Op Lente reeknen ieder jaar;
Wat kon haar toch verjagen?
"Hoe meenge winter ging voorbij,
Dat wij begeerig smachtten
Naar 't lieve Lentejaargetij,
En vruchtloos bleven wachten.
"Met ieder jaar bleef 't winterijs
Wat langer in het water,
En bleef de lucht wat langer grijs,
En kwam de zomer later.
"En nu--'t is reeds de langste dag:
Reeds moest de zomer komen;
En 'k heb in Neêrland, waar ik zag,
Geen voorjaar nog vernomen."
Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak
"_Holland_," of uit zijne "_Zeemansliedjes_," alles zuiver Hollandsch
veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.
Critiek, die gaarne overvraagt, heeft _Van Lennep_ verweten,
dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne
anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot
lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne
snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs
dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige
kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar
ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter,
deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den
populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.
In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet
zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter
terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren
invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt,
zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots
deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur
toch mogelijk blijken het _nationaal-Nederlandsche_ op het spoor
te komen. _Van Lennep_ drukte in zijn persoon en in zijn werk dat
nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.
Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in
het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend
tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen
humor--zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekken onzer
letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis
onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen
valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te
staven. Het is onnoodig op den _Reinaert_, op de "schoone boerden,"
op de "sotternien," op de volksliederen en volksromans te wijzen;
overbodig te herinneren aan den gullen lach van den ronden _Roemer_,
aan de vroolijkheid van _Jan van Hout_, aan de drink- en minneliederen
van _Bredero_ en _Starter_, aan _Hooft's_ "_Warenar_," aan _Vondels_
"_Rommelpot_," aan de maaltijden van _Jan Steen_, de boerenkermissen
van _Ostade_, de _Teniersen_ en _Rubens_, aan de kroegen van _Adriaen
de Brouwer_, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven
van _Frans Hals_--dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht
gesteld.
Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen,
mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar
Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering
van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet
verloren. _Langendijk_, _Troost_, _Asselijn_ en _Bernagie_ bleven onzen
ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden
twee geniale vrouwen in "_Sara Burgerhart_" en "_Willem Leevend_" op
al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat
hadden gezworen. _Van Lennep_ was inzonderheid een echt Nederlander
door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming,
zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave
van _Vondel's_ werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en
historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal
van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld
door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene
grappige anecdote.
Bij _Sijthoff's_ nieuwe uitgaaf van _Van Lennep's_ romantische
werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig
opstel. _Van Lennep's_ leven is het best en uitvoerigst beschreven
door _A. J. de Bull_ in de "_Levensberichten_" der Maatschappij
van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van
geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf
overtreft. Verschillende mannen van naam: _Jonckbleet_, _Réville_,
_Busken Huet_, _Schimmel_ en _Nicolaas Beets_ hebben hunne meening
over _Van Lennep_ gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die
zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid,
zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat,
en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe
uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden
tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen,
dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.
Dr. Jan ten Brink.