De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende
waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid
spruit--zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van
stijl en voorstelling. _Van Lennep_ heeft behoefte aan juistheid,
nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een
duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. Aan _Walter Scott_,
misschien ook aan den ouden _Dumas_, heeft hij de kunst afgezien een
belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk
zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd
schema van roman--de held of de heldin van onbekende afstamming,
zoekend naar vader of moeder--somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt
ten grondslag aan "_De(n) Pleegzoon_," komt terug in de "_Roos van
Dekama_," en is op breede schaal bewerkt in "_Klaasjen Zevenster_".
Eene zwakheid van _Van Lennep's_ kunst ligt in zekere ongegeneerdheid
ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman "_Elisabeth
Musch_", als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische
roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap,
in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw
_Bosboom-Toussaint_ boven hem. Deze laat zich niet afschrikken
door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en
heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters,
die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk
achterlaten. _Van Lennep_ wil het den lezer naar den zin maken,
wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen
geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend
verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het
aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.
Bij Mevrouw _Bosboom-Toussaint_ ontstaat uit de degelijkheid der
historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds
eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou
kunnen zweemen; bij _Van Lennep_ neemt het verhaal een vluggen,
levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt,
maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. Mevrouw
_Bosboom-Toussaint_ heeft _les défauts de ses qualités_, _Van Lennep_
_les qualités de ses défauts_.
Het best gelukt is zijn "_Ferdinand Huyck_," een voortreffelijk
boek in vele opzichten. Evenals in zijn "_Klaasjen Zevenster_" is
hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd
van alles wat _Van Lennep_ zou voltooien. Hij had de achttiende
eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende
eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen
van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader
_David Jacobus_, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een
juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en
letterkundigen smaak uitmuntte. _Van Lennep_, dien men te recht voor
een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield,
was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.
Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke
brieven.
Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die
misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):
"Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien
niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en
u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer
algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid
van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo
als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke
tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen--en daarom
ook in Engeland zoo geacht en gezien was--was A. R. Falck!--en toch
belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja,
dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in 't licht kwamen, al
de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote
verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald--meest
alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten
of zij er ook in voorkwamen). 't Is waar, Falck citeerde ook Fransch,
Engelsch, Hoogduitsch, enz.--maar had niets, dat op pedanterie geleek,
en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet."
Zij, die _Van Lennep_ gekend hebben, zien met mij den schalkschen
glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen
schreef!
Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw
paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting
der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband
stond. Zijne "_Legenden_," zijne "_Roos van Dekama_", zijne
"_Voorouders_" verraden op menige plaats, dat hij trots zijne
verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om
alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester _Walter Scott_
in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.
Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief
(4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner "_Schets
eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_," handelende over
de middeleeuwen, aanbood:
"Ik las uw boek _voor_ mij _zelf_ met veel belangstelling; doch het
zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een
H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare
kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd
te worden.
"Het is een mooie ontdekking.
"Maar ik lees liever Fransch.
"Indertijd, toen ik Curator van 't Gymnasium was, had _Hofdijk_
ook zoo'n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld
was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het
Middel-Nederlandsche _patois_ en ik verbood het gebruik van dat
boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch
enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe
strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde
naïveteit er van--'t eenige wat dan nog 't gebrek aan vorm, rhythmus,
kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present
en.... lees liever Fransch.
"Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen
bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. 't
Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de _vorm_, de
_dictie_, niets is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar
_poëtische_ gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst
bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden,
bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest
bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere
geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die
zuiverheid van vorm, die samen moesten werken om een wezenlijk schoon
geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit,
dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50ste en 60ste jaar stukken
van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in
zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele
euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken
vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonder Rubens; maar
het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die
Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. 't Moge
het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar "bloemen"--als
_Bredero_ zegt--is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel
niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van
Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er
niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid
voldoet aan 't geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in
den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie,
in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder
vrij anders te denken: _hanc veniam damus, petimusque vicissim_;
maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van
Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld
uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote
schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen
alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar
jaar diens "Egmond" zien vertoonen. "'t Moet mooi zijn," dacht ik,
"omdat het van Goethe is; was 't van een onbekende, ik zou zeggen,
wat een godsjammerlijk prul is dit." Er is een mode in alles; maar
omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men
daarom de Euryanthe leelijk vinden."
Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen
vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn
dood nog eens het woord geef.
In 1867 sprak _Van Lennep_ aldus met volle overtuiging. Uiterst
merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den
als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van "_Ferdinand
Huyck_" en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche,
zuiver Fransche aesthetiek.
Hadde _Van Lennep_ tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich
verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe _Renaissance_,
die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te
gemoet gaat. _Van Lennep_, schrander en helder ziende in de toekomst,
zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden
kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene
slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens
begrepen hebben, dat de afgoderij met sonnetten en raadselachtige
verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer
nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan
voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de
classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vader _David Jacobus_
zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren
_Shakespere_ vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem
alleen _Boileau_ en _Horatius_. Ademend in de classieke atmosfeer zijns
vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij
de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving
aanvaarden. De algemeene geestdrift voor _Walter Scott_ en _Byron_
bracht hem tot zijne "_Legenden_" en zijne _historische romans_. De
bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien
wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de
classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.
De "groote schrijvers" der eeuw van _Louis XIV_ lagen hem na aan het
hart. Hij begreep de schoonheden van _Shakespere_ en Goethe, maar
was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School
van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867,
waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere
koelheid over het _Leerdicht_ te spreken.
"Ik zie niet in"--schreef hij mij--"waarom het _Leerdicht_ een banvloek
verdient, als gij er over uitspreekt. _Bone Deus_, de [Greek: Erga
chai êrerai], de _Georgica_, de _Ars poetica_ ('t zij van Horatius,
't zij van Boileau), de _Ziekte der geleerden_, zooveel heerlijks
en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt,
zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:
"Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!"
"en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem
de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:
"Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux."
Vader _Van Lennep_ maakte zich hier wat al te snel van de zaak
af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De didactische
poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn
vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman,
afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie
en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen
en elke wijsbegeerte--mij dunkt deze teekenen der tijden zouden _Van
Lennep_ niet al te zeer hebben mishaagd.
Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing,
draagt tot opschrift: "Verdiensten der achttiende eeuw." Aan het slot
van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:
"Het gerijmel der 18de eeuw vindt geen genade in uw oogen. 't Spijt
mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den
_Achilles_, uit den _Monzongo_, uit het _Beleg van Haarlem_, uit
den _Agon Sultan van Bantam_, uit de vertalingen door Doornik en
door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten--ten
Kate uitgezonderd--om zulke vaerzen te schrijven. 't Is net hier als
in Frankrijk, waar men zich--een Victor Hugo aan 't hoofd--volstrekt
niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van
onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een
vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad
idem. Als er dat nu niet op aankomt, 't is mij wel; maar voor mij
is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te
behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver
zijn, anders verscheuren zij mij de ooren...."
Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige
wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van
halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden
_Van Lennep_ een antwoord onwaardig keuren.