I.

Het was een warme, liefelijke Meidag in het jaar 1873. Vroolijk

straalde de zon aan den helder blauwen hemel, slechts hier en daar met

fijne, witte, donzige wolkjes bestrooid, en goot haar licht uit over

de woelige kaaien van Antwerpen, over de schepen in dichte rijen voor

de groote koopstad geankerd, over de breede, spiegelende watervlakte

van de Schelde, en over den lagen, groenen, vlaamschen oever aan

de overzijde. Daar lag, snuivend en sissend als van ongeduld, de

stoomboot naar Vlissingen, en twee reizigers traden de loopplank over,

op het dek der boot. Een der reizigers, een Hollander van geboorte,

had geruimen tijd in den vreemde, in het zuiden, vertoefd, en keerde

nu naar zijn land terug. Hij had zijn weg over België en Antwerpen

genomen, om een bezoek te kunnen brengen aan eene der minst bekende

provinciën van Nederland: eene provincie, tot voor betrekkelijk korten

tijd, als te midden der wateren verloren, onbezocht, onbekend en,

bijna meer nog dan door deze natuurlijke hinderpalen, door de vrees

voor een schier als doodelijk berucht klimaat, van het overige des

lands afgezonderd. Vroegere herinneringen hechtten hem aan dat gewest:

nu, uit den vreemde terugkeerend, wilde hij het wederzien, dat niet

vergeten Zeeland, in zijne natuur en zijne menschenwereld nog zoo menig

beeld van den goeden ouden tijd vertoonende. Maar nog een andere reden

had zijne keuze van den weg bepaald. Zijn vriend, die met hem op de

boot stapte, was--ge kondt het der donkere figuur, met haar zwarte,

doordringende oogen, wel aanzien,--een vreemdeling, een zuidlander,

een zoon der bergen, die nimmer de zee had aanschouwd, en die kennis

wenschte te maken met het lage land aan de kusten der Noordzee, waarvan

hij veel had gehoord, maar waarvan hij zich niet recht een denkbeeld

vormen kon. Was er beter middel, om hem het nederlandsche landschap, in

al zijne eigenaardigheid, te doen kennen en waardeeren, dan hem in de

eerste plaats naar Zeeland te voeren? Derwaarts dan richtten onze beide

reizigers hun schreden. Zij hebben dat land doorkruist en doorwandeld,

nederzittende aan den haard der landlieden, in de gelagkamer der

dorpsherberg, toegelaten ook in den salon der aanzienlijken; overal

vriendelijk ontvangen, overal zich beijverende land en volk te leeren

kennen, de trekken op te vangen van het eigenaardige, nationale leven,

helaas, ook hier der verdwijning nabij.

En nu vermeet zich een hunner, enkele bladen uit zijne portefeuille den

welwillenden lezer aan te bieden. Schetsen zijn het, niet meer; losse

teekeningen met de pen, die niets anders bedoelen dan den indruk van

het aanschouwde weer te geven, en zoo mogelijk eenigszins bij te dragen

tot de kennis en waardeering van het in zoo menig opzicht merkwaardige

en karakteristieke gewest, sinds de vroegste dagen onzer historie met

Holland lotgemeen, en door zoo velerlei banden aan Holland verbonden.

Statig klieft de boot de golven der steeds breeder en breeder wordende

rivier. Wij hebben de lage gebouwen van het fort Bath reeds achter ons,

en voor ons uit dwaalt de blik over de wijde, welhaast onafzienbare

watervlakte, door slechts even opdoemende oevers begrensd. Vroolijk

dansen en schitteren de zonnestralen over de kabbelende golfjes van

den koninklijken stroom; de frissche zeewind waait ons koelte tegen;

een eindelooze horizon breidt zich voor ons uit. Een eigenaardig

gezicht. Is het nog eene rivier, waarop wij varen? De lage oevers

verdwijnen bijkans uit het oog; nu en dan vertoonen zich enkele roode

daken, om een spitsen toren gegroept; een stad, een dorp schemert

in de verte, half wegduikend achter lage, groene dijken: het land

is hier niets, het water alles. En zie: is het niet, of zij zich

harer meerderheid, harer kracht bewust is, die prachtige rivier,

zich koesterende in den zonneschijn, en weelderig zich tooiende met

al de tinten, al de schakeeringen, die de speling van het licht over

haar groenachtig-zilveren wateren spreiden kan, tot ze beurtelings

flonkeren als diamanten, of stralen in matten glans als van vloeiend

smaragd? Is zij niet schoon, zoo als ze daar haar licht gekuifde

golfjes, met hun franje van zilverschuim, al huppelend voortstuwt,

de ranke booten, de zware schepen torschende alsof het speelgoed

ware, en al kabbelend de dijken kussende, aan wier voet de zachte

deining wegsterft? Is ze niet schoon, niet bekoorlijk schoon?--Maar

o, ze kan vreeselijk zijn, als ze opstaat in hare kracht, als hare

donkere golven zich opstapelen en in wilde woede het land bedreigen,

maar noode tegen dien aanval bestand, zoo vaak daarvoor bezwijkende....

Welke beelden rezen voor mijne verbeelding, terwijl ik, op het dek

staande, den breeden stroom overzag, waarin de boot een dubbel spoor

van spattend schuim trok. Ik zag mijn vriend aan, die geheel onder

de betoovering verkeerde van dit voor hem ongewone schouwspel, en

wiens blikken de schier eindelooze ruimte poogden te meten. "Schoon,

prachtig!" sprak hij, half voor zich, in de aanschouwing verzonken.

Ja, inderdaad schoon, antwoordde ik; in zijn aard niet minder schoon,

dan uwe bergen met hunne gletschers en sneeuwvelden;--en toch, niet

zonder huivering kan ik haar aanzien, die schoone, verleidelijke,

wellustige rivier. Kent ge het wapen dezer provincie? Het vertoont,

op gouden veld, een leeuw van keel, ter halverlijve zich opheffende uit

azuren en zilveren golven, met het devies: Luctor et Emergo. Sprekender

wapen was daar nooit, welsprekender zelden. In dat beeld, in dat

devies, ligt de gansche geschiedenis van dit land, van dit volk. Luctor

et emergo, ik worstel en drijf boven:--voorwaar, het is Zeelands

lot en bestemming, van den beginne tot heden. Die worsteling hield

nimmer op: Goddank, ondanks wonden en verliezen en persende angsten,

mocht het tot heden het hoofd boven houden.

Een handvol zeewier dreef door 't nat,

Ten spel van wind en golven,

Nu, 't moedig hoofd omhoog gebeurd,

En dan, in 't schuim bedolven;

Maar hobblende op den woesten vloed,

En worstlend met zijn baren,

Kwam 't eindlijk op een oeverplaat

Als eilandje aangevaren.

De stroom bespoelde 't met zijn slib,

Die 't nu eens overdekte,

En dan, aan de eene of andre zij,

Tot waterboordsel strekte.

De zee, in 't bruischen opgezet,

Bewierp het met haar zanden;

De slib bracht nieuwe planten voort

Van zaad uit verre landen.

Die planten vatten nieuwe slijk;

Die, teelde weer gewassen;

En 't hoopjen gronds won telkens aan

Door 't stadige overplassen.

Zoo zijn ze ontstaan, die vele eilanden en platen en schorren,

in den wijden zeeboezem, waarin Rijn en Maas en Schelde hunne

wateren uitstortten. Zoo zijn ze langzamerhand gewassen; en eeuwen

bij eeuwen zijn voorbij gegaan, eer de grauwe weeke zandvlakte,

beurtelings door de wateren overstort, beurtelings zich opheffende

uit de golven, vastheid genoeg verkregen had om den plantengroei ten

bodem te verstrekken; eer het land hoog genoeg gerezen was om niet

bij iederen vloed weder weg te duiken in den schoot des oceaans. Toch

rijst het plekje gronds allengs, en dekt zich met een groen kleed;

maar in de hoog opschietende rietbosschen huist nog maar alleen

de listige otter, loerende op zijn schubbige prooi; op de vochtige

weiden hupt de kievit en nestelt de leeuwerik; en boven de wateren

en de gele zandige oevers zwiert de meeuw in breede kringen: van

ander, hooger leven nog geen spoor.--En wederom gaan eeuwen voorbij:

en daar komen, de groote stroomen afdrijvende in hunne prauwen, of

voorttrekkende langs de oevers, de bewoners van het hooge binnenland,

uit welke oorzaak dan ook hun geboortegrond verlatende om zich nieuwe

woonplaatsen te zoeken. En zij vestigen zich op de groene eilanden,

waar de welige weide hen lokt, waar in zee en rivier, in kreek en

poel, een rijke vangst den visscher loont; en zij bouwen er hunne

hutten op de opgeworpen terpen, om met gezin en have veilig te zijn

voor den wassenden vloed. Zoo neemt de mensch bezit van den grond;

hij weidt zijne runderen, en drijft zijn ploeg door het land; hij

verschalkt het konijn in het duin en den visch in den stroom; hij bouwt

zich vaste woningen, en richt zijne altaren op, en vermenigvuldigt

zich--tot somwijlen, onverwacht, de opgezweepte oceaan zijne bulderende

golven over het land jaagt, en hut en terp vernielt en de bewoners

wegspoelt met al hun have.... Maar toch, de worsteling is begonnen,

om niet meer te eindigen. Voet voor voet wordt de grond op de zee

veroverd, in eeuwenlangen kamp. Is een schor zoo hoog uit de golven

gerezen, dat het gras er wortel schiet en wier en bies het vette

slib terughouden bij deinende ebbe, dan duurt het niet lang of er

worden middelen beraamd, om dien wordenden grond voor goed aan het

water te ontwringen en ter bewoning geschikt te maken. Dan komen

de kloeke arbeidslieden en trekken, in lange rijen, op en neder,

en graven en delven: en waar zij gaan, wast de dijk omhoog, voet

voor voet, en stopt de plassen en werpt een dam op tegen de zee,

die zich terugtrekt, en, hoe onwillig ook, den mensch zijn buit

overlaat. Zoo sluit zich polder aan polder; de eilanden vergrooten

zich; de breede stroomen, die hen scheiden, slinken welhaast tot

smalle rivieren, tot kreken; straks worden ook zij, wegstervende in

het zand, zelven in land herschapen, of als onschadelijke meren en

wateringen ingesloten tusschen de dijken; verwijderde kusten naderen

tot elkander, eilanden hechten zich aan eilanden: steeds breidt het

vasteland zich uit, steeds krimpt het gebied der zee. Waar vroeger

de zoute wateren bruischten en de schepen voeren, daar verrijzen nu

de hoeven met boomgaard en hof, daar grazen de runderen, daar golft

het goudgele graan, daar beurt de kerk hare spits omhoog, omgeven

door de groep vriendelijke huizen. Luctor et emergo!

Maar de zee is een vijand, die nimmer sluimert, die geen rust gunt,

en altijd gereed staat te hernemen, wat hij niet dan gedwongen heeft

afgestaan. Zeeland kent zijne kracht, het geweld dier wateren, die het

van alle zijden omringen, die zijne eilanden omslingeren; het heeft

heugenis van menigen schrikkelijken dag, van menigen bangen nacht,

als de felle orkaan gierde door de zwarte lucht; als de opgezweepte zee

met donderend krijgsgeschreeuw hare golven tegen de schuddende dijken

joeg, tot ze eindelijk, ondermijnd, gebeukt, geteisterd, reddeloos,

scheurden, bezweken, en de wilde wateren met woest triomfgeklater

den polder binnen stroomden, in een oogwenk alles vernielende wat

arbeidzame vlijt en taai geduld hadden gewrocht, het vruchtbare land

herscheppende in een zouten plas.... Then chaos was come again! Dan

begon de worsteling van voren af aan; en wat, na lange jaren arbeidens

en zwoegens, in weinige oogenblikken verloren ging,--het duurde vaak

eeuwen, eer het weer ten deele kon herwonnen worden. Nog kunt gij ze

zien, op menige plek, de sombere gedenkteekenen dezer overwinningen

van het ontembare element: die vale, grauwe vlakten, half slijk,

half water, zich ter nauwernood boven de golven beurende en telkens

overspoeld, van poelen en kreken doorsneden; die weeke zandbanken,

waarin de voet, die ze onvoorzichtiglijk betreedt, soms reddeloos

wegzinkt. Verdronken landen heet men ze: eenmaal stonden daar hoeven

en dorpen, graasde daar het vee, golfde daar het goudgele graan; nu

zijn het naakte wildernissen, naamlooze tusschendingen, door het water

half uitgeworpen, door het land nog niet aanvaard.... Geduld maar,

en ook hier zal de beschermende dijk het rijpende schor omsluiten,

zal de mensch zijn verloren eigendom hernemen, zal leven en welvaart

bloeien, tot... ja, tot dat alles wellicht weer verzinkt om nogmaals

boven te komen.... Luctor et emergo!

Een der treffendste episoden in die lange worsteling is wel de

ondergang van Reimerswael, de aloude stad aan de noord-oostelijke kust

van Zuid-Beveland, aan den linker oever der Ooster-Schelde. Allengs

van gehucht tot dorp, van dorp tot vlek gestegen, werd zij, in 1374,

door den Graaf-Hertog Albrecht van Beieren ommuurd en met stadsrechten

begiftigd. Sedert won zij in macht en voorspoed, en nam weldra hare

plaats in onder de goede, dat wil zeggen stemhebbende, steden van

Zeeland, die het recht hadden afgevaardigden naar de Staten van het

graafschap te zenden. De gunst der Landsheeren bleef haar verzekerd,

ook ondanks voorbijgaande uitspattingen van overmoed en al te dartele

vrijheidszucht, straks weder door boete en onderwerping verzoend. Zoo

deerde het der stede luttel, dat haar burgers, ten jare 1454, na een

dergelijk feit, 's Hertogen stadhouder, bersbeens, blootshoofds ende

in heur hemde, moesten te gemoet treden en hem genade smeeken voor hun

vergrijp tegen de hoogheid van mijnen genadigen Heere den Hertog: zulke

episoden behooren tot de bonte, levensvolle, dramatische geschiedenis

van elke middeleeuwsche stad.--In het begin der zestiende eeuw had zij

het toppunt van haar macht en voorspoed bereikt; in 1528 kreeg zij

van Keizer Karel V de vergunning, dat haar schepenen, in plaats van

driemaal 's weeks, ten gerieve der kooplieden dagelijks recht zouden

mogen spreken: wel een bewijs voor de levendigheid van het verkeer in

de bloeiende, rijke, weelderige koopstad. Ruim twintig jaren later,

in 1549, werd zelfs Koning Filips, met groote staatsie en pracht,

binnen hare muren als Graaf van Zeeland gehuldigd: maar toen had haar

toch reeds de eerste slag getroffen van het onverbiddelijk noodlot,

dat haar in 't eind verderven zou.

De vijfde November 1550 was weder een dier verschrikkelijke dagen in

de geschiedenis van Zeeland, waarin op nieuw de heete strijd om het

bestaan met den onverzoenlijken, onvermoeiden erfvijand moest worden

gestreden. Ditmaal gold het voornamelijk Zuid-Beveland, dat voor ver

het grootste gedeelte geheel werd overstroomd, en zelfs voor een deel

zijn met moeite gewonnen gebied weder aan de golven moest afstaan. Het

verdronken land van Zuid-Beveland, nog heden maar even den grauwen,

valen rug boven de wateren opheffende, getuigt nog altijd van dien

noodlottigen dag. Wel bleef ditmaal de stad zelve gespaard, maar

zij verloor haar gansche rechtsgebied, eene uitgestrektheid van ruim

duizend bunders, waarmede tevens aan een der hoofdbronnen van haar

bestaan, de zoutbereiding, een onherstelbare slag was toegebracht. Doch

de grimmige vijand liet niet af. In Januari 1551 hernieuwt hij zijn

aanval: de dijk, die de stad en het onmiddellijk daaraan grenzende

poldertje beschermt, bezwijkt; het water stroomt de stad binnen,

rijst tot twaalf voet hoog in de kerk, verwoest eene gansche straat,

vernielt alle zeeweringen. Wel wordt, met moeite en groote kosten,

de dijk weer hersteld; maar nauwelijks is dit geschied, of daar

buldert op nieuw de woeste aanvalskreet: den 2den en 3den November

1555 wordt de pas opgeworpen dam wederom vernield en de gansche omtrek

onder water gezet. Was het wonder, dat den burgers van Reimerswael

de moed ontzonk, en zij den dijk niet weder herstelden? Daar lag zij

nu, de ten ondergang gedoemde stad, in het midden der wateren, nog

maar alleen door haar eigen ringmuur beschermd. Doch die muur--hij

mocht een veilige beschutting zijn tegen vijandelijke benden: om den

vijand af te weeren, die nu Reimerswael bedreigde, daartoe bleek hij

onmachtig. Wederom in Januari, in het jaar 1557, blies de gierende

orkaan het sein tot de bestorming: daar rukten ze aan, als wilde

ruiterscharen, de schuimende golven, en wierpen zich op den trillenden,

schuddenden muur, met onwederstaanbaar geweld. Wat baatte tegenweer? De

muur stortte in, de poorten werden vernield: de zegevierende vijand

trok de stad binnen, en verwoestte in weinige uren kerken, kloosters,

het stadhuis, het meerendeel der huizen.... Reimerswael was bijkans

in een puinhoop herschapen.--Toch de moed niet ganschelijk verloren;

de hand aan het werk geslagen, hersteld wat te herstellen was. Zoo

herrees zij weder, de fel geteisterde stad: maar zie, op den 31sten

Augustus des volgenden jaars, tast haar een andere, niet min geduchte

vijand aan. In de weinige, nog overgebleven zoutketen ontstaat,

men weet niet door welke oorzaak, brand: het vuur breidt zich uit,

wint in kracht, grijpt met felle woede rondom zich--en drie vierde

gedeelte der stad ligt in de asch.....

"Denn die Elemente hassen

Das Gebild der Menschenhand."

mompelde mijn vriend, luisterende naar dit somber verhaal.

Ja, het is waar, dat diepzinnige woord des dichters: wel haten zij

de schepping der menschelijke kunst, de ruwe krachten der natuur,

hernam ik; het bleek ook hier. Want mijne treurige geschiedenis is nog

niet ten einde. In Februari 1561, in September 1563, hernieuwt de oude

vijand zijn aanval, en laat op nieuw, in schromelijke verwoestingen,

de teekenen van zijn zegepraal achter. Nu, reddeloos en hulpeloos,

gaf zij den ongelijken strijd op, de arme stad. Haar onvermijdelijken

ondergang voor oogen ziende, onmachtig dien af te wenden, richt zij

zich in 1564 met een bede om hulp tot de Staten van Zeeland, tot

's Konings stadhouder, den Prins van Oranje. Doch de regeering, als

ware het in de zoo herhaalde rampen, die de stad getroffen hadden, een

soort van godsgericht ziende, en haar toestand onredbaar oordeelende,

sluit het oor voor den noodkreet der stervende, en wijst haar terug

met de koele vermaning dat zij zich zelve helpen moest, zooals zij

best kon. Zich zelve helpen! Maar het ontbrak haar aan alles, want van

haar vroegere welvaart was geen spoor meer over; slechts flauwelijk en

met groote moeite, kon zij de rest van haar armzalig leven verdedigen

tegen den vijand, aan wiens genade zij nu was overgeleverd. En hij,

van zijne prooi gewis, haastte zich niet; hij behoefde zich niet

meer in te spannen om de verloren stad te verderven: met spottende,

tergende wreedheid, liet hij haar over aan haar onontkoombaar lot,

aan haar langen doodstrijd. Van nu geen nieuwe watervloeden meer,

geen geweldige worstelingen meer op leven en dood, tusschen den

mensch en de krachten der natuur: neen, een langzaam wegsterven,

alleen verhaast door andere rampen.

Daar waren zware tijden voor geheel het vaderland aangebroken,

en Zeeland had daarin ruimschoots zijn deel. Zuid-Beveland, nog

door de Spanjaarden bezet, maar van alle kanten door de schepen der

Geuzen omsingeld en bedreigd, leed bitter zwaar van de lasten des

oorlogs. Daar tastte, in het laatst van 1573, eene afdeeling van

het Geuzenleger Reimerswael aan, en vermeesterde haar, na korten

wederstand. Maar wat zou men met de gewonnen veste uitvoeren? Zelf

haar te houden, was onmogelijk; den vijand gunde men haar ook niet:

zoo werd de stad door de ruwe bende in brand gestoken en weder

verlaten. En sedert zinkt zij, langzaam, al dieper en dieper, zoo

als de onvoorzichtige wegzinkt in het weeke welzand aan den oever

der zee. Ontmanteld, ontvolkt, tot een schamel dorp gekrompen, doet

zij zelve, in hare uiterste vernedering, afstand van haar rang als

stad, van haar recht om met de vier andere goede steden van Zeeland

ter Statenvergadering te verschijnen. Zoo sleept zij, in ellende

en armoede, haar kommerlijk bestaan voort tot 1631. In September

van dat jaar werd, in het naburige Slaak, dat merkwaardige gevecht

tusschen de spaansche en de staatsche vloten geleverd, door Vondel

in een prachtig gedicht verheerlijkt, en waarbij een groot aantal

spaansche krijgslieden in handen der Zeeuwen vielen. De regeering

vond goed, die krijgsgevangenen, ruim vierduizend in getal, op te

sluiten in het afgelegen dorp, dat eenmaal Reimerswael was geweest;

maar de weinige arme inwoners, op deze gasten niet gesteld, verlieten

nu hunne woonplaats en trokken elders heen, meest naar Tholen. Zoo

bleef de plek verlaten achter, den winden en golven ten prooi, tot

eindelijk, in 1634, op last der Staten-Generaal, de straatsteenen,

alles wat van de vroegere rijke koopstad was overgebleven, in openbare

veiling werden verkocht: de opbrengst dier verkooping--ruim duizend

gulden--werd tusschen de schuldeischers der stad, bij preferentie,

verdeeld!--Dat was het einde van Reimerswael; voor haar faalde het

zeeuwsche devies: zij heeft geworsteld, maar is bezweken. En nog heden,

wanneer bij ebbe de gele zandvlakte droogvalt, herkent men de plek,

waar eenmaal de stad heeft gestaan, de fondamenten der weggespoelde

huizen, den loop der uitgewischte straten: ontroerende sporen van

ondergegaan leven, als de voetstappen dier voorwereldlijke vogelen,

voor immer afgedrukt in het slijk.

En zij is de eenige niet die aldus onderging. Onder de kalme,

lachende, stralende oppervlakte dezer breede wateren slaapt menig vlek,

menig dorp, menige hoeve. Ook hier zou, op menige plek, voor u dat

aangrijpende visioen kunnen rijzen, zoo schoon door Heine geschilderd:

... tief im Meeresgrunde,

Anfangs wie dämmernde Nebel,

Jedoch allmählich farbenbestimmter,

Kirchenkappel und Thürme sich zeigten,

Und endlich, sonnenklar, eine ganze Stadt,

Alterthümlich niederländisch,

Und menschenbelebt.

Bedächtige Männer, schwarzbemäntelt,

Mit weiszen Halskransen und Ehrenketten,

Und langen Degen und langen Gesichtern,

Schreiten über den wimmelnden Marktplatz

Nach dem treppenhohen Rathhaus,

Wo steinerne Kaiserbilder

Wacht halten mit Scepter und Schwert.

Unferne, vor langen Häuserreihn,

Wo spiegelblanke Fenster

Und pyramidisch beschnittene Linden,

Wandeln seidenrauschende Jungfern,

Schlanke Leibchen, die Blumengesichter

Sittsam umschlossen von schwarzen Mützchen

Und hervorquellendem Goldhaar.

Bunte Gesellen, in spanischer Tracht,

Stolzieren vorüber und nicken.

Bejahrte Frauen,

In braunen, verschollnen Gewändern,

Gesangbuch und Rosenkranz in der Hand,

Eilen, trippelnden Schritts,

Nach dem groszen Dome,

Getrieben von Glockengeläute

Und rauschendem Orgelton.

Verwondert het u nog, dat bij een blik op deze schoone, vroolijk

lachende rivier, weemoedige gedachten, sombere beelden, in mijnen

geest oprijzen? Toch, wat ook in den fellen strijd verloren ging,

meer bleef behouden en werd gewonnen. Nog staven wij de oude spreuk:

Luctor et emergo!

Zwijgend staarden wij een poos op het dartel spel der schuimende

golven, door de zon met fonkelende diamanten overstrooid.

"En het volk, dat dit land bewoont?" vroeg mijn vriend.

Het draagt den stempel van zijn land. Open en rond, vrijheidslievend

en onversaagd tot vermetelheid toe, ondernemend en kloek van zin:

zoo heeft het zich getoond in de beste dagen zijner geschiedenis, en

van die deugden is het nog niet geheel ontaard. Van kindsbeen af met

het water vertrouwd, dat hen van alle zijden omgaf, voelden de rappe,

forsche Zeeuwen zich op de stroomen niet minder te huis dan op het

land: visscherij, zeevaart, handel, kaapvaart ook, waren van oudsher

hunne geliefkoosde bezigheden. Zeeuwsche matrozen vormden voor een

goed deel de bemanning van 's Lands vloot; eene gansche reeks der

uitnemendste vlootvoogden en zeehelden was uit Zeeland afkomstig. In

de bange jaren der groote worsteling bleven de Zeeuwen niet achter;

en deze wateren en deze eilanden waren getuige van menig heldenfeit,

van menigen bloedigen kamp, ook met ongelijke krachten tegen de

overmacht bestaan. Met hunne ranke vliebooten zwierven de zeeuwsche

kapers en geuzen, de zeeuwsche ballingen, op de stroomen en langs de

kusten rond, en tastten den vijand aan waar zij hem vonden; als het

schelpdier aan de klip, hechtte zich de kleine boot aan het zware

zeekasteel, en liet niet af voor de trotsche galei in de warrelende

golven was verzonken, of aan den hoogen mast het oranjevendel den

koninklijken standaard vervangen had. Ook op de zeeuwsche wateren

heeft het in dien tachtigjarigen kamp geschuimd, gedonderd en gestormd;

onder al deze rivieren, stroomen en kreken bijna geen enkele, die niet

meer dan eenmaal was roodgekleurd door het bloed van vriend en vijand,

van landzaat en vreemdeling. Zoo werd de aan de zee ontwoekerde grond,

de steeds met ondergang bedreigde en juist daarom te vuriger beminde

vaderlandsche grond, ook vrijgevochten van onrechtmatigen dwang,

van het juk der vreemden, ondragelijk voor den kloeken, vrijen

man, die zich zelven, in eeuwenlange worstelingen met de natuur,

zijn land geschapen had. Het waren geduchte vijanden, die zeeuwsche

waterleeuwen, met wie niet te spotten viel: dat ondervonden, op hun

beurt, Spanjaarden, Engelschen en Franschen. Maar het waren ook

trouwe vrienden, wier hart hun op de tong lag, wier ontvankelijk

gemoed vatbaar was voor de edelste en zachtste indrukken: echte zonen

van hun land, eenvoudig en vriendelijk, ongekunsteld en zachtmoedig,

maar eenmaal in toorn ontbrand, vreeselijk in hun kracht, te duchten

in hun wraak.....

Eene eigenaardige beweging op het dek deed ons opzien: Vlissingen

was in het gezicht.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 2 / 16 题