Typ. Zuid-Holl. Boek- en Handelsdrukkerij.
Nu was alles voorbij....
Zij zat peinzend in de schemering bij het vuur en dacht aan de
liefelijke jaren, die nu voor altijd heen waren, de jaren, licht, en
zonnig voor haar gemaakt door dien éénen, welke nu in de huiskamer
ontbrak en boven stil lag uitgestrekt, ingeslapen om niet weer te
ontwaken.
Buiten blies de herfstwind. Als zij het hoofd zijwaarts leunde tegen
den rug van den grooten, hoogen leunstoel, waarin zij zat, kon zij
de bladeren zien dalen en neerzweven in de breede grintpaden van den
tuin, waar zij bleven vastkleven of terstond weer werden opgejaagd
en voortgedreven.
Hare groote droeve oogen bleven droomerig naar buiten staren. De hooge
populieren en ranke dennen, haar zoo welbekend, bogen hunne toppen
voor den stormwind en richtten zich dan ruischend weer op. Daar boven
gleden de wolken onrustig voort, doorzichtig en ijl, in alle tinten van
grijs en grauw. Op den straatweg liepen nog enkele voorbijgangers, het
hoofd gebogen tegen de wilde stormvlagen, die telkens loeiend uit de
verte naderden en dan voorbijgierden om in de schemering weg te ijlen.
Het was geen aantrekkelijk schouwspel, maar met een weemoedigen,
liefdevollen blik dwaalde haar oog ver en nabij, tot het bleef rusten
op den kleinen, schilderachtigen stal, waarvan zij juist een gedeelte
zien kon;--en zij keek naar de geel-en-bruine kastanjeboomen, die nu
hunne glanzende vruchten bij dozijnen op het dak van den stal lieten
neerregenen; naar de paardenkoppen, in den gevel aangebracht, die
nu zoo treurig voor zich uitstaarden, als wisten zij dat zij spoedig
weer een nieuwen meester krijgen zouden; en naar Toon den koetsier,
tevens huisknecht, die in zijne lange, fladderende, zwart linnen
staljas en op klompen naar buiten kwam. Maar zij zag eigenlijk niets,
want zij dacht aan de welbeminde viervoeters daarbinnen....ach, ook
hen zou zij moeten vaarwel zeggen, hen en den armen trouwen Caesar,
die nu nog aan hare voeten lag uitgestrekt.
Tranen gleden langs hare wangen, vonkelend in den vuurgloed. De
paarden waren tenminste nog jong, maar de arme Cae, reeds tien jaren
haar dagelijksche metgezel, wie zou hem voortaan liefhebben als zij!
Zoo graag zou zij hem medegenomen hebben. Maar tante had geantwoord
dat, "als het kon," moest zij hem liever achterlaten; in een
stadswoning was zulk een groote hond zoo lastig.
"Als het kon."--Neen, het kon eigenlijk niet, het moest
alleen.... Tante's liefde mocht zij niet in de waagschaal stellen
ter wille van eigen wenschen.
En zij bleef zitten peinzen, weer starend in het opvlammende vuur,
de handen in den schoot gevouwen,--kinderhanden, ietwat te bruin,
maar welgevormd, met Slanke, spits toeloopende vingers. Kinderlijk was
hare geheele gestalte, van het fijnbesneden, frissche gezichtje en de
lange bruine vlecht op haar rug, tot haar slanke heupen en onafgeronde
vormen; en zooals zij daar zat in hare jeugdige schoonheid en beschenen
door den vollen gloed van het vuur, vormde zij een vreemd contrast
met het sombere vertrek met zijne vele schaduwen en duistere hoeken,
zijne ledige stoelen, als wachtende op gebruik, zijne sprakelooze
beelden, zijne schilderijen, uit het krijgsmansleven genomen, degens,
geweren en jachttropeeën aan den wand en andere versieringen, die er
alle uitzagen als waren zij bezielde wezens, die veel dachten en veel
zouden kunnen zeggen als zij wilden.
Eindelijk stond zij op en verliet de kamer. Een groote hond volgde
haar met loggen gang, kop en staart neerhangend. Eerst op de trap
hoorde zij zijne nagels tikken op het hout, en zij stond stil om hem
te liefkoozen. Zij zette zich op een der treden neder en drukte zijn
grooten kop tegen haar gezicht.
"Arme Cae! gauw kun je mij niet meer naloopen.... En wij zijn toch
zoolang kameraden geweest!.... Weet je nog hoeveel hij van je hield
en hoe trotsch hij op je was, omdat je van het echte soort waart? Hij
gaf je niet, hoeveel men ook voor je bood. Weet je 't nog?"
Hij wist het ontwijfelbaar zeer goed, want zij had het hem reeds
dikwerf met stralende oogen verteld in de dagen, toen zij nog samen
het veld inrenden of in het grasperk stoeiden en buitelden; maar hij
antwoordde slechts door een vriendelijk gekwispel.
"Kon jij ten minste maar meegaan! Jij weet overal van. Ik zou over
alles met je kunnen praten, over pa en over den tuin en over onze
heerlijke wandelingen; over al de oude kennissen hier en over het
oude huis. Och, Cae, dat zal wel gauw weer verhuurd zijn. Kan je dat
gelooven, dat hier andere menschen wonen zullen?.... Ga maar mee,"
vervolgde zij opstaande. "Neem ook maar afscheid; het is voor het
laatst."
Op de bovengang zag zij rond en luisterde,--neen, er was niemand. De
dienstboden waren liever beneden in de gezellige keuken dan in de
nabijheid eens dooden en de huishoudster zou wel druk bezig zijn
met inpakken.
Behoedzaam opende zij een der talrijke deuren op de bovengang en sloot
die ook weer achter zich toe. Het vertrek waarin zij zich nu bevond,
was een slaapkamer, zooals de meubels aanduidden; maar in het midden
stond op schragen een lijkkist en daarin lag een doode uitgestrekt.
Het was een man in den herfst van 't leven, vijftig jaren oud
misschien. Zeker had hij weinig gedacht te zullen sterven, maar zijn
gelaat droeg nu geen sporen van zorg of bekommering meer. Er lag
vrede op en goedheid en teederheid, zooals die zijn leven lang er
zich op hadden afgespiegeld.
En zij dacht weder aan die laatste uren, waarin hij zich zoo onrustig
en gejaagd getoond had,--om harentwil misschien of omdat hij begon
te gevoelen, dat hij sterven moest....
Zij weende niet, doch stond maar stil te staren op dat dierbare
gelaat, terwijl duizend zoete herinneringen haar weder bestormden en
buiten de wind aan de zonneblinden rukte en de dakgooten rumoerig
kletterden. Eerst toen zij een langen kus op een der kille handen
had gedrukt, een kus, die een wereld van liefde en dankbaarheid
bevatte--en met stijf opeengeklemde lippen de kamer had verlaten,
barstte zij los in een wild, hartbrekend geween.
"Voor het laatst!" snikte zij, en wierp zich in een ander vertrek in
hare volle lengte op den grond.
"Och Cae, och Cae!" zeide zij maar steeds, met beide armen den hond
omklemmend, die zich bij haar hoofd liefkoozend had neergevlijd. "Och
Cae, och Cae!"
En zij ging maar voort op hartstochtelijken toon zijn naam te zeggen
en daarmede, naar het scheen, al haar leed uit te storten, want na
eenigen tijd werd zij rustiger, legde hare kin op hare gevouwen handen
en bleef stil peinzend voor zich uit zien....
Zij dacht aan het nieuwe leven, dat haar wachtte daarginds in die
groote stad, onder bijna vreemde menschen, en bereidde er zich angstig
op voor.... Maar het was immers de laatste wensch van haar stervenden
vader geweest, dat zijn eenige broeder haar tot zich nemen zou. In den
tijd van enkele uren was alles beslist geweest; een telegram heen, een
telegram terug,--en, rustig had de stervende de moede oogen gesloten.
"Vaarwel, mijn lief heiligdom!" zeide zij zacht, terwijl zij het
vriendelijk vertrekje rondzag. "Als hier andere menschen wonen,
denk dan nog eens aan de kleine Renée."
Hoe gelukkig was zij hier geweest, hoe zorgeloos hier ingeslapen, hoe
tevreden ontwaakt! Hier waren hare boeken, hare geliefkoosde gravuren,
hare reissouvenirs, hare gedroogde bloemen en snuisterijen. Hier was
zij omringd geworden door duizenden blijken van de liefde eens vaders,
wiens afgod zij was.
Al deze kleine schatten zouden haar vergezellen; wat oom
wilde medenemen (doch dat bepaalde zich bijna geheel tot eenige
familiesouvenirs) zou ook met haar gaan;--maar dat zou dan ook het
eenige zijn wat haar zou herinneren aan de oude, dierbare woning. Al
het andere zou gemakshalve verkocht worden.
"Jij blijft ten minste bij Toon," zeide zij met gebroken stem tot den
hond, en terwijl zij bij hem neerhurkte en zacht snikte, terwijl zij
sprak, geleek zij meer dan ooit een kind. "En hij heeft mij beloofd dat
hij goed voor je zorgen zou.... Als ik trouw, Cae,--en ik zal erg mijn
best doen er als een jonge dame uit te zien, dan trouw ik eerder--ga
ik in een eigen huis wonen, zie je, en dan schrijf ik dadelijk om je,
hoor! Dat beloof ik je vast. Kijk altijd maar uit als het tijd is
dat oude Peter met de brieventasch komt; eenmaal zal mijn brief er
bij zijn."
Hij kwispelde zacht; blijkbaar was hij zeer gelukkig met haar belofte.
Een andere deur voerde haar in een vertrek, dat blijkbaar tot
studeerkamer had gediend. Boekenkasten stonden in het rond en in het
midden tusschen de vensters was een groote schrijftafel geplaatst,
bedekt met papieren en brochures.
Aan dat kleinere tafeltje ginds was haar plaats altijd geweest. Bijna
alles wat zij wist, had zij van haar vader geleerd; en zij zag zich
weer als klein meisje over haar boeken gebogen, nu en dan heimelijk
uitkijkend naar de zonnige wereld daarbuiten, of glurend naar hare
witte duiven, die op de vensterbanken te kirren of klapwiekend
wegvlogen hoog in de lucht, een zilverwitte stip tegen den blauwen
hemel.
Hier ook had hij haar leeren genieten wat de beste dichters en
schrijvers de menschheid boden. En als de studie-uren voorbij waren,
was zij met hem veld of bosch ingegaan, en hij was kind geweest met
haar. Hij had de eerste lentebloemen met haar gezocht en braambessen
en beukenoten; of meikevers en vlinders met haar gevangen, al naar
het jaargetijde medebracht. Hij had haar het schoone leeren zien en
liefhebben, tehuis zoowel als op reis; hij had haar leeren spelen en
zingen en rijden.... o, hoe bedrijvig en prettig had hij iederen dag
van haar leven voor haar gemaakt!
Zij trad aan het venster en zag naar den slingerenden landweg, waar
zij dien laatsten keer geloopen hadden, nu juist veertien dagen
geleden.... Ach, die vreeselijke veertien dagen!
Onbewust van eenig naderend onheil was zij aan zijn arm, zoo heerlijk
veilig en vertrouwelijk, dien weg opgewandeld. Het was een van die
herfstdagen, wanneer boomen en planten zich nog eens overvloedig
koesteren in den warmen zonneschijn. Nu en dan daalde langzaam en
onhoorbaar een goudgeel boomblad neer, kantelend om en om in de
zoele lucht, als nam het onwillig afscheid van zijn zomerleven;
en de stammen zelf schenen overtrokken met bronskleurig fluweel,
zacht glanzend in het zonnelicht. De paarden stonden roerloos in de
weilanden, zich de vliegen afslaande met hunne staarten, juist alsof
het nog zomer was, en boven de slooten dansten muggen. O, hoe anders
dan nu!.... Was dat alles werkelijk pas veertien dagen geleden?
Zij was zoo aan hem gewoon geweest en aan scheiden had zij nog nooit
gedacht, nooit kunnen denken. Maar nu was hij haar toch van het hart
gescheurd en dat hart lag als gestorven in hare borst.
Hoe ledig scheen de wereld haar, nu er niemand meer leefde, die haar
beminde of zelfs maar toebehoorde. Het leven lag als een last op
hare schouders.
Hoe onzinnig dat die dorpsklok daar nu sloeg en dat alle klokken en
pendules in huis haar nasloegen! Halfzes.... etenstijd. Waarom moest
men eten, waarom wilde men den tijd kennen....?
En somber en afgemat ging zij de trappen weer af naar de huiskamer,
waar nu licht was ontstoken en een gedekte tafel haar wachtte. Maar
zijn vriendelijk gezicht zou haar nooit meer welkom heeten en aan tafel
nooden. Nooit zou zij hier meer voor hem zingen (de ouderwetsche,
militaire liederen, hem dierbaar bovenal) en dan zijn vroolijk
"bravo!" hooren. Nooit meer in de schemering bij het vuur met hem
zitten keuvelen, of in de winteravonden--terwijl buiten de sneeuw
onhoorbaar neerzweefde--luisteren naar zijn heerlijk voorlezen.... Ach,
het was nu alles, alles voorbij!