XVII.

Het was reeds tien uur in den morgen, en nog was Njaedel niet aan

zijn werk begonnen.

In het vertrek, waar hij zat, was de vloer koolzwart, half verrot

stroo en een paar gescheurde dekens zag men in het bed; de klink van

de deur, die toegang tot de keuken gaf, was gebroken waardoor zij half

open stond en onder den schoorsteen stond een zwarte koffieketel op

een klein turfvuurtje.

Met starren blik keek Njaedel door de kleine ruiten. Hij was nog niet

half klaar met het voorjaarswerk, en het was al half April. Zijne

krachtige armen hingen slap langs zijn lijf, de zware baard was om

de hoeken van den mond geheel grijs, en de rug was meer gekromd dan

vroeger. Zoo als hij in dat lage vertrek zat, terwijl de regen in

dikke droppels neerviel en de wind in den schoorsteen gierde, lag

over deze reuzengestalte eene doffe hulpeloosheid.

Zijne gedachten liepen altijd denzelfden cirkel rond, waarin zij zich

nu bijna twee jaren lang hadden bewogen. Zij bepaalden zich slechts

tot "die zaak" waaraan nooit een eind scheen te komen.

Al het geld, dat uitgegeven was, al de goede woorden en beloften van

zijnen broeder, al zijne verwachting en al zijne teleurstellingen,

alles, wat hem al dien tijd in spanning had gehouden, scheen zijne

krachten ontzenuwd en verlamd te hebben; het was, alsof hij streed

met eene donkere, geheimzinnige macht, zonder iets van den strijd

te begrijpen.

Diep in het gebergte had hij tegen bergverzakkingen te strijden gehad,

maar dat was een eerlijke kamp geweest en toen hij het onderspit had

moeten delven, was er een eind aan gekomen. Maar hier werd hij door

iets anders vervolgd. Waar hij zich ook heen wendde, overal stiet

hij tegen iets kouds, iets weeks, dat hij niet verbrijzelen kon en

dat hardnekkig weerstand bleef bieden. Hij ontmoette het op weg,

wanneer hij naar de kerk ging en de lieden voor hem op zij gingen;

hij ontmoette het op het Thing, waar hij bij alle gelegenheden moest

hooren, dat hij voor de rechters was geweest; wanneer hij zijn werk aan

de sloot weder wilde opnemen, zag hij het opnieuw; hij gevoelde zich

als in boeien geslagen; overal ontmoette hij hindernissen, die hij niet

scheen weg te kunnen ruimen en zoo verrichtte hij voortdurend in stal

en huis eigenlijk vrouwenarbeid; want hulp wilde hij niet aanschaffen.

Op de plaats waar hij zat en door de morsige ruitjes tuurde, kon hij

bijna niets van de halfvoltooide sloot zien. Het graven van die sloot

was zijn grootsche plan geweest, toen hij te Krydsvig een poosje was

geweest. Zij zou de grens van het zand uitmaken, zijne hoeve tegen

het drijfzand beschutten. Tevens was hij van plan geweest wilgen,

teenen en helm aan het strand te planten, op de wijze die in de

courant was aangegeven.

Al die plannen waren in duigen gevallen; Börevig zond zijn arbeiders in

grooten getale om wier te halen en hunne diepe wagensporen vertoonden

zich langs zijnen akker, die vlak aan het strand lag, waardoor het

drijfzand, nu nog gemakkelijker dan vroeger, zich eenen weg kon banen.

De opperloods Sechus kwam door de keuken binnen.

"Goeden dag, Njaedel! hier kom ik met een brief van

Christiania." Njaedel zag even op en een glimlach verhelderde zijn

gezicht. De brieven van Christine waren zijne eenige vreugde.

"Wil je koffie hebben, Sechus?"

"Neen, dank je," antwoordde deze; hij had geene groote gedachte van

Njaedels koffie.

Hij opende den brief en schrikte, toen hij de zonderlinge, scheeve

lijnen en het onzeker schrift zag, bovendien had de inkt, overal waar

hare tranen waren gevallen, het papier bevlekt.

Hij las den inhoud voor, die hoewel kort, zooveel bevatte; een

oogenblik later las hij hem opnieuw. Njaedel uitte geen woord, maar

zijn gelaat was doodsbleek geworden. Toen de opperloods den brief op

de tafel legde, nam hij dien in de hand en staarde er op, ofschoon hij

geen schrift kon lezen. Lang had de opperloods zijnen toorn opgekropt,

nu brak die los en hij riep op driftigen toon, terwijl hij van zijnen

stoel sprong: "Hier zit schurkerij achter, Njaedel! zoo waarachtig

als ik Lauritz Boldemann Sechus heet, ben ik er zeker van, dat de

duivel de hand in 't spel heeft. Ik vertrouw je broer niet.... neen,

geen zier, hoor! Eerst heeft hij ons verteld, dat Christine volstrekt

met hem trouwen wilde, maar dat zij bang was, dat haar vader er tegen

zou zijn. Zoo kreeg hij ons er toe haar te bepraten en haar raad te

geven en bracht hij ons in den waan, dat de vreugde en vroolijkheid

er opgeschept waren. Maar ik heb al lang aan Christine's brieven

gemerkt".... verder kwam hij niet want de stem stokte hem in de

keel. Hij ging naar de keuken en snoot daar met veel geweld den neus.

"Neen, neen, neen," antwoordde Njaedel en hij schudde het hoofd,

"je moogt geen kwaad van Anders zeggen, als je met hem bekend waart,

zoo...."

Daar werd de buitendeur voorzichtig geopend en Sören Börevig sloop

door de keuken binnen.

"Wat komt gij hier doen?" schreeuwde Njaedel en sprong op hem

toe. Sören kwam voorzichtig nader maar ging naast den opperloods staan.

"Ik kom de groeten en goede berichten brengen van bekenden in

Amerika. Ik heb vandaag ook eenen brief ontvangen."

Njaedel stopte gauw Christines brief in de lade van de tafel.

"Eerst kan ik den opperloods de groeten van zijne zuster doen; zij

is weduwe geworden, zooals je weet," zeide Sören op zalvenden toon.

Neen, de opperloods had nog geen brief met dat bericht ontvangen. Sören

Börevig haalde nu den brief, dien hij van zijnen broeder had ontvangen,

voor den dag en las luid: "Mrs. Johnson, de zuster van den opperloods

te Krydsvig heeft mij gevraagd hem voor haar te groeten, en te vragen

of hij niet naar Amerika wil komen en bij haar in huis zou willen

wonen, of in de buurt land koopen."

"Daaraan heb ik waarachtig al dikwijls gedacht," bromde de opperloods

in zijnen baard.

"In den brief staat ook nog wat, dat voor jou bestemd is, Njaedel,"

zeide Sören en zag na op welke pagina het stond.

"Ik heb geene bekenden in Amerika," antwoordde Njaedel kort af.

Sören glimlachte een weinig. "Is je geheugen zwak geworden? Kijk hier

staat het: Bij Mrs. Johnson woont ook een meisje van Krydsvig, zij

heet Anna, en zij heeft mij gevraagd hare groeten te doen aan Njaedel

Vatuemo, en hem te zeggen, dat zij het goed heeft, en dat haar jongen

frisch en gezond is en precies zulk rood haar heeft als zijn vader."

Njaedel zag op, dacht een weinig na, en zei daarna op zachten toon:

"wel--heeft hij ook rood haar!"

Sören keek beurtelings Njaedel en Sechus aan en vond dat het oogenblik

gunstig was om te zeggen, waarom hij eigenlijk was gekomen.

"Je bent zeker nog niet klaar met het voorjaarswerk,

Njaedel?" vervolgde hij het gesprek.

"Wat raakt dat jou?" zeide Njaedel dadelijk weer op heftigen toon.

"Och, niet veel, maar zoo gaat het nu eenmaal in de wereld; de buren

willen altijd graag op de hoogte van elkanders zaken zijn. Betaalde

je geen tweeduizend zeven honderd rijksdaalders voor de boerderij--hm?"

Njaedel bromde een onverstaanbaar antwoord.

"Ik praatte wat met den advocaat Tofte, toen hij hier kort geleden

was," ging Sören voort, en schijnbaar onverschillig keek hij uit

het raam, "hij beweerde dat uwe boerderij met eene zware hypotheek

belast is."

"Laat mij met vreê, Sören!" riep Njaedel dreigend uit.

"Nu, nu!" viel de opperloods in, "laat Sören toch voor den dag komen

met wat hem op het hart ligt, want je kunt hem aanzien dat hij iets

te vertellen heeft. Nu, Sören, zeg ronduit wat ge wilt."

Sören Börevig hield er volstrekt niet van op zulk eene wijze zaken

te behandelen, deze twee gingen te recht op den man af; maar in dit

geval was er niets aan te doen, hij moest zich daarnaar voegen.

"Ja.... ik dacht nu zoo bij mij zelf, dat, daar Njaedel nu op eene

met hypotheek bezwaarde hoeve zit, hij mogelijk lust zou hebben haar

te verkoopen?"

"Wat biedt je er voor?" vroeg Njaedel.

"Ho, ho! ik heb niet gezegd, dat ik juist zou willen...."

"Wat biedt je?" herhaalde Njaedel.

"Twee duizend vijf honderd rijksdaalders."

"Voor dien prijs gaat het niet!" riep de opperloods boos uit, "dat

zou precies genoeg zijn om zijne schuld af te lossen. Buitendien

heeft hij zooveel grond ontgonnen, dat er nu dubbel zooveel land bij

de boerderij behoort, als toen hij ze kocht. Neen Sören, je moet een

hooger bod doen!"

"Ik neem het bod aan," zeide Njaedel en hij strekte de hand uit,

"de koop is gesloten."

De opperloods wilde bedenkingen maken, maar Njaedel gaf er hem den

tijd niet toe. Sören Börevig was geheel in de war geraakt; op die

wijze deed hij volstrekt geen zaken, neen dat scheelde wat. Intusschen

haalde hij een gezegeld stuk papier, dat in een stuk van een courant

was gewikkeld, voor den dag. Het was.... ja, het was misschien wel

goed den koop op schrift te hebben. "Ik heb hier een papier.... dat

een koopcontract wordt genoemd en zoo...."

"Je bent een slimme kerel," zeide Njaedel op honenden toon, "geef

mij pen en inkt, Sechus!"

Hoe de opperloods ook tegenstribbelde, het hielp niets. Njaedel nam

de pen en trok eenige dikke strepen, die den naam Njaedel moesten

voorstellen. Voor meer was er geen plaats, maar die naamteekening werd

als voldoende beschouwd. Toen dit geschied was, trok hij zijn buis aan,

zette de pet diep in de oogen en verliet met zware stappen het vertrek.

"Wanneer hij het verlangt, want hij weet vandaag niet recht, wat

hij doet, moet de koop als niet gesloten worden beschouwd, hoor,"

zeide de opperloods, eer hij ging zien, waar Njaedel was heen gegaan.

Sören Börevig vouwde het contract samen, en stak het papier in den

zak met eene grijns, welke de opperloods gelukkig niet zag.

Njaedel liep een weinig voor hem uit de hoogte op, de opperloods

volgde hem op den voet.

Toen zij boven waren gekomen, zeide Sechus: "Je moet met mij mee naar

Amerika trekken."

"Met leege handen," antwoordde Njaedel op mismoedigen toon.

"Met zulke knuisten als gij hebt, kunt ge overal vooruitkomen,"

antwoordde de opperloods, "ik voor mij heb grooten lust er heen te

gaan. Van mijn huisje kan ik dadelijk afkomen, daar is mij dikwijls

geld voor geboden, en het beetje geld dat ik bespaard heb, kan ik

ook dadelijk in handen krijgen. Hier hebben wij niets meer te doen,

Njaedel. Ik betaal het geld voor je overtocht, wanneer je weer iets

begint te verdienen, kun je het mij terug betalen. En bovendien heb

je aan de andere kant van de zee een jongen en ook eene vrouw.... dat

hangt van je zelf af.... ga met mij mee!"

Njaedel was blijven staan en staarde voor zich uit. Hier van de hoogte

gezien scheen al, wat hij gedurende de jaren, die hij er woonde,

verricht had, zoo gering. Hij liet zijne blikken langs de muren om

zijne akkers gaan, waarvan hij elken steen kende en hij dacht aan al

het werk en al de moeite, die hij er aan ten koste had gelegd.

Daarna viel zijn blik op den akker en de half voltooide sloot,

en meer en meer verbitterd werd hij, wanneer hij dacht aan al de

plannen, die hij gemaakt had, toen hij hier kwam wonen. Hij dacht

ook aan den tijd terug, toen de lange Anna nog te Krydsvig woonde,

toen Christine nog thuis was en alles zoo goed ging. Op het zand,

waar de branding tegen de rotsen sloeg, viel zijn oog; de zee lag

grauw en hopeloos vóór hem, zij scheen door den dikken mist, die er

over hing, alle gedachten, die zich naar het Westen wilden richten,

tegen te houden. En hoe donkerder de regenwolken er uitzagen, nadat

de hevige wind was gaan liggen, des te somberder en mismoediger werd

hij gestemd; het was de reactie na de heftige opwelling, waarin hij

zijne boerderij had verkocht, en waarin hij alles had prijs gegeven.

Maar in al zijne zorg over Christine, over zich zelf, over zijn

verspild leven, in al de bekommering die hem nu zoo ter neer drukte,

schenen de laatste woorden van den opperloods eene kleine lichtstraal

aangebracht te hebben. Te midden van dat sombere, droefgeestige grauwe

waarin hij tuurde, ontdekte zijn oog een klein lichtpunt, en meer en

meer nam het in helderheid toe, en kreeg den vorm van een kinderhoofd:

een' klein blank kinderkopje zag hij met roodlokkig haar.

Hij haalde diep adem, en zag met verbaasden blik om zich heen. Daaraan

had hij nooit gedacht! er was nog iets, waarvoor het waard was te

leven, dat hem hoop in de toekomst gaf.

"Wil je met mij gaan?" vroeg zijn vriend weder.

"Ja!" luidde zijn antwoord, en in zijne volle lengte rekte hij zich

uit, "maar eerst wil ik naar Christiania om te zien hoe Christine

het maakt en of ik de zaak in orde kan krijgen!"

"Och neen..... nu is het toch hetzelfde, hoe het met de zaak afloopt

en......"

"Ik wil graag, vóór ik naar Amerika trek, met mijne eigene ooren

hooren zeggen, dat ik gelijk heb," viel Njaedel hem in de rede en

zijne oogen fonkelden.

"Goed, goed!" antwoordde de opperloods, die begreep dat het maar het

best was, hem niet tegen te spreken; "in de lente doen er wel schepen

met landverhuizers Christiania aan, denk ik."

Bij zich zelf vond Sechus het volstrekt zulk een gek plan niet naar

Christiania te gaan. Eerstens was het noodig alvorens te vertrekken,

eens naar Christine te kijken en dan koesterde hij de zoete, stille

hoop, dat het hem in de hoofdstad toch wel gelukken zou, vat te krijgen

op den persoon, die over alle Lensmands, opzichters en ingenieurs

van de openbare wegen geplaatst was. Het zou toch vermakelijk zijn te

ondervinden, dat men in het goede Noorwegen eenen weg in zulk eenen

toestand kon laten.

Arbeiders: Roman · 第 25 / 34 题