Het was reeds tien uur in den morgen, en nog was Njaedel niet aan
zijn werk begonnen.
In het vertrek, waar hij zat, was de vloer koolzwart, half verrot
stroo en een paar gescheurde dekens zag men in het bed; de klink van
de deur, die toegang tot de keuken gaf, was gebroken waardoor zij half
open stond en onder den schoorsteen stond een zwarte koffieketel op
een klein turfvuurtje.
Met starren blik keek Njaedel door de kleine ruiten. Hij was nog niet
half klaar met het voorjaarswerk, en het was al half April. Zijne
krachtige armen hingen slap langs zijn lijf, de zware baard was om
de hoeken van den mond geheel grijs, en de rug was meer gekromd dan
vroeger. Zoo als hij in dat lage vertrek zat, terwijl de regen in
dikke droppels neerviel en de wind in den schoorsteen gierde, lag
over deze reuzengestalte eene doffe hulpeloosheid.
Zijne gedachten liepen altijd denzelfden cirkel rond, waarin zij zich
nu bijna twee jaren lang hadden bewogen. Zij bepaalden zich slechts
tot "die zaak" waaraan nooit een eind scheen te komen.
Al het geld, dat uitgegeven was, al de goede woorden en beloften van
zijnen broeder, al zijne verwachting en al zijne teleurstellingen,
alles, wat hem al dien tijd in spanning had gehouden, scheen zijne
krachten ontzenuwd en verlamd te hebben; het was, alsof hij streed
met eene donkere, geheimzinnige macht, zonder iets van den strijd
te begrijpen.
Diep in het gebergte had hij tegen bergverzakkingen te strijden gehad,
maar dat was een eerlijke kamp geweest en toen hij het onderspit had
moeten delven, was er een eind aan gekomen. Maar hier werd hij door
iets anders vervolgd. Waar hij zich ook heen wendde, overal stiet
hij tegen iets kouds, iets weeks, dat hij niet verbrijzelen kon en
dat hardnekkig weerstand bleef bieden. Hij ontmoette het op weg,
wanneer hij naar de kerk ging en de lieden voor hem op zij gingen;
hij ontmoette het op het Thing, waar hij bij alle gelegenheden moest
hooren, dat hij voor de rechters was geweest; wanneer hij zijn werk aan
de sloot weder wilde opnemen, zag hij het opnieuw; hij gevoelde zich
als in boeien geslagen; overal ontmoette hij hindernissen, die hij niet
scheen weg te kunnen ruimen en zoo verrichtte hij voortdurend in stal
en huis eigenlijk vrouwenarbeid; want hulp wilde hij niet aanschaffen.
Op de plaats waar hij zat en door de morsige ruitjes tuurde, kon hij
bijna niets van de halfvoltooide sloot zien. Het graven van die sloot
was zijn grootsche plan geweest, toen hij te Krydsvig een poosje was
geweest. Zij zou de grens van het zand uitmaken, zijne hoeve tegen
het drijfzand beschutten. Tevens was hij van plan geweest wilgen,
teenen en helm aan het strand te planten, op de wijze die in de
courant was aangegeven.
Al die plannen waren in duigen gevallen; Börevig zond zijn arbeiders in
grooten getale om wier te halen en hunne diepe wagensporen vertoonden
zich langs zijnen akker, die vlak aan het strand lag, waardoor het
drijfzand, nu nog gemakkelijker dan vroeger, zich eenen weg kon banen.
De opperloods Sechus kwam door de keuken binnen.
"Goeden dag, Njaedel! hier kom ik met een brief van
Christiania." Njaedel zag even op en een glimlach verhelderde zijn
gezicht. De brieven van Christine waren zijne eenige vreugde.
"Wil je koffie hebben, Sechus?"
"Neen, dank je," antwoordde deze; hij had geene groote gedachte van
Njaedels koffie.
Hij opende den brief en schrikte, toen hij de zonderlinge, scheeve
lijnen en het onzeker schrift zag, bovendien had de inkt, overal waar
hare tranen waren gevallen, het papier bevlekt.
Hij las den inhoud voor, die hoewel kort, zooveel bevatte; een
oogenblik later las hij hem opnieuw. Njaedel uitte geen woord, maar
zijn gelaat was doodsbleek geworden. Toen de opperloods den brief op
de tafel legde, nam hij dien in de hand en staarde er op, ofschoon hij
geen schrift kon lezen. Lang had de opperloods zijnen toorn opgekropt,
nu brak die los en hij riep op driftigen toon, terwijl hij van zijnen
stoel sprong: "Hier zit schurkerij achter, Njaedel! zoo waarachtig
als ik Lauritz Boldemann Sechus heet, ben ik er zeker van, dat de
duivel de hand in 't spel heeft. Ik vertrouw je broer niet.... neen,
geen zier, hoor! Eerst heeft hij ons verteld, dat Christine volstrekt
met hem trouwen wilde, maar dat zij bang was, dat haar vader er tegen
zou zijn. Zoo kreeg hij ons er toe haar te bepraten en haar raad te
geven en bracht hij ons in den waan, dat de vreugde en vroolijkheid
er opgeschept waren. Maar ik heb al lang aan Christine's brieven
gemerkt".... verder kwam hij niet want de stem stokte hem in de
keel. Hij ging naar de keuken en snoot daar met veel geweld den neus.
"Neen, neen, neen," antwoordde Njaedel en hij schudde het hoofd,
"je moogt geen kwaad van Anders zeggen, als je met hem bekend waart,
zoo...."
Daar werd de buitendeur voorzichtig geopend en Sören Börevig sloop
door de keuken binnen.
"Wat komt gij hier doen?" schreeuwde Njaedel en sprong op hem
toe. Sören kwam voorzichtig nader maar ging naast den opperloods staan.
"Ik kom de groeten en goede berichten brengen van bekenden in
Amerika. Ik heb vandaag ook eenen brief ontvangen."
Njaedel stopte gauw Christines brief in de lade van de tafel.
"Eerst kan ik den opperloods de groeten van zijne zuster doen; zij
is weduwe geworden, zooals je weet," zeide Sören op zalvenden toon.
Neen, de opperloods had nog geen brief met dat bericht ontvangen. Sören
Börevig haalde nu den brief, dien hij van zijnen broeder had ontvangen,
voor den dag en las luid: "Mrs. Johnson, de zuster van den opperloods
te Krydsvig heeft mij gevraagd hem voor haar te groeten, en te vragen
of hij niet naar Amerika wil komen en bij haar in huis zou willen
wonen, of in de buurt land koopen."
"Daaraan heb ik waarachtig al dikwijls gedacht," bromde de opperloods
in zijnen baard.
"In den brief staat ook nog wat, dat voor jou bestemd is, Njaedel,"
zeide Sören en zag na op welke pagina het stond.
"Ik heb geene bekenden in Amerika," antwoordde Njaedel kort af.
Sören glimlachte een weinig. "Is je geheugen zwak geworden? Kijk hier
staat het: Bij Mrs. Johnson woont ook een meisje van Krydsvig, zij
heet Anna, en zij heeft mij gevraagd hare groeten te doen aan Njaedel
Vatuemo, en hem te zeggen, dat zij het goed heeft, en dat haar jongen
frisch en gezond is en precies zulk rood haar heeft als zijn vader."
Njaedel zag op, dacht een weinig na, en zei daarna op zachten toon:
"wel--heeft hij ook rood haar!"
Sören keek beurtelings Njaedel en Sechus aan en vond dat het oogenblik
gunstig was om te zeggen, waarom hij eigenlijk was gekomen.
"Je bent zeker nog niet klaar met het voorjaarswerk,
Njaedel?" vervolgde hij het gesprek.
"Wat raakt dat jou?" zeide Njaedel dadelijk weer op heftigen toon.
"Och, niet veel, maar zoo gaat het nu eenmaal in de wereld; de buren
willen altijd graag op de hoogte van elkanders zaken zijn. Betaalde
je geen tweeduizend zeven honderd rijksdaalders voor de boerderij--hm?"
Njaedel bromde een onverstaanbaar antwoord.
"Ik praatte wat met den advocaat Tofte, toen hij hier kort geleden
was," ging Sören voort, en schijnbaar onverschillig keek hij uit
het raam, "hij beweerde dat uwe boerderij met eene zware hypotheek
belast is."
"Laat mij met vreê, Sören!" riep Njaedel dreigend uit.
"Nu, nu!" viel de opperloods in, "laat Sören toch voor den dag komen
met wat hem op het hart ligt, want je kunt hem aanzien dat hij iets
te vertellen heeft. Nu, Sören, zeg ronduit wat ge wilt."
Sören Börevig hield er volstrekt niet van op zulk eene wijze zaken
te behandelen, deze twee gingen te recht op den man af; maar in dit
geval was er niets aan te doen, hij moest zich daarnaar voegen.
"Ja.... ik dacht nu zoo bij mij zelf, dat, daar Njaedel nu op eene
met hypotheek bezwaarde hoeve zit, hij mogelijk lust zou hebben haar
te verkoopen?"
"Wat biedt je er voor?" vroeg Njaedel.
"Ho, ho! ik heb niet gezegd, dat ik juist zou willen...."
"Wat biedt je?" herhaalde Njaedel.
"Twee duizend vijf honderd rijksdaalders."
"Voor dien prijs gaat het niet!" riep de opperloods boos uit, "dat
zou precies genoeg zijn om zijne schuld af te lossen. Buitendien
heeft hij zooveel grond ontgonnen, dat er nu dubbel zooveel land bij
de boerderij behoort, als toen hij ze kocht. Neen Sören, je moet een
hooger bod doen!"
"Ik neem het bod aan," zeide Njaedel en hij strekte de hand uit,
"de koop is gesloten."
De opperloods wilde bedenkingen maken, maar Njaedel gaf er hem den
tijd niet toe. Sören Börevig was geheel in de war geraakt; op die
wijze deed hij volstrekt geen zaken, neen dat scheelde wat. Intusschen
haalde hij een gezegeld stuk papier, dat in een stuk van een courant
was gewikkeld, voor den dag. Het was.... ja, het was misschien wel
goed den koop op schrift te hebben. "Ik heb hier een papier.... dat
een koopcontract wordt genoemd en zoo...."
"Je bent een slimme kerel," zeide Njaedel op honenden toon, "geef
mij pen en inkt, Sechus!"
Hoe de opperloods ook tegenstribbelde, het hielp niets. Njaedel nam
de pen en trok eenige dikke strepen, die den naam Njaedel moesten
voorstellen. Voor meer was er geen plaats, maar die naamteekening werd
als voldoende beschouwd. Toen dit geschied was, trok hij zijn buis aan,
zette de pet diep in de oogen en verliet met zware stappen het vertrek.
"Wanneer hij het verlangt, want hij weet vandaag niet recht, wat
hij doet, moet de koop als niet gesloten worden beschouwd, hoor,"
zeide de opperloods, eer hij ging zien, waar Njaedel was heen gegaan.
Sören Börevig vouwde het contract samen, en stak het papier in den
zak met eene grijns, welke de opperloods gelukkig niet zag.
Njaedel liep een weinig voor hem uit de hoogte op, de opperloods
volgde hem op den voet.
Toen zij boven waren gekomen, zeide Sechus: "Je moet met mij mee naar
Amerika trekken."
"Met leege handen," antwoordde Njaedel op mismoedigen toon.
"Met zulke knuisten als gij hebt, kunt ge overal vooruitkomen,"
antwoordde de opperloods, "ik voor mij heb grooten lust er heen te
gaan. Van mijn huisje kan ik dadelijk afkomen, daar is mij dikwijls
geld voor geboden, en het beetje geld dat ik bespaard heb, kan ik
ook dadelijk in handen krijgen. Hier hebben wij niets meer te doen,
Njaedel. Ik betaal het geld voor je overtocht, wanneer je weer iets
begint te verdienen, kun je het mij terug betalen. En bovendien heb
je aan de andere kant van de zee een jongen en ook eene vrouw.... dat
hangt van je zelf af.... ga met mij mee!"
Njaedel was blijven staan en staarde voor zich uit. Hier van de hoogte
gezien scheen al, wat hij gedurende de jaren, die hij er woonde,
verricht had, zoo gering. Hij liet zijne blikken langs de muren om
zijne akkers gaan, waarvan hij elken steen kende en hij dacht aan al
het werk en al de moeite, die hij er aan ten koste had gelegd.
Daarna viel zijn blik op den akker en de half voltooide sloot,
en meer en meer verbitterd werd hij, wanneer hij dacht aan al de
plannen, die hij gemaakt had, toen hij hier kwam wonen. Hij dacht
ook aan den tijd terug, toen de lange Anna nog te Krydsvig woonde,
toen Christine nog thuis was en alles zoo goed ging. Op het zand,
waar de branding tegen de rotsen sloeg, viel zijn oog; de zee lag
grauw en hopeloos vóór hem, zij scheen door den dikken mist, die er
over hing, alle gedachten, die zich naar het Westen wilden richten,
tegen te houden. En hoe donkerder de regenwolken er uitzagen, nadat
de hevige wind was gaan liggen, des te somberder en mismoediger werd
hij gestemd; het was de reactie na de heftige opwelling, waarin hij
zijne boerderij had verkocht, en waarin hij alles had prijs gegeven.
Maar in al zijne zorg over Christine, over zich zelf, over zijn
verspild leven, in al de bekommering die hem nu zoo ter neer drukte,
schenen de laatste woorden van den opperloods eene kleine lichtstraal
aangebracht te hebben. Te midden van dat sombere, droefgeestige grauwe
waarin hij tuurde, ontdekte zijn oog een klein lichtpunt, en meer en
meer nam het in helderheid toe, en kreeg den vorm van een kinderhoofd:
een' klein blank kinderkopje zag hij met roodlokkig haar.
Hij haalde diep adem, en zag met verbaasden blik om zich heen. Daaraan
had hij nooit gedacht! er was nog iets, waarvoor het waard was te
leven, dat hem hoop in de toekomst gaf.
"Wil je met mij gaan?" vroeg zijn vriend weder.
"Ja!" luidde zijn antwoord, en in zijne volle lengte rekte hij zich
uit, "maar eerst wil ik naar Christiania om te zien hoe Christine
het maakt en of ik de zaak in orde kan krijgen!"
"Och neen..... nu is het toch hetzelfde, hoe het met de zaak afloopt
en......"
"Ik wil graag, vóór ik naar Amerika trek, met mijne eigene ooren
hooren zeggen, dat ik gelijk heb," viel Njaedel hem in de rede en
zijne oogen fonkelden.
"Goed, goed!" antwoordde de opperloods, die begreep dat het maar het
best was, hem niet tegen te spreken; "in de lente doen er wel schepen
met landverhuizers Christiania aan, denk ik."
Bij zich zelf vond Sechus het volstrekt zulk een gek plan niet naar
Christiania te gaan. Eerstens was het noodig alvorens te vertrekken,
eens naar Christine te kijken en dan koesterde hij de zoete, stille
hoop, dat het hem in de hoofdstad toch wel gelukken zou, vat te krijgen
op den persoon, die over alle Lensmands, opzichters en ingenieurs
van de openbare wegen geplaatst was. Het zou toch vermakelijk zijn te
ondervinden, dat men in het goede Noorwegen eenen weg in zulk eenen
toestand kon laten.