KONING JOHAUSEN.

John Cort had den dokter vroeger in Libreville ontmoet en hij kon

zich dus niet vergissen, het was werkelijk de Duitsche geleerde,

die hier als vorst troonde over het volk der Wagdies!

Zijn geschiedenis is in weinig woorden verhaald. Drie jaar geleden was

hij, aangespoord door de pogingen van professor Garner, uit Malinba

vertrokken, met een escorte negers, die levensmiddelen, ammunitie en

andere onmisbare zaken droegen. Wij weten reeds wat hij in het Oosten

van Kameroen wilde doen: zich vestigen te midden van de apen, om hunne

taal te bestudeeren. Maar welke richting hij zou uitgaan, had hij aan

niemand meegedeeld, want hij wilde alle eer voor zich alleen houden,

en op dit punt was hij inderdaad eenigszins van Lotje getikt.

Wat Khamis en zijne tochtgenooten op hunne terugreis ontdekt hadden,

bewees ontwijfelbaar, dat de dokter in het groote oer-woud de plek

gevonden had, waar de rivier stroomde, die door Max Huber naar hem

gedoopt was. Na zijn escorte te hebben teruggezonden, had hij een

vlot gemaakt en had zich met zijn trouwen inlandschen bediende daar

op ingescheept. Te zamen hadden zij de traliehut op den rechteroever

opgericht en wij weten nog, dat Khamis daar een opschrijfboekje

gevonden had, waaruit bleek, dat de dokter tot 25 Augustus, derhalve

dertig dagen in die hut gewoond had.

Had hij die toen vrijwillig verlaten? Dat was niet waarschijnlijk; men

moest aannemen, dat de Wagdies, die het geheele woud doorkruisten,

want onze vrienden hadden immers tot aan den rand van het woud

hunne lichten gezien, hem hadden gevangen genomen en meegevoerd. De

inlandsche bediende was ongetwijfeld gevlucht, want als deze ook naar

Ngala gebracht was, hadden John Cort en zijne makkers hem moeten zien,

en zeer zeker zou hij anders vandaag ook wel in den koninklijken

stoet verschenen zijn, misschien wel als Eerste Minister.

In elk geval hadden de Wagdies dokter Johausen niet slechter behandeld

dan Khamis en zijn reisgenooten. Waarschijnlijk getroffen door zijn

verstandelijke meerderheid, hadden zij hem tot hunnen Koning gemaakt,

hetgeen ook John Cort of Max Huber overkomen had kunnen zijn, wanneer

de plaats thans niet reeds ingenomen was. En dus bekleedde de Duitsche

geleerde, onder den naam van Vader Spiegel of van Mselo-Tala-Tala,

reeds drie jaren den Wagdieschen troon.

Dit gaf de verklaring van veel wat tot dusver onverklaarbaar was

geweest: hoe verschillende Congoleesche woorden in de taal van deze

primitieve menschen waren gekomen en zelfs eenige Duitsche woorden,

hoe zij wisten om te gaan met een draaiorgel, hoe zij sommige stukken

gereedschap wisten te maken, hoe dus een zekere beschaving over hen

gekomen was.

Dit alles bespraken de twee vrienden met elkaar, toen zij na afloop

van het feest in hunne hut waren teruggekeerd en toen riepen zij

Khamis. Zij brachten hem van alles op de hoogte en toen zei Max Huber:

"Maar nu begrijp ik niet, dat dokter Johausen geen verbazing heeft

getoond over onze tegenwoordigheid in zijn dorp."

"Ja, en ik kan niet begrijpen, waarom hij ons niet in zijn paleis

ontboden heeft", voegde John Cort er bij.

Hoe het zij, het stond vast, dat de geleerde, uitgegaan om tusschen

apen te leven, terecht gekomen was tusschen een volk, dat reeds op

den menschelijken ladder stond en tot dusver nog onbekend was. Hij

had hun het praten niet behoeven te leeren, want dat konden zij

reeds, hoogstens had hij hen wat Congoleesche en Duitsche woorden

bijgebracht. En als geneesheer had hij hen ook nog zulke groote

diensten kunnen bewijzen, dat hij populair was geworden en zij hem

tot hunnen Koning hadden uitgeroepen.

"Het is duidelijk wat wij thans te doen hebben", zei Max Huber,

"ik wil aannemen, dat hij niet weet, dat wij hier zijn, dat onze

tegenwoordigheid voor hem verzwegen is, zelfs dat hij ons daar straks

niet heeft opgemerkt, maar dit alles is voor ons reden te meer,

om hem in zijn paleis op te zoeken."

"Ho, ho!" zei John Cort.

"Ja zeker, en van avond nog; het volk aanbidt hem, het volk zal hem

dus gehoorzamen en hij zal ons in vrijheid stellen en naar de grens

van zijn land laten brengen.

"En als hij dat weigert?"

"Waarom zou hij dat weigeren?"

"Welnu, als hij weigert", antwoordde Max Huber, "dan zal ik hem

zeggen dat hij niet waard is over deze halve negerapen te regeeren,

maar dat hij koning verdiende te zijn over stekelvarkens!"

Maar hoe dit zij, het plan van Max Huber was wel waard eens overwogen

te worden. De gelegenheid was gunstiger dan zij zich waarschijnlijk

ooit zou voordoen. De Wagdies zouden half beschonken hunne roes

uitslapen in hunne hutten, of wezenloos ronddwalen door het woud,

zelfs de krijgslieden hadden door den drank het hoofd verloren,

het koninklijk paleis zou minder streng bewaakt worden dan anders

en het zou waarschijnlijk niet moeilijk zijn, tot in het vertrek van

Mselo-Tala-Tala door te dringen.

Nadat het plan ook de instemming verworven had van Khamis, wachtte

men tot het wat later in den avond en de dronkenschap in het dorp

nog wat algemeener zou zijn.

Eindelijk, omstreeks negen uur, verlieten Max Huber, John Cort,

Llanga en de voorlooper hunne hut. Het was stikdonker buiten, de

laatste toortsen waren uitgebrand. In de verte, aan den anderen kant

van het dorp, klonk verward rumoer.

Onze vrienden, die vast voornemens waren om te ontvluchten,

hetzij dan met of zonder de toestemming van Zijne Majesteit, hadden

natuurlijk hunne karabijnen medegenomen en hunne zakken volgestopt

met patronen. Werden zij tegengehouden of overvallen, dan zouden zij

dus hunne vuurwapenen laten medespreken, een taal, die de Wagdies

nog niet zouden kennen.

Voorzichtig sloop het viertal voort tusschen de hutten, die meerendeels

ledig bleken en op het plein gekomen, zagen zij dat ook dit geheel

verlaten en stikdonker was.

Alleen uit het venster van de koninklijke hut scheen licht.

"Er is niemand", fluisterde John Cort.

En inderdaad had Raggi met de soldaten zijn post verlaten en op dezen

avond was de vorst niet goed bewaakt, indien er in de hut althans geen

"kamerheeren van dienst" zouden zijn!

Langzaam sloop Llanga vooruit en bevond, dat de deur geopend kon

worden door er tegen aan te drukken. John Cort, Max Huber en Khamis

voegden zich dadelijk bij hem en een paar minuten bleven zij scherp

luisteren, gereed om in geval van nood dadelijk te vluchten.

Maar noch in de hut, noch daar buiten werd eenig gerucht gehoord.

Max Huber trad het eerst binnen, op den voet gevolgd door de anderen,

die de deur achter zich sloten. De hut bleek te bestaan uit twee

ineenloopende vertrekken. Het eerste was donker en er was niemand in;

maar door de openstaande tusschendeur zag men een flauw lichtschijnsel

en daar, op een divan tegen den achterwand, lag dokter Johausen.

Blijkbaar was dit meubelstuk met enkele andere, die hier stonden,

tegelijk met den eigenaar uit de getraliede kooi hierheen gebracht.

Maar op het gerucht dat de bezoekers maakten, richtte de dokter zich

half op en wendde hij zijn hoofd om.

Werd hij juist uit een diepen slaap wakker? Het was waarschijnlijk,

want hij scheen de tegenwoordigheid der vreemden niet goed op te

merken.

"Dokter Johausen", zei John Cort in het Duitsch, "mijne vrienden en

ik komen Uwe Majesteit onze hulde betuigen..."

De dokter gaf geen antwoord... Zou hij het niet begrepen hebben? Zou

hij zijn eigen taal vergeten zijn, nu hij drie jaren te midden der

Wagdies gewoond had?

"Verstaat u mij?" hernam John Cort. "Wij zijn vreemden, die hier naar

Ngala gevoerd zijn."

Nog geen antwoord.

Thans kwam Max Huber nader en schudde den Koning tamelijk oneerbiedig

heen en weer.

Als eenig antwoord trok Mselo-Tala-Tala een leelijk gezicht en ... stak

zijn tong tegen de vreemden uit...

"Zou hij gek zijn?" mompelde John Cort.

"Dat zou ik meenen", antwoordde Max Huber.

En ja, de ongelukkige geleerde was door zijn verblijf tusschen de

Wagdies volslagen krankzinnig geworden. Maar juist dientengevolge

was hij waarschijnlijk tot Koning uitgeroepen. Immers ook bij de

Indianen van het verre Westen, bij de Australische wilden wordt een

krankzinnige als een soort heilig wezen geëerd.

Maar thans verklaarde het zich ook, waarom de Koning heel niet naar

de vreemde bezoekers had omgezien, waarom hij hen bij zijn rondgang

niet eens had opgemerkt!

"Wij kunnen op zijn hulp niet rekenen bij onze vlucht", merkte Khamis

zeer practisch op.

"Neen, zeker niet", beaamde John Cort.

"En die zwarte wilden zullen ons nooit goedwillig heen laten gaan",

zei Max Huber. "Er is dus maar één ding: vluchten."

"En wel dadelijk!" voegde Khamis er bij. "Kom mede, wij moeten de

trap trachten te bereiken en het woud insnellen."

"Alles goed en wel", zei Max Huber, "maar de dokter..."

"De dokter?"

"Wij kunnen hem zóó niet achterlaten, het is onze plicht hem te

bevrijden..."

"Maar als hij niet mee wil?" vroeg John Cort.

"Dat zullen wij onderzoeken", hernam Max Huber.

Men begrijpt, dat het niet gemakkelijk zou zijn den zwaarlijvigen

Duitscher mede te slepen, daarom namen de drie mannen hem bij de armen

en poogden hem op te beuren, maar met buitengewone kracht wierp hij

hen van zich af.

"Dokter Johausen!" riep John Cort nog eens en met nadruk, maar de

ongelukkige gaf geenerlei blijk zich dien naam te herinneren.

"Hij wilde tusschen de apen wonen en is zelf een aap geworden",

zei Max Huber.

Er bleef dus niets anders over dan te vluchten en haastig verlieten

zij het vertrek en ijlden naar buiten.

In de Oer-wouden van Afrika · 第 35 / 40 题