ZIJNE MAJESTEIT KONING MSELO-TALA-TALA.

Op dezen dag--of liever op den middag van den 15en April--zou er

eene verandering komen in de anders zoo kalme gewoonten van de

Wagdies. Drie weken lang hadden de gevangenen in Ngala geen enkele

gelegenheid gehad om hunnen tocht dwars door het groote woud in de

richting van de Oebanghi te hervatten. Zij werden goed bewaakt en

waren binnen de onoverschrijdbare grenzen van dit dorp besloten,

zoodat van ontvluchten geen sprake kon zijn.

Nu was het volkomen waar, dat bijvoorbeeld John Cort hier niet om

treurde. Hij toch vond het zeer belangwekkend om studiën te maken van

deze schepsels, die wel een schakel schenen te vormen tusschen den aap

en den mensch. Hij zou hier prachtige bouwstoffen kunnen verzamelen

ter beoordeeling van de zoogenaamde "theorie van Darwin." Maar om de

geleerde wereld van zijn studiën vruchten te doen plukken, zou hij

toch allereerst in Fransch Congo, en in Libreville terug moeten zijn!

Het was prachtig weer. De zon overgoot met licht en warmte de

boomtoppen, die het luchtdorp overschaduwden.

Tusschen John Cort en Max Huber en de familie Lo-Mai was een druk

verkeer ontstaan. Er ging geen dag voorbij zonder dat deze hen in

hunne hut kwam bezoeken, of zij wederkeerig haar een bezoek brachten.

Ongelukkigerwijze was het onzen vrienden nog altijd niet gelukt de

taal der Wagdies te verstaan, al bestond zij ook uit een zeer klein

aantal woorden, daar deze primitieve wezens ook slechts een zeer

beperkt aantal denkbeelden hadden. Wel had John Cort spoedig genoeg de

beteekenis van sommige woorden begrepen, maar dat stelde hem toch nog

niet in staat met de Wagdies een geregeld gesprek te voeren. Het trof

hem echter bizonder, dat in hunne taal eenige inlandsche uitdrukkingen

voorkwamen. Bewees dit niet, dat de Wagdies in verbinding stonden

met de negerstammen aan de Oebanghi? En sterker nog, soms gebruikte

Lo-Mai een woord, dat, hoe verbasterd en verminkt hij het ook uitsprak,

toch blijkbaar aan de Duitsche taal ontleend was.

Zou hieruit moeten worden afgeleid, dat deze inboorlingen reeds eene

ontmoeting hadden gehad met de in Kameroen gevestigde Duitschers? In

dat geval zouden de Amerikaan en de Franschman niet de eer hebben

van dezen stam te hebben ontdekt.--Maar als John Cort tegen Lo-Mai

Duitsch ging spreken, bleek het alweer dat deze er niets van begreep,

hij kende slechts een paar woorden in die taal.

Maar het meest gebruikte woord in elk gesprek bleef altijd

Mselo-Tala-Tala, de naam of de titel van den vorst. Wij weten hoe

vurig onze blanke vrienden verlangden bij dezen potentaat te worden

toegelaten. Als zij dien naam uitspraken, boog Lo-Mai het hoofd ten

teeken van diepen eerbied.

En nu gebeurde het, op den genoemden middag, dat Lo-Mai met vrouw en

kind de hut der vreemdelingen kwam bezoeken.

Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. De man

droeg een krans van veeren om het hoofd en een schort van geweven

boombast, de vrouw een dergelijk schort, in haar lokken eenige groene

bladeren en om den hals een snoer van glazen kralen. Zelfs de kleine

Li-Mai had een kort schortje voor, hij had dus zijn zondagspakje aan,

zooals Max Huber lachend opmerkte en dadelijk vroeg hij:

"Wat zou dat beteekenen, dat zij er zoo deftig uitzien?"

"Het is voor hen zeker een feestdag", antwoordde John Cort.

"Mselo-Tala-Tala", zei Lo-Mai eensklaps, bij het binnenkomen.

"Vadertje met zijn bril", vertaalde Max Huber en hij snelde naar

buiten, meenende dat de Koning op dit oogenblik voorbijkwam.

Hij werd echter teleurgesteld, er was geen schijn of schaduw van Zijne

Majesteit te bespeuren, maar wel zag hij, dat het in het dorp erg

rumoerig was. Van alle kanten kwamen drommen dorpelingen, opgesierd

als de familie Mai en blijkbaar in zeer vroolijke stemming. En alles

trok naar de westgrens van het dorp.

"Er gebeurt iets", zei Max Huber en naar Lo-Mai terugkomende,

herhaalde hij:

"Mselo-Tala-Tala?"

"Mselo-Tala-Tala", antwoordde de man plechtig, kruiste zijn armen

over zijn borst en boog zijn hoofd.

Het eenige wat John Cort en Max Huber hieruit konden afleiden, was,

dat de Wagdies hunnen Koning gingen begroeten en deze zich dus in al

zijn luister aan het verzamelde volk zou vertoonen.

Hunnerzijds konden zij geen deftige kleeren aantrekken, zij hadden

niets dan hun jachtkostuum, tamelijk versleten nog wel. Bijgevolg

konden zij ter eere van Zijne Majesteit geen toilet maken en volgden

zij met Llanga de familie Mai, in hunne daagsche plunje.

Khamis, die om al dat "mindere volk" bitter weinig gaf, bleef "alleen

thuis". Hij zou voor het eten zorgen en de geweren schoon maken,

want met het oog op allerlei gebeurlijkheden moesten die steeds in

de puntjes zijn.

John Cort en Max Huber lieten zich dus door Lo-Mai geleiden, door het

thans zeer drukke dorp. Eigenlijke straten waren er niet, de hutten

stonden onregelmatig, al naar de boomen, of liever hunne takken,

de plaats hadden aangewezen.

Het was zeer vol. Minstens een duizendtal Wagdies stroomden naar het

uiteinde van het dorp, waar het koninklijk paleis stond.

"Zij gedragen zich werkelijk als echte menschen", merkte John Cort op.

"Maar door hunne grimassen lijken het toch echte apen!" antwoordde

Max Huber.

En werkelijk, de Wagdies, anders zoo ernstig, kalm en terughoudend,

waren thans buitengewoon druk en uitgelaten.

Maar altijd nog jegens de vreemdelingen die onverklaarbare

onverschilligheid. Zij schonken hun niet de minste aandacht en waren

dus tegelijkertijd niet zoo opdringerig en lastig, als de Danka's,

de Monboetoes, en andere Afrikaansche negerstammen, en .... als het

beschaafde volk in de groote Europeesche steden tegen vreemdelingen,

die door kleeding of uiterlijk wat anders zijn dan zij!

Na een lange wandeling kwamen Max Huber en John Cort op het voornaamste

"plein" van Ngala, dat door den uitersten boomenrand in het Westen

begrensd werd en waar in dicht lommer de woning van den vorst stond.

Daar stond een dubbele rij krijgslieden opgesteld, gekleed in

antilope-vellen, door lianen bijeengehouden, het hoofd versierd met

den kop van den steenbok, door welker horens de heele troep wel wat op

een kudde geleek. Raggi, de "kolonel", was getooid met een buffelkop,

hij droeg pijl en boog, een bijl in zijn gordel.

"Het schijnt wel dat de Koning een revue over zijn troepen gaat

houden!" zei John Cort.

"Gaat Mselo-Tala-Tala uit?" vroeg Max Huber dadelijk aan Lo-Mai.

"Nu krijgen wij hem dan toch te zien", zei de Franschman, met niet

veel eerbied voor een "gekroond hoofd".

"En laten wij in dien tusschentijd onze oogen maar goed de kost geven",

hernam John Cort.

Het schouwspel was werkelijk belangwekkend genoeg. Het plein besloeg

ongeveer een oppervlakte van een halve hectare en was op het midden

na stampvol van een joelende menigte, maar dank zij de familie Lo-Mai

kregen de beide vreemdelingen een prachtige plaats.

Weldra kwamen op de open ruimte, in het midden van het plein,

een aantal jonge Wagdies, jongens en meisjes, die vroolijk gingen

dansen, terwijl de ouderen daaromheen zich te goed deden aan een

uit tamarinde gegisten drank. Aan muziek ontbrak het ook niet. De

instrumenten bestonden uit kalebassen, waarover een vel gespannen was,

dat met stokken werd geslagen, hetgeen een geluid gaf, om de ooren

van blanken te verscheuren.

"Van maat schijnen zij weinig begrip te hebben", zei John Cort.

"En van melodie nog minder!" antwoordde Max Huber.

"En toch zijn zij gevoelig voor muziek, Max", merkte de Amerikaan op.

"Dat zijn de dieren ook, John, ten minste sommige."

Hoe dit zij, de Wagdies schenen toch werkelijk wel menschen te zijn,

want zij hielden niet alleen van muziek, maar maakten zelven de

instrumenten, wat toch zeker geen enkel dier doet!

Zoo gingen een paar uren voorbij, tot groot ongeduld van

onzen Franschman. Het ergerde hem geweldig, dat Zijne Majesteit

Mselo-Tala-Tala zich nog niet verwaardigde om de hulde van zijne

onderdanen in ontvangst te nemen.

Intusschen werd het feest onder groot getier en veel gedans

voortgezet. De oudere mannen waren flink blijven drinken en kwamen zoo

langzamerhand in een staat van opgewondenheid, die aan dronkenschap

grensde. Het was zeer te bezien of alles wel ordelijk en zonder

ongelukken zou afloopen!

Maar daar ontstond eensklaps diepe stilte. De deur van de koninklijke

hut ging open en de soldaten stelden zich in twee rijen ter weerszijden

daarvan op.

"Zie zoo, eindelijk zullen wij Zijne Majesteit dan zien!" zei Max

Huber.

Maar het was Zijne Majesteit niet, die uit de hut kwam. Een soort

meubel, bedekt met een bladerkleed, werd naar het midden van het

plein gedragen. En wie schetst de verbazing van de twee vrienden,

toen zij in dat meubelstuk een gewoon straatorgel herkenden!

Hoogst waarschijnlijk kwam dit instrument alleen te voorschijn bij

hooge, feestelijke gelegenheden en betuigden de Wagdies aan de muziek,

die er uit voortkwam, den grootsten eerbied.

"Het is het orgel van dokter Johausen", fluisterde John Cort.

"Ja, dat moet", antwoordde Max Huber, "en nu begrijp ik, hoe ik in

den nacht voor wij in dit dorp kwamen, de wals uit de _Freischütz_

heb kunnen hooren."

"En daar heb je mij niets van gezegd, Max!" zei John Cort verwijtend.

"Ik dacht natuurlijk dat ik gedroomd had!" hernam de Franschman.

"In elk geval moeten de Wagdies dit orgel uit de hut van den dokter

gestolen hebben", ging de Amerikaan voort.

"Ja, na eerst dien braven Duitscher vermoord te hebben", antwoordde

Max Huber bitter.

Een reusachtige Wagdie, waarschijnlijk de kapelmeester uit het dorp

ging achter het orgel staan en begon te draaien, en dadelijk weerklonk,

zij het dan ook wat gebrekkig, omdat sommige noten ontbraken,

de meergenoemde wals. Zoo volgde dus op het dansen een concert,

waarnaar de Wagdies met groote ingenomenheid luisterden.

Maar zouden deze brave dorpelingen wel weten, dat er nog andere wijsjes

op het orgel zaten? Deze vraag kwam dadelijk bij John Cort op. En het

was inderdaad niet waarschijnlijk, dat deze zwartjes zouden weten,

dat indien een knopje in het orgel verschoven werd, er een andere

melodie zou komen dan de wals uit de _Freischütz_.

Maar toen een half uur aan deze schepping van Weber besteed was,

hield de zwarte orgelman met een forsche tjingel op en zoo waar,

daar verschoof hij een paar knoppen, precies als onze straatorgelman

dat doet.

"Maar dat is sterk!" riep Max Huber.

En inderdaad, het was zeer vreemd, dat deze wilde, hetzij dan aap of

mensch, wist, hoe hij met een orgel moest omgaan.

Weer begon hij aan de kruk te draaien en daar weerklonk een andere

melodie!

Maar daarmede scheen het repertoire van het orgel dan ook uitgeput. Nog

een uur lang werd er op gespeeld, maar slechts de twee stukken

wisselden elkander beurtelings af. Toen begon het dansen weder en

daar het duister werd staken eenige soldaten toortsen aan, die het

plein fantastisch verlichtten.

Max Huber en John Cort begonnen echter genoeg te krijgen van het

schouwspel en juist wilden zij heengaan om naar hunne hut terug te

keeren, toen Lo-Mai zeide: "Mselo-Tala-Tala".

Zou het waar zijn? Zou Zijne Majesteit zich thans verwaardigen

de hulde van zijn volk in ontvangst te nemen? Bij het koninklijk

paleis ontstond werkelijk eenige beweging, daar ging de deur open,

de lijfwacht stelde zich op en Raggi plaatste zich aan het hoofd er

van. Onmiddellijk daarna verscheen een troon, een oude sopha, bedekt

met lappen en bladeren en gedragen door vier zwarten en daarop troonde

Zijne Majesteit.

Het was een man van ongeveer zestig jaren, met witten baard en

haar en zeer dik, zoodat de dragers aan het vrachtje zeker heel wat

zouden hebben.

De stoel scheen een rondgang te gaan houden over het plein en de

menigte boog zich diep ter aarde in plechtige stilte, alsof zij door

de hooge tegenwoordigheid van Mselo-Tala-Tala betooverd was.

Deze zelf scheen echter tamelijk onverschillig voor die huldebetuiging,

waarop hij naar zijne meening zeker recht had en waaraan hij gewend

was. Te nauwernood gaf hij een flauwen hoofdknik; hij maakte geen

gebaar, geen andere beweging dan dat hij zich een paar malen over

zijn neus krabde, een lange neus met een grooten bril er op, waaraan

hij den naam van Vader Spiegel te danken had.

Toen hij dicht langs onze vrienden kwam, kon John Cort zich niet

weerhouden, uit te roepen:

"Maar het is een mensch!"

"En nog wel een blanke!" liet Max Huber er op volgen.

En inderdaad, er viel niet aan te twijfelen, het personage dat zich

daar zoo deftig liet ronddragen, was zeer zeker geen inboorling,

geen neger, maar een echte, onvervalschte blanke!

"En hij kijkt niet eens naar ons! Hij schijnt ons niet eens op te

merken!" bromde Max Huber. "Wat drommel, wij lijken toch niet op die

halve apen hier!"

"Stil!" zei John Cort, hem bij zijn arm grijpende, "ik herken hem

thans, ik weet wie het is."

"Wie het is?"

"Ja, het is dokter Johausen!"

In de Oer-wouden van Afrika · 第 33 / 40 题