Hoe lang zouden John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga in dit dorp
blijven? Zou alles goed afloopen, zou er geen onraad komen? Van
vluchten kon geen sprake zijn, daartoe werden zij te goed bewaakt. Maar
al ware dit niet het geval geweest, hoe zouden zij dan den rand van
dit onmetelijke woud kunnen bereiken, of de Rio Johausen terugvinden?
Max Huber, die zóó verlangd had naar het vreemde en onverwachte,
had er reeds genoeg van en hij verheelde zijn ongeduld en verlangen
om in Libreville terug te zijn, niet.
Ook Khamis, die op de dorpsbewoners als een laag staand ras, ja als
een soort dieren, bleef neerzien, was zeer verlangend om Ngala te
kunnen verlaten en wat hij doen kon om hiertoe te geraken, zou hij
niet nalaten.
John Cort was minder ongeduldig. Hij vond het belangwekkend om die
nieuwontdekte schepselen waar te nemen en te bestudeeren. Eenige
weken had hij daar wel voor over, maar zou hun verblijf bij de Wagdies
misschien niet veel langer duren? Jaren wellicht? En wat zou het eind
van het avontuur zijn?
Maar tot dusver had men gelukkig nog niets vijandigs kunnen
bespeuren. Vreemd bleef het echter dat die boschbewoners heel niet
verbaasd waren op het zien van menschen.
Max Huber meende, dat men zich tot den Koning, Vader Spiegel, zou
wenden, om hunne vrijheid terug te vragen, maar gesteld dat zij bij
dit hooge personage werden toegelaten, hoe zouden zij elkander dan
verstaan? De Koning zou zeker wel geen Congoleesch spreken.
Intusschen hadden zij bij het betreden van hunne hut eenige
veranderingen gezien, die hun wel bevielen. Allereerst was een Wagdie
bezig "de kamer te doen", als wij deze Europeesche uitdrukking mogen
gebruiken. Het was een bewijs, dat deze stam grooten zin voor netheid
en orde had; trouwens John Cort had reeds opgemerkt, dat zij op hun
lichaam en kleeding ook zeer zindelijk waren. Achter in de hut waren
stapels droge kruiden neergelegd en deze vormden voor onze reizigers,
die zoo dikwijls op den naakten grond geslapen hadden, een heerlijk
bed. Voorts waren eenige potten en pannen neergezet en een voorraad
proviand: allerlei vruchten en een antilopebout.
Ter zijde van de hut was een platte steen, die als haard dienst deed;
er brandden zelfs reeds eenige droge takken op.
De Wagdie, die voor werkmeid speelde, was een jonge man van omstreeks
twintig jaren, met een schrander uiterlijk. Hij wees naar een hoek en
zoo waar, daar zagen John Cort, Max Huber en Khamis hunne karabijnen,
wel wat geroest, maar dat was te herstellen.
"Drommels, die komen te pas!" riep Max blij verrast.
"Maar de patronen?" vroeg John Cort.
"Die zijn hier", antwoordde de voorlooper en hij wees op het ijzeren
kistje, dat achter de deur stond.
Zoo waren al deze kostbare zaken, die Khamis bij het vergaan van het
vlot op de rotsen geslingerd had, door de Wagdies gevonden en behouden
naar hun dorp gebracht.
"Zouden zij geen verstand van vuurwapenen hebben, dat zij ons die
terug geven?" vroeg Max.
"Dat weet ik niet", antwoordde John Cort, "maar blijkbaar weten
zij wel, dat men andermans goed niet mag behouden en dat bewijst,
dat zij eerlijk zijn."
Eensklaps werd buiten met duidelijke stem geroepen:
"Kollo! ... Kollo!"
De jonge Wagdie keek John Cort aan en wees toen herhaaldelijk op zich
zelf. De Amerikaan begreep hieruit, dat het de naam van hunnen nieuwen
bediende was, en toen hij eenige malen het woord Kollo herhaalde,
toonde de jonge man zijn tevredenheid, door vroolijk te lachen.
Uit dit alles bleek, dat de hut geen gevangenis was en dat de bewoners
haar naar verlangen konden verlaten; of zij het dorp zelf dit ook
mochten doen was intusschen nog twijfelachtig.
De vrienden moesten zich dus maar schikken en in het luchtdorp
blijven wonen.
De Wagdies schenen zacht van aard, niet twistziek en ook niet
nieuwsgierig. Lichamelijk bleken zij sterk en buitengewoon vlug en
hun gezicht was bizonder scherp. Als zij op de vogeljacht gingen,
schoten zij die met kleine pijltjes en ook op groote dieren, antilopen,
buffels, misschien zelfs op den rhinoceros jaagden zij in het woud
met goed gevolg. Max Huber had hen op die tochten gaarne vergezeld,
zoowel om hunne wijze van jagen te leeren kennen, als om een poging
te wagen tot ontvluchting.
Meermalen had Max aandrang gevoeld om met zijn karabijn een schot
te lossen op de talrijke vogels, die hier in de boomen huisden,
maar zijn makkers en hij werden dagelijks ruim van allerlei proviand
voorzien. Hunne bediende Kollo liet het hun aan niets ontbreken,
elken dag vernieuwde hij den voorraad water en brandhout. Bovendien
zou het gebruik van het vuurwapen de kracht daarvan geopenbaard hebben
en beter was het, die geheim te houden en de karabijnen in geval van
nood als wapen te gebruiken.
Dat de Wagdies hunnen gasten vleesch bezorgden, kwam hieruit voort,
dat zij zelven ook dit voedsel gebruikten, hetzij geroosterd op een
kolenvuur, of gekookt in eigengemaakte aarden potten. Ook trof onzen
vrienden een andere bizonderheid, waarover zij zeer verheugd waren:
er was zout, dat evenals in Azië en Amerika, hier in het Afrikaansche
woud als mineraal op den grond voorkwam.
Een vraag, die John Cort echter vooral bezig hield, was deze: Hoe
kwamen die boombewoners aan vuur? Wreven zij stukken droog hout tegen
elkander, op de manier van de wilden? Neen, het bleek hem, dat zij
vuursteenen gebruikten en de vonken in droog mos of dorre bladeren
lieten springen.
Behalve vleesch en plantaardig voedsel, allerlei wortels en vruchten,
de laatste vooral van den onwaardeerbaren boabab of apenbroodboom,
bananen en vijgen, aten de Wagdies ook honing en zij waren zeer
schrander in het vinden van de bijennesten. Bovendien bevatte een
stroom, die niet ver van het luchtdorp liep, zeer veel visch, die de
Wagdies evenzoo vingen en aten.
Maar was die stroom bevaarbaar en gebruikten de Wagdies ook
vaartuigen? Dit te weten was voor onze vrienden van groot belang,
in geval van ontvluchting.
Aan den rand van het dorp, dicht bij de koninklijke hut, was die
stroom te zien en scheen hij dertig à veertig voet breed, terwijl hij
op korten afstand achter de reusachtige gomboomen verdween. Inderdaad
werd hij door de Wagdies bevaren, waarbij zij gebruik maakten van
een soort kano's gemaakt van uitgeholde boomstammen.
Dit alles was door Khamis ontdekt, die herhaaldelijk getracht had
buiten het dorp te komen, maar steeds hadden de schildwachten bij den
trap hem dit belet. Zij waren daarbij niet altijd even vriendelijk en
eenmaal zou hij misschien zelfs mishandeld geworden zijn, als Lo-Mai,
door het tumult aangelokt, niet tusschenbeide ware gekomen.
Deze laatste had het vooral aan den stok met een grooten Wagdie, dien
men Raggi noemde. Aan de dierenhuiden die hij droeg en aan de veeren in
zijn haar kon men zien, dat hij de chef van de strijdbare mannen was.
Onze vrienden hadden gehoopt, dat zij naar aanleiding van dit voorval,
voor den Koning zouden zijn geleid en dus gelegenheid zouden hebben
gekregen dezen potentaat, die door zijn onderdanen zoo angstvallig
verborgen werd gehouden, eindelijk te zien. Maar dit gebeurde
niet. Raggi scheen de hoogste macht te hebben en beter was het zijn
toorn maar niet meer op te wekken.
Op een dag--het was de 9e April--ontstond eensklaps een hevig
tumult. Van den kant der rivier klonken luide kreten.
Was dit een aanval op het dorp, door wezens gelijksoortig aan de
Wagdies? Dit zou inderdaad hoogst ernstig zijn, vooral wanneer de
aanvallers de boomen waarop het geheele dorp rustte, in brand zouden
gaan steken!
Onmiddellijk waren Raggi en een dertigtal mannen naar den trap gesneld,
dien zij met aapachtige vlugheid afsprongen. John Cort, Max Huber
en Khamis waren met Lo-Mai naar den kant van het dorp geloopen,
waar het gedeelte van de rivier te zien was.
Het bleek dat een groote troep wilde zwijnen, van het soort dat de
Transvalers "boschvarken" en de Engelschen "bush-pig" noemen, op den
linkeroever was verschenen.
Deze dieren zijn iets kleiner dan het wilde zwijn uit Europa, hebben
zijdeachtig haar, oranjeachtig bruin van kleur en kwastjes aan de
ooren, terwijl de mannetjes kromme slagtanden hebben, evenals het
Babiroesa-zwijn.
Onze vrienden waren van hunne standplaats getuige van den strijd,
die kort, maar niet zonder gevaar was. De Wagdies legden grooten moed
aan den dag; met bijlen gewapend, sommige ook met speren, stortten
zij zich tusschen de troep en na een uur waren verscheidene zwijnen
neergeveld en de overige op de vlucht gejaagd.
Max Huber had zijn karabijn wel willen halen, maar de voorzichtige
John Cort had hem dit ontraden. Beter was het, met het gebruik der
vuurwapens te wachten, tot het bepaald nuttig of noodig zou zijn.